Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
18 octobre 2013 5 18 /10 /octobre /2013 18:00

 

voor Frank de Crits

 

Ik wilde Keats laten rijmen op Yeats

en werd hiervoor berispt door Christine D’haen.

Ik wilde mijn vrienden aanbidden en vereren

in een donker verbond van heldere helden.

Ik wilde mijn vader begrijpen en na mijn vader

de hele wereld.

Ik wilde mij uit mijn jeugd bevrijden

door middel van gezang

het rigide denken en de dwang.

Ik wilde roepen vanuit de woestijn

en een woesteling zijn voor de onwetenden.

Nooit wilde ik zacht en teder zijn.

 

Nooit wil ik ooit nog voze valse woorden

horen in elke zin die ik hier en nu begin.

 

Hendrik CARETTE

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
17 octobre 2013 4 17 /10 /octobre /2013 18:00

 

BorreWalschap.jpg

Een ernstig gebrek aan Gerard Walschap. Een biografie van Jos Borré betreft het personenregister. Dat rammelt als de gereedschapskist van een loodgieter.

Laten we beginnen met het trefwoord 'Depeuter'! Tot mijn niet geringe verbazing heeft dit lemma slechts 1 (lees: één) verwijzing: 248. Nochtans had ik tijdens de lectuur mijn naam ook aangestipt op een aantal andere pagina's, zoals 556, 588, 676, 711, 731… Rarara, wat is er met Depeuter gebeurd? In de tijd van Gutenberg had men nog kunnen denken dat er wat letters uit de zetbak gevallen waren, maar in de digitale 21e eeuw? Met de geavanceerde zoekfunctie van Windows is het opmaken van een register een fluitje van een duitje. Ach, misschien heeft de biograaf per abuis op de deleteknop gedrukt en zijn de andere verwijzingen bij Depeuter uit het bestand gedonderd. Zelfs de beste pianist slaat al eens een verkeerde toets aan.

Een paar steekproeven kunnen wellicht klaarheid scheppen…

Laten we pakweg Teilhard de Chardin nemen, achter wiens naam ook maar één verwijzing staat, nl. naar pagina 471… Nochtans komt het me voor dat ik die Franse jezuïet-theoloog-paleontoloog ook elders ben tegengekomen. Even zoeken dus. Zie je wel: op de bladzijden 543, 546, 550… Guido Walschap valt door hetzelfde mandje: hoewel hij talloze keren in Borrés dikkerd optreedt, o.m. op de bladzijden 635, 636, 662, 656, 604, 673, 490…, krijgt hij in het register slechts twee vermeldingen: 460, 682.

Bij de naam André Demedts stellen we dan weer een andere rariteit vast. Van pagina 108 tot 199 wordt die regelmatig geregistreerd, maar daarna: niks meer. Terwijl ik toch meende meer dan eens op 'Demedts' gebotst te zijn. Nogmaals feuilleteren dus. En ja hoor, op bladzijde 200 is het al raak. En even present is Demedts op de bladzijden 222, 223, 275, 286, 504, 563, 601, 613, 631, 632… en waar misschien nog overal? Ach, ik geef het op om verder naar Demedts te zoeken.

Hetzelfde gebeurt Dan maar eens toetsen met Marnix Gijsen. Achter die naam signaleert het register elf bladzijden, gaande van 105 tot 190, hetzij van het jaar 1920 tot 1931, waarna het stilvalt, ofschoon Gijsen nog verscheidene keren in het boek ter sprake komt. Idem voor Constant Godelaine, wiens naam vanaf pagina 164 niet meer geregistreerd wordt, hoewel hij na 164 nog meermaals voorkomt in de tekst.

Dan maar eens toetsen met een paar priesters-schrijvers. Misschien heeft de H. Geest de biograaf bijgestaan om tenminste tegen die gewijde heren niet te zondigen. Voor Armand Boni verwijst het register uitsluitend naar 731. Midden in de voetnoten is dat. De betreffende voetnoot blijkt betrekking te hebben op pagina 604, en jawel hoor, daar treffen we "de vereenzaamde priester Armand Boni" aan. En voor Jozef De Vocht is het alweer wat anders: voor deze eerwaarde worden we verwezen naar bladzijde 47, waar zijn naam inderdaad voorkomt in een uitvoerig citaat uit Westerlincks Gesprekken met Walschap. Edoch, de brave man heette niet De Vocht maar De Voght, en in die spelling vinden we zijn naam ook terug op bladzijde 149, zij het met een kleine 'de', maar naar die pagina wordt in het register nergens verwezen.

Ook voor anderen blijkt het register onvolledig. Bij Pedro Salinas bij voorbeeld, bij Jacques De Strycker, Piet Vinck, W. M. Roggeman, Richard Declerck, J. Weisgerber en Leo Collard, bij R.F. Lissens, Karel Jonckheere, Hubert Lampo, Paul Jans, enz. Op pagina 505 komt ook "professor Donkersloot van de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam" zonder diens roepnaam 'Nico' ter sprake, maar in het register is er van Donkersloot geen spoor te vinden. Wel geregistreerd wordt Anthonie Donker, voor wie gerefereerd wordt naar de bladzijden 259 en 457, maar nergens in het boek wordt erop gewezen dat Donker zónder en Donker mét -sloot dezelfde personen zijn.

Het fluitje van een duitje blijkt dus wel behoorlijk vals te klinken.

En daarmee is het klosje niet af want bij een aantal namen blijkt ook de nummervolgorde door elkaar gegooid, zoals bij Jan Grauls, Louis Roppe, Karel van Acker, Piet Van Aken, en er staan ook gewoon foute verwijzingen in het register, zoals voor Paul Hardy bij wie verwezen wordt naar pagina 491, waarop echter alleen de titel van hoofdstuk 9 voorkomt, of voor Henry Miller die zou voorkomen op pagina 532, terwijl het 523 moet zijn. Bepaalde personen zijn zelfs helemaal niet geregistreerd, zoals J. C. Bloem, Jean Absil, Julia De Bier, Orola Nenni, Henry Furst, P. H. Ritter, Jozef De Borger, Anna De Ridder, Anton van Duinkerken, Rob Calot, Hugo Nijs, R. Roelants, Pieter Lambrechts – die op pagina aanwezig is als "rector Lambrechts", zonder dat we mogen vernemen hoe zijn voornaam is.

Enzovoort… Enzovoort…

Zelfs Pieter Paul Rubens ontbreekt op het appèl. En met Jezus Christus is er iets vreemds aan de hand: op pagina 633 lezen we de bemerking: "J. van Nazareth (waarom Borré niet 'Jezus' schrijft, is ons een raadsel) en Karl Marx heten 'wereldbeschouwelijke tafelspringers', maar terwijl het register bij Marx verwijst naar die bladzijde, is er van de nevengeschikte Jezus geen lemma te bekennen, noch als 'Nazareth' noch als 'Christus'. Nochtans is Christus even historisch als Marx, dachten we, zelfs voor een vrijdenker.

Een soepke van jewelste is het. Ook in verband met de namen die in de afdelingen 'Noten', 'Secundaire bibliografie' en 'Verantwoording' voorkomen, schort het een en ander. Waarom sommige van die namen worden opgenomen in het register maar de meeste andere niet, mogen God en Kleine Pierke weten.

Een mooi voorbeeld daarvan is Daniël Robberechts, die alleen 731 achter zijn naam krijgt. Nu is 731 een pagina met voetnoten, en jawel, in voetnoot 8 treffen we niet alleen Daniël Robberechts aan, maar ook Piet van Aken, Ivo Michiels, Georges Adé, Jan Emiel Daele, Freddy de Vree, enz., terwijl nochtans in het register achter de namen van al die anderen niét verwezen wordt naar pagina 731. Moeten we ervan uitgaan dat Borré zich voor verwijzing naar de 'Noten', net als naar de 'Secundaire bibliografie' en de 'Verantwoording', beperkt heeft tot de namen die niét voorkomen in het tekstcorpus? Zoals voor Joris Note, die 679 (secundaire bibliografie) en 683 (noten) achter zijn naam heeft staan, maar daar is dan weer een ander probleem, want op bladzijde 683 is geen Note te vinden.

Ook in deze is volgehouden systematiek hopeloos zoek. Zo wordt bij voorbeeld Rombouts E. in het register vermeld voor zijn aanwezigheid op pagina 505 van de tekst, maar hij krijgt eveneens een vermelding voor een voetnoot over hem op pagina 703. Hetzelfde voor Godfried Benn, die een vermelding heeft voor zijn optreden in de volle tekst op pagina 573, maar ook gementioneerd wordt voor een voetnoot op pagina 709. Anderzijds krijgen bij voorbeeld de namen van Christine D'haen en Rost van Tonningen, die nochtans uitsluitend in de voetnoten voorkomen, géén registeraanduiding. En terwijl voor W. M. Roggeman, Harold Polis, Hans Renders in het register zowel naar de secundaire bibliografie als naar de voetnoten verwezen wordt, ontbreken de meeste andere namen uit de 'Verantwoording' of de 'Noten' volledig.

Begrijpe wie begrijpen kan, maar één zaak kunnen we er wel uit besluiten: door die superrommelige opmaak van het personenregister is "het belangrijkste non-fictie boek dat de afgelopen jaren in Vlaanderen is verschenen", zoals Karl Van den Broeck, de culturele hoofdredacteur van De Morgen (12 juni 2013) schrijft, als naslagwerk – wat het op de eerste plaats zou moeten zijn – compleet onbruikbaar.

Frans DEPEUTER

Jos Borré, Gerard Walschap. Een biografie, De Bezige Bij Antwerpen, 2013, 750 p., 49,95 €.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
16 octobre 2013 3 16 /10 /octobre /2013 19:26

 

De literaire weblog De Contrabas (http://www.decontrabas.com/ ) gewaagt van geruchten “dat België volgend jaar een Dichter des Vaderlands krijgt”.

Chrétien Breukers formuleert daarbij een aantal treffende bedenkingen:

Wélk België? Vlaanderen? Wallonië? Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? De Duitstalige Gemeenschap? […] Volgend jaar. Niet toevallig het jaar waarin grote landelijke verkiezingen zijn. Dat maakt de nieuwe Dichter des Vaderlands bij uitstek geschikt als politiek schuifstuk op het grote bord waarop pers en politiek hun België-spel spelen.

Omdat België het land is waar het surrealisme heerst, is de nieuwe Dichter des Vaderlands een dichter die bijna niet bekend is als dichter. Maar zoals gezegd: dat maakt niet uit. Het gaat niet om de poëzie maar om de politiek. En om het surrealisme.

*

Een Belgisch Dichter des Vaderlands – een Nederlandse Belgenmop?

Welnee, de zaak blijkt al een hele tijd aan het broeden. Dit vaderlands dichterschap blijkt een initiatief van VONK & Zonen (Antwerpen, opgericht door Andy Fierens, Maarten Inghels en Michaël Vandebril), het PoëzieCentrum (Gent) en de Maison de la Poésie (Namur). De initiatiefnemers rekenen op mediatieke steun van de dagbladen De Standaard en Le Soir .

De naam van de eerste Belgische 'Poet Laureate' zou in januari 2014 bekend gemaakt worden. In welingelichte kringen circuleert de naam van de bezieler van G1000, David van Reybrouck, voorzitter van PEN Vlaanderen en oprichter van het 'Brussels dichterscollectief'.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
16 octobre 2013 3 16 /10 /octobre /2013 18:00

 

Gils

De Belgische ziekte heeft het lange leven. Ik realiseerde me dat bij de uitreiking van de driejaarlijkse literatuurprijzen van de Vlaamse Gemeenschap, een end terug in de tijd, in 1996, op de Boekenbeurs. Verdienstelijke winnaars van die vroegere Staatsprijzen waren nochtans voorhanden.

De onvolprezen dichter en onverbiddelijk spellinghervormer Gust Gils, een oprecht omroeper van oproer, kreeg op zijn 72ede bekroning van een letterkundige loopbaan. Alleen had de minister van kultuur aardig wat moeite met de lektuur van zelfs de meest gekende van zijn bundels. “Linke Kornak” werd gewoon “Lichte Kornak”, je moet al een tsjeef als Luk Martens zijn om daar op te komen. Stuur er een gard sivik op af. Al is het ook een manier om het subversieve van Gils’ poëzie te bezweren natuurlijk.

Het was niet de enige mislezing van de Heer Minister. De winnaar van de prozaprijs, Leo Pleysier, heeft volgens hem werken geschreven die ik nooit gezien heb. De Weg der Kralingen? De Ring der Benevelingen  allicht. De Weg naar Kralingen  ken ik ook. Maar goede lektuur is duur, zo blijkt. Pleysier was volgens de Hoogwaardigheidsbekleder ook de schrijver van het bekroonde werk De Gele Rivier is Bevroren. En Pleysier maar moeite doen om zijn titel zo Kempisch mogelijk te maken. “Bevrozen”, net om de taalvervreemding in de verf te zetten. Maar Pleysier is een eerzaam man. “Kop in kas” moet hij gedacht hebben, zijn Arkprijs van 1984 indachtig.

De taalvervreemding, die is er, zoveel is wel duidelijk. En dat heeft alles te maken met de volstrekte minachting die onze kunstenaars te beurt valt. Een werk, een tijdschrift, dient niet om gelezen te worden. Het dient om de administratieve raderen gesmeerd te doen lopen. Of waarom dacht u dat Joke Schauvlieghe zelfs het kristelijk monument Filmmagie, voorheen Film en Televisie, op droog zaad zet ? Jos Van Liempt draait zich om onder zijn zerk. In 1996 werd het burokratisch eerstegeboorterecht pijnlijk in de verf gezet, toen op het einde van zijn niet eens zo onversneden toespraak de Heer Minister Martens pijnlijk moest erkennen dat hij weliswaar anderhalf miljoen (hij rekende nog in franken) op zak had voor de winnaars, maar dat ze dat geld niet kregen. De ambtenaren hadden immers nagelaten tijdig de nodige formulieren in te vullen om de prijzen over te schrijven op de rekening van beide auteurs. Hopelijk had Gils toen nog een postrekening, hij was anders in vieze papieren geraakt. Pleysier bewoog niet. Hij is een eerzaam man.

Heeft Martens dan niks zinnigs aangebracht ? Toch wel. “Vlaanderen heeft opnieuw de kracht van het gesproken woord ontdekt”. Want zowel Gils als Pleysier werden “geprimeerd” vanwege hun sterk retorisch vermogen. Heremijntijd ! Gils eksperimenteert met de klankwaarde van de taal, in een sterk, grotesk, cynisch en zelfrelativerend doorlichten van de dagelijkse werkelijkheid. Gils heeft ook nog met de eksperimentele muzikus Karel Goeyvaerts gewerkt, en voelde zich het meest verwant met de opstandige poëzie van de Vijftigers en van Achterberg. “Een muil is muiten”, zei zijn zielsverwant Lucebert hem al voor. Daar had de Heer Minister geen weet van. Pleysier dan. Die gaat zijn eigen, eigenzinnige eenzame weg. (Ik durfde al lang niet meer naar Marten Toonder te verwijzen). In 1984 had Pleysier de Arkprijs van het Vrije Woord verdiend omdat hij “gedurfd en ongegeneerd vanuit zijn Kempense eenvoud de beperkingen van de alledaagsheid kon omwerken tot de waardevolle kern van zijn zoektocht naar wat de mens mens maakt”. Zijn drieluik Waar was ik weer ?  had pas een verlengstuk gekregen in een reeks van al vier menselijke portretten, die de rauwe vervormingen door het boerenbestaan tot echte klassenstrijd verhief. De Heer Minister hoorde het in Rijkevorsel donderen.

Beide auteurs hadden de schroom en het verstand de burokratie te bedanken met het enige wapen dat hun restte: de eigen tekst. Het zal de ambtenaren niet opgevallen zijn, maar Gils bleef dat schaamteloos doen in zijn eigen kleine verzet, de vooruitstrevende spelling tegen de Urker Liga van Kleingrutter Pennelikkers (ULKP) in. De Heer Minister kon dat niet horen.

Maar zo figureerden beide schrijvers, sober begeleid door de meesterlijke gitarist Yves Storms, als meer dan de Allerzieligenbloempot van de cérémonie protocolaire. Want dát is de Vlaamse ziekte. Het Protokol bepaalt de inhoud. De schil is wezenlijker dan de vrucht. Het oog is belangrijker dan de smaak.

In dat licht viel een tweede incident bij deze prijsuitdeling beter te begrijpen. Gils en Pleysier waren te elfder ure opgetrommeld door hun uitgever, omdat de Belgische Koning hen de hand wou schudden. Dat zou vlot gaan gezien het bibberitis van Albert. Bleek dat aan dezelfde tafel een andere stalauteur zat, ene Jean-Pierre Van Rossem (toen schandelijk auteur van onder meer de schunnige belastinggids Hoe word ik stinkend rijk ?, 1992, Wie vermoordde André Cools, 1993, de seks- en bordelengids  Hoe kom ik van de grond ?, 1993, en de verzetsrekonstruktie De Nacht van Christus-Koning, 1996, allemaal werken op de Coburgse index vanwege aansporing tot meer ontucht). De Staatsveiligheid maande de Brusselse Vorst prompt tot rechts omkeer aan.

Zaten ze daar voor spek en bonen, Gils en Pleysier. Pleysier had de wijsheid een sommatie voor een Koninklijke Receptie des avonds af te wijzen. “Pijp en toebak” volstaan, moet hij welgemoed gedacht hebben. Als de Belg niet naar Mohammed komt, zei hij nog, met Mohammed ook maar niet naar de Belg gaan. Pleysier is immers een eerzaam man. Gils, wat ouder en vooral goed gemanierd, wou uit irrationele beleefdheid de Koning niet afvallen. Jammer voor hem stond datzelfde Protokol aan de ingang van de receptie. “Geen uitnodiging bij ?”, blafte het Protokol. “Ik ben Gils”, zei Gils (in onderkast weliswaar). “De koning verwacht mij”. Niets te Gilsen, geen formulier, geen toegang. En dicht ging de deur. Van Rossem verkneukelde zich. “Prettig om te zien ! Deze hooggeloofde demokratie – de macht des volks – heeft wel enge stalinistische trekjes”. En hij ontbottelde meteen een nieuwe fles.

Lukas DE VOS

(Om evidente redenen werd de redactie door de auteur verzocht de spelling niét te normaliseren...)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
15 octobre 2013 2 15 /10 /octobre /2013 18:00

 

 

Ashetu--nieuw-.jpg

In Het verdwenen gedicht  (zie de blog van 14 september) voegde ik een stukje toe aan de biografie van Bernardo Ashetu (1929 – 1982). Deze dichter van Surinaams/Europese afkomst laat zich in zijn prachtige werk en in wat wij weten van zijn leven kennen als een Einzelgänger. Wie de bloemlezing Dat ik je liefheb leest, zal beamen dat Ashetu een volstrekt eigen en onvergelijkbare stem heeft. Ergens in zijn nawoord merkt samensteller Michiel van Kempen op dat de dichter zich nooit in schrijverskringen heeft bewogen. In vervolg op Het verdwenen gedicht zal ik, meer uitgebreid, aantonen dat hij wel degelijk een bescheiden literaire band onderhield. Het door mij gesignaleerde contact met de dichter Jozef Eijckmans (1907 – 1996) is hierbij het uitgangspunt.

In de periode van belang (eind jaren vijftig – begin jaren tachtig) woonden Ashetu (pseudoniem van Henk van Ommeren) en Eijckmans in Den Haag. Het vrij kleine centrum van de stad was het brandpunt van haar artistieke leven. Op een paar vierkante kilometer bloeiden onder meer de Koninklijke Schouwburg, Pulchri en de Haagse Kunstkring, maar ook kunstenaarsstekken als café De Posthoorn en de Wiener Konditorei.

Jozef Eijckmans woonde nabij het centrum in een hofje aan de Zwarteweg. Hoewel sterk gefocust op zijn eigen werk en zeker geen allemansvriend had hij veel contacten in de Haagse kunst.

jozef-eijckmans-copie-1.jpgJozef Eijckmans


Dé centrale ontmoetingsplek was Bodega De Posthoorn. Schilders, schrijvers, dichters, acteurs, musici, journalisten: ze troffen elkaar vrijwel dagelijks in dit ultra Haagse etablissement aan het Lange Voorhout. Een vanzelfsprekend artistiek netwerk bestond daar. Ook voor dichters heel belangrijk. Eijckmanswas er in de jaren vijftig en zestig kind aan huis. Hij dronk niet of nauwelijks; het ging hem vooral om het gesprek (altijd over poëzie en muziek, zeker niet over onbenullige onderwerpen).

Destijds dichter in spe Piet Boekestijn beschrijft in zijn herinneringen hoe het er in de Posthoorn aan toeging.

Duidelijk was voor ieder, dat een vast gespreksonderwerp de dichtkunst betrof, waarbij uiteraard ieders persoonlijke inspanningen bij de beoefening aan de orde kwamen en om voorrang streden. Immers, ook op dit terrein verbetert concurrentie en competitie de kwaliteit van de productie! Dat laatste werd echter zeker niet bewust beleefd. Gevoelens van saamhorigheid en vriendschap zorgden voor een sfeer waarin persoonlijke belevenissen en bekentenissen onbedreigd konden worden geuit. Stokpaardjes, die ieder wel had, werden met begrip aangehoord. Meer dan eens stond in gesprekken centraal waar en bij wie werk een goede kans zou maken op publicatie.

Beeldend kunstenaars en dichters als Willem Hussem, Jaap Nanninga, Cor Stutvoet en Gerrit Kolkman waren onder meer Eijckmans’ gesprekspartners. De grenzen tussen de disciplines vervaagden spontaan. Jonge dichters en schilders wisten de artistieke Posthoorn-habitués zeker ook te vinden.

In het bovengeschetste perspectief wil ik de relatie Ashetu – Eijckmans plaatsen.
Het feit dat Jozef (die graag over zijn
eigenwerk sprak) mij uit zichzelf vertelde over zijn vriend Bernardo Ashetu is veelzeggend. Ook zijn spontane voordracht uit de enig gepubliceerde bundel van Ashetu is opmerkelijk. Niet aangestipt in mijn vorige artikel is Eijckmans’ opmerking dat Ashetu in de cafetaria waar hij vaak zat niet alleen las, maar ook veel afbeeldingen van beeldende kunst bekeek.

Eijckmans heeft Henk van Ommeren ergens in het Haagse artistieke/bohemien biotoopje leren kennen, wellicht in De Posthoorn. Ashetu moet het werk van de oudere dichter (Eijckmans debuteerde in 1955) gekend hebben. Eijckmans kocht of kreeg Ashetu’s bundel Yanacuna  (1962). Er ontstond een geregeld vriendschappelijk contact. Contact met Jozef betekende (zeker als ‘de ander’ dichter was) dat er veel (ongepubliceerd) werk over de tafel ging.

Het zou goed kunnen dat de soepele invloed die de bevlogen Eijckmans als vanzelf had door Ashetu werd gevoeld. Alleen al qua vorm heeft Eijckmans’ poëzie iets heel kenmerkends (korte strofen, ‘smalle’ langgerekte gedichten). En meer inhoudelijk: zuivere, maar zeker geen barokke/breedsprakige poëzie van een dichter met talent om naar het randje van het begrijpbare te gaan.

Die kentrekken vind ik ook meer of minder in Ashetu’s gepubliceerde werk terug.

Het ingetogene van Ashetu’s verzen doet overigens niet speciaal Surinaams/Caraïbisch aan. Dit gevoegd bij het feit dat de etnische afkomst van een kunstenaar nooit een rol speelde in Eijckmans’ kringen levert op dat Van Ommeren/Ashetu niet ‘als Surinamer’ opviel. Zijn gedichten (met al hun eigenheid) pasten wonderwel in laten we zeggen het Haagse poëtische landschap.

Eijckmans was een eigenzinnige verfijnde grensganger. Voor Ashetu geldt hetzelfde. Zij moeten elkaar als dichter vanzelfsprekend begrepen hebben.

Je gaat dichten uit een innerlijke noodzaak, maar er kan tegelijk een fascinatie zijn voor het werk van anderen. Veellezer Ashetu zal verschillende favorieten/voorbeelden gehad hebben. Wie weet is de beeldende kunst (Willem Hussems sobere elementaire vormen) van invloed geweest.

De dichters in de Posthoorn zetten elkaar (zelfs onbewust) aan tot kwaliteit en een soort artistieke overtreffende trap (vrijheid en risico, experiment). Ashetu kan hier iets van hebben meegekregen.

In hoeverre is Ashetu door Eijckmans en het artistieke klankbord van De Posthoorn beïnvloed? Onderzoek van het niet gepubliceerde werk kan deze vraag beantwoorden.

Ashetu, een schimmige figuur? Ashetu, een dichter zonder literaire contacten? Het valt te bezien. Ashetu’s gedichten staan niet alleen in de letteren. Zij hebben iets te maken met het Haagse literaire klimaat en met Jozef Eijckmans.

Het is trouwens jammer dat de ‘samenzwering’ van Posthoorn-kunstenaars niet meer bestaat. Het is al jaren afgelopen met de wederzijdse uitdaging en beïnvloeding. Heel aardig was dat de Haagse beeldende kunst, muziek en literatuur moeiteloos samenspanden en samenwerkten. Tegenwoordig kent Den Haag alleen nog politieke samenzweringen.

Erick KILA

http://mededelingen.over-blog.com/article-het-verdwenen-gedicht-120041913.html

http://www.pietboekestijn.nl/herinneringen/herinneringenstart.php


Bernardo ASHETU, Dat ik je liefheb, Haarlem, Uitgeverij In de Knipscheer, 2011.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
15 octobre 2013 2 15 /10 /octobre /2013 03:30

 

Holley.jpg

Andrés van Hove exposeert werk van Francine Holley, één van de weinige vrouwen die in het abstracte milieu binnendrong.

Francine Holley werd in 1919 te Luik geboren in een muzikale familie. Op haar achttiende besluit ze zich op de schilderkunst te richten. Na de oorlog schrijft ze zich in in de Academie voor Schone Kunsten van Luik, waar ze Georges Collignon ontmoet, die haar zal overtuigen te kiezen voor de abstractie. Hierin zal zij een middel vinden om zich te bevrijden van de beperkingen van de figuratie. In 1946 ontmoet ze haar toekomstige echtgenoot, de Parijse architect Michel Holley en volgt hem naar Parijs. Ze zal de Franse hoofdstad niet meer verlaten. Holley werkt er in het atelier van André Lhote en daarna in dat van Fernand Léger. In 1952 stelt ze haar eerste abstracte werken tentoon op het ‘Salon des Réalités Nouvelles’. Ze zal deel uitmaken van de APIAW te Luik en lid worden van de Belgische groepen ‘Art Abstrait’ (1954) en ‘Art Construit’ (1960).

Meer over Francine Holley op

http://www.brusselnieuws.be/cultuur/francine-holley-90-jaar-20-meesterwerken

Vernissage op vrijdag 18 oktober vanaf 19 u in aanwezigheid van de kunstenares. Inleiding door Ernest Van Buynder, voorzitter van de Vrienden van het M HKA.

Tot en met 24 november. Andrés van Hove Gallery, Pourbusstraat 3 B, 2000 Antwerpen. Van woensdag t/m zondag, 14-18 uur.

KONKRETEPOWEZIE.jpg

Arts & Book Gallery Draulans brengt een tentoonstelling concrete poëzie, onder het motto “poor old tired horse & labris”, met werk van Ian Hamilton Finlay (1925-2006) en Leon Van Essche (1919-1993). Aansluitend is er een vervolg expo & woorbeeld k-m in het atelier Wilfried Wynants/Kadmos.

Opening op 2 november te 16 uur, Arts & Book Gallery Draulans, Abdijstraat 28, 2260 Tongerlo (Westerlo). Verder te bezoeken op 3, 10, 17 en 24 november, van 14 tot 18 uur.

Aansluitend: Atelier Wilfried Wynants/Kadmos, Dorpstraat 27, 2221 Booischot. Open op 3, 10, 17 en 24 november, 12-13u30 en 18u30 tot 20u.

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
14 octobre 2013 1 14 /10 /octobre /2013 18:00

 

Alice-Munro.jpg

Dit jaar won de voor mij nobele edoch totaal onbekende Alice Munro (°1931) de NobelprijsLiteratuur. Helaas kan ik niet alles lezen. Amechtig tracht ik wat in ons taalgebied verschijnt bij te benen, en dat is op zich een haast onmogelijke opdracht.

Elke schrijver wetend welke grote schrijvers deze prijs niet hebben gekregen, kunnen niet anders dan deze met de nodige nederigheid in ontvangst nemen” schreef Ernest Hemingway toen in 1954 zijn Old man and the sea met de Nobelprijs Literatuur werd bekroond.

Ernest-Hemingway.jpg

Ernest Hemingway (1899-1961)

Met deze zin van Hemingway in het achterhoofd ben ik even gaan opzoeken welke groten uit de wereldliteratuur in deze nobele canon niet werden opgenomen: Franz Kafka, D. H. Lawrence, Yukio Mishima, Virginia Woolf, James Joyce, Leo Tolstoj, Marcel Proust, Rainer Maria Rilke, Emile Zola, Amoz Os, André Malraux, Graham Greene, Jorge Luis Borges…Het is mijn subjectieve keuze natuurlijk. Maar het zijn wel schrijvers, blijvers die de tand des tijds schitterend hebben doorstaan.

De vraag naar de motivatie van de toekenning en de soms duistere deliberatie die vooraf ging stelde schrijver en literatuurhistoricus, Kjell Epsmark, zelf lid van de ZweedseAcademie die de prijs toekent. Hij dook in de archieven van deze deliberaties die gedurende vijftig jaar geheim bleven en hij is erin geslaagd om enkele ‘vervelende’ schaduwkanten op te lichten. (1) Zo kwamen André Malraux, Graham Greene, Jorge Luis Borges en Yukio Mishima (2) wegens hun politieke opvattingen niet in aanmerking. Paul Valéry was dan weer te esoterisch en Moravia riep een ‘onaangenaam gevoel’ op.

Men kan zich hierbij tevens de vraag stellen waarom de Zweedse academie de Nobelprijs wel kan toekennen aan verschillende wetenschappers zoals dit het geval is voor chemie, geneeskunde of fysica, maar wat literatuur betreft er slechts een auteur met het been kan gaan lopen. Misschien zal de eerbiedwaardige academie van Stockholm dit ooit willen doen. Zo is het politiek correcte koorddansen meteen opgelost.

Medaille-van-de-Nobelrpijs.jpg

Medaille van de Nobelprijs

Nog een pittig detail: twee schrijvers hebben deze illustere prijs geweigerd: Boris Pasternak (noodgedwongen) in 1958 en Jean-Paul Sartre in 1964 die het geldbedrag enkele jaren later wel opvroeg. O pecunia…

Frank DE VOS

 

(1) Kjell Epsmark, Le Prix Nobel, Histoire intérieure d’une consécration littéraire, Jacob Duvernet (Editions),1986, 333 p. ISBN 9782715806030

(2) http://mededelingen.over-blog.com/article-frank-de-vos-over-yukio-mishima-en-henri-floris-jespers-118706943.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
14 octobre 2013 1 14 /10 /octobre /2013 16:24

 

Affiche-Krakatoa.jpg

Amuseerde me met een ouderwetsche avonturenfilm, Krakatoa, East Of Java uit 1968. Daar heb ik een speciale herinnering aan. Vermits mijn vader in de Roxy werkte hoefde ik daar nooit te betalen voor een kaartje. Sterker: er werd altijd een zetel vrijgehouden voor 'de zoon van Jaap'. In 1969, ik was bijna 15, had pa echter een nieuwe job. Ik had zin om naar de film te gaan, en zo kwam ik (in de Roxy draaide niets van mijn gading) voor het eerst van mijn leven in die andere bioscoop in de stad, de Luxor in de Lievevrouwestraat. Daar betaalde ik voor het eerst voor een filmticket, en wel voor Krakatoa, East Of Java. Vakkundig gemaakt spektakel over de in augustus 1883 over de ganse wereld voelbare uitbarsting van de vulkaan op het eiland Krakatau in wat toen nog Nederlandsch-Oost-Indië heette. Maximilian Schell is voorspelbaar heldhaftig, Diane Baker wonderschoon en de fraaie pakketboot Batavia Queen de eigenlijke heldin van dienst. Was aardig om de rolprent eens terug te zien. À propos (in Hollywood weten ze niet zo goed hoe de wereld ineen steekt): Krakatau ligt ten wésten van Java....

 

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article
13 octobre 2013 7 13 /10 /octobre /2013 17:31

 

DSC05029.jpg

Een origineel concert gisteren in de Miryzaal van het conservatorium Gent! Trefpunt en vzw Comaf vroegen aan 22 componisten om een stuk voor strijkorkest te schrijven met een maximum duur van drie minuten.

DSC05076.jpg

Timur Sergeynia

Dirigent en pianist Timur Sergeynia en het strijkorkest van het Conservatorium Gent speelden deze composities in drie blokken met daartussen een korte en een langere pauze.

Organisator Lucien Posman gaf bij elk blok een korte introductie over de componisten. Het rijke en gevarieerde programma werd door het uitmuntende strijkorkest gebracht met veel brio en in tempi die door de componisten soms als te snel werden ervaren. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het temperament van de bevlogen Russische dirigent die ook de pianopartij vertolkte.

DSC05103.jpg

Van l. naar r.: Jan Van Landeghem, Lucien Posman en Wilfried Westerlinck

Een spijtig minpunt voor de organisatie was een fout in het programma waardoor we de compositie van Wilfried Westerlinck hoorden onder de naam van Wilfried en het werk van Wilfried op naam van Gerard De Clercq. Dit was voor beiden een onaangename ervaring, hoewel kenners van het werk wel onmiddellijk hun twijfels hadden. Vooral Wilfried was achteraf erg aangeslagen en ontgoocheld.

Na afloop van het concert kwamen alle componisten op het podium, waar ze samen met het orkest vergast werden op een daverend en langdurig applaus.

DSC05096.jpg

L. Posman vroeg nog de aandacht voor een componist wiens werk niet aan de vereisten had voldaan, maar die toch tijd noch moeite gespaard had .De componist die niets had ingediend wegens tijdgebrek kreeg geen applaus, want zo zegde Posman, tijdgebrek geeft net een adrenalinestoot, noodzakelijk voor kunstenaars!

DSC05012.jpg

Van l. naar r.: violiste Jenny Spanoghe, componisten Jan Van Landeghem en Jan Hendrik Van Dame, redacteur Joke van den Brandt

DSC05123.jpgComponist Piet Swerts en filosoof Silvio Senn

Er werd nog lang nagepraat met publiek en kunstenaars. Deze formule is zeker voor herhaling vatbaar.

Joke VAN DEN BRANDT

Foto’s Frank Ivo van Damme

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Musique
commenter cet article
13 octobre 2013 7 13 /10 /octobre /2013 04:59

 

Oneill.jpg

Eugene O'Neill (1888-1953)

Toneelgroep Amsterdam heeft sinds kort het laatste toneelstuk van de Amerikaanse toneelauteur Eugene O’Neill op het repertoire staan. De vertaling is van Ger Thijs, de tekstbewerking van Peter van Kraaij, ongetwijfeld i.s.m. regisseur Ivo van Hove. Het scènebeeld is van de hand van Jan Versweyveld. Lange dagreis naar de nacht is een loodzwaar toneelstuk – autobiografischer kan haast niet anders –, de regie doodeng, de belichting duister, een decor waar Kasimir Malevitsj jaloers op zou zijn geweest, door de rijke armoede aan belichting,  decor en kostumering, en toch, toch is deze voorstelling een meesterwerk.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_05.jpg

De lange dagreis naar de nacht is afgelopen het moment dat de voorstelling begint. Een aanwijzing daarvoor is de tekst, maar ook het tijdsverloop, waarover verder meer. Wat de toeschouwer te horen en te zien krijgt, zijn de kwetsuren die de lange dagreis hebben veroorzaakt. Na een leven van rondzwerven met het theatergezelschap van de vader, is het gezin thuis in een huis aan de kust. Gedaan met om de zoveel dagen te logeren in hotels, de twee zoons in kostscholen te droppen, of in de vakanties door te schuiven naar een kinderjuffrouw. Gedaan met de vrouw te beminnen zonder liefde.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_08.jpg

Aan geld geen gebrek en het huis is ruim, maar niemand van het gezin is gelukkig. De vader, dag en nacht in de weer geweest met zijn gezelschap, kan het toneel niet loslaten. De moeder is door het besef dat zij niet eens op de tweede plaats kwam verslaafd aan de morfine. De oudste zoon heeft het niet gemaakt als acteur, simpelweg omdat hij dat beroep niet zag zitten, wetende dat hij het talent er voor ontbrak. Door de druk van zijn vader en omdat het theater voor hem de hel was, is hij de alcohol gaan beminnen, en de jongste zoon is een mineur poëet in de ogen van zijn vader, en gaat het nog geloven ook. Daarenboven heeft hij geen griep zoals koppig wordt verondersteld, maar tbc.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_02.jpg

Het stuk speelt zich af in de eerste twee decennia van de vorige eeuw, toen tuberculose nog een ziekte was waar 99% van de slachtoffers aan dood gingen. Het eigenlijke tijdsverloop is een dag en de volgende ochtend in de herfst. Een mist die van geen wijken weten wil en naar het eind van het stuk zelfs het huis binnendringt, ja, zelfs de zaal in. Het laatste kwartier zien de gezinsleden elkaar haast niet meer staan, net zoals de toeschouwers nauwelijks nog beeld hebben van het decor en moeten raden waar de acteurs staan en wie er naast hen zit. De muziek drukt de stemming nog meer naar beneden. Wondermooi, dat wel, maar het is een late vorm van country & western, een genre van eeuwig on the road zijn, maar niet uit avontuurlijke overweging, maar als zoektocht naar een huis, een tuin, rust en een gezin om rustig oud te worden op weg naar een vredige dood.

Het geniale aan dit ijzersterk stuk van O’Neill is dat de tekst voortdurend huppelt van de Voltooid Verleden Tijd naar de Onvoltooid Tegenwoordige Tijd, tot in het laatste bedrijf beide tijden in elkaar opgaan. Van het eerste tot het laatste woord wordt gesleurd aan gezeur, en dat gezeur gerekt tot de rek eruit zit. Maar knappen doet de klaagzang niet. Omdat de vier gezinsleven nu eenmaal aan elkaar verslaafd zijn door een liefdesrelatie die ze zelf niet kunnen verklaren en er dus geen bal van begrijpen. De Onvoltooid Verleden Tijd is een poging om de rancune, de aversie onder en tegen elkaar weg te werpen om greep te krijgen op hun relatie. Het lukt hen maar niet. Ook het morfologisch analyseren van gebeurtenissen en toestanden uit de Voltooid Verleden Tijd brengt geen soelaas om een harmonieuze toestand te creëren in het gezin. De hele herfst zal wraak sudderen en niemand verlangt naar de winter, de lente en de zomer. Ze leven in het seizoen van het vallend blad, het vergelen van de [hun] cultuur.

 

Ivo van Hove heeft zijn acteurs hun schoenen afgepakt. Welbewust. Een psychologische vondst visueel gemaakt. Het stuk is nu eenmaal een stuk waarin het ene moment zowel de vader, de moeder als de twee zoons propere handen hebben en het andere vuile. Maar dat geldt ook voor de voeten. Het eeuwig afstoten en omarmen van elkaar, soms op hetzelfde moment, roept de vraag op of de verbale slagen en strelingen – figuurlijk gezien – vuile dan wel propere voeten hebben. Een antwoord is er niet. Het enige wat men kan zeggen is wat de drie heksen samen, herhaling: samen, zeggen in de laatste zin van de eerste scène van Macbeth, Fair if foul, and foul is fair: / Hover trough the fog and filthy air. In de vertaling van Burgersdijk [literair nog altijd de beste van alle vertalingen, by the way]: Schoon is boos en boos is schoon: / Voort! door damp en mist gevloôn.

Met de naakte voeten onderstreept Van Hove dat het stuk tegelijk een verslaggeving van de auteur is op een ongelukkige jeugd en een diepe buiging voor het feit dat hij door zijn ouders zijn liefde voor het theater heeft gevonden én de materie voor zijn stukken. Zwart en wit zijn de toonaangevende kleuren van het stuk, verlengd tot in het concept van de voorstelling. Ze zijn er om de grijsheid van elk woord, elk gebaar, elk idee, elk gevoel te versterken. Van Hove en zijn stafmedewerkers hebben duidelijk begrepen wat de functie van het loeien van de misthoorn is. Hij dwingt te wijzen op de klippen van het bestaan, de gevaren van het gezin als kust.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_17.jpg

Ivo van Hove heeft van Lange dagreis naar de nacht geen politiek stuk gemaakt maar een sociologisch. Dat kan het kleinste kind zien, maar het merkwaardige zit hem in het feit dat hij met dit stuk nog meer dan met zijn vorige stukken terugplooit op zijn wereld. Hij zoekt stapje voor stapje naar het middelpunt van zijn aard. Een aard waarin het theater voorop staat. Pak Van Hove het theater af en hij is binnen de kortste keren klaar voor het gekkenhuis, of wordt dement. Maar wat voor Van Hove geldt, geldt voor iedereen. Zonder passie, buiten de liefdesrelatie, is elke mens gedoemd gek te worden. Zijn gekheid om te zetten in daden van onmenselijkheid. Het is niet toevallig dat meer en meer misdadigers geen gevangenisstraf maar TBR krijgen. Dat soldaten die als beschaafde wezens naar oorlogsgebied trekken, terugkeren als roofdieren, want oorlog heeft nooit een humane reden van bestaan. Ze bestaan enkel bij de gratie [!] van materiële of religieuze wensen, die binnengedrongen zijn in de kosmos van het extreme.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_11.jpg

Een markante tot briljante voorstelling, Lange dagreis naar de nacht, ware er dat minpunt niet. Het wijds decor met zijn wolkenreikende wenteltrap, prachtig. Het gebruik van de ruimte door de uitstekend op elkaar afgestemd spelende acteurs, heerlijk. Een zaal voor 500 toeschouwers, jammer. Deze voorstelling bidt om een beperkt publiek. Honderd, maximum tweehonderd toeschouwers. Door de grote zaal verpoeiert de intimiteit en maakt van mist smog.

Vooral het laatste half uur is het happen naar buitenlucht, hoe vervuild die ook is. Gaat happen over in gapen. Een kwartier lang. Irritant. Gênant ten overstaan van je buren. Maar logisch. Hoeveel gezinnen komen na het wekelijks uurtje keffen en bijten niet terecht in een grijze zone waarin men bang is van zijn eigen hartslag en elkaar niet meer durft aan te kijken? Het ultiem uitpersen van die gezinssfeer is gewaagd en zou aanslaan in een kleinere zaal. In een grote boet die gezinstoestand aan kwaliteit in en verliest een groot deel van zijn spankracht.

LDNDN_pers_--_Jan-Versweyveld_04.jpg

De smog is de stoute virus die bij een aantal toeschouwers, én critici, een kwaadaardige aversie heeft opgewekt, of, opwekt. De Ierse cultuur, doordrongen van bijbel en alcohol, kwistig uitgestrooid over en onder het hele stuk, helpt daar geen moer aan. Wie echter een prik heeft gekregen en immuun werd voor een te snel oordeel, veroorzaakt deze productie geen gevoel van iets vernieuwend te hebben meegemaakt, maar wel een extra beveiliging verwierf van zijn sociale overtuiging.

Guido LAUWAERT

 

Foto's: Jan Versweyveld

 

Lange dagreis naar de nacht – auteur Eugene O’Neill, productie toneelgroep Amsterdam – regie Ivo van Hove – www.toneelgroepamsterdam.nl

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche