Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
26 mai 2013 7 26 /05 /mai /2013 19:30

 

roodWO

Wim Opbrouck en Servé Hermans

 

Te veel hulp kan averechts werken’, schreef een opiniemaker vorige week in NRC Handelsblad. De zin maakte een grote sprong voorwaarts, halverwege de voorstelling Rood, de laatste nieuwe productie van het seizoen van NTGent. Dat lag niet aan de prestaties van de acteurs, maar komt geheel op rekening te staan van de auteur, John Logan [1961]. Voor zijn tweemansstuk uit 2008 kreeg hij in zijn thuisland, Amerika, zes Tony Awards. Je vraagt je af wat de jury bezield heeft.

 

De abstract-expressionistische schilder Mark Rothko [1903-1970] werkt aan een grote opdracht voor een restaurant. Na overleg met de architect heeft hij besloten alle muren te behangen met zijn schilderijen, ‘de compositie van een fuga’, zoals de auteur de schilder in de mond legt. Een assistent zal hem bijstaan. Een loopjongen die de borstels moet reinigen, de doeken ophangen, de verf mengen, de koffie zetten en de asbakken legen. Verloopt het contact tussen schilder en assistent bij aanvang stroef, gaandeweg wordt het losser. Halverwege het stuk wordt de assistent mondiger, durft een eigen mening te uiten, tot hij de taalmacht van de schilder overneemt en aan het eind de schilder overlaadt met verwijten. Het afscheid is in mineur. Geen verzoening. Beiden blijven op hun standpunt staan.

 

Het zou een pracht van een dialoog kunnen worden. Het toneelstuk is helaas een collage van citaten van de schilder en een samenraapsel van fragmenten uit interviews, kritieken, beschouwingen van kenners en reacties van bezoekers van vernissages. Die manier van werken kan een mooi beeld vormen over het leven en werk van een kunstenaar, een wetenschapper of een gerenommeerde politieke familie, zoals Luk Perceval bewezen heeft met zijn bezielde voorstelling The truth about the Kennedy’s, dat geconcipieerd was uit zowat honderd jaar reportages en standpunten uit kranten en weekbladen.

 

Rood daarentegen bulkt van de clichés. De auteur heeft er zich gemakkelijk van af gemaakt. Een tussendoortje lijkt het wel, een lesje in kunstgeschiedenis vertrekkend van het werk van Mark Rothko, zodat van Michelangelo tot Warhol een hoop schilders aan de beurt zijn. De meeste krijgen de grofste verwijten naar het hoofd geslingerd [schoorsteenstukken!], hun leven is een verraad aan de kunst en een omhelzing van de commerce. Alleen Caravaggio en Van Gogh worden gespaard. Slechts hij, Rothko, is een genie.

 

Halverwege de voorstelling neemt de assistent, zoals eerder gezegd, de macht over. Al te duidelijk voor de toeschouwer wordt dat de auteur aan het eind van zijn Latijn was en een plotwending nodig had om de boel draaiende te houden. Pijnlijk. De dood van zijn ouders, ze werden vermoord, en samen met zijn kleine zusje ontdekt hij ze, liggend op het bed en overal bloed. Plassen, spatten. Overheersende kleur rood uiteraard, want blauw bloed bestaat alleen bij gratie van de pretentie. Meer dan een sfeerbeschrijving is er niet en brengt niets bij aan het verdere verloop van het verhaal, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is met de dood van de ouders van George in Who’s Afraid of Viriginia Woolf?

 

Nu zou gesteld kunnen worden dat de meningen van Mark Rothko over de schilderkunst van de jaren vijftig en zestig wel bekend zijn bij de kenners, maar dat John Logan zijn stuk niet voor hen heeft geschreven, maar voor de mensen die niet vertrouwd zijn met de achtergronden van de schilderkunst uit de tweede helft van de twintigste eeuw. In dat geval moet je met een meer gedreven werkstuk voor de dag komen. Met wat de barbaar, zoals Rothko de niet-kenner beschrijft, nu geserveerd krijgt, krijgt hij geen bliksem op het hoofd zoals Paulus op weg naar Damascus.

 

De voorstelling zou nog te redden zijn met knap acteerwerk. Helaas speelt de assistent [Servé Hermans] volgens het boekje. Hij verheft zijn stem wel eens, naar het einde toe dreigender, maar mist elke vorm van inleving. Het nasale tot banale getild. Om de meubelen te redden was er dus enkel nog de figuur van de schilder. Wim Opbrouck haalt alles uit zijn kast, speelt vanuit de buik waarin zowel de ziel als het hart zijn gezakt. Een rijke rits van over elkaar buitelende denkbeelden, opinies, ideeën, inzichten met een coloratuur waar je enkel verbaasd van kan staan. Zijn besef dat hij, naast acteur, een tekenaar is maar geen schilder spat de zaal in. Het spel van Opbrouck zou aan kracht gewonnen hebben, als hij geen ervaren acteur als tegenspeler had, maar een debutant. Servé Hermans is niet in staat een jonge schilder te tonen, die gaandeweg zijn waardering voor de meester verliest. Inziet dat schilders ook maar grutters zijn, zelfs al geven ze, zoals het geval was met Rothko, hun opdracht terug.

 

Dat de voorstelling in Arca speelt en niet in de schouwburg is het redden van de tuinmeubelen. De architectuur van het tweede plateau ligt in de logica van het opzet. Heel wat kunstenaars hebben hun atelier in een voormalige toonzaal, fabriekshal, vervallen schoolgebouw… of een garage, wat het Arca-pand oorspronkelijk was.

 

De laatste productie van het seizoen is helaas geen vlieger met een mooie staart. Hij plakt wel op de huid en de tong van Wim Opbrouck. Daardoor ontstaat echter de gedachte of een jaarprogramma gekozen is om een acteur zijn pleziertje te gunnen en de toeschouwer daar vrede moet mee nemen. De toeschouwer beschouwen als bekende buur in plaats van geliefde verwant, is een gevaarlijke gedachte.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
25 mai 2013 6 25 /05 /mai /2013 23:49

  jerome-reehuis.jpg

In zijn woonplaats Amsterdam is in de nacht van donderdag op vrijdag 17 mei de acteur Jérôme Reehuis overleden. Op 7 juli 1939 werd Reehuis geboren in Apeldoorn. Nederlander van geboorte voelde hij zich echter meer verbonden met Vlaanderen. Door zijn levensstijl, Bourgondisch, en zijn speelwijze, een volvette brok barok . Echt een type voor een andere barokengel, Hugo Claus. In diverse van zijn stukken en films speelde hij een prominente rol.

 

Na een opleiding aan de toneelschool van Maastricht, week Reehuis uit naar Vlaanderen, waar zijn speelstijl meer waardering vond. Meestal gebeurt net het omgekeerde; alvorens waardering in eigen land te vinden moet men eerst naar het buitenland. Om die reden vond hij pas op latere leeftijd de erkenning die hij verdiende. Onder meer met de filmrol Napoleon in De boezemvriend 1982 van regisseur Dimitri Frenkel Frank. Zijn laatste filmrol was professor Swezick in de komische film De zeemeerman [1996] van Frank Herrebout. De film werd door de Nederlandse pers bestempeld als de slechtste film ter wereld, maar dat lag niet aan Reehuis. Hij legde in elke rol alles wat eruit te halen viel.

 

Een regisseur had qua acteursregie weinig werk aan Reehuis, en hij liet zich ook niet graag regisseren. Dat beviel Hugo Claus wel. Reehuis speelde mee in toneelstukken als het ophefmakende Masscheroen, Thyestes, Het leven en de werken van Leoplold II, Het schommelpaard [waarin hij een vrouwenrol vertolkte] en in Het haar van de hond, samen met Marja Habraken, de toenmalige vriendin van Hugo Claus, die na opgebruikt te zijn, zich verhing.

Reehuis was ook een veelgevraagd stemacteur. Onder meer Winnie de Poeh, De klokkenluider van de Notre Dame en twee films uit de Harry Potter reeks, als minister Droebel. Wat vaak vergeten wordt is dat hij naast toneelspelen ook dichter en pamflettist was. En beviel er hem iets niet aan Amsterdam, dan moest de wereld het weten, op orkaanhoogte.

 

Zijn rechttoe rechtaan manier van leven maakte dat hij vriend en vijand had. De echte ware vrienden waren van een hoger niveau, zoals Ischa Meijer, die zoals bekend een hekel had aan vals spel. Zowel in het leven als op het toneel. En Reehuis speelde nooit vals. Hij had een neiging tot overacting, dat wist hij zelf wel, en maakte er graag gebruik van; om critici te ergeren. Eenmaal ze verdwenen waren, greep hij terug naar diep en breed spel. Eigenlijk viel hij als acteur tussen twee generaties, die van vóór en die van na de Actie Tomaat [1969]. Daardoor heeft zijn carrière het parcours van een achtbaan gehad. Toch heeft hij geschiedenis geschreven.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
25 mai 2013 6 25 /05 /mai /2013 13:52

 

285540_4250465472174_1501876667_n.jpg

De dames denken aan het oprichten van een gezelschap

Aan het eind van hun opleiding moeten acteurs in wording een eindwerk tonen. Anemone Valcke van de opleiding Drama van de Gentse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, bekend als het KASK, heeft een proeve van een musical gemaakt, i.s.m. met Lieselotte De Keyzer. Zij heeft dat proces al achter de rug. De samenwerking zorgde voor een verrassende voorstelling in theater Nieuwpoort, eerste plateau van Campo.

 

De musical is een genre van de theaterkunst en het is niet alleen een vorm van die kunstvorm, maar niet eens een gezonde vorm. Musical is in wezen nutteloos. Niets aan het genre is rationeel, maakt deel uit van de firma Logica & Zn. Anemone en Lieselotte hebben dat blijkbaar goed begrepen. Hun proeve is een beschadiging van het genre. Niet met een klacht maar met spot. Alle clichés worden doelbewust aangewend, zonder gebruik te maken van een sluitend verhaal of keiharde [tegen-]argumenten. Die moet de toeschouwer maar zelf vinden. Opdat hij die kan vinden, moet hij wel de pap in de mond krijgen. En daar zijn beide actrices ten volle in geslaagd.

 

In identieke outfit dansen, springen, zingen zij, tillen naïviteit uit zijn keurslijf, aan een razend tempo en optimaal gebruik makend van de ruimte. Ze zijn zo wijs geweest om er een tiental figuranten bij te nemen. Het geheel zorgt voor een kleurrijk spektakel, met een pracht van een timing. Toetje op de taart is de complexloosheid waarmee ze de publiek benaderen. Om een schuiver zijn ze niet bang. Integendeel. Hij moet, en liefst meer dan één. Om bij de les te blijven.

 

Ontwikkeling, zoveel is wel duidelijk, dat hebben Anemone en Lieselotte voor ogen gehouden, ontstaat om in verval te raken, maar dat verval kan afgeremd worden door de uitbuiting van het mysterie dat nu eenmaal een theatervoorstelling is. Een lied is in dat opzicht een maskerade van gevoelens die constant afgebroken en weer opgebouwd wordt. De Britse komediegroep Monty Python kwam een paar maal voorbijvliegen, maar ver, over the mountains and over the sea. Beide protagonisten hebben gezocht naar een verdere chaos, een chaos weliswaar met zijn ankerpunten, die echter de artificiële chaos versterken, eerder dan verzwakken.

 

Van alle eindproeven die ik al heb gezien, is dit de meest verrassende. Omdat naar een gekte werd gezocht, waar ze bij elke nieuwe voorstelling verbaasd over blijven staan. Een lied is het sterkste bewijs dat er zich een nieuwe manifestatie theatermakers aandient. Een die keek naar wat hun voorgangers hebben gepresteerd, maar er niet naar opkeken. De eindproef is een nieuw dada. Hun podium verschilt niet zoveel van dat van het amfitheater van de Atheners, maar het spelresultaat is het zoeken naar het ongetoonde van het al getoonde. Niets moet, alles kan. Halverwege de voorstelling sprong een versregel van Paul van Ostaijen door de geest: ‘Ik wil bloot zijn en beginnen’.

Een-Lied-beeld.jpg

Het moet zijn dat hun zoektocht de grammofoon van de publiciteit flink aan het zwengelen heeft gebracht, want de zaal zat afgeladen vol. En niet alleen met collega’s en verwanten. Een breed publiek, jong en oud, kenners naast barbaren. Maar de vreugde begon al vroeg. Een lied is een ode aan de kunst van spel, zang en dans. Anemone is stemvast, de dochter van Bianca Castafiore, in gunstige zin. Lieselotte is een onbevlekte comédienne. En wie dat kan, kan ook tragedies aan. Ze is een jongere versie van Chris Nietvelt.

 

De dames denken aan het oprichten van een gezelschap. Daar schuilt een gevaar in. Als ze maar niet vervallen in een format. Ze moeten zichzelf telkens opnieuw uitvinden in een nieuwe kosmos op oude grond. Als dat maar lukt. Ik hoop het. Maar goed. Dat is koffiedik kijken. De productie Een lied is van korte duur. Misschien een herneming volgend seizoen?

 

Wie niet kan wachten surft naar Campo. Een absoluut vrolijk spektakel gegarandeerd. Dat blijft nazinderen huiswaarts kerend met een lied in het hoofd. Bij uw dienaar was het een van Dirk Witte met als centrale boodschap: “Vraag niet elke dag van je korte bestaan: / Hoe hebben m’n pa en m’n ma het gedaan? / Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vriend? / En wie weet, hoe of dat nou m’n buurman het vindt / En – wat heeft ‘het fatsoen’ voorgeschreven! / Mens, durf te leven!’

Guido LAUWAERT

www.campo.nu

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
24 mai 2013 5 24 /05 /mai /2013 16:00

  -1-.jpg Yvonne Mesotten onthult  de koehi. Gie Colin assisteert.


Het Japanse woord ‘hai–koe’ betekent ‘grappig, luchtig, speels – vers’. Het tweede lid, ‘koe’, komt terug in het woord ‘koe–hi’, dat door Bart Mesotten in zijn Haikoe-boek (DNB/Pelckmans, 1986, p. 206) als volgt omschreven wordt:


Een koehi is een vertikaal opstaande natuursteen (hi) met op één zijde een gebeitelde haikoe, waarbij de laatste lettergreep van dit woord staat voor het geheel. Het is dus een ‘haikoesteen’.


Op het internet vind je, met enige moeite, volgende toelichting bij deze poëzie-stenen of literaire monumenten (1):


A haiku stone or kuhi is usually a natural stone, on which the text of a famous haiku has been carved. The stone is often placed at the location where the haiku was supposedly written, or to which the short poem refers. The stone can be old, for example dating back to the Edo period, or just a few years young. The custom of placing 'literature stones' is still alive and well in Japan, and one often finds them in temple or shrine grounds, parks and along solitary paths.

*

Bart Mesottens nicht Iene Mesotten had al geruime tijd het plan opgevat om hem naar aanleiding van zijn 90ste verjaardag een in steen gekapte haikoe te schenken. Mesotten overleed een viertal maanden voor die verjaardag maar het plan werd alsnog gerealiseerd door een vier leden tellend initiatief-comité (2), zij het dan als een postuum eerbetoon.

Op zaterdag 27 april 2013 werd in het abtskwartier van de abdij van Averbode een academische zitting gehouden, tijdens welke een aantal sprekers hulde brachten aan de overleden leraar, taalminnaar, essayist-columnist, dichter, lexicograaf én haikoe-promotor par excellence die Bart Mesotten was – “de vader van de Vlaamse haiku”, zoals Europees president Herman Van Rompuy hem bij zijn overlijden noemde. Onder de talrijke aanwezigen o.m.: Clara Haesaert (mede-oprichtster van het Haikoe-centrum Vlaanderen en meter van het tijdschrift Vuursteen), prof. em. dr. Jacqes De Bie, en auteur, tekstschrijver en oud-radiopresentator Louis Verbeeck.

*

Gie Colin, neef van Mesotten en secretaris-organisator van de viering en onthulling van de gedenksteen, haalde tijdens zijn verwelkoming van het publiek ook kort enkele persoonlijke herinneringen op aan zijn ‘heeroom’. In verband met de sponsoring van de haikoe-steen en in de context van Mesottens leraarsschap stelde hij vast:

 

Dat Bart bij [“heel wat oud-leerlingen uit het Sint-Michielscollege van Brasschaat”] een onvergetelijke positieve indruk heeft nagelaten bewijst het feit dat nog zestien overgebleven oud-studenten van het retoricajaar 1963 samen gelegd hebben voor deze steen. Zelfs uit Ontario, Canada, kregen we een inschrijving. Hier en daar vernam ik een anekdote, zoals dat Bart de helft van zijn godsdienstlessen blijkbaar besteedde aan goede tafelmanieren. Hij wilde van zijn leerlingen ‘Fayat-boys avant-la-lettre’ maken.

 

*

Jos Wouters o.praem., abt van Averbode, verwees in zijn openingstoespraak naar Mesottens haikoe-reeks ‘De oude pater’ (3), een cyclus ontstaan na ruim zestig jaar werkzaamheid van de dichter buiten de abdijmuren en zijn terugkeer naar het 'moederhuis'. Vanuit die cyclus releveerde abt Wouters enkele krachtlijnen in leven en werk van Mesotten:


[...]de soepelheid van geest die Bart toonde, zijn vermogen om dingen te zien en te smaken en de grondtoon van dankbaarheid die in zijn leven doorklonk. [...]

Een andere sterke lijn is humor en relativeringsvermogen. Het is echte humor, mild, maar zonder zichzelf te ontzien. Steeds is er een vleugje zelfspot bij. Eerlijk, maar niet verbeten. Helder, nooit fanatiek. Hij gunde zichzelf en anderen de ruimte om te zoeken en te twijfelen. Het was geen kwestie van zekerheden, maar veeleer een intuïtie van een immer aanwezig mysterie dat oplicht in de dingen, in zichzelf, in contacten met anderen en in het reilen en zeilen van de abdijgemeenschap. [...]

Bart de oude pater? Ja en neen, want een evenwichtige en gerijpte persoonlijkheid bewaart het contact met de tijdsgeest, met andere mensen, andere gedachtenuniversa en is, in die zin, ook echt jong en jeugdig. En zo was de oude pater ook echt en helemaal bij de tijd, met een onbevangenheid die velen zou doen blozen. Een trekje dat je ook terugvindt bij een gelukkig kind.


*

Vervolgens haalde neef Armand Mesotten ontroerende en vaak plezierige herinneringen op aan de man die hij “mijn grote vriend” noemde. Over de jeugdjaren:


 Bart was zeven jaar ouder dan ik en daarom had ik weinig contact met hem.Ik bewonderde hem want hij had zeven jaar voorsprong op mij. Hij was een bolleboos. Op zijn veertiende speelde hij al orgel in de dorpskerk tijdens de dagelijkse H. Mis. Hij was slimmer dan ik, kon rapper fietsen dan ik, kon beter pianospelen dan ik en later, toen hij zich in de abdij van Averbode voorbereidde op het priesterschap, besefte ik dat hij ook braver was dan ik.


[En over latere ontmoetingen:]


Wij haalden herinneringen op aan ons geboortedorp en de oude dorpsfiguren. Hij kon daar hartelijk om lachen. Hij vertelde de anekdote hoe hij als jonge pater vol trots zijn eerste dichtbundel aan zijn moeder gaf. Deze nam het boek plechtig aan en sprak deze historische woorden in het plat Diepenbeeks dialect : “Het is e sjoen bukske, iech zal het obbe sjouw legge en as iech tèèd hub zal iech er aof en touw ins ein blaoren.”

Zo blijf je met je twee voeten op de grond, lachte hij.

*

Japanoloog Willy Vande Walle (KU Leuven) schetste Mesottens 'carrière' als haikoe-dichter én promotor van deze Japanse dichtvorm in Vlaanderen, o.m. als voorzitter van het Haikoe-centrum Vlaanderen en later hoofdredacteur van het tijdschrift Vuursteen, of als bezieler van de Vlaams-Nederlandse haikoe-ontmoetingsdagen. Sprekend over de aanvankelijke belangstelling van de jonge Mesotten voor (wereld-) poëzie in het algemeen, noteerde Vande Walle:


Zijn verkenningen brachten hem ook in contact met de Japanse poëzie, meer bepaald de korte variant ervan. Die vond hij in overvloed in de vierdelige studie over haiku van Reginald Horace Blyth. Blyth, die lange tijd privéleraar was van de huidige keizer, toen nog kroonprins Akihito, had de seizoenen als leidraad gekozen voor een selectie van meer dan 3000 klassieke Japanse verzen.Dit werd een belangrijke bron voor Barts inzichten over haiku, maar hij heeft dit voorbeeld ook ruimschoots weten te overstijgen en achter zich te laten.


Over Mesottens rol als mentor citeerde Willy Vande Walle zijn collega prof. em. dr. Karel Hellemans (KU Leuven):


"Het volstaat te kijken naar de vele voordrachtgevers en essayisten, maar vooral dichters die het aandurfden met zijn aanmoediging en steun teksten te schrijven en te debiteren. Hij vormde als het ware, zonder het zelf volledig te beseffen, een school van dichters en essayisten."

[in: Vuursteen, jrg. 33 nr. 1, lente 2013, p. 6 (4)]


Professor Vande Walle vermeldde uiteraard die schitterende bekroning van Mesotttens haikoe-werk – een ceremonie die blijkbaar ver strekkende gevolgen heeft en dus nog meer tot mijn verbeelding blijft spreken:


Zijn roemrijkste moment als haikudichter beleefde Bart toen hem in 2000 de prestigieuze Masaoka Shiki International Haiku Award werd toegekend [...] waarvoor hij naar de Japanse stad Matsuyama, de geboortestad van Masaoka Shiki, reisde. Als lid van de jury kon ik de uitreiking van op de eerste rij bijwonen. Bart was een van de vijf laureaten: de anderen waren de Franse dichter Yves Bonnefoy, de Amerikaanse haikudichter Robert Spies, de Chinese haikudichter Li Mang en de Japanse haikudichter Sato Kazuo. Het was een indrukwekkende ceremonie, verslagen door de schrijvende en beeldende pers van Japan. Daar stond Bart dan, tussen vertegenwoordigers van grote taalgebieden: het Franse, het Engelse, het Chinese, het Japanse. Hij heeft toen het kleine Nederlandse taalgebied met kracht en welsprekendheid op de wereldkaart gezet. Een betere erkenning van zijn werk kon hij zich niet wensen. Het mespuntje roem waar hij in een haiku om vraagt heeft hij dan toch gekregen. Meer dan dat. [...] Japan ontdekte het Nederlands als belangrijke haiku-taal voor het eerst in 2000 met Barts Shiki prijs, voor de tweede maal door de publicatie van Herman Van Rompuys haikubundel in 2010. Dit heeft zeker tot een grotere erkenning (indien niet een betere kennis) van het Nederlands in het buitenland geleid. Ook daaraan heeft Bart dus een wezenlijke bijdrage geleverd.

*

Gaston Durnez, die de haikoe ooit "dat bouillonblokje van amper zeventien lettergrepen" noemde, was lid van de informele sociëteit 'Emmaüs' waartoe o.m. ook Bart Mesotten en dr. Sylvester Lamberigts (theoloog en exegeet) behoorden – een groepje dat mij onwillekeurig herinnert aan de 'Inklings', de Engelse discussiegroep waar o.a. Tolkien père et fils en C.S. Lewis deel van uitmaakten.

Het was niet de eerste keer dat ik het genoegen had te luisteren naar deze geestige, steeds boeiende want scherp- en diepzinnige oud-journalist en essayist. Geïnspireerd door de reeks 'De oude pater' memoreerde Durnez 'momentopnamen' van een recente (de laatste?) uitstap met Mesotten in korte, haikoe-achtige fragmenten met enkele schalkse flitsen maar waarin een ontroerende weemoed en een oprecht verdriet de boventoon voerden.

*

De laatste spreker, letterkapper JosGeusens (4), lichtte zijn werkwijze toe:


Wanneer ik een tekst in steen beitel vind ik het belangrijk dat de inhoud van de tekst, de vormgeving van letters en steen en de plaats waar de steen staat, verbonden zijn met elkaar. Als al die elementen van inhoud, vorm en locatie goed zitten, dan ontstaat er iets nieuws dat er voordien niet was. [...]

De lettertekens op de kuhi’s in Japan zijn altijd kalligrafisch en daarom wou ik dat element van handwerk ook in de vorm van de letters voor deze steen laten zien. [...]

Ten slotte nog een woordje over de vorm van steen. De haiku’s op de Japanse kuhi’s staan op verticale stenen. Dat is logisch omdat het Japans verticaal leest. We hadden graag die Japanse traditie willen volgen, maar omdat ons schrift horizontaal loopt, hebben we ten slotte gekozen voor een gelijklopende steen.


De letterbeeldhouwer motiveerde eveneens de keuze van de gebeitelde tekst:


Dit is de haiku die wij kozen:

  Wij schuiven voorbij

De bomen en de muren

krijgen andere mensen

[Bart] schreef de haiku die wij kozen, denkend aan de abdij, aan het kerkhof dat zijn laatste rustplaats zou zijn.

*

Na de herdenkingstoespraken volgde, op een grasveldje naast de begraafplaats van de paters, de ingetogen onthulling van de koehi door Barts jongste zus Yvonne Mesotten, en werd de oorkonde met de lijst van intekenaars-sponsors door Jos Geusens in een cilinder op de sokkel van de steen opgeborgen en vergrendeld.

-3--copie-1.jpg

Een koehi voor Bart Mesotten

De afsluitende receptie bood mij de gelegenheid aan professor Willy Vande Walle een probleem voor te leggen dat mij al lang intrigeerde: in enkele publicaties wordt – soms met grote stelligheid – beweerd dat in Japan een straat naar Mesotten vernoemd is/zou zijn, wat me altijd wel bijzonder vreemd en merkwaardig leek in een land waar hodoniemen heel zeldzaam zijn. De Leuvense japanoloog bleek inderdaad niets af te weten van zo'n straatnaam en trok het bestaan ervan des te meer in twijfel omdat de schaarse Japanse hodoniemen veeleer van toponymisch-topografische aard zijn.

*

Inderdaad: "Wij schuiven voorbij". Maar af en toe rest ons de troost van een steen, van een blad, van een boek. En van dankbare herinneringen.

Luc PAY

(1) http://groups.yahoo.com/group/happyhaiku/message/454

(2) Dit comité bestond uit: japanoloog en voorzitter van het Haikoe-Centrum Vlaanderen prof. dr. Willy Vande Walle (KU Leuven), Bart Mesottens neven Armand Mesotten en Gie Colin, en zijn nicht Iene Mesotten.

(3) Zie Mesottens laatste boek Reliqua (Halewijn, 2012, p. 93 e.v.), dat op deze blog besproken werd (http://mededelingen.over-blog.com/article-bart-mesotten-haikoes-ramayana-en-etymologische-verkenningen-109915300.html).

(4) In het tijdschrift Vuursteen (jrg. 33 nr. 1, lente 2013) verschenen drie in memoriams: van de hand van Willy Vande Walle (p. 1-4), Karel Hellemans (p. 5-7) en Clara Haesaert (p. 9-10).

Ik verwijs ook graag naar http://www.wijzerweb.be/geusens.html, de website van letterkapper Jos Geusens, waar erg boeiende, wetenschappelijke toelichtingen te vinden zijn over zonnewijzers.

Tot slot: wellicht valt (ook) in deze bijdrage de orthografische inconsequentie op van 'haiku' naast 'haikoe'. De officiële spelling mag dan wel 'haiku' zijn, ik volg Mesotten resoluut in zijn argumentatie ten gunste van 'haikoe' (zie http://users.skynet.be/bk244272/Gedichten/06Haikoe/spelling.htm).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
24 mai 2013 5 24 /05 /mai /2013 01:21

 

IVAmei13.jpg.

De Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode organiseerde in oktober vorig jaar enkele manifestaties in Litouwen, zowel in de hoofdstad Vilnius als in Šiauliai. Hierbij kon de actieve Vriendenkring rekenen op de steun van de Vlaamse representant in Litouwen (Estland en Polen), Koen Haverbeke, die het zevende congres van de Lithuanian-Flanders Joint Commission te baat nam om de presentatie in Vilnius nog meer luister bij te zetten, alsmede van ambassadeur Peter Lescouhier, die in Šiauliai een aantal scherpzinnige uitspraken deed over het vertalen van poëzie en op de verwantschap wees tussen het oeuvre van Anton van Wilderode en dat van een aantal Litouwse dichters.

Dat alles komt rijkelijk aan bod in de jongste, voortreffelijk geïllustreerde aflevering van de viermaandelijkse Nieuwsbrief van de Vriendenkring AVW, die eergisteren in de bus viel.

Bijzonder lezenswaard is ook het vraaggesprek van Suzanne Vrolijk met Anton van Wilderode, oorspronkelijk gepubliceerd in april 1987 in Reizen, het tijdschrift van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB. Van Wilderode gaat daarbij in op De Vlinderboom (mijns inziens zijn sterkste bundel) en op zijn virtuoze vertalingen van Vergilius.

(Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring AVW, XVIIIde jg., nr 1, april-mei-juni, juli 2013, p/a Beatrijs van Craenenbroeck, Wezelsebaan 250, B 2900 Schoten.)

image001.jpg

In Joods Actueel wordt Bob Lebacq herdacht door Louis Davids, stichter van het Belgisch-Israëlitisch Weekblad (daarna omgedoopt tot Joods Actueel):

'Het gebeurt maar uitzonderlijk dat ik mijn 'Overpeinzingen aan een persoon wijd. Behalve wanneer de betrokkene een uitzonderlijke staat van verdiensten heeft. En zo was de vorige maand in Antwerpen overleden Bob Lebacq, hetgeen in de Joodse gemeenschap met droefheid werd vernomen. […] Bob Lebacq was een uitzonderlijke man, een kroon van rechtvaardigheid. […] Hij heeft mij meermaals vergezeld toen ik voordrachten hield in steden en dorpen om het Jodendom beter te doen begrijpen. […] Uit sympathie woonde hij, samen met zijn echtgenote, meermaals Joodse manifestaties bij. […] Bij mij en alle geloofsgenoten die hem gekend hebben, zal hij blijven leven als “een rechtvaardige onder de volkeren” die recht hebben op de eeuwige tenten van de toekomstige gelukzaligheid.'

(Joods Actueel, in de krantenwinkel.)

LebacqIBGESPREL1988.jpgIn gesprek met Bob Lebacq, 21 juni 2000

Bob Lebacq kon terugblikken op hartelijke contacten met drie generaties Jespers'en. Hij werd hier en, uitvoeriger, in de Mededelingen van het CDR (nr. 208 de dato 1 mei, pp. 4-8 ) herdacht. Toen ik mij in een vorig leven grondig boog over de (destijds fel omstreden) internationale bevoegdheden van het Vlaams Gewest en van de Vlaamse Gemeenschap, was hij één van de drie diplomaten bij wie ik te rade ging. De jongste jaren gingen onze gesprekken niet alleen over de (inter-)nationale politiek, maar vooral over de jongste, grondige publicaties over de Jodenvervolging in België, en meer bepaald te Antwerpen. Ik blijf de herinnering koesteren aan een wijs man, wies evenwichtig oordeel altijd verhelderend was. Hij was niet één van mijn leermeesters, neen, wel een bevoorrechte gesprekspartner van wie ik veel leerde. En ik was niet weinig trots wanneer ik hem een boek kon aanreiken dat hij niet kende...

*

Ondertussen las ik beschouwingen over Hugo Claus, homo (non-)politicus, van Erik Spinoy en Carl De Strycker in de jongste aflevering van De Leeswolf, alsmede een nieuwe oprisping van Marc Tiefenthal n.a.v. de Herman J. Claeys-prijs. Stof genoeg dus voor volgende losse notities die, laat het mij onderstrepen, niets meer zijn dan dagboekaantekeningen.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
23 mai 2013 4 23 /05 /mai /2013 18:00

 

Full house, bij de presentatie van het nieuwe seizoen. Een mooie mix van generaties. Niet ongebruikelijk voor het NTGent, waar de artistieke ploeg de voorbije jaren niet alleen gewerkt heeft om van de stadsschouwburg ‘een huis van spelers’ te maken, maar ook ‘een huis van buren’. Die strategie is aardig gelukt door een uitgekiende samenzwering van drie onderaannemers uit de achterbuurten van het gebouw: de artistieke ploeg, de marketing en de persafdeling.

De ouverture hield de gebruikelijke blabla in, telkens gevolgd door een afgedwongen applaus. Als geen ander weten theatermensen hoe ze hun stem en gebaren moeten gebruiken om de handen op elkaar te krijgen. Geen bezwaar tegen, zolang ik het spelletje niet moet meespelen. Het sec presenteren, met iets meer cachet, tilt het niveau de hoogte in en is een betere entree voor wat komen gaat. En wat er staat aan te komen dát verdiende applaus. Een homogeen seizoen, zowel wat betreft de elf parcours als de kruisbestuivingen er tussen.

Het seizoen begint al vroeg. Terecht. Een eerste nieuwe productie moet het jaar opengooien. Hernemingen zijn toegestaan, maar zijn in wezen tussendoortjes, tussendeurtjes van de ene naar de andere nieuwe productie. En een seizoen moet eindigen met een geboorte. Zoals dit jaar met Rood, een voorstelling die op 24 mei ter wereld komt, op het tweede plateau, de Arca, in de schaduw van het Gravensteen.

De eerstgeborene is een stuk van een huisvriendin. Lot Vekemans is i.s.m. de productieploeg aan het schrijven. Hoever ze daarmee staat is nog een goed bewaard geheim, al is de kern al geweten en de titel bekend. Vals gaat over twee vrouwen die iemand aanrijden en vluchtmisdrijf plegen. Slechts één getuige. Een man. Maar is hij wel oprecht? Waar schuilen zijn ‘bijkomende factoren’? Regisseur is Johan Simons, de man die, met een zekerheid op dit moment van 99% - in 2015 terugkeert naar het huis waar hij zich waarlijk thuis voelt. De twee vrouwen worden vertolkt door Elsie de Brauw, Betty Schuurman en Bert Luppes.

Het NTGent heeft een schijnhuwelijk aangegaan met het Nationale Toneel [NT], Den Haag. Het eerste kind is An Ideal Husband, van Oscar Wilde, maar uit het verleden naar het heden getrokken door Elfriede Jelinek onder de noemer De ideale man. Regisseur is Theu Boermans, de artistiek leider van NT. Een keur aan spelers, wie met een surfplank overweg kan verneemt meer op de website. De nobele koppigaard van een catalogus gaat langs in de schouwburg en krijgt er meer dan gewenst. Een telefoontje via het nummer 09/225 01 01 kan ook. Een paar dagen later zit het jaarprogramma in zijn brievenbus. Toch één acteur [v] een spotje geven, Anniek Pheifer. Geroemd op de markt en in de lege paleizen – bij wijze van spreken – van de Nederlandse residentiestad.

De derde nieuwe productie is een bewerking van de roman van Marguerite Duras die ze zelf bewerkte voor toneel. Le square uit 1955. ‘De plaats van handeling is een zitbank in het park,’ zo staat in de brochure, ‘waar een handelsreiziger en een jonge kinderoppas aan een voorzichtige dialoog beginnen.’ Wat de ene uit zijn verleden tovert, brengt de andere op beleden gebeurtenissen, maar ook op toekomstige verwachtingen. Het wordt dus een spel van verleden, heden en toekomst.

De volgende! Parsifal, een muziekproductie. Richard Wagner kreeg Peter Verhelst aan het schrijven en zal de productie regisseren, samen met – wie anders – Wim Opbrouck. Muzikale leiding: Christoph Homberger.

Next! Tauberbach. Een productie van Alain Platel op vraag van Elsie de Brauw. Zij heeft haar theateramours. Vroeg of laat moest het dus komen tot een productieverhouding. Kort samengevat: een geesteszieke vrouw leeft op een vuilnisbelt en toch tracht zij op een waardige manier met haar omgeving te communiceren. Veel dans uiteraard, het land van handeling is Brazilië, en muziek van Bach en Beethoven.

Le suivant! Het spookhuis der geschiedenis. Een samenwerking tussen Wunderbauw, NTGent, Hebbel am Ufer [HAU]. De sleutelzin van deze productie is ‘Escape from Escapism’. Daar kan je alle kanten mee uit, ja zelfs de premièredag nog het raam uitkiepen en vijf minuten voor aanvang iets nieuw bedenken. Aanstellerig? Als de productie in de brochure nauwelijks een halve bladzijde beslaat en die zwiert alle kanten op, kan je niet meer verzinnen dan wat hier staat.

Vijf nieuwe producties. Acht hernemingen, onder de noemer ‘Beproefd repertoire’, achtendertig gastvoorstellingen, vijf concerten en vier producties vertrekkend vanuit een sociaal-maatschappelijke insteek. Nauwelijks nog een dag, een plaats vrij voor de verrassing van het jaar. Al zou het mij vreemd voorkomen dat het NTGent dan toch niet een locatie vindt om die er alsnog tussen te schuiven. Het gezelschap van Gent heeft nu eenmaal de reputatie opgebouwd van een programma te kunnen uitkienen voor jong en oud, rijk en arm, dom en slim, dat in een evenwichtige verhouding te plannen, en toch ruimte laten voor een lichtvoetige komedie, geschreven n.a.v. bijvoorbeeld van de abdicatie van de koning. Of de klucht staat of valt zal het gezelschap een zorg wezen. Het NTGent is niet alleen een huis van spelers, een huis van buren, maar ook een huis vol kuren. Ook uit andere schuren. Zoals het hoort.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
23 mai 2013 4 23 /05 /mai /2013 11:30

 

Mu-2.JPG

Films zijn dikwijls van grote invloed geweest op stripmakers. Zo haalde de grote Edgar P. Jacobs zijn inspiratie voor het briljante Blake & Mortimer-avontuur Het Gele Teken uit 1956 onder meer uit de film Mad Love van Karl Freund, uit 1935 (op zijn beurt gebaseerd op de roman Les Mains d'Orlac van Maurice Renard). Verschillende stripscènes komen naadloos overeen met scènes uit de film: het treinongeluk vooral, maar ook de momenten van waanzin van de geleerde Septimus.

Mu-1.jpgPeter Lorre

Jacobs zal een fan zijn geweest van de acteur Peter Lorre, want die speelde niet alleen in Mad Love, maar ook in M – eine Stadt sucht einen Mörder, een film uit 1931 van de Duitse expressionistische regisseur Fritz Lang. Ook die ligt mee aan de basis van Het Gele Teken! Vergelijk bijvoorbeeld de scène waarin hoofdrolspeler Peter Lorre de M van Mörder op zijn jas krijgt gekalkt maar met die waarin professor Philip Mortimer de Griekse letter mu op kapitein Francis Blake’s mantel ontdekt….

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article
22 mai 2013 3 22 /05 /mai /2013 16:29

 

Mei is de maand van de seizoenspresentaties. Gisterenavond, naar Vlaamse gewoonte met een flinke hap en een forse slok, in het NTGent en volgende week maandag is het Toneelhuis Antwerpen aan de beurt. Toneelgroep Amsterdam [TA] doet het op sobere wijze: een uitvoerige persbriefing per mail. Een druk jaar, niet alleen door de vele eigen producties maar ook door de reisvoorstellingen.

De noemer waaronder het nieuwe seizoen valt, vat het zelf samen in de zin ‘TA breidt uit op alle fronten en combineert de grote namen van vandaag met de talenten van morgen’. En het doet dat al vroeg op het seizoen. De eerste première is al op 25 augustus. Lange dagreis naar de nacht van Eugene O’Neill, wiens dochter Oona op 18-jarige leeftijd trouwde met de 54-jarige Charlie Chaplin. De lange dagreis wordt een lange zit, maar bij zakelijk en artistiek leider Ivo van Hove in goede handen. Het feit dat Eugene geen rustige, beschermde jeugd heeft gehad zit diep verankerd in zijn stukken. Zijn ouders verdienden een fortuin door het land af te reizen met een melodrama gebaseerd op Dumas’ The count of Monte Cristo. Eugene O’Neill is geboren in een hotelkamer en moest vanaf zijn vroegste jeugd zijn ouders vergezellen op tournee. Zijn vader was een vrek, zijn moeder raakte verslaafd aan verdovende middelen, terwijl zijn oudere broer James stapel verliefd was op de alcohol. Tel daarbij een katholieke opvoeding en je hebt problemen zat. O’Neills meest autobiografische stuk is in de eerste plaats een drama over de haat en de liefde t.o.v. zijn omgeving.

Elke productie flink in de spots zetten is onbegonnen werk. Op de website vindt de liefhebber zijn gading. Om hem aan het googlen te zetten toch wat info dat smaakt naar meer. Zeven premières staan er aan te komen en naast de bekende olifanten als Guy Cassiers en Johan Simons, treedt er een nieuwe generatie regisseurs aan: Suzanne Kenndy, Eric de Vroedt en Julie Van den Berghe. Met Toneelhuis [Antwerpen] begint vanaf volgend seizoen een langdurige samenwerking, al is dat hoog gegrepen. Net als in de sport zijn regisseurs nooit zeker van hun job, al hebben ze een contract tot aan hun pensioen op zak.

De eerste samenwerking van Toneelhuis en TA bestaat uit een bewerking van Tom Lanoye van het meest bekende stuk ter wereld, Hamlet. Regisseur is Guy Cassiers en Tom is voor zijn bewerking vertrokken vanuit Hamlet op de stoep van zijn volwassenheid, een periode die bij iedere mens gepaard gaat met het leren verstandelijk lopen vanuit de eigen kracht. Het in twijfel trekken van de raad van naasten en derden. Alvast een pracht van een vondst is Hamlet te laten spelen door een vrouw. Denkend aan Toneelhuis en TA springen twee vrouwen in beeld, Halina Reijn en Abke Haring. Het werd de tweede. Een groot meisje wordt het, staande aan de rand van de spiegel, met de lust maar ook de angst om de duistere wereld van spiegelland binnen te dringen. De titel van Lanoye’s bewerking luidt Hamlet.jr. En nu ik toch Lanoye a/d lijn heb: zijn de Russenwordt opnieuw opgevoerd, maar als reisvoorstelling.

Het TA-seizoen eindigt in juni 2015 tijdens het Holland Festival met een vertoneling van de favoriete roman van onder meer Alan Greenspan, Hugh Hefner en Oliver Stone, The Fountainhead van Ayn Rands. Volgens Ivo van Hove schreeuwde de roman om een podium. Na jarenlange pogingen zijn de rechten verworven en de controversiële roman zal op het toneel in Amsterdam zijn wereldpremière beleven. De achtergrond van het verhaal is het extremisme van het conservatisme, en hoe dat commercieel en politiek gebruikt kan worden. Uiteraard zit er ook een liefdesverhaal in verweven, eentje dat grenst aan het fatsoen. Beide verhaallijnen vormen gaandeweg een kluwen dat de hypocrisie van botsende gevoelens en belangen genadeloos fileert.

Vanaf volgend seizoen zal Ramsey Nasr regelmatig te zien zijn op de podia van TA. Met als start Lange dagreis in de nacht.Na de veel geprezen regie van Macbeth, is Johan Simons weer te gast. Het wordt Dantons Dood van Georg Büchner. Deze voorstelling gaat in première bij het gezelschap waar Simons nog een jaar artistiek leider van is, Münchner Kammerspiele. Dantons Dood [1835] is een ‘koningsdrama over twee grote mannen van de Franse revolutie, Georges Danton en Maximilien Robespierre. Beide mannen staan qua gedachtengoed lijnrecht tegenover elkaar. Robespierre meent dat ‘de ondeugd’ in bepaalde omstandigheden hoogverraad is’ en dat de individuele vrijheid ondergeschikt moet zijn aan het algemeen belang. Dantons antwoordt daarop is dat de individuele ‘ondeugd’ het hoogste goed is. Een clash dus tussen twee barricadenfilosofen met een onstilbare dorst naar het gebruik van massa en macht.

Enkele kaskrakers, zoals Romeinse Tragedies en Opening Night worden hernomen, maar op podia ver van het moederhuis. TA reist voor het eerst naar Zuid-Amerika, Chili, naar Kroatië, naar Rusland - Sint-Petersburg en Moskou – Frankrijk – Parijs en Montpeillier – en zal ook optreden in het prestigieuze Barbican Center in Londen.

Voor meer details raadplege men de website. Een boeiende reis.

Guido LAUWAERT

www.ta.nl

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
22 mai 2013 3 22 /05 /mai /2013 12:45

 

Paul-Verrept--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers

 

 

Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
21 mai 2013 2 21 /05 /mai /2013 18:05

1.JPG Ik heb wel eens gedroomd dat ik, op een rommelmarkt snuisterend in een bak met oude strips, een avontuur van Kuifje vond dat ik nog niet kende. Dat zal er nooit meer van komen vermits Hergé testamentair bepaalde dat zijn geesteskind met hem mee het graf in zou gaan. Behalve de reguliere stripalbums waren er destijds ook wat afgeleide uitgaven. Onder meer boeken die op ‘echte’ Kuifjes leken maar tekst en foto’s bevatten uit twee films. Die las ik nooit, want ‘niet echt’.

De films in kwestie zag ik tot voor kort ook nog nimmer. Waarom? Ik kwam ze gewoon nooit tegen. Eerlijk: met Kuifje en het geheim van het Gulden Vlies heb ik me waarlijk uitstekend vermaakt. In deze rolprent uit 1961 speelt Jean-Pierre Talbot (° Spa, 1943), een Belg dus, de rol van Kuifje. Regisseur van dienst was Jean-Jacques Vierne. Haddock wordt vertolkt door Georges Wilson (1921-2010), professor Zonnebloem door Georges Loriot. Jansen en Janssen worden op de titelrol merkwaardigerwijze incognito genoemd. Het is een geslaagde onderneming, echt een ‘bewegende strip’.

Ook in Kuifje en de blauwe sinaasappels (in 1964 geregisseerd door Philippe Condroyer) vertolkt Jean-Pierre Talbot Kuifje. In dit avontuur kruipt Juan Bouise in de rol van Archibald Haddock, en Félix Fernández in die van Trifonius Zonnebloem. De acteurs die Jansen en Janssen spelen worden hier wel genoemd: Franky François en André Marié. René Goscinny, een van de mannen achter Astérix, werkte mee aan het script!

Talbot heeft behalve in deze twee films nooit meer in andere gespeeld. De meeste van de acteurs zijn eerder onbekend gebleven. Het verst schopte Georges Wilson het, die rolletjes kreeg in producties van beroemde regisseurs als Richard Dick Lester, Vittorio de Sica, Henri Verneuil en Luchino Visconti. Ook was hij de verteller in Le Cheval d'orgueil een film van Claude Chabrol uit 1980.

Leuk.jpg

Hergé hechtte destijds persoonlijk zijn goedkeuring aan deze bioscoopproducties. Kuifje en de blauwe sinaasappels is naar mijn smaak wel veel minder geslaagd dan Kuifje en het geheim van het Gulden Vlies. Die is overigens gewoon op YouTube te vinden:

http://www.youtube.com/watch?v=b-v4_JaHUjQ

Bert  BEVERS

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche