Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
21 mai 2013 2 21 /05 /mai /2013 06:05

HJC.jpg Herman J. Claeys

Heeft Marc Tiefenthal is zich bekeerd tot spiritistische praktijken? Op 19 mei publiceerde hij een 'Open brief van Herman J. Claeys aan zijn vrienden en oud-medestanders', waarin onder meer te lezen staat:

Eerlijk gezegd had ik liever dat er in den Hopsack een barkruk naar mij werd genoemd of dat er in Ruigoord een bank in de kerk naar mij werd genoemd dan dat er een prijs op mijn lijk wordt uitgeschreven. Prijzen zijn de laatste zaken waar ik aan zou denken. […] Vandaar dat ik hier enkel kan decreteren dat er geen prijs bestaat en mag bestaan naar mij genoemd. […] U zult zich allicht afvragen waarom ik den Tiefenthal als medium gebruik. Hij vraagt zich dat overigens ook af, zij het in mindere mate. Wel dat doet er niet toe want dat zou allicht weer concurrentie en nijd met zich brengen.

*

Ik ben de enige niet om mij inderdaad af te vragen waarom Thiefenthal als medium gebruikt werd. Of misbruikt?

Uit de levensloop van de beroemdste mediums blijkt voldoende hoezeer zij blootgesteld waren aan de invloed van dolende en dwalende geesten en andere speelse of kwaadwillige lagere entiteiten (dit ter attentie van de 'believers'). Sceptische vorsers en waarnemers wijzen erop dat de boodschappen van mediums niets meer zijn dan de projectie van eigen (waan)denkbeelden.

Wat er ook van zij, Herman J. Claeys heeft bij herhaling expressis verbis tegenover zijn medestanders van De Muzeval verklaard dat het zijn uitdrukkelijke wens was dat na zijn naderend einde een naar hem vernoemde prijs in het leven zou geroepen worden. Ondanks beperkte financiële middelen heeft de vzw Pipelines de laatste wil van Herman voorbeeldig nageleefd.

'Concurrentie' en 'nijd'? Van wie dan wel?

Guido-Lauwaert.jpg

Guido Lauwaert

Na lezing van de hier gepubliceerde column 'Rekkerkwekken' van Guido Lauwaert, luidde het oordeel van Tiefenthal kort en bondig: Vroeger zou dat bladvulling hebben geheten, nu dus beeldvulling maar bovenal worstvulling.

De taalbank van de Taalunie (16 mei) oordeelt er geheel anders over:

Alliteratie, assonantie, het depreciërende woorddeel kwekken  – het zit allemaal in rekkerkwekken, dat Lauwaert tussen neus en lippen door ook maar meteen nomineert voor de Woord van het Jaar-verkiezing later dit jaar. Van ons mag hij.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
20 mai 2013 1 20 /05 /mai /2013 23:29

 

2013--17mei-026.jpg

Letterenhuis, 15 mei, van l. naar r.: Boris Rousseeuw, Maarten van Steenbergen (Lannoo), Ludo Simons en Jo Gisekin, ererector UFSIA Jean van Houtte, Lieven Sercu (Lannoo) en Kevin Absillis

Toen de bejubbelde Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen (Lannoo, twee delen, 1984 en 1987) van Ludo Simons verscheen, was in Vlaanderen voordien nauwelijks opzoekingswerk gedaan over dit thema.

In de inleiding van het eerste deel stelde Ludo Simons vast:

Het klinkt bijna ongeloofwaardig dat niemand tot nu toe de rol van het boek in de geschiedenis van de Vlaamse emancipatie als zodanig het bestuderen waard heeft geacht, al herhalen alle elkaar opvolgende geschiedschrijvers dat de Vlaamse Beweging gedurende vele decennia een in hoofdzaak literaire beweging is geweest en al beklemtonen alle historici van de Vlaamse letteren, van de weeromstuit, dat het werk van de eerste generaties van Vlaamse letterkundigen alleen begrepen kan worden wanneer men het plaatst tegen de achtergrond van de Vlaamse Beweging van hun tijd.

*

Onder zeer ruime belangstelling werd donderdag 15 mei in het Letterenhuis te Antwerpen Het boek in Vlaanderen sinds 1800.  Een cultuurgeschiedenis  voorgesteld, een volledig herwerkte en uitgebreide uitgave van Ludo Simons' eerdere publicaties.

Een cultuurgeschiedenis? Inderdaad, omdat in Vlaanderen, meer dan in andere landen, het boek nauw verbonden is met diverse maatschappelijke stromingen. Simons beschrijft ook hoe het boek in de laatste halve eeuw onderworpen werd aan marktstrategieën die het 'product' een wezenlijke mutatie deden ondergaan.

In zijn epiloog is Simons optimistisch over de toekomst: 'Het boek heeft alle innovaties van de industriële revolutie doorstaan n is vitaler dan ooit. Het boek bedoel ik dan dat verdient boek genoemd te worden'.

2013--17mei-034.jpgKevin Absillis licht het boek toe

Het zal niemand die vertrouwd is met de legendarische zin voor humor en ironie van de erudiete Ludo Simons verwonderen dat dit lijvige naslagwerk ook gekruid is met tal van weetjes en anekdotes, wat het ook tot een boeiend leesbaar boek maakt.

2013--17mei-056.jpgLudo Simons tekent het exemplaar van Joke van den Brandt

Prof. dr. Ludo Simons (Turnhout 1939) is emeritus hoogleraar Boek- en bibliotheekwetenschap aan de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven en lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.
Hij was conservator van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven - het huidige Letterenhuis - te Antwerpen, directeur van de Antwerpse Stadsbibliotheek - de huidige Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience - en hoofdbibliothecaris van de Universiteit Antwerpen. Hij promoveerde in de Germaanse filologie bij Albert Westerlinck en schreef een aantal boeken over literatuur- en cultuurgeschiedenis.

*

Tussen het aandachtige publiek: o.m. Manu van der Aa, prof. Herwig Arts S.J., Arnold Eloy, Willem Van der Eyken, Tony Rombouts, Jean-Pierre Rondas, Leentje Saey, Marc Somers en Jo Vermeulen.

2013--17mei-068.jpgAnn Renard, directeur van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en componist

Wilfried Westerlinck

 

Ludo SIMONS, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een culturgeschiedenis, Tielt, Lannoo, 2013, 640 p., geb. met stofomslag, 49,99 €. ISBN 978 90 209 8374 6

 

Foto's: Frank Ivo Van Damme

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
20 mai 2013 1 20 /05 /mai /2013 07:17

 

FetesGalantes.jpg

Eergisteren reikte de onvolprezen Demian mij een mooi exemplaar van Fêtes galantes ('Fantasie-stukken in Rococo-stijl') van Paul Kenis, met eigenhandige opdracht aan André de Ridder, gedateerd 8 maart 1925, 'als blijk van oude trouwe vriendschap en van hartelijke waardeering'. Het boek verscheen anno 1924 in de Keur-serie van L.J. Janssens & Zonen te Antwerpen.

Ik ben geen verzamelaar, maar zo'n exemplaar kan ik niet laten liggen.

OpdrachtKenis.jpg

Mijn waardering voor het oeuvre van de veelzijdige en razend erudiete André de Ridder (1888-1961), groeide met de jaren. Aan die vriend van grootvader koester ik warme herinneringen die ik hier en elders al publiceerde.

André de Ridder was o.m. een van de peetvaders van het Vlaams expressionisme en compagnon van Paul-Gustave van Hecke, die recent eindelijk de aandacht kreeg die hij verdient, dank zij de vorsing van Nele Bernheim en het onvolprezen literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd. Nu is het popelend wachten op de biografie van Manu van der Aa, een kolfje naar zijn hand. Wanneer krijgt nu ook De Ridder eindelijk wat hem toekomt?

De Ridder werd trefzeker door Paul Kenis onder de aandacht van de lezers van Den Gulden Winckel gebracht (XIX, nr. 6, 15 juni 1920, pp. 81-85; XIX, nr. 7, 15 juli 1920, pp. 97-99) en De Ridder herdacht uitvoerig zijn vriend Kenis in De Vlaamsche Gids van oktober 1934.

DeRIdderKenis.jpg

Mijn aandacht voor Paul Kenis (1885-1934) werd in de tweede helft van de jaren zestig aangewakkerd door zijn kameraadschappelijke epistolaire relatie met Paul van Ostaijen (in 1995 publiceerde ik in Deus Ex Machina aantekeningen bij brieven van Kenis aan Van Ostaijen). Een groot deel van het scherpzinnige kritische en essayistische werk van Kenis is verspreid over een rist tijdschriften en bleef jammer genoeg ongebundeld. Zal ik het nog mogen meemaken dat iemand daar werk van maakt? Ik vrees van niet. Soit.

KenisLetterkunde.jpg

Wat er ook van zij, Paul Kenis' verhelderend naslagwerk Een overzicht van de Vlaamsche letterkunde, na Van Nu & Straks (1930) hou ik binnen handbereik.

*

Twee vraagjes aan het adres van de erudieten onder mijn lezers.

In 1934 publiceerde het magazine De stad Antwerpen (nr. 24, 24 augustus 1934, p. 755) een volle pagina in memoriam Paul Kenis, met foto, ondertekend 'Scaldis'. Weet iemand wie achter dit pseudoniem schuilging?

Ik beschik slechts over summiere informatie over Marcel Schippers, essayist en directeur van uitgeverij 't Lantaarntje. Kan iemand mij meer vertellen?

*

Ondertussen heb ik Tango assassino van Patrick Conrad en Hugo Claus. Een hommage van Marc Didden gelezen – waarover later meer.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
19 mai 2013 7 19 /05 /mai /2013 05:27

 

ClausPolitiek

In gespierde taal reageert Koen Calliauw op de tweede editie van de Herman J. Claeys-prijs, 'prijs zonder ballen'. Van de 85 ingezonden gedichten hadden immers slechts 'enkele min of meer betrekking op het opgelegde thema', nl. censuur. Hij is ontsteld over 'de onverschilligheid van jongere generaties voor dit thema'.

'Net als twee jaar geleden maakte ik deel uit van de jury. Voor even deze keer…

De prijs had nu niet uitgereikt mogen worden wegens het niet beantwoorden van de inzendingen aan het thema er van. Wegens de belediging die Herman zaliger aldus aangedaan wordt. Lucienne Stassaert, Bert Bevers, Peter Holvoet-Hanssen, Henri-Floris Jespers en Jan Van Veen klaarden de klus. Ik nam ontslag… Ik dacht aan de evergreen van Boudewijn De Groot : “Slaap zacht mijnheer de...”'

Koen is niet mals voor de organisatoren en de 'bejaarde' jury van de prijs:

'Deze poëzie prijs heeft behoefte aan jonge, maatschappelijk betrokken en inderdaad linkse leden. Herman wordt nu gerecupereerd door conservatieve lieden, is slachtoffer van repressieve tolerantie. Wordt 'gebruikt' door, laat het me met Herman zeggen, “klootjesvolk”'.

Koen Cailliauw drukt 'Sprakeloos', het bekroonde gedicht integraal af. Hij kan zich kennelijk wel vinden in de beslissing van de jury:

'Laat het winnend gedicht van ‘oudje’ Mark Meekers [°1939] ons wat vreugde brengen. Het is één van de zeer zeldzame inzendingen “met ballen”'.

Allemaal nogal warrig. Koen Calliauw geeft genadeloos kritiek op de inzendingen, hij beticht de organisatoren en de jury van recuperatie en repressieve tolerantie maar onderstreept wel dat een gedicht 'met ballen' bekroond werd...

*

Naar aanleiding van De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek publiceerde ik enkele notities over Claus en de “belgitude” (Mededelingen 208, 1 mei 2013, pp. 12-14). Historicus Marnix Beyen (°1971) argumenteert overtuigend dat 'Claus postuum onterecht de stempel van “belgicist” kreeg opgedrukt'. Een 'unitarist dans l'âme'? Niets van.

De redacteurs onderstrepen:

Het eeuwige enfant terrible heeft in zijn gevulde loopbaan weliswaar vaak de draak gestoken met radicale flaminganten (zeker als ze ook nog eens katholiek waren), maar als puntje bij paaltje kwam bleek hij meer te geloven in een Vlaamse identiteit dan in de potsierlijke constructie die België volgens hem was. (p. 13)

De bijdragen van Kevin Absillis, Sarah Beeks, Onno Blom, Marnix Beyen en Georges Widemeersch verdienen ten volle een aandachtige en grondige lectuur. Maar het gaat ook om een boeiend kijkboek. Zo ontdek ik o.m. op p. 293 een treffende kleurenfoto van Ed van der Elsken uit de jaren zestig: Claus geflankeerd door Herman J. Claeys, Ludo Martens, Hugues C. Pernath, Hugo Raes, Walter Tillemans en Freddy de Vree.

Henri-Floris JESPERS

 

Over de uitreiking van de Herman J. Claeys-prijs:

http://mededelingen.over-blog.com/article-herman-j-claeys-prijs-roodborstje-m-c-ensor-en-gerbrand-willems-117687798.html

De volledige tekst van de reactie van Koen Calliauw:

http://www.dewereldmorgen.be/blogs/koen-calliauw/2013/05/11/poezie-prijs-hermanjclaeys-zonder-ballen

Kevin ABSILLIS, Sarah BEEKS, Kris LEMBRECHTS & Georges WILDEMEERSCH, (red.) De plichtvan de dichter. Hugo Claus en de politiek, De Bezige Bij Antwerpen, 2013, 349 p., geb., ill., 34,95 €.

http://mededelingen.over-blog.com/article-hugo-claus-ik-heb-mij-nooit-een-belg-gevoeld-117147284.html

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
17 mai 2013 5 17 /05 /mai /2013 16:25

 

Beckett.jpg

De Ierse schrijver en Nobelprijswinnaar Samuel Beckett staat voornamelijk bekend om het dwingend aanwenden van stiltes. Vooral in zijn latere toneelwerk. Het is onlosmakelijk verbonden met zijn kijk op het absurd theater van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Theater Zuidpool heeft van vier korte stukken één voorstelling gemaakt. Met wisselend resultaat.

*

Niet alleen wat er gezegd, maar hoe het gezegd moet worden, wanneer er stiltes moeten vallen, de wijze van belichting et cetera heeft Beckett geschreven en bevolen. Uit zijn werk merk je dat wanneer er een pauze ingebouwd is, die vaker gevaarlijker is dan wanneer de stem zijn stem verheft. Dat geldt zowel voor de speler als de toeschouwer. Bovendien zijn drie van de vier teksten bedoeld als volwaardige avondstukken, hoe kort ze ook duren.’Wij willen Beckett precies zo brengen als toen’ zegt Jorgen Cassier, ‘alleen anders’. Dat ‘anders’ slaat op het samenvoegen van drie theaterstukken en een prozagedicht tot één geheel. Het resultaat is een fraaie schotel, maar met te weinig smaak. Door de vier stukken afzonderlijk te bekijken, zal blijken waarop dat oordeel gebaseerd is.

Stille Sidders

Met het laatste literaire stuk van Beckett uit 1988 begint de voorstelling. Julien Schoenaerts heeft Stirrings Still in 1989 onder de titel Stille Sidders gespeeld. De vertaling was van zijn partner Marie-Dominique Wiche, de moeder van een jonge met een schone aard, Matthias Schoenaerts. Wat toen opviel was dat Julien nadacht over wat hij gezegd had… om te weten wat de volgende zin moest zijn [hoewel die op papier en dus in zijn hoofd zat]. De versie van Jorgen Cassier verschilt grondig. Hij wandelt niet maar stapt flink door. Hij denkt niet na. Wat nu net de bedoeling van Beckett was. Hij had zelf geworsteld met de afwerking ervan, en wilde dat de lezer dezelfde worsteling beleefde. Een toneelversie ervan maken kan, mits een degelijke begeleiding. Dat is niet het geval geweest. En kijk, zijn spel is geen spel meer maar een voordracht geworden. Wat maakt dat de toeschouwer niet meegetrokken wordt in de tekstballon. Extra zwakte is de slordige declamatie.

Waar Beckett razend zou over geworden zijn, dat blijkt voldoende uit getuigenissen. Hij wilde dat elke letter van een woord aan bod kwam.

Niet ik

Not I dateert van 1972. Aan de basis lag het schilderij De onthoofding van Johannes de Doper, het beroemde schilderij van Caravaggio. Hij was zo gefascineerd door de blik van het onthoofde hoofd op de schotel dat hij voor Not I enkel het een verlichte mond in beeld wilde. De mond spuwt in een verbazingwekkend tempo woorden en vertelt van een eenzaam en droevig leven. Zij – want de stem is vrouwelijk – wordt gespeeld door Sofie Decleir. Volgens het boekje. En daar mocht nu net wat meer gevoel in zitten. Het moet een apocalyptisch lied worden. De versie van Sofie Decleir is dat niet, op een paar kleine oprispingen na. Door het te weinig gebruik van de colloraturen van de stem blijft het geheel niet plakken bij de toeschouwer. Hij ervaart enkel.

Die keer

That Time is een monologue intérieur uit 1975. Een man staat stil en luistert naar drie stemmen in zijn hoofd die met elkaar in debat gaan. De club van Zuidpool heeft één stem met drie toonhoogten op band laten zetten en ze vanuit drie hoeken uit klankkasten laten vallen. Dat is de zwakte van een anders niet slechte interpretatie. Waren drie acteurs in het donker ‘gebruikt’ het effect zou veel indringender zijn geweest.

Wiegelied

Rockaby is een prachtig kort stuk uit 1975. Een vrouw, gekleed in een zwarte, hooggesloten avondjurk schommelt ritmisch heen en weer in een schommelstoel. Het tempo loopt synchroon met de ritmes van haar stem. Ze zit doodstil. Met tussenpozen spreekt ze geluidloos mee met de sleutelzinnen. Haar stem wint naar het einde toe aan kracht tot band en stem in elkaar overgaan. Hier krijg je een indrukwekkend samenspel en een heel gevoelige invulling. Schapeau voor Sofie Decleir. De actrice wordt de grootmoeder die Beckett voor ogen had, zijn eigen oma. Maar er zijn ook schilderijen – zo vaak bij Beckett – die hem inspireerden. Dat is niet zo belangrijk. Wat wel belangrijk is, is dat Beckett bedoelde dat de oma naar het graf schommelt. Laatste behoeften en teleurstellingen leiden tot een besluit: het is genoeg geweest. Slot. Einde. Dood.

Envoi

Er is een pauze, na twee stukken, en een muzikale interactie tussen de stukken zonder pauze. Leuk, maar pauze en muziek voegen niets toe. Zonder ware beter geweest. Dan was het introverte, asociale maar voyeuristische karakter waar Beckett het patent op heeft, sterker geworden.

Voldoende spijkers. Tijd voor de aai, een streling. In vier fasen groeit de voorstelling uit tot een fraai kleinood. Een miniatuur om te koesteren. Alleen al om het vierde deel is dit een voorstelling waar men geen slecht gevoel aan overhoud. Integendeel. En een tournee verdient.

Guido LAUWAERT

Beckett-Zuidpool.jpg

BECKETT Theater Zuidpool – www.zuidpool.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
16 mai 2013 4 16 /05 /mai /2013 08:00

 

De treinramp in Wetteren heeft gezorgd voor een hoogtepunt in een fenomeen dat al langer bestaat maar in onze contreien nog geen naam heeft. Het werkte me zodanig op de zenuwen dat ik een oplossing bedacht heb om weer rustig te worden: laten we een naam bedenken. Iedereen mag mee doen en de winnaar krijgt een plaatje met zijn gegevens onder het ingelijste woord op de tentoonstelling ‘Woorden van het Jaar’ en komt uiteraard centraal te hangen, waar het lint doorgeknipt wordt door prins Laurent, of een andere artiest van het Circus van Laken.

 

Alle begin is moeilijk en laten we daarom beginnen met Rekkerkwekken. Ik heb het nagegaan, het woord staat niet in het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, in de volksmond de Van Dale. Voor de duidelijkheid het fenomeen omschrijven. Kort: het oeverloos rekken van een nieuwsfeit. Lang: Elk nieuwsbulletin begint en eindigt met het nieuwsfeit. Geen krant die er niet dagelijks een pagina voor over heeft. Eigenlijk heb je aan één dag voldoende, en wat later, als de ramp over en uit is twee minuten. Maar de redacties van de radio, de televisie en de kranten hebben er een gewoonte van gemaakt om iedereen en alles naar hun mening te vragen. Het is een nieuwe variante maar hoort wel thuis in de categorie gossip.

 

Zelfs een koe en een stier, staande voor hun stal worden geïnterviewd. Journalist: “U bent niet geëvacueerd?” – Koe: “Nee, wij weten wij van niets.” – Stier: “Wij zijn wij maar gewone beesten, hé! Ons zien ze niet staan.” Journalist: “En dat duurt nu al een week?” Stier: “Een week! Hoelang duurt dat spelletje al? Het enige dat we weten, weten we van de televisie.” – Koe: “ Die van hiernaast heeft gezegd dat we niet meer naar de wei mogen. Maar volgens die van hierover is er geen gevaar. Wie moet ge nu nog geloven? En de wijkagent, die anders om de vijf voet hier staat, hebben we ook al in geen maand gezien.” – “Zoals u hoort, Martine, schort er nog heel wat aan de communicatie. Maar Jan Briers, de gouverneur, beweert dat alle omwonenden geïnformeerd zijn, zelfs de illegale bewoners van een stacaravan in een bosje hier wat verder op.”

 

Om het rekkerkwekken te kunnen rekken moet de zaak opgeblazen worden, wat dan ook gebeurt, en als alle munitie verschoten is, moet de onrust aangewakkerd worden. “Het aansteken van de steekvlam, Martine, is niet zonder gevaar. Daarom is er een speciale eenheid uit Bangladesh gevraagd. Die hebben een ramp aangepakt van een ingestort gebouw waar meer dan duizend doden vielen. Er is wel een klein probleem met de speciale eenheid. Door de staking in de luchthaven geraken ze niet aan hun bagage, waarin noodzakelijke… zaken, zal ik maar zeggen, zitten, om de steekvlam op een veilige wijze te kunnen aansteken. De spanning groeit dus, en naar ik hoorde zou er een speciale ministerraad in de loop van de ochtend zijn om desnoods onder politiebegeleiding de bagage te gaan ophalen. Als dat gebeurt zullen wij er natuurlijk bij zijn om daar verslag van uit te brengen, want de socialistische vakbond is getipt over de staatsoverval, beter kan ik het niet omschrijven, en zou naar verluidt al zijn stormtroepen uit Kontich, Zelzate en Charleroi hebben opgeroepen, of ten minste klaar te staan en autobussen te reserveren.”

 

Bejaarden mogen natuurlijk niet ontbreken. Onderweg van een tehuis naar een ziekenhuis worden ook zij geïnterviewd, desnoods tot de dood erop volgt, want dat is nieuws in de marge van het nieuws en dat mag zeker niet gemist worden. Ze krijgen een microfoon onder de neus geduwd en zijn maar half verstaanbaar omdat ze een zuurstofmasker op hebben en ze wat vergeten zijn. “Deze vrouw, Martine, heeft al heel wat meegemaakt, volgens haar dochter. Teveel om op te noemen en dat bespaar ik u en de kijker dan ook. Wat haar nu echter overkomen is, en dat is de reden dat we haar niet kunnen interviewen, is dat ze zich niet duidelijk kan uiten. Niet door de angst, die is er wel maar volgens de dokter die ik er over aansprak, niet zo dat haar toestand verergerd, maar omdat ze door de drukte haar gebit niet vond.”

 

Uiteraard vallen er gaten. Wanneer de hulpverleners een boterham eten en het rampenteam een dutje doet. Ze worden opgevuld met het verleden in te duiken en alle rampen uit de Belgische geschiedenis te laten passeren. De Innovation van de Brusselse Nieuwstraat, de mijn van Marcinelle, de gekapseisde ferryboot in het zeegat van Oostende et cetera. En wanneer alle rampen de revue zijn gepasseerd, wordt er aangebeld bij Etienne Vermeersch, wonend in een randgemeente van Wetteren, maar helaas niet thuis is omdat hij in een studio van een concurrerende zender de grondbeginselen van een ramp op de moraal van de bevolking verklaart, gekoppeld aan de nieuwe trend van de media om dat uit te buiten, wegens de crisis in de reclamesector, aan de hand van wat er gebeurt is of zou kunnen zijn gebeurd bij de uitbarsting van de Vesuvius.

 

In afwachting dat Etienne weer netjes thuis gebracht is, wordt zijn vrouw geïnterviewd. “Ik zit hier met 25 zwerfkatten. Geen hond die er zich iets van aantrekt. Mag ik ze voeren of mag ik ze niet voeren? Ik voer ze, natuurlijk, anders gaan ze zeker dood. En wat ik ze geef komt niet uit de Aldi van Wetteren. Daar zou je beter eens gaan kijken. Het zit er vol ratten en niemand die ze voert. Ze krijgen niet eens de vervallen spullen. Die gaan terug naar Duitsland, waar ze klaargemaakt worden en als laatste avondmaal geserveerd worden aan zieken in de palliatieve zorg. Allez, zeg zelf, er zijn toch nettere manieren van euthanasie.”

 

Zowat iedereen uit de omgeving van Aalst is al driemaal geïnterviewd. De journalisten rukken momenteel op naar Gent, Dendermonde, Mechelen en Sint-Niklaas. Want tot de treinquiz van Iedereen beroemd niet langs Wetteren kan passeren is de rek er niet uit.

 

Rekkerkwekken. Iemand een beter idee om het fenomeen te benoemen? Kom niet af met Elastiekjournalistiek. Dat is in Nederland al in gebruik. Sinds Koningin Beatrix kond maakte dat ze van plan was de fakkel door te geven. Dit belangrijk wereldnieuws is ten noorden van Wetteren langzaam afgefakkeld.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
15 mai 2013 3 15 /05 /mai /2013 19:58

 

Escurial.jpg

De eerste druk van Escurial, La Renaissance d'Occident, Bruxelles, 1928

Josse De Pauw is een rasechte Brusselaar. Vroeg of laat moest hij bij Michel de Ghelderode belanden. En met diens eenakter Escurial gaat een droom van Dirk Roofthooft in vervulling. Al in zijn studententijd wou hij met deze tekst aan de slag. De samenwerking leverde vuurwerk op. Tel daarbij het aandeel van Collegium Vocale Gent en de muziek van twee rascomponisten.

Michel de Ghelderode [1898-1962], is een Franstalige Belgische auteur. In 1929 kreeg hij officieel toestemming om zijn pseudoniem als familienaam te gebruiken. Adémar Martens was hem te banaal. Dit feit kenmerkt zijn persoonlijkheid. Hij creëert tot zijn dood een mythe rond zijn leven. Het fabuleren is ook typisch voor zijn werk. Hij houdt een lezing over een miskend dichter, Philostène Costenoble, in feite hemzelf.

Barabbas.jpg

De eerste druk van Barabbas, Standaard-Boekhandel, 1931. Oslagtekening: Felix De Boeck

In zijn passiespel Barabbas is het titelpersonage een anarchist die veel bewondering heeft voor Christus.

Pantzagleize.jpgDe eerste druk van Pantagleize, Le Vrai, Bruxelles, s.d. [1934)

Pantagleize  dan weer is een toneelstuk over een beroepsfilosoof die zoveel nagedacht heeft dat hij niets meer begrijpt.

*

In Escorial  [1927], zoals de Nederlandstalige titel luidt, worden een Spaanse vorst en een Vlaamse nar ten tonele gevoerd. De koning heeft zijn gade vergiftigd, of laten vergiftigen, want rijke mensen hebben daar personeel voor. Haar doodstrijd bedroeft zowel de koning als de nar. De eerste wegens het gebeier van de klokken die het levenseinde nog wat dramatischer maken dan hij al is, en de tweede omdat ze zijn minnares was. Om de gevoelens op te krikken besluiten beide personages van rol te verwisselen, waaruit een cru en tegelijk komisch-burlesk spel van effecten ontstaat. Extra kracht krijgt het stuk door een rondsluipende beul [Sam Louwyck] en een kettingbiddende monnik [Louis van der Waal].

De vele christelijke elementen in het stuk zijn afkomstig uit wat de auteur als jongeling beleefde; een katholieke schooltijd met satanische trekjes. Het levert een antiklerikale houding op die zich vertaalt in een Blackadder-humor. Maar Escorialmag zich dan wel afspelen in het gelijknamige kloosterpaleis van de Spaanse koning Filips II, het refereert ook naar de ruïnes van het paleis op de Koudenberg, waarvan nog restanten te vinden én te bezoeken zijn onder het Paleis voor Schone Kunsten, thans BOZAR. Op 25 oktober 1555 deed Karel V er in de ondergrondse kapel troonsafstand ten voordele van zijn zoon Filips II. Waarmee wordt bedoeld dat bij De Ghelderode niets toevallig is. De geschiedenis van Brussel, van Brabant en Vlaanderen is nooit ver weg. Dit in combinatie met het gepest van de ondergrondse kwelgeesten waar elke mens met een behoorlijk portie fantasie er mee opgezadeld zit.

Het decor is sober maar beantwoordt aan het concept dat Josse bedacht. Een speelvlak dat door zijn schuine vlakken het klimmen bemoeilijkt, het dalen vaak laat eindigen in een glijpartij, kortom, het wankele gemoed van zowel de koning als de nar benadrukt. De kostuums zijn prachtig, enigszins voorspelbaar. Opzettelijk, vermoedelijk, om het effect te versterken als ze van rol en dus van pak wisselen. Dan staan ze een tijd op een slipje na naakt. Op hun twee vette lijven zijn ze zeer fier; logisch, het is een deel van hun status. Hun pronken met vet en spieren is zeer vermakelijk en zorgt voor een stijlbreuk. De loodzware sfeer wordt er [tijdelijk] door verbroken.

 

Niet alleen de zo goed als naakte scènes – ook de andere beelden roepen historische schilders op, zonder dat ze er expliciet naar verwijzen. Nu eens verschijnt Carravagio in de cinemazaal van het geheugen van de toeschouwer, even later duikt Breughel op, Bosch, Cranach. Extra push voor de toeschouwer die ooit het Escorial bezocht heeft en daar met zijn eigen ogen kon zien dat koning Filips II een groot en bekwaam kunstverzamelaar was.

 

Over de muziek en de uitvoering geen kwaad woord. De nieuwe composities van George Alexander van Dam sluiten naadloos aan bij de zestiende-eeuwse werken van Orlandus Lassus. Soms zit er een asynchroon toontje in de nieuwe werken, maar ze versterken de sfeer in het kloosterpaleis en de gevoelens van de koning en de nar. Het enige minpunt is de geluidsbalans en kost de productie een ster. Het koor overheerst en maakt dat de spelers niet altijd duidelijk verstaanbaar zijn. Als het voor de nieuwe werken in de wandelgangen had gestaan zou het effect veel duidelijker zijn geweest en het evenwicht tussen zang en spel perfect.

 

Bijzonder pakkend is de scène aan het eind, wanneer de beul de nar wurgt. Nadat de klus geklaard is, maakt hij een dansje. Het sluit aan bij een gewoonte uit de tijd dat zulke zaken dagelijkse kost waren. Elke koning had niet alleen een nar maar ook een beul in dienst. Als zijn werk keurig was uitgevoerd, kreeg hij een beloning; om eens goed te gaan feesten.

 

Escorial  verdient een plaats in de troonzaal van het Belgisch theater. Al is deze voorstelling over macht en onmacht een harde hap voor wie onvoorbereid ter zale trekt. Escorial is dus niet geschikt voor de meerderheid van de lezers van Het Laatste Nieuws  en hardnekkige kijkers van Familie.

Guido LAUWAERT

ESCORIAL – concept/regie: Josse De Pauw – productie: Muziektheater Transparant in coproductie met deSingel, Collegium Vocale Gent, KlaraFestival , Zeeland Nazomerfestival en Opéra de Lille – www.transparant.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
15 mai 2013 3 15 /05 /mai /2013 15:30

 

JespzersNaktKnokke.jpg

Grootmoeder, het zedenschennende beeld, grootvader (ca 1949)

De persknipsels en andere documenten uit eind de jaren zestig, begin de jaren zeventig, gereproduceerd in de bescheiden documentaire publicatie van vzw Pipelines naar aanleiding van de tweede Herman J. Claeys-prijs, uitgereikt op 9 mei, bieden heel wat stof tot nadenken over de begrippen “pornografie” en “goede zeden”.

Zedenschennend.jpghttp://mededelingen.over-blog.com/article-herman-j-claeys-prijs-roodborstje-m-c-ensor-en-gerbrand-willems-117687798.html

Dat brengt mij een voorval in herinnering. Als kind verbleef ik vaak (meestal met mijn overgrootmoeder Bobonne) in het Vijfringenhuis aan de Graaf Jansdijk te Knokke, de bescheiden villa annex atelier van grootvader. Ik heb daar nog duidelijke herinneringen aan. In de tuin had grootvader een plaasteren beeld geplaatst, een kuise naakt. Op een nacht werd het vernield. Zo'n schaamteloos zedenschennend werk in de “openbare” ruimte, dat kón toch niet...

*

Iedere mens die sterft is als een museum dat brandt, zo luidt de aanhef van de tafeltoespraak ter herdenking van Bob Lebacq die Ludo Bekkers op 27 april uitsprak tijdens de 'After-Funeral-Get-Together', opgenomen in Mededelingen 208 de dato 1 mei 2013, pp. 7-8. “Bij de aanhef ontbreken aanhalingstekens”, aldus een lezer met wie ik eerder toevallig een gesprek voer. Het woord geladen woord “plagiaat” viel, waarbij mijn gesprekspartner nadrukkelijk verwees naar de telefilm van Patrick Conrad over Paul van Ostaijen en Floris Jespers (“Ieder mens die sterft, is als een museum dat brandt”, BRT, 1982).

Conclusies mogen nooit overhaast getrokken worden. “Een oude man die sterft is als een bibliotheek die brandt” is een traditioneel Afrikaans adagium dat wereldwijd bekend werd nadat de veelzijdige en erudiete Malinese linguïst en auteur Amadou Hampaté Bâ (Bandiagara, 1901-Abidjan, 1991) het aanwendde in zijn toespraak op de Algemene Conferentie van UNESCO, de Verenigde Naties-organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur, waar hij Mali vertegenwoordigde. (Van 1962 tot 1970 was Amadou Hampaté Bâ lid van het uitvoerend comité van UNESCO.)

*

Gisteren bracht jurysecretaris Frank van den Auwelant nog een lading boeken te lezen voor De Diamanten Kogel 2013. Ik begon alvast met Tango assassino van Patrick Conrad.

Henri-Floris JESPERS

ConradTango.jpg

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
15 mai 2013 3 15 /05 /mai /2013 09:00

 

Jorg-Pyl--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
14 mai 2013 2 14 /05 /mai /2013 02:50

 

bertrand_russell_image.jpg

Bertrand Russell.

Naast de aanbidding van menselijke katjes, lieflijk pratende puppies, esoterische foto’s, zweverige wijsheden, kretologie van politieke spionkoppen kan je op facebook ook merkwaardige informatie vinden. Zo las ik er de brief die Bertrand Russell in 1962 schreef aan de Britse fascistische politicus Oswald Mosley (1896-1980). Elegant en met een kenmerkend Engels flegma maakt hij Mosley fijntjes duidelijk waarom hij niet met hem in debat wil gaan:

Dear Sir Oswald,

Thank you for your letter and for your enclosures. I have given some thought to our recent correspondence. It is always difficult to decide on how to respond to people whose ethos is so alien, and, in fact, repellent to one’s own. It is not that I take exception to the general points made by you that every ounce of my energy has been devoted to an active opposition to cruel bigotry, compulsive violence, and the sadistic persecution which has been characterised the philosophy and practice of fascism.

I feel obliged to say that the emotional universes we inhabit are so distinct, and in the deepest ways opposed, that nothing fruitful or sincere could ever emerge from association between us.

I should like you to understand the intensity of this conviction on my part. It is not out of any attempt to be rude that I say this but because of all that I value in human experience and human achievement.

Yours sincerely

Bertrand Russell.”

*

Bertrand Russell (1872-1970) was naast schrijver – hij ontving in 1950 de Nobelprijs voor Literatuur- historicus en wiskundige, een van de meest opmerkelijke filosofen van de vorige eeuw. Zijn Why I am not a Christian blijft een gouden leidraad voor ketters zoals uw ondergetekende.

Hij was eveneens een geëngageerde humanist die niet in zijn wetenschappelijke ivoren toren bleef kuieren. Zo richtte hij samen met Jean-Paul Sartre het befaamde en baanbrekende Russel-Tribunaal op. Andere tribunalen zoals Het Permanent Volkerentribunaal vonden hier hun inspiratiebron. Zij onderzoeken schendingen van mensenrechten en zijn van belang voor de ontwikkeling van het Internationaal recht.

Brieven zoals deze aan Mosley hebben niet alleen een eeuwigheidswaarde als historisch document. Ze blijven brandend actueel en zijn ook vandaag te gebruiken. Vervang in Russell’s brief het woord fascisme door een ander dictatoriaal “-isme” en hij kan zo door het Vlaams Fonds voor de Letteren worden gebruikt om zijn deelname aan de Beijing International Book Fair af te melden. Over de weldaden van het Chinese regime tegen de menselijkheid en de merkwaardige deelname van het VFL berichtte ik reeds in een vorige bijdrage (1), “because of all that I value in human experience and human achievement”.

In 1986, tijdens de verheven anti-apartheidstijd werd in Amsterdam Willem Frederik Hermans nog persona non grata verklaard omdat hij in Zuid-Afrika een serie lezingen had gegeven en hiermee de culturele boycot had doorbroken. Wat toen kan, kan nu niet meer. Vooral voor cultuur zijn boycots zoals monokini’s en dus uit de mode. Het zijn nu andere, mercantiel verlichte tijden. China kan dus opgelucht blijven ademen. Liu Xiaobo, de opgesloten Nobelprijswinnaar is niet zo sexy als Nelson Mandela tijdens zijn opgesloten, gouden jaren.

Dank zij de rubrieken gebroken armen en benen kunnen we ons natuurlijk altijd even druk maken over de kwijnende kwaliteit van onze media. Altijd goed voor de lokale gemoedsrust om de schrijnende vrije markt aan te klagen. O tempora, o mores…

Frank DE VOS

 

(1) http://mededelingen.over-blog.com/article-het-vlaams-fonds-voor-de-letteren-kuifje-in-china-117219027.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche