Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
10 avril 2013 3 10 /04 /avril /2013 22:30

 

MartheMaerenGOD.jpg

Tot nog toe heeft Marthe Maeren (pseudoniem van Bernadette Demeulenaere, °Knokke, 1958) vier misdaadromans op haar actief, telkens met meester Frieda Degraeve en haar jonge medewerker Seppe Verdonk in de hoofdrollen. Maeren studeerde rechten en criminologie aan de Universiteit Gent en is sinds 1986 advocate aan de balie te Gent. In 1992 werd ze vennoot van een groot advocatenkantoor. Bij Manteau, haar vaste uitgever, verschijnt haar vijfde roman, God is een vrouw.

*

Meester Frieda Degraeve heeft een uitgesproken interesse voor kerkgeschiedenis. Met haar opdrachtgever (een mysterieuze priester met een topfunctie in het Archivum Secretum van het Vaticaan) komt ze op het spoor van het graf van Johanna, de legendarische vrouwelijke paus uit de negende eeuw. Frieda en haar gezel ondernemen een levensgevaarlijke zoektocht naar Praag, Fulda, Athene en Rome naar het graf dat de Congregatie voor de Geloofsleer koste wat het kost vernietigd wil zien. Is de troon van Petrus die van Maria Magdalena? De waarheid overtreft de stoutste veronderstellingen van speurneus Frieda Degraeve, en haalt uiteraard – wat dacht u wel? – de fundamenten van het katholicisme onderuit.

*

Die basisingrediënten worden nu al decennialang in allerlei thrillers en films gedoseerd en al dan niet geslaagd gemixt opgediend: het mythische geheim archief van het Vaticaan, Maria Magdalena, de pogingen van Rome om de waarheid in de doofpot te smoren (zo nodig met misdadige middelen) – dat alles blijft blijkbaar de verbeelding prikkelen...

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
10 avril 2013 3 10 /04 /avril /2013 18:00

 

MED207blog.jpg

Aflevering 207 van de Mededelingen verscheen op 9 april. In het redactioneel bekent Henri-Floris Jespers dat hij in maart weer eens een paar keer miljonair is geworden.

Neen, helemaal niet dankzij oordeelkundige beleggingen. De derde prijs van de Microsoft Edinburgh Award 2012 bracht mij het luttele bedrag van 850.000 £ op. Bovendien werden mij uit Afrika voordelige commissies in het vooruitzicht gesteld in ruil voor enige eenvoudige bemiddeling.

Banken blijven alert op de belangen van hun cliënteel waken. Ik kreeg dan ook meer dan tien berichten van BNP Paribas Fortis, die eindelijk ernstig werk maakt van een nieuw beveilingssyteem: de bank meldde mij technische storingen en installeerde een nieuwe software voor mijn internetbankieren. Bij KBC Bank sta ik er slechter voor: gisteren ontving ik immers zes mails “internetbankieren op slot”!

Je moet het maar allemaal meemaken. Ik troost mij bij de gedachte dat ik niet de enige ben...

Tot overmaat van ramp meldt de enige bank waar ik wel een rekening heb dat mijn internetbankieren ernstig bedreigd wordt...

Ik heb dus in de komende dagen heel wat werk voor de boeg. Vadsig en administratief slordig als ik ben, komt daar natuurlijk niks van in huis.

*

Na vijf Cahiers van het CDR (uitgeverij Jef Meert, Antwerpen, 1999-2000) verscheen de eerste aflevering van de Mededelingen van het CDR op 13 juni 2003. De blog werd opgestart op 6 januari 2008. Vorig jaar werden gemiddeld ietsjes meer dan 5.000 unieke bezoekers per maand genoteerd.

Het werd dus hoogtijd een en ander te reorganiseren, wat nu gebeurde, zoals blijkt uit de colofon. Zowel het tijdschrift (elektroniche en papieren editie) als de blog verschijnen voortaan onder redactie van Bert Bevers, Joke van den Brandt, Frank Ivo van Damme, Henri-Floris Jespers (hoofdredacteur), Guido Lauwaert, Luc Pay, Jan Scheirs, Lucienne Stassaert en Frank De Vos.

Het secretariaat wordt verder waargenomen door Karin Lebacq:

mededelingen@lebacq.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
10 avril 2013 3 10 /04 /avril /2013 10:00

 

Tim-Ceustermans--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
9 avril 2013 2 09 /04 /avril /2013 19:00

 

4.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Een beetje Sanskriet morfologie: een 'exemplum' (voorbeeld) van de verbuiging van een woord dat "arbor" (boom) betekent.


Wat is het belang van de GG voor de huidige taalkunde in het algemeen en voor de Indogermanistiek in het bijzonder?

 

Voor de huidige taalkunde is de GG niet bijzonder belangrijk. Hij is wél interessant vanuit een wetenschaps-historisch standpunt omdat hij, ten eerste, aan de basis ligt van de allereerste gedrukte Sanskriet grammatica in het Westen, met name die van Paulinus. Die is destijds wel vrij slecht ontvangen omdat Paulinus tamelijk veel fouten had gemaakt én omdat het Devanagari bij de onderzoekers net het pleit gewonnen had van het Malayalam. Ik kan niet genoeg de bijdrage van Christophe Vielle beklemtonen, die heel goed thuis is in de Indische alfabetten, ook in het zeer moeilijke Malayalam schrift waar de ligaturen op elkaar gestapeld worden. Hij heeft echt een ontzaglijke prestatie geleverd door al die woorden correct te lezen.

Meer algemeen ligt het belang van de GG op het cultuur-historische vlak of op het domein van de intellectuele geschiedenis. Het is immers vrij merkwaardig dat missionarissen zich inlieten met het samenstellen van een Sanskriet-grammatica. Hun bedoeling was in eerste instantie om grammatica's te maken van vernaculaire (levende) talen zodat die leerboeken door hun opvolgers gebruikt konden worden om de plaatselijke bevolking makkelijker tot het christendom te bekeren. Het Sanskriet echter was geen levende maar een liturgische taal, gebruikt door de hindoes. De missionering in India was dus blijkbaar geen eenrichtingsverkeer: de missionarissen waren niet alleen geïnteresseerd in hun eigen godsdienst of hun eigen culturele begrippenkader, die ze dan wilden opdringen aan de lokale bevolking. De missionaris-grammatica's van het Sanskriet tonen integendeel aan dat er ook beïnvloeding mogelijk was in de andere richting: de plaatselijke godsdienst leek zo indrukwekkend in de ogen van de paters dat ze tevens ontzag kregen voor de bijhorende liturgische taal. Zowel Paulinus als Hanxleden lieten zich enthousiast uit over het Sanskriet – je zou bijna kunnen stellen dat ze er 'verliefd' op waren – en waren daardoor ook vatbaar voor het culturele leven van de landen die ze bezochten.

 

Voor de voorbereiding van dit interview vond ik, begin september 2012, een volledige fotografische weergave van de GG op http://www.harekrsna.com/sun/features/11-10/grammatica.pdf (al wordt ze daar "a preliminary photographical reproduction" genoemd), voorafgegaan door een begeleidende notitie van je collega Jean-Claude Muller. Die weergave is daar trouwens nog steeds raadpleegbaar en downloadbaar. Hoe is het mogelijk dat deze reproductie, die overigens van een uitstekende kwaliteit is, daar terecht is gekomen?

 

 

Het gaat om een reproductie van Paolo Aranha, een godsdientwetenschapper die ook in de buurt was en foto’s heeft genomen.

 

Wat mogen we aan publicaties van of rond de GG verwachten in de toekomst? In hoeverre ben je zelf bij verdere research of tekstuitgaven betrokken?

 

De eerste stap is gezet: er staat nu een diplomatische uitgave on-line, d.w.z. enerzijds de fotografische reproductie en anderzijds de transcriptie, precies om geen discussie te laten bestaan over wat er precies in het manuscript geschreven is in de oorspronkelijke lettertekens. We hebben zelfs een programma gevonden om de nu niet meer in zwang zijnde Malayalam-ligaturen digitaal te kunnen weergeven. Voor het grote publiek is deze publicatie natuurlijk niet zo nuttig.

De getranslitereerde versie is wel belangrijker: daarin is de Sanskriet tekst omgezet in Latijns schrift en werden enkele kleine verbeteringen aangebracht op het vlak van interpunctie. Dat wil niet zeggen dat het om een kritische uitgave gaat, wel om een teksteditie die iets meer hanteerbaar wordt. Voorwaarde blijft natuurlijk dat je zowel Sanskriet als Latijn kent, wat nog altijd heel veel lezers uitsluit.

Daarom gaan we in de toekomst nog andere initiatieven nemen, o.m. een vertaling van de GG in het Frans, omdat die zal passen in een project van de vermaarde Franse Sanskrietist, de indoloog Pierre-Sylvain Filliozat, die heeft gewerkt op weer een andere grammatica, namelijk die van de 18de-eeuwse Franse jezuïet-missionaris Jean-François Pons. Jean-Claude Muller zal de spraakkunst van Roth in het Frans vertalen en Lambert Isebaert die van Hanxleden. De drie grammatica's zullen gebundeld verschijnen in Franse vertaling, waarna een Engelse vertaling moet volgen.

Mijn eigen bijdrage bij deze verdere stappen zal minder groot zijn dan bij de editie van de grammatica van Hanxleden, omdat ik mezelf niet echt beschouw als tekstuitgever noch als indoloog; anderen zijn op dat vlak competenter.

Wat mij nog wel erg interesseert zijn meer contextuele studies, b.v. over de relatie tussen Hanxleden en Paulinus; verder het werk dat verricht zou zijn door Paulinus zelf en de problematiek van de missionaris-grammatica's in het algemeen: in hoeverre schonken de auteurs ervan aandacht aan de verwantschappen tussen de talen in hun missiegebieden en die welke ze kenden uit hun eigen cultuur; welke bedenkingen formuleerden ze daarbij en kenden ze aan de beschreven talen een bepaalde (positieve of negatieve) waardering toe – of anders gezegd: welke gebreken of kwaliteiten vertoonden, althans in hun ogen, die vreemde talen?

Er ligt dus nog heel wat werk in het verschiet.

Luc PAY


De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

 

Noten

 

Toon VAN HAL (° 1981) studeerde klassieke en oosterse talen. Hij maakte zijn licentiaatthesis over Paulinus a Sancto Bartholomaeo, een indoloog op de drempel van de vergelijkende taalkunde, en een doctorale dissertatie over het vroegmoderne taalvergelijkende onderzoek in de Nederlanden (7). Sinds 2012 is hij docent Oudgriekse taalkunde aan de KU Leuven. In zijn onderzoek richt hij zich momenteel voornamelijk op de uitwisseling van opvattingen over talen in de vroegmoderne tijd tussen Europa en Azië.

 

(1) Franz Kaspar Schillinger, Persianische und Ost-Indianische Reis, welche Franz Kaspar Schillinger mit P. Wilhelm Weber und P. Wilhelm Mayr durch das Türckische Gebiet im Jahr 1699 angefangen und 1702 vollendet. Nürnberg, 1707. Op het moment van schrijven nog steeds verkrijgbaar bij b.v. <bol.com> of <barnesandnoble.com>.

(2) Bepaalde feitelijke gegevens verschillen naargelang van de bron; dat komt ervan als je het internet gebuikt. Vandaar dus de talrijke vraagtekens tussen haakjes. Ik troost me met de gedachte dat het om details gaat. Wat de naam van de dokter betreft: één bron stelde dat Johann en Franz wel degelijk één en dezelfde persoon waren. Waarvan akte, maar het geeft toch te denken.

Voor een absoluut betrouwbare versie van de feiten verwijs ik naar de inleiding bij de diplomatische uitgave van de Grammatica Grandonica, door Toon Van Hal en Christophe Vielle, op http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321of http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218.

(3) Ook genoemd: de 'Peperkust', alwaar vroeger een stad genaamd Calicut (nu Kozhikode)waar onze 'kalekutschen haan' vandaan komt, onze kalkoen dus – althans de naam van het beestje. Maar dat is een ander verhaal.

(4) Des Fra Paolini Da San Bartolomeo Reise Nach Ostindien, 1798. Blijkbaar nog volop verkrijgbaar on-line. ["Dit is een vertaalde versie van het Italiaanse origineel. Maar ‘vertaling’ mag je met een korreltje zout nemen: de vertaler lijkt het beter te weten dan Paulinus zelf, en hij geeft Paulinus er vaak van langs", aldus dr. Toon Van Hal.]

(5) Arnulf Camps & Jean-Claude Muller, The Sanskrit grammar and manuscripts of father Heinrich Roth S.J. (1620-1668) : facsimile edition of Biblioteca nazionale, Rome, Mss. Or. 171 and 172. Leiden, E.J. Brill, 1988.

(6) 'Language comparison in Paulinus a Sancto Bartholomeo (1748-1808): Aims, Methodological Principles', in Bulletin d'Etudes Indiennes (BEI), nr. 22-23, 2004-2005, p. 323-336.

(7) "Moedertalen en taalmoeders“. Het vroegmoderne taalvergelijkende onderzoek in de Lage Landen. Brussel, Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Kunsten, 2010 (= Verhandelingen Nieuwe Reeks 20).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
9 avril 2013 2 09 /04 /avril /2013 14:00

 

3.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Eerste bladzijde in het handschrift van Hanxleden:

'De verbuigingen van de naamwoorden'

.

Wat ging er allemaal door je heen toen je die in rood papier en kranten verpakte bundel in handen kreeg?

 

Ik voelde me erg opgelucht en natuurlijk heel blij, wat de paters ook wel gemerkt hebben. Ze vonden het vertederend dat een in hun ogen 'jonge knaap' zo wild enthousiast was over één van de stukken in hun – toch wel merkwaardige – archief. Toen ze daarna dan nog eens plots het bezoek kregen van een Sanskrietist van de universiteit van Rome die toevallig in de buurt woont, erkenden ze het belang van deze grammatica. Hij werd ogenblikkelijk met meer toewijding behandeld en voortaan kon niet iedereen zo maar in dat achterkamertje gaan rondneuzen. Ze hadden begrepen dat sommige van hun stukken van onschatbare waarde waren.

Ik wil beslist geenszins het werk van die paters depreciëren. Zij beheerden hun archief naar best vermogen maar beseften gewoon niet welke kostbaarheden het bevatte. Het geeft wel te denken over gelijkaardige kleine archieven in Italië: welke andere, eventueel verloren gewaande schatten zouden nog naar boven kunnen komen als men al die zolder- of achterkamertjes systematisch kon gaan doorploegen?

Ik had nooit durven vermoeden dat deze vondst op zo veel belangstelling kon rekenen. Het is natuurlijk goed dat er interesse bestaat voor 'linguïstische archeologie', zoals je het zelf noemt, maar ik vermoed dat die vooral te danken is aan de nogal romantische omstandigheid dat ik het manuscript niet vond in een bibliotheek maar in een afgelegen klooster op een idyllische locatie.

 

Als naam van de grammatica lees je in sommige bronnen Samskruthavyaakaranam ("grammatica van het Sanskriet"), wat me Malayalam lijkt te zijn. Is dat de titel die Hanxleden zelf gaf, want ik heb de indruk dat in het manuscript de eerste bladzijde verdwenen is? Maar waar komt dan de naam 'Grandonica' vandaan, wat betekent hij? En op de keerzijde van het schutblad van het manuscript schreef Paulinus: "Grammatica linguae Samscrit elementis granthamicis": heeft dat laatste woord ook te maken met 'Grandonica'?

 

De eerste naam die je vermeldt, klopt niet helemaal. Hij wordt inderdaad soms aan het werk gegeven maar we vinden hem niet in de grammatica zelf. Hanxleden spreekt over 'lingua Grandonica', vandaar de naam GG die op de kaft geschreven werd door Paulinus. De vraag naar de herkomst of betekenis van de naam 'Grandonica' is erg interessant, maar het is voor elke historicus van de taalkunde een vrij heikele kwestie: hoe komt een taal aan haar naam? Tot in de 19de eeuw krijgt een taal vaak zonder enige verantwoording of verklaring een bepaald label dat voor ons soms onbegrijpelijk is. We kunnen alleen vaststellen dat 'Grandonica' of 'Samscredamica', of nog andere varianten, gebruikt werden als een synoniem van 'Sanskriet'. Met 'granthamicis' wordt wellicht iets soortgelijks bedoeld. De 'glottonymie', zoals men de naamgeving van talen zou kunnen noemen, blijft echter een zeer moeilijke kwestie en vereist een meer omvattende studie. In deze context wil ik even opmerken dat ik geen Sanskrietist ben zoals mijn collega Christophe Vielle, die hier veel meer over afweet en zonder wie ik overigens niet zou staan waar ik nu sta.

 

Paulinus vermeldt op diezelfde keerzijde van het schutblad de inhoud van het boek ("gramatica linguae Samscrit"), door wie het geschreven is ("per R.P. Ioannem Ernestum Hanxleden, Soc. Iesu, Malabariae Missionarium") met zelfs een expliciete lofbetuiging aan het adres van de schrijver ("virum hujus Samscritici idiomatis peritissimum" of "ten zeerste onderlegd in het Sanskriet idioom"), en ten slotte deze heel duidelijke vermelding: "Haec gramatica est omnium prima quae in Europa comparuit" (de eerste die in Europa opgedoken is), waarmee hij het eerstegeboorterecht duidelijk aan Hanxleden afstaat. Is het dan toch denkbaar dat Paulinus later 'geknoeid' (lees: geplagieerd) zou hebben toen hij zijn eigen grammatica in boekvorm publiceerde?

 

Paulinus bracht deze vermeldingen aan in zijn hoedanigheid van archivaris van indologisch materiaal in Rome, maar de exacte relatie tussen het werk van beiden blijft een lastig probleem.

In zijn eigen werken ontkent Paulinus nergens dat Hanxleden als eerste een grammatica geschreven zou hebben. Doorgaans heeft hij vooral aandacht voor Hanxledens lexicografische werken, die veelvuldig geciteerd worden terwijl de GG sporadisch wordt genoemd. Hij erkent dat de GG een heel vroege grammatica is, die bovendien geschreven werd vòòr die van hemzelf. Maar hij liegt wanneer hij suggereert dat de zijne niet gebaseerd zou zijn op die van zijn voorganger: hij zou de GG pas ontdekt hebben nadat zijn eigen grammatica van de persen was gerold, en we weten heel zeker dat zulks niet het geval was. Toch zou het te kort door de bocht zijn als we Paulinus gewoon beschuldigen van plagiaat, en wel omdat hij zelf in India aantekeningen maakte voor een door hem geplande grammatica. Hij bezat dus wel degelijk aanzetten voor een eigen spraakkunst maar besliste wellicht dat het beter was die van Hanxleden te gebruiken en die dan te stofferen met b.v. een Malayalam-alfabet; ook het onderdeel over de werkwoorden wijkt opvallend sterk af van dat van Hanxleden. Er zijn dus wel degelijk verschillen tussen beide werken, maar voor de rest komen de grammatica's erg overeen.

Paulinus verstopt zich achter het feit dat Hanxledens grammatica gebaseerd was op dezelfde bron die hij gebruikte, namelijk een spraakkunst die in zwang was in het zuiden van India, de Sidharubam, wat vrij ongeloofwaardig is omdat we vaststellen dat Paulinus ook Hanxledens Latijnse frasen haast letterlijk kopieert.

We zijn er nog niet uit wat Paulinus uiteindelijk bezield heeft. Ik veronderstel dat hij bij zijn terugkeer in Europa tot de vaststelling kwam dat Hanxledens boek veel degelijker, veel meer doorwrocht was dan wat hij zelf tot dan toe had neergeschreven, en dat hij besliste om alles samen te voegen tot één groot referentiewerk om zodoende op de meest economische en nuttige manier zijn eigen materiaal erin te integreren – maar dan wel zonder voldoende intellectuele eerlijkheid aan de dag te leggen, althans volgens onze hedendaagse wetenschappelijke normen en gebruiken.

Kortom, Paulinus' grammatica omvat voornamelijk het werk van Hanxleden, maar er zitten ook eigen bijdragen in.

 

In een voetnoot schrijft Paulinus nog het volgende: "In bibliotheca collegii Romani Romae exstat alia Smserdamica manuscripta, sed literis Nagaricis". Er bestonden dus nog andere grammatica's in handschrift, blijkbaar geschreven in het Nagari (Devanagari), een Indisch (Hindi) schrift? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

 

Het is vrij duidelijk wat we ons hierbij moeten voorstellen: Paulinus had zonder meer de hand gelegd op de werkelijk eerste westerse grammatica van het Sanskriet, namelijk die van Heinrich Roth, een andere jezuïet-missionaris die in het noorden van India actief was. Daar gebruikte men het schrift dat men vandaag de dag nog altijd bezigt om het Sanskriet te noteren, het Devanagari, tevens het alfabet waarin vandaag ook het Hindi wordt genoteerd, m.a.w. het meest vertrouwde schrift als we aan India denken.

Het is duidelijk dat Paulinus die voetnoot pas later toevoegde, nl. nadat hij op dat manuscript van Roth was gestoten, dat in de Vaticaanse bibliotheek werd en nog steeds wordt bewaard. Hij dacht wellicht aanvankelijk dat Hanxleden de enige grammatica van het Sanskriet had geschreven, maar die mening heeft hij dus gecorrigeerd. Het was voor hem uiteraard ook moeilijk om in te schatten welke van beide nu de oudste was. Wij weten nu dat die van Roth de oudste is; hij werd niet uitgegeven maar er werd ondertussen wel een fotografische reproductie van gemaakt (5).

 

In je artikel over Paulinus (6) vermeld je Hanxleden niet. Waarom? Was het verband tussen de karmeliet en de jezuïet toen nog niet bekend?

 

In mijn vroege bijdrage over Paulinus had ik het vooral over diens ideeën over taalverwantschap. Daar heeft alleen Paulinus zich mee beziggehouden, Hanxleden helemaal niet; daarom heb ik zijn naam ook niet vermeld.

De tekst van Hanxleden zelf begint met deze regel: "Magna est in hac lingua declinationum copia" ("deze taal kent een grote overvloed aan verbuigingen"). Verderop heeft hij het over "conjugatio" (vervoeging) en op de allerlaatste pagina zag ik het woord "adverbia" (bijwoorden). Wat omvat zijn grammatica allemaal, wat behandelt hij (fonologie, morfologie, syntaxis…)?

 

De GG is een redelijk droog werkstuk. Hij behandelt voornamelijk morfologie (werkwoorden, naamwoorden) maar heeft toch ook wat aandacht voor syntaxis (functie van de naamvallen) en voor de manier waarop woorden aan elkaar gevoegd worden (zoals het Duits kan het Sanskriet heel lange samenstellingen maken). Verder is er ook aandacht voor de sandhi (assimilatie): hoe losse, afzonderlijke woorden in zinsverband fonologisch aan elkaar geplakt worden. Hanxleden rept anderzijds helemaal niet over b.v. gelijkenissen tussen Sanskriet en Latijn of Duits en geeft ook geen alfabet-overzicht, wat mogelijk wel zijn bedoeling was, mocht hij het werk hebben uitgegeven.

Het deel over syntaxis moet aanvankelijk een los manuscript geweest zijn dat hij pas later samenvoegde met het morfologische onderdeel – dat kan je zien doordat er een nieuwe, aparte nummering begint op de eerste twee bladzijden over de syntaxis.

 

Merkwaardig is wel dat alle Sanskriet voorbeelden ook geschreven worden in een ander alfabet, dat mij Malayalam lijkt te zijn. Ten eerste: is dat niet erg vreemd: Sanskriet getranscribeerd in een Dravidisch schrift? Ten tweede: vreesde hij dan niet dat zijn grammatica nooit gelezen zou kunnen worden door westerse collega's, die dit schrift niet beheersten?

 

Je hebt zeer goed opgemerkt dat het om een ander schrift gaat, en dat lijkt op het eerste gezicht een vrij eigenaardig kenmerk van deze grammatica. Maar dat is het alleen als je er met een westerse bril naar kijkt. Je moet weten dat alle alfabetten die in India in zwang zijn allemaal teruggaan op één oeralfabet, het Brahmi, dat – als ik me niet vergis – op zijn beurt teruggaat op het Aramese alfabet. Uiteindelijk is dus ook ons Latijnse alfabet, afkomstig van de Feniciërs, verwant met dat Brahmi. Daarnaast lijken er ook veel verschillen te bestaan tussen de Indische alfabetten onderling. Het valt echter wel op dat die allemaal fonetisch zeer gedetailleerd zijn: er zijn vrij veel grafemen, wat het mogelijk maakt om het Sanskriet op een fonetisch vrij adequate manier te noteren. In de 18de eeuw werd het Sanskriet in het zuiden van India genoteerd met de Malayalam-letters, en dat ging even vlot als in het noorden waar men Devanagari hanteerde.

In Calcutta, waar men het Devanagari alfabet gebruikte, waren Engelse geleerden actief, en dat is de enige oorzaak van het feit dat dat alfabet het 'gewonnen' heeft van de andere schriften; het werd o.m. door William Jones gebruikt om in leerboeken Sanskriet te noteren. Het werk van deze Engelse geleerden in het noorden deed de bijdragen van de missionarissen in het zuiden in zekere zin 'ondersneeuwen'. Eén van de latere kritieken is precies geweest dat men veel te veel gekeken heeft naar de mérites van Jones, hoewel hij uiteindelijk veel minder geïnteresseerd was in het Sanskriet als zodanig, in vergelijking met de missionarissen in het zuiden.

Het is vrij anachronistisch om te vrezen dat zijn werk niet gelezen had kunnen worden door westerse collega's omdat op dat moment toch niemand in de westerse wereld Sanskriet kon lezen. Het was nog helemaal niet uitgemaakt of zelfs voorspelbaar dat er in het Westen interesse zou kunnen ontstaan voor deze taal, en dus ook niet welk alfabet de gangbare notatievorm voor het Sanskriet zou worden.

 

Waar situeer je deze grammatica van Hanxleden in zijn eigen tijd? Waren er voorgangers geweest, waren er contemporaine collega's? Vanwaar die belangstelling in de 18de eeuw voor het Sanskriet? Ik denk hier ook aan Jones, uiteraard, maar misschien waren er nog anderen?

 

Er zijn voorgangers geweest. Ik vermeldde reeds Roth. Daarnaast waren er ook enkele handelaars die interesse hadden voor het Sanskriet, maar daar is heel weinig van tot in het Westen geraakt. Filippo Sassetti is zo'n naam, Roberto de Nobili een andere.

De enorme belangstelling die dan ontstond op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw, is een verhaal op zich. De Romantiek speelde daar een grote rol in; ook de ijdele droom dat men door de ontdekking van het Sanskriet de verloren gewaande 'oertaal' teruggevonden had, kan meegespeeld hebben. Bij de eerste pogingen om het Indo-Europees te reconstrueren, b.v. die van August Schleicher, zien we dan ook reconstructies die heel sterk op Sanskriet lijken. In het begin van de 19de eeuw was het Sanskriet niet zo maar één taal onder vele andere, zoals nu het geval is, maar de meest gezaghebbende Indo-Europese taal die bovendien als 'oertaal' werd beschouwd.

Luc PAY

(wordt vervolgd)

 

De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 avril 2013 1 08 /04 /avril /2013 23:04

 

1.-Montecompatri.jpg

Het Convento San Silvestro te Montecompatri, waar de Grandonica berustte.

In 1681 wordt in Ostercappeln (Nedersaksen, bij Osnabrück) Johann Ernst von Hanxleden geboren. Na zijn studies in de filosofie meldde hij zich voor vrijwillige dienst in de 'Oost-Indische' jezuïeten-missie; hij vertrok vanuit Augsburg op 30 oktober (of 8 december?) 1699 in het gezelschap van de jezuïetenpaters Wilhelm Weber en Wilhelm Mayer (Meyer, Mayr?) en de Duitse dokter (of 'barbier') Johann (Franz?) Kaspar Schillinger, die een reisverslag (1) naliet over de gevaarlijke tocht. De reis ging via Italië en Cyprus (waar hij toetrad tot de Societas Jesu), Turkije, Syrië, Armenië en Perzië naar Bender-Abbas aan de Perzische Golf, waar het gezelschap inscheepte richting Surat (nu in de Indiase deelstaat Gujarat). De twee jezuïetenpaters stierven op zee, maar Hanxleden was tijdens de reis reeds formeel aanvaard als kandidaat-jezuïet (2).

Hij arriveerde in India op 13 december 1700 en trok samen met dokter Schillinger naar Goa (nu een deelstaat, destijds de hoofdstad van het Portugese koloniale imperium in het Oosten) waar een grote communauteit jezuïeten gevestigd was en hij zijn noviciaat voltooide. Na afronding van zijn theologie-studies aan het seminarie van Ambalakad-Sambaloor (San-Paul-ur, Sint-Paulus dus) werd hij in 1705 (1706?) tot priester gewijd.

Hij was gedurende zowat dertig jaar actief in Malabar, de kuststreek van Kerala – vandaag de zuidwestelijke Indiase deelstaat aan de Arabische Zee (3). Hanxleden doorkruiste deze regio herhaaldelijk als missionaris en was professor theologie aan het seminarie van Sambaloor.

Hij overleed op 20 maart 1732 als gevolg van een slangenbeet in Pazhuvil (Kerala), waar zijn herinnering nog steeds erg levendig wordt gehouden: bepaalde gebouwen waar hij verbleef of die hij zelf bouwde, werden beschermd en er werd aan hem een museum gewijd in Velur.

Er is echter meer. Veel meer. Hanxleden, wiens moedertaal Duits was, kende uiteraard Latijn. Maar hij beheerste ook het Malayalam, dat behoort tot de familie van de Dravidische talen en dus zelfs niet verwant is met de naburige Indo-Iraanse talen; het is de officiële taal in de deelstaat Kerala. Daarnaast was hij nog machtig: het Portugees, het Tamil (alweer behorend tot de Dravidische familie) en het Syrisch, de liturgische taal van de Thomas-christenen ('Syrische christenen' of 'nasrani'), een dialect van het Aramees en dus behorend tot de Afro-Aziatische familie. Daar bovenop leerde hij van twee Brahmanen Sanskriet (Indo-Iraanse familie, dus Indo-Europees), hoewel die taal doorgaans niet aan buitenstaanders werd aangeleerd. Als je dan bedenkt dat deze talen ook nog eens hun eigen alfabetten hanteren…

Gewapend met deze talenkennis poogde de hoogbegaafde jongeman – hij was niet eens twintig toen hij in India aankwam – de westerse en oosterse culturen en literaturen te integreren. Zo schreef hij christelijk geïnspireerde liederen-gedichten in het Malayalam, essays in het Latijn over o.m. de Ramayana en de Mahabharata, woordenboeken en grammatica's: Dictionarium Malabarica Lusitana (Malayalam-Portugees), Dictionarium Samscredamico-Lusitanum (Sanskriet-Portugees), Grammatica Malabarico Lusitana (een grammatica van het Malayalam geschreven in het Portugees), en ten slotte de zogenaamde Grammatica Grandonica, waarover zo dadelijk meer.

Het zal dan ook niet verwonderen dat Hanxleden, in zijn tijd al geliefd als een deugdzaam en geleerd man, tot vandaag in Malabar geëerd wordt wegens zijn uitzonderlijke verdiensten voor de lokale talen en literatuur. Hij leeft er verder in het collectieve geheugen als 'Arnos Padre' of 'Arnos Paathiri'; 'Arnos' lijkt me een Malayalaamse verbastering van zijn voornaam 'Ernst', terwijl 'paathiri' in diezelfde taal 'priester, pastor' ('padre') betekent.

Maar het gaat dus om de Grammatica Grandonica (verder GG), een in het Latijn geschreven spraakkunst van het Sanskriet, die hij zelf nooit in boekvorm heeft uitgegeven. Het manuscript werd enkele tientallen jaren later ter plaatse opgepikt door een Oostenrijkse (Kroatische?) karmeliet, Paulinus a Sancto Bartholomeo (1748-1806), die het meebracht naar Europa – althans volgens bepaalde bronnen. Deze Paulinus, een oriëntalist, is de auteur van o.m. een reisverslag (4) en van de allereerste gepubliceerde grammatica van het Sanskriet, Sidharubam (1790).

ToonVanHal.jpg

Toon Van Hal

Hanxledens manuscript bleef gedurende lange tijd spoorloos, tot de jonge Vlaamse taalkundige Toon Van Hal het terugvond in het karmelietenklooster San Silvestro te Montecompatri, iets ten zuiden van Rome, in het voorjaar van 2010. Samen met Christophe Vielle verzorgde Van Hal de elektronische 'editio princeps' van deze grammatica, die sinds een tweetal dagen on-line beschikbaar is.

Ik had met hem een gesprek over de vondst van deze uitermate belangrijke en tot dan toe verloren gewaande grammatica.

2.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Keerzijde van het schutblad:

Paulinus situeert de tekst van het handschrift (inhoud, auteur…).


Hoe wist men af van het bestaan van de GG? Werd deze grammatica door Paulinus zelf vermeld in diens werk (-en), of werd hij gesignaleerd in andere contemporaine of latere bronnen?

 

Paulinus vermeldt de GG in meerdere werken, maar opvallend niet in zijn eigen Sanskriet grammatica, die in 1790 werd uitgegeven en nu grotendeels gebaseerd blijkt op die van Hanxleden. Paulinus prijst Hanxleden in andere werken wél uitvoerig en ook de GG zelf wordt af en toe vermeld. Paulinus hield b.v. lijstjes bij van manuscripten die te vinden waren in archieven te Rome en probeerde die indologische bronnen te groeperen. Uit die documenten blijkt dat hij de GG wel degelijk consulteerde én uitvoerig bejubelde; zo zegt hij ergens dat het manuscript van Hanxleden "goud waard is".

Ook andere bronnen signaleren het bestaan van de GG  maar het is toch vooral aan Paulinus te danken dat we op de hoogte waren van het bestaan ervan; anderzijds is het echter ook precies aan hem te wijten dat er zo veel mist rond is blijven hangen.

 

Is het bekend wat Paulinus met het manuscript van de GG gedaan heeft – gewoon 'fysiek', bedoel ik? Anders gezegd: tot op welke locatie en tot op welk moment wist men zeker wat er met het manuscript gebeurd was?

 

De hele transmissiegeschiedenis van het manuscript is vrij wazig.Ten eerste is het niet helemaal duidelijk wie het uiteindelijk naar Europa heeft gebracht. Het lijkt voor de hand te liggen dat Paulinus dat zelf deed, al pleiten even veel argumenten ervoor dat hij dat handschrift pas heeft gezien na zijn terugkeer in Rome. In de Nationale Bibliotheek van Rome zijn immers een aantal kladjes te vinden van de hand van Paulinus, met name aanzetten van een Sanskriet grammatica die hij zelf wou samenstellen. Die manuscripten zijn niet voltooid, maar ze tonen wél duidelijk aan dat Paulinus nog tijdens zijn verblijf in India inderdaad van plan was een spraakkunst van het Sanskriet te schrijven. Zelf zegt hij dat hij pas bij zijn terugkeer de GG heeft gevonden, en wel op het moment dat zijn eigen grammatica in druk was. We weten nu dat hij daarmee de waarheid geweld aandoet: bij vergelijking van beide werken blijken de overeenkomsten zo frappant dat er van toeval geen sprake meer kan zijn. Voor een groot deel heeft Paulinus dus het werk van Hanxleden gekopieerd; vooral de fouten die Paulinus maakte – en Hanxleden niet – wijzen erop dat Paulinus veel minder goed Sanskriet kende dan zijn voorganger.

 

Vermits men blijkbaar kon veronderstellen dat Paulinus, een karmeliet, het manuscript had meegebracht, lijkt het toch vreemd dat het zo lang in een karmelietenklooster verborgen kon blijven. Werd er dan niet naar gezocht, in het Vaticaan b.v. of bij de karmelieten zelf? Hoe komt dat?

 

Toch even corrigeren hier: het is, nogmaals, helemaal niet zò duidelijk dat de karmeliet Paulinus de grammatica van de jezuïet Hanxleden naar Rome heeft gebracht, en we weten nog altijd niet wie dat dan wél gedaan heeft. Paulinus beweert zelf dat hij dat niet gedaan heeft, en op basis van de gegevens waarover we nu beschikken, ben ik bereid hem daarin te geloven.

Er is niemand gaan zoeken in het karmelietenklooster van Montecompatri omdat dit klooster niet rechtstreeks gelieerd is met Rome. Het ligt wel in Lazio maar is toch vrij ver verwijderd van de kloosters in Rome waarover Paulinus geregeld zelf praat. Bovendien is het zo dat paters- of monniken-archivarissen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van hun orde, doorgaans minder aandacht besteden aan eventuele 'Fremdkörper' binnen het corpus van beschikbare documenten. Ik denk dat dit de oorzaak is van het lange ondergedoken bestaan van de GG: het ging immers om een werkstuk van een jezuïet dat terecht kwam in een karmelieten-omgeving.

Nu bestond er wel degelijk een inventaris van het archief van Montecompatri, maar dat archief was vooral van technische aard: je treft er de GG aan tussen elektriciteitsrekeningen en water- of gasmeterstanden; ook een aantal manuscripten werden gecatalogeerd, maar daar is de grammatica van Hanxleden door de mazen van het net geglipt – precies omdat het een werk van een jezuïet betrof.

 

Wat was de aanleiding voor je eigen 'queeste'? Had je voorlopers of aanknopingspunten? Hoe is je zoektocht verlopen en hoe ben je uiteindelijk bij het manuscript beland? Of heeft het toeval een rol gespeeld?

 

Ik heb destijds mijn licentiaatsthesis gewijd aan Paulinus, die voortaan het risico loopt om beschouwd te worden als een banale vervalser. Hij kopieerde wel degelijk grotendeels de GG, maar dit odium zou de man hoe dan ook onrecht aandoen. Hij bezat vele talenten en maakte zich verdienstelijk door, ten eerste, de indologische studies te Rome te systematiseren of het materiaal te ordenen, en door andere indologische traktaten te schrijven – o.a. zijn beschrijving, oorspronkelijk in het Italiaans, van zijn reis naar India, een soort Lonely Planet avant la lettre (4). Hij was wel degelijk een pionier, ook op het vlak van de vergelijkende taalkunde. Hij was één van de allereersten die het Sanskriet op een veel gedegener manier en veel gedetailleerder vergeleek met andere talen zoals het Latijn, het Zend (of Avestisch, een vorm van Oudiraans) of het Duits. Op basis van vooral lexicale gelijkenissen speculeerde hij dan over de oorzaken van die verwantschap. Daarin is hij verder gegaan dan William Jones, die hij in zijn geschriften trouwens niet gespaard heeft.

Ik kende het pre-comparatistische werk, de Indo-Europese vergelijkende taalwetenschap 'ante litteram' van Paulinus dus wel een beetje (de vergelijkende Indogermanistiek stricto sensu zag het licht met de publicatie, in 1816, van een werk van Franz Bopp en Rasmus Rask) en daardoor ook de naam Hanxleden. Deze werd in de literatuur wel vaker, maar zonder enige argumentatie, bestempeld als een veel belangrijker indoloog dan Paulinus. Bovendien deed al geruime tijd het hardnekkige gerucht de ronde dat Paulinus zijn grammatica had gekopieerd van Hanxleden, wiens manuscript echter al lang 'verloren' was gegaan.

Er zijn pogingen gedaan om dat handschrift op te delven. Zo zou het in de 19de eeuw door een zekere De Barone zijn ingekeken; helaas vermeldt die nergens de vindplaats van de GG en geeft hij geen informatie over de manier waarop hij op het manuscript gestoten was. In de 20ste eeuw wordt nog wel aan de GG gerefereerd, maar iedereen doet dat zonder het manuscript echt gezien te hebben.

In de jaren 1980 ondernam Jean-Claude Muller een nieuwe poging om het op te sporen; hij maakte een kort verslag van alle plaatsen waar hij het handschrift tevergeefs had gezocht. Ikzelf wilde vroeger al een status quaestionis schrijven over de relatie tussen Paulinus en Hanxleden, maar dat opzet kantelde snel in een stoutmoedige zoektocht naar het manuscript zelf, omdat alleen op basis van de tekst iets te zeggen valt over een eventuele schatplichtigheid van de ene aan de andere. Daarom heb ik de zoektocht van Muller verdergezet.

De sleutels die mij naar het manuscript leidden, waren ten eerste de vermelding in een catalogus van de karmelieten dat materiaal van Paulinus, meer bepaald een woordenboek, bewaard werd in 'een' klooster in Montecompatri – echter zonder verder commentaar. In het hoofdarchief van de karmelieten te Rome vond ik, ten tweede, een steekkaart waarop de GG zelf werd vermeld, met in potlood opnieuw een verwijzing naar het klooster in Montecompatri.

Vanaf dat moment krijgt mijn zoektocht wat minder alledaagse trekjes. Ik vertrok met de bus vanuit Rome, waarna een hele klim te voet volgde om het convento te bereiken, dat prachtig gelegen is op een heuveltop. Jean-Claude Muller formuleerde de hypothese – die mij erg waarschijnlijk lijkt – dat een aantal documenten op relatief grote hoogte zijn gevonden omdat het niet ongebruikelijk was om in de zomer uit Rome weg te trekken en verkoeling te zoeken in de heuvels rond de stad.

Slechts een viertal paters, hoogbejaard of in niet al te beste gezondheid, bewoonden nog het klooster. Het was duidelijk dat ze zich ietwat gegeneerd voelden toen ik informeerde naar het archief; met zo weinig handen voor zo veel taken is een archief immers één van de eerste dingen die van de prioriteitenlijst geschrapt worden. Uiteindelijk belandde ik toch in dat erg kleine archiefkamertje waar tussen de reeds vermelde waterrekeningen en gasmeterstanden ook een aantal oudere manuscripten te vinden waren: niet dat ene boek van Paulinus waar ik ook wel nieuwsgierig naar was, namelijk zijn Latijns-Sanskriet (dus 'omgekeerd') woordenboek. Ik vond er wel zijn reisdagboek, een manuscript dat heel moeilijk te lezen is omdat het grotendeels geschreven is in het Duits en dus, zoals destijds gebruikelijk, in een cursief lopend schrift. Maar ik trof er ook het manuscript van Hanxleden aan, waar ik naar op zoek was en dat bovendien veel beter leesbaar bleek: het was ingepakt in rood papier en kranten daterend van Kerstmis 1953. In dat jaar is het manuscript dus nog op z'n minst gearchiveerd of weggestopt, wellicht door iemand die het belang ervan niet direct inzag.

Luc PAY

(wordt vervolgd)

 

De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 avril 2013 1 08 /04 /avril /2013 06:44

 

JacobsEgoist.jpg

Het is weer zover: in het najaar krijgt een auteur de kogel. Heel wat gevestigde schrijvers dingen alvast mee om neergekogeld te worden. Als juryvoorzitter ben ik vanzelfsprekend gehouden aan enige passende gereserveerheid, maar ik mag hier wel verklappen dat mijn aandacht in eerste instantie altijd gaat naar debuten. In het eerste pakket dat mij enkele weken geleden door de ijverige DDK-jurysecretaris al ter beschikking werd gesteld, vond ik er alvast zeven.

Tussen de inzendingen van “gevestigde namen” die ik alvast las (Jeugdzonde van Almar Otten of De erfgenaam van Charles den Tex), de vijfde misdaadroman van Paul Jacobs (°1949), Dood van een egoïst (Houtekiet). Nu we overrompeld worden door een lawine al dan niet relevante boeken over en rond Hugo Claus n.a.v. diens overlijden, vijf jaar geleden, verwondert het mij dat geen enkele toch zo alerte beroepsrecensent al was het maar zijdelings wijst op zijn (in mijn ogen toch wel op hete randje soms perfide) sleutelroman De laatste grap (Houtekiet, 2010).

JacobsGrap.jpg

Maar ja, Jacobs schrijft zogenoemde thrillers en serieuze critici lezen die uiteraard niet... Ook literatuurwetenschappers die zich ijverig buigen over het oeuvre van Hugues C. Pernath of Paul Snoek, ignoreren bijvoorbeeld ook de roman Duisterlicht van Guy Prieels (Wever & Bergh, 2007). Niets taaier dan vooroordelen. Jammer genoeg.

Overigens is de al te korte levensduur van zogenoemde “spannende boeken” een betreurenswaardig gevolg van het reducerende marktisme, waar “literaire” romanciers en uiteraard ook dichters het slachtoffer van zijn (uitgevers, ja, zijn daar sowieso zwaar medeschuldig aan zijn, maar soit). Alles moet snel, vandaag is nog niet voorbij of het is al morgen. Amnesie alom.

*

De eerste vergadering van de jury vindt plaats op 11 april. De jury bestaat uit Frank van den Auwelant (secretaris), Jos van Cann, Ineke van den Bergen, Eric Diepvens, Henri- Floris Jespers (voorzitter), Jürgen Joosten, Kris Kenis, Alain Sohier, Geert Swaenepoel en Magali Uytterhaegen.

Komen in aanmerking voor De Diamanten Kogel de oorspronkelijk in het Nederlands geschreven “spannende boeken” verschenen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 juli 2013 en fysiek in Vlaamse en/of Nederlandse boekhandels verkrijgbaar zijn. Inzenden kan dus gebeuren tot eind juni.

Henri-Floris JESPERS

Info: zie www.diamantenkogel.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
7 avril 2013 7 07 /04 /avril /2013 05:03

 

 

 

Op 9 april wordt voor de eerste maal in de geschiedenis de Dag van de Herinnering gevierd. Naar aanleiding daarvan verschijnt de Niet Te Vergetenkalender. De kalender wordt verkocht aan de spotprijs van 5,95 euro. De opbrengst komt ten goede aan de VAL, de Vlaamse Alzheimer Liga. 9 april werd niet toevallig gekozen. Nee, het is die dag de verjaardag van professor Christine Van Broeckhoven, de patroonheilige van de VAL. Vanochtend vond ik een print met de zetproef van de nieuwste kalender in mijn mailbox, en ik dacht, laat ik daar meteen melding van maken of ik vergeet het.

 

Op de Niet Te Vergetenkalender staat op elke achterpagina, dat zijn er dus 365, al kunnen het er ook 366 zijn, leuk opgestelde berichten die u doen herinneren aan dingen die u niet mag vergeten. Zoals dat u op 2 april vergeten bent dat het 1 april dag Gekkendag was, en dat die voor het eerst werd gevierd op 1 april 1812, toen de Engelse koning King George III officieel weer gezond werd verklaard. Dat is dus 201 jaar geleden, als ik mij niet vergis, want wiskunde is nooit mijn sterkste vak geweest.

 

Ook een merkwaardige dag is de Dag van de Vergissingen. Iedereen mag op 30 april een vergissing begaan. Een vergissing, zo staat aangegeven in de toelichting als je het blad niet vergeet om te draaien, een vergissing dus die men u niet kwalijk kan nemen dat u op 1 mei, Dag van de Arbeid, toch op het werk verschijnt. Wat meer gebeurt dan u vermoedt. Heel wat mensen denken dat er die dag moet gewerkt worden, en nog wel dubbel zo hard. Maar de meest merkwaardige dag van het jaar is de Baaldag. Iedereen mag die zelf kiezen, zolang hij niet vergeet, die dag niet in zijn bed door te brengen, maar de stad intrekt, om ver van alle drukte in een kroeg zonder irriterende muziek een glas, een fles, een vat bestelt en die in zijn eentje consumeert. Tenzij hij iemand ontmoet die net als u baalt van het feit dat er elke dag wat te vieren valt.

 

Ja, zo is het nu eenmaal en er valt niets meer aan te veranderen. In de loop der jaren is het hele jaar volgestroomd met Feestdagen. De Dag van de Klant, de Warme Truiendag, de Dag van de Grootouders, Moederdag, Vaderdag, Dag van de Verrijzenis [varieert], Dag van de Lege Portemonnees. Hij wordt voorlopig alleen in de Arteveldestad gevierd op de laatste dag van de Gentse Feesten, maar door het groot aantal Feesten in de vakantieperiode, denken de verenigde lederhandels van Leuven, Mechelen, Hasselt, Lokeren en Oostende eraan om bij de sluitingsdag van hun Feestweek een portemonnee te geven. Aan lapjes geen gebrek.

 

De enige voorwaarde om een gratis exemplaar te vangen is dat de bezoeker een aankoop doet van minstens 15 €. ‘Ja, meneer, mevrouw, het is voor de trouwe klanten,’ zei mijn vaste lederhandelaar Stanley Schaap, gevestigd in de Nederkouter 121 te Gent, bij wie ik controleerde of die gratis actie werkelijk stond te gebeuren. ‘Als we ze gratis geven hebben we geen tijd meer voor de echte klanten, en dat soort volk, dat wakker schiet van het woord ‘gratis’, zien we nooit meer. Tenzij we weer een actie doen. Nee, zelfs in de tijd van de ruilhandel was het een kwestie van geven en nemen, nietwaar? Maar dat begrijpen de mensen niet. Ze gaan dan kwaad buiten en vegen hun voeten af voor ze de straat opgaan. Zo arrogant als dat de mensen tegenwoordig zijn.’

 

Zottegem heeft geweigerd zich bij de kring LLL [Levend Leder Levenslang] aan te sluiten omdat het overweegt om op de elfde dag van de elfde maand de Dag van de Zotten te vieren, en de bedoeling is dat iedereen die dag verschrikkelijk veel geld uitgeeft, te gek voor woorden. Geel heeft zich achter Zottegem geschaard, net als Duffel, waar ook een vermaard psychiatrisch centrum gevestigd is. Ook om te onthouden, opdat u tijdig de ketting van uw fiets zou smeren en de banden oppompen, is de Autoloze Zondag. Wanneer die juist valt, schiet me niet meteen te binnen, en ik heb geen zin de hele kalender af te lopen om hem te vinden.

 

Dan is er nog Dag van de Reclame, 11 november, De Langste Dag, 6 juni, die verwijst naar de landing in Normandië in 1944, Valentijnsdag, Vegedag, Secretaressedag, Gedichtendag, Dag van de Boekhandel, Dag van de Vrede, Leerkrachtendag, Dag van de Student, Koopjesdag, Dag van de Krant, Wereld Whiskydag [dit jaar op 18 mei], Bloomsday, 6 juni, Honderdste Schooldag, 20 februari, Sint-Niklaas, volgens Paul van Ostaijen een appelbaas uit het land van Waas, maar dat mag geen reden zijn dat ook de ouders, grootouders, tantes en nonkels van Maas en Schelde, van Dender en Dijle, van E17 en E12 op 6 december hun kinderen niet moeten verwennen.

 

Ik zou het haast vergeten, maar er is ook Pi Day, wordt gevierd op 14 maart. Sommige landen opteren voor 22/7, maar die gaan het niet halen omdat ze in de minderheid zijn. In Griekenland viert men de Pythagorasdag met de bouw van een gelijkbenige stelling. Dan is er nog de Dag van de Logica, waarop alles klopt als een zwerende vinger, de dag van de Wetenschap, waarop verwacht wordt dat iedereen aan iedereen een weetje vertelt. En als de andere zegt, ‘Dat weet ik al!’, is de ene verplicht voor de andere een cadeautje naar eigen gevoel voor kunst- en vliegwerk te kopen, ter waarde van 25 euro.

 

Ook de nachten worden niet vergeten. Zo is er nu al de Nacht van de Musea, de Nacht van de Poëzie, de Nacht van het Paard, de Nacht der Televisiesterren die door VTM en VRT wordt gevierd maar zonder de VIER en de VIJF, Koopjesnacht [verschilt van streek tot streek], Nacht van de Vallende Sterren, op 17 mei de Nacht van Knack, wat verwijst naar het feit dat kort voor het ochtendgloren van 17 mei 1970 Willy De Nolf een idee had en meteen zijn zoon Rik uit bed belde, die er net in lag. En dat midden in de blokperiode.

 

Het merkwaardige is dat al die feestdagen, zelfs de kerkelijke, werden bedacht door kleine en grote middenstanders en dat er daarom ook een Dag van de Kleine Middenstander is, drie dagen na de Opendeurdag van de Beurzen. Gaat er bij u, de consument, een lichtje branden? Voor dat soort van glimworpjes is er ook een dag, Lichtmis, op 2 februari. Het bijwonen van een mis is niet verplicht, maar een kaars aan te steken [0,50 euro] en een gift in de offerblok van Sint Antonius te droppen is het minste wat van de feestvierder verwacht wordt. Kortom, er gaat geen dag voorbij of er gebeurt een aanslag op uw dagelijks budget.

 

En u, een fervent tegenstander van al die nieuwe feestdagen ontsnapt, er niet aan. O, nee! Als u denkt dat u door thuis te blijven gevrijwaard wordt van een greep in uw beurs, dan belt er wel een koppel kinderen aan met een potje krokussen, wafels, pennen, stickers of een duo Getuigen van God weet welke Jehova. Ten bate van vóór een goed doel of tegen een slecht, als daar zijn de Vlaamse Kermis, Vrouwendag, Doomsday, De Dag van het Hart, de Driedaagse van De Panne, de Week van de Vis, de Maand van de Ram, de Leeuw, de Tweeling, de Hond, de Rat, de Haan, de Oogststoet, de paardenwijding.

 

Sinds enkele jaren is er ook de Grote Straat Dag, namelijk 11 juli [waarvoor je een subsidie kan krijgen op voorwaarden dat die gaat naar de uitbaters van de kramen met worsten en wafels, frieten en springkastelen]. Dan, even bladeren, ah, kijk! 30 mei. Mijn verjaardag! De dag van de Restauratie van een basiliek naar keuze. Hier enkele voorbeelden ten bate van uw gps: Oostakker [Oost-Vlaanderen], Dadizele [West-Vlaanderen], Averbode [Limburg]. Want elk ras, elke cultuur, elke winkel van Pa Pinkelman en Tante Pollewop, met dank aan Godfried Bomans, heeft zijn feestkalender, met de mogelijkheid op variatie, want vrijheid van feesten is een recht. Dat is het recht van elke burger.

 

9 april was de enige dag van het jaar waarop er nog niets gevierd werd. En daarom verschijnt er die dag de Niet Te Vergetenkalender. Of had ik dat al gezegd?

 

Guido LAUWAERT

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
6 avril 2013 6 06 /04 /avril /2013 17:31

 

Beatrice-Cenci.jpg

Beatrice Cenci

Toneelmakers zitten verwoed te zoeken naar ijzersterke repertoirestukken, maar komen steeds opnieuw terecht bij Aischylos, Sofocles, Euripides, Shakespeare, Tsjechov, Molière, Ibsen en wat mindere toneelgoden. Maar hoewel ze weten dat het, zoals William Wordsworth zei: “De grootste tragedie is van de [19de]eeuw”, durft niemand zijn klauwen te zetten in De Familie Cenci  van Percy Bysshe Shelley.

 

Nochtans zou een opvoering in de huidige tijd van corruptie op velerlei gebieden in het Vaticaan, familiedrama’s en een om zich heen grijpend pestgedrag niet meer dan normaal zijn, want het werk heeft, een kleine 200 jaar na zijn geboorte aan actualiteit niets ingeboet. En toneel is, toch meer dan andere kunsten, een kunstvorm die vertrekt vanuit de heersende moraal. Het zou dan ook niet meer dan normaal zijn dat een gedegen gezelschap dit stuk op het repertoire zet. Zowel in Noord- als Zuid-Nederland zijn er gezelschappen die het makkelijk aankunnen. Ze beschikken over gedegen artistieke leiders, een intelligente staf en uiterst bekwame acteurs [m/v]. Al vaak heb ik hen op het stuk gewezen, nu de trend naar repertoirestukken weer in opgang is, maar helaas, het komt maar niet tot een opvoering.

 

Kort samengevat gaat het stuk over de dochter van patriarch Cenci [1549-1598], een pervers en gedegenereerd man, die een feest geeft nadat zijn zonen zijn gesneuveld in de strijd, zijn vrouw beschouwt als gebruiksvoorwerp, zijn dochter Beatrice misbruikt en haar nadien blijft pesten. Ten einde raad huurt Beatrice [1577-1599] een moordenaar die doet waarvoor hij wordt betaald, maar paus Clemens VIII, schenkt Beatrice geen gratie, ondanks de smeekbede van de hele Romeinse adel. Vader Cenci was een geldmachine geweest voor de paus. Hij liet missen lezen als geen ander, ging te biechten en financierde de bouw van kerken. De familie had tevens een sterke band met het Vaticaan. Van maart 913 tot mei 928 regeerde een Cenci als Johannes X. Al was vader Cenci’s geloof een parodie, zoals algemeen door hogere instanties was geweten, gerechtigheid moest geschieden en vooral een voorbeeld worden gesteld, ten aanschouwen van het volk, zonder wie de Roomse kerk geen reden van bestaan heeft. Daarom stierf Beatrici Cenci op tweeëntwintigjarige leeftijd, samen met haar stiefmoeder, op het schavot.

percy-bysshe-shelley.jpg

Shelley [1792-1822] maakte het stuk in 1820 in nauwelijks drie maanden, zoals hij schreef op 24 augustus van dat jaar aan zijn vriend de satiricus Thomas Love Peacock. Al wat hij voordien geschreven had, beschouwde Shelley als minderwaardig. Bovendien beschouwde hij De Familie Cenci, naar bleek uit een brief aan zijn uitgever Ollier in Londen, als ‘zeer volks van aard’. Het stuk was echter zo naar de heersende moraal geschreven dat de uitgever twijfelde en eenmaal het toch verscheen, werd het meteen bestempeld als een succès d’estime.De verkoop liep als een trein en de recensies waren, op een enkele na, lovend van aard en wezen op de kracht en de schokkende aard van het uitgewerkte gegeven.

 

De opvoering heeft Shelley echter niet beleefd. De directie van Covent Garden Theatre verwierp het stuk, al voelde het duidelijk aan dat het niet moest onderdoen voor de beroemdste stukken van de Engelse Bard, en al prees zij, na de dood van de auteur [!], The Cenci aan als ‘de mooiste Engelse tragedie der moderne tijden’ en ‘het grootste drama na King Lear’. Iedereen met enig verstand van toneelzaken plaatste het stuk in de wereld van vader en Vaticaan. De vader staat model voor de machtswellusteling en het Vaticaan om zijn inhaligheid. Heel wat schrijvers, onder meer Adriaan Roland Holst, hebben het stuk geprezen en wezen op soortgelijke woeste krachten als schuilend in Macbeth, Hamlet, Richard III  en Othello.

Lord Byron prees het stuk, al had hij zijn bedenkingen bij de kwaliteit. De poëzie was opperbest, maar de dramatiek kon beter. Dat kan misschien wel zo zijn, maar elk repertoirestuk wordt heden ten dage zwaar onder handen genomen. Er wordt aan gebeiteld en geschaafd zodat het schoon blikt en lekker bekt. Dat is ook nodig. De integrale uitvoering van De Familie Cenci duurt vier uur, net zo lang als de originele versie van King Lear of Romeo & Julia.

 

De voorstelling, zestig jaar na de dood van Shelly, ontlokte Oscar Wilde de uitspraak dat de tragedie “zoals we die lezen, een volledig kunstwerk is – dat zich heel goed ten tonele laat voeren, maar niet afhankelijk is van een opvoering.” De reden voor de kritiek, zowel van Byron als van Wilde, is dat toneelstukken in de 19deeeuw, in tegenstelling tot Shakespeare’s tijd, aan een gezapig tempo werden opgevoerd. Welnu, enig knip- en plakwerk is toegestaan, maar het succes van De Familie Cenci hangt in eerste instantie af van het concept, én het tempo. Een stuk dat aan een razend tempo geschreven is eist een verschroeiende vaart. En de sfeer was er ook naar. Shelleys werkkamer was een glazen dakkapel, waar razende stormen en het verblindend zonlicht, zijn gevoelens sterk beïnvloedden. Een regisseur die geen rekening houdt met de driften van de kunstenaar mist meesterschap.

Het toneelstuk moest bovendien het typische tempo van het gewone volk verbeelden, niet dat van de klasse waartoe de schrijver behoorde. Dat schreef hij ook aan de uitgever. “Er restte mij niets anders te doen, zo stelde ik me voor, dan het te schoeien op de leest van mijn landgenoten en het in een taal en handeling te gieten die het regelrecht naar hun hart zou voeren.”

 

Het thema van incest, inteelt, misbruik van kinderen, en wraak, al of niet door vermeende miscommunicatie in familiekring, is van alle tijden. De vele familiedrama’s en massamoorden tonen dit aan. In de twintigste eeuw is het stuk zesmaal verfilmd. Tussen de twee wereldoorlogen kende het werk opvoeringen in Coburg, Praag, Moskou en Rome. Na de Tweede Wereldoorlog vonden opvoeringen plaats in Londen en New York. In 1995 werd het opgevoerd door Het Zuidelijk Toneel. De regisseur was Dora van der Groen, die ‘gefascineerd was’, zoals Arend Evenhuis op 27 oktober van dat jaar schreef in Trouw, ‘door Shelleys taalgebruik.’ Scenograaf was toen niemand minder dan Jan Versweyfeld. Beatrice wordt vertolkt door… Chris Nietvelt, Johan van Assche speelt vader Cenci, en de huisvriend/prelaat Orsini, een geile roomse gluiperd, door Jappe Claes. Een rol die hem op het lijf geschreven is want was hij niet de vieze valse onderpastoor in de film Daens, die zo vaak de ring van de Gentse bisschop kust, dat hij hem drie dagen mag houden. “Dan kunt ge hem zoveel kussen als ge wilt”, aldus de bisschop, meesterlijk gespeeld door Julien Schoenaerts.

 

Een bijkomend pluspunt aan het stuk is dat Shelley zijn personages niet als heidenen of heiligen presenteert. Aan elke mens zit kwaad en goed. Ook aan Beatrice, want zij had evengoed kunnen vluchten en in een klooster onderduiken. Nee, zij beraamde een moord… samen met haar moeder. Samengevat kan gesteld worden dat De Familie Cenci een stuk is dat zich boven de christelijke beschaving verheft, maar alle valsheid van het katholicisme in zich bergt. M.a.w., met Cenci schreef Shelley een stuk dat de Heilige Kerk niet raakt omdat het geen kerk van Christus is.

Antonin Artaud, de grote theaterfilosoof, heeft eenmaal een stuk geregisseerd, Les Cenci. Ondanks, of misschien juist dankzij zijn theorieën, heeft hij er zijn tanden op stukgebeten. Tijd en plaats waren ook niet geschikt. Het was 1935. De Roomse kerk was alomtegenwoordig in alle lagen van de Westerse maatschappij, Hitler was aan de macht, net als Mussolini, het rechtse denken had geen oog voor de waarde van de vrouw en het kind. De tijden zijn veranderd. De emancipatie van de vrouw is in een hogere versnelling geraakt en de rechten van het kind staan sinds kort op alle agenda’s. Maar. De huidige paus mag het dan – net als ik dit schrijf – in zijn eerste publieke uitspraak over seksueel misbruik door geestelijken hebben, dat wil niet zeggen dat zijn kabaal aan de moraal iets zal veranderen. Zijn voorganger had, met soortgelijke bewoordingen zij het met een andere toon ook al opgeroepen tot het bannen van dit kwaad en het bestraffen van de misdaad. En Johannes XIII pleitte al voor meer rechten van de vrouw in de Kerk, maar heeft de vrouw sindsdien een plek en stem gekregen in de Curie? Vooralsnog wijst dus niets erop dat er veel zal veranderen. De daad bij het woord is nooit de sterkste kant van het Roomse Rome geweest.

 

Een productie van De Familie Cenci  door een gedegen gezelschap, met een regisseur waar je je hoed voor afneemt en een cast om u tegen te zeggen, zal [hoogstwaarschijnlijk] buiten de grenzen van zijn eigen huis en stad breken. Avignon halen, Berlijn, Sint-Petersburg, Moskou. Als dat lukt zal de voorstelling meer invloed hebben op la condition humaine, dan de pathetische woorden van een paus.

Het is nu ook eenmaal de taak van het toneeltheater. Het moet het lot van het mensdom ter harte nemen: politiek, economisch, cultureel en de vermenging van de drie pijlers van de westerse beschaving. De geschiedenis heeft dit al ten overvloede aangetoond. Het is voldoende erin te kijken.

Guido LAUWAERT

Bronnen:

Gerlof Janzen, vertaler en inleider van De Familie Cenci– Ambo / Baarn – 1995

Dr. J. Keunen: P.B. Shelley – Davidsfonds / Leuven – 1942

Beknopte biografie: Joseph Keunen was politiek gevangene tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd tot priester gewijd te Luik op 8 april 1923 en nadien aangesteld als godsdienstleraar aan de Regentenschool te Sint-Truiden en later aan het Atheneum aldaar. Hij promoveerde in de Engelse taal en letterkunde te Leuven en was in 1940 laureaat van de Joris Eeckhoutprijs van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor zijn biografie van George Bernard Shaw (een boek dat hij opdroeg aan zijn vader ter gelegenheid van diens zilveren jubileum als burgemeester). In 1944 ontving hij dezelfde prijs voor een biografie die hij schreef ter gelegenheid van de 150e geboortedag van Percy Bysshe Shelley. Beide boeken werden uitgegeven door het Davidsfonds.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
6 avril 2013 6 06 /04 /avril /2013 02:37

 

90_Marktisme-HR.jpg

Een aantal essays uit het maandblad Streven werden gebundeld onder de titel Marktisme. Kritiek op het berekenende samenleven.

Marktisme is is een nieuw begrip. Een warrig begrip. Moeilijk te omschrijven. Het is immers niet iets ‘precies’, het is iets complex, zoals een tijdsgeest, of tijdsdamp, altijd is. Het is een algemeen grondidee dat de markt centraal stelt op alle terreinen, zonder onderscheid. Elk mens wordt als klant behandeld. Elke verandering als een productieproces. De markt als dé norm, voor van alles en nog wat. En overal. Een paradigma. Een dogma.

Sinds de internationale financiële crisis horen we steeds meer kritische stemmen over dat alomtegenwoordige marktisme. In zijn nefaste gevolgen lijkt dat marktisme op het dogmatisch marxisme, op doorgeschoten economisch-berekenend denken. Méér dan neoliberalisme of vrijemarkteconomie is marktisme een metafysica van de markt. Iets dat zich boven de hoofden van gewone mensen bevindt. Het gaat om abstracte financiële markten die de wereld in de ban houden, om een verondersteld rationeel keuzegedrag van alle mensen op alle plaatsen. Een algemene setting waarin elk mens enkel aan winst en succes denkt, en daarnaar handelt.

Dit boek toont aan wat er vandaag in allerlei domeinen van de samenleving aan de hand is. Marktisme is een bundeling van essays uit de laatste drie jaargangen van het maandblad Streven. Het boek beschrijft hoe een gereduceerd mens-, maatschappij- en cultuurbeeld ons denken en handelen beïnvloedt en bepaalt.

 

Het boek wordt voorgesteld op donderdag 2 mei om 19 uur in het Klooster van de Grauwzusters (Promotiezaal) in de Lange Sint-Annastraat 7 te 2000 Antwerpen (Universiteit Antwerpen Stadscampus).te Antwerpen.

 

Programma

Welkom door prof. em. Carl Reyns

Inleiding door socioloog Walter Weyns

Lezingen van filosoof Herman De Dijn en econoom Ivan Van De Cloot

Discussie onder leiding van Jean-Pierre Rondas

Receptie

 

Op de presentatie is het boek verkrijgbaar aan 17,50 € (boekhandelsprijs: 21,50 €).

Belangstellenden kunnen zich voor 25 april aanmelden bij Martine Vermeiren, UA-Stadscampus, Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen,

martine.vermeiren@ua.ac.be

Walter WEYNS, Annemarie ESTOR en Stijn GEUDENS (red.), Marktisme. Kritiek op het berekenende samenleven, Kalmthout, Pelckmans, 2013, 244 blz., 21,50 €.

ISBN 978-90-289-7139-4.

Met bijdragen van Hans Achterhuis, Gerrit Brand, Herman De Dijn, Paul De Grauwe, Ivo De Kock, Georges De Schrijver, Annemarie Estor, Stijn Geudens, Greg Houwer, Erik Martens, Frank Saenen, Herman Simissen, Bart Staes, Salomon J. Terreblanche, Guido Vanheeswijck,

Rosine Van Oost, Marc Verminck, Walter Weyns en Andrew Winnick.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche