Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
5 mars 2014 3 05 /03 /mars /2014 09:11

 

HockeVergroot.jpg

Casa Diana, Genzano, 1979

Gustav René Hocke (°Brussel, 1 maart 1908) studeerde in Berlijn, Bonn en Parijs en promoveerde in februari 1934 tot doctor in de filosofie aan de Friedrich Wilhem universiteit van Bonn met een proefschrift over Lukrez in Frankreich von der Renaissance bis zur Gegenwart.

Hocke koos de eminente en eigenzinnige romanist Ernst Robert Curtius (1886-1956) als promotor wegens diens belangstelling voor de Europese avant-garde, maar werd door zijn leermeester bewust georiënteerd naar een klassiek onderwerp. Hij deed opzoekingswerk in de Bibliothèque Nationale te Parijs, waar hij o.m. in contact kwam met groep rond André Breton. Na zijn promotie vroeg Hocke een beurs aan om te werken aan zijn aggregatie, maar die werd hem geweigerd omdat hij niet actief was in de Arbeidsdienst werkte of geen partijlid was. Hij ging dan aan de slag bij de Kölnische Zeitung, de door Kurt Neven-Du Mont uitgegeven liberale kwaliteitskrant die dank zij haar internationale prestige minder last had van de 'Gleichschaltung'. Hij leerde daar zijn woorden wikken en wegen en zijn anti-nationaalsocialistiche gezindheid tussen de regels tot uitdrukking te brengen (net als zijn collega en vriend Gert H. Theunissen, die met de dochter van de Antwerpse letterkundige en kunsthistoricus Ary Delen zou huwen). Hocke kreeg last met de journalistenbond en met de Gestapo. Hij werd gered door Neven-Du Mont die hem als correspondent te Rome zond, waar de fascistische censuur minder drukkend was dan de nationaalsocialistische. Van januari 1942 tot februari 1943 werd hij als burgerlijke tolk opgevorderd door de Wehrmacht. In die periode concipieerde hij zijn sleutelroman Der tanzende Gott (1948). In de herfst van 1943 dook hij in de Romeinse clandestiniteit waar hij nauwe contacten had met een aantal gelijkgezinden die in het na-oorlogse Italië een invloedrijke politieke rol zullen spelen. Vanaf juni 1944 werkte hij voor de Amerikaanse Psychological War Fare. Op 6 september van dat jaar werd hij als vijandige onderdaan aangehouden (in toepassing van een horizontale administratieve maatregel) en gedeporteerd naar de Verenigde Staten.

DerRuf.jpg

Op dat ogenblik verbleven meer dan 300.000 Duitse krijgsgevangenen in de VS, verspreid over een 130-tal kampen, waaronder een aantal zogenaamde Antifa-kampen. In Camp Van Etten (New-York), gekend onder de codenaam The Factory of de Ideen-Fabrik, werden de grondslagen besproken en gelegd voor 'de opbouw van een nieuw Duitsland in samenwerking met Europa en de wereld'. Het project zwermde uit naar Fort Getty en Fort Kearney, waar Hocke overgebracht werd om ingeschakeld te worden bij de oprichting van het blad Der Ruf, dat ook in kampen in Canada en het Verenigd Koninkrijk verspreid werd. Der Ruf bleef verschijnen tot 1 april 1946, en werd daarna te München door Alfred Andersch, Hocke en Hans Werner Richter voortgezet, tot er in april 1947 een conflict ontstond met de militaire regering die het blad 'nihilistisch' vond en de derde weg-theorie verdedigde. Het publicatieverbod leidde tot de oprichting van de befaamde Gruppe 47.

*

In 1948 wordt Hocke stichtend lid van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung. Hij had toen al een aantal boeken op zijn actief: Der französische Geist. Die Meister des Essays von Montaigne bis zur Gegenwart (1937), Deutsche Satiren des 18. Jahrhunderts (1940), Das verschwundene Gesicht. Ein Abenteuer in Italien (1939 – gewijzigde en vermeerdere versie: Magna Graecia, 1960), Europäische Künstlerbriefe (1941; 1947). De sleutelroman Der tanzende Gott (1948) kende ruime weerklank.

*

In augustus 1949 werd Hocke als eerste na-oorlogse Duitse journalist in Italië geaccrediteerd als correspondent van een aantal Duitse en Zwitserse kranten. Rome werd zijn vaderland. Hij werd overladen met bekroningen: de Internationale Prijs van de Kritiek van de Biënnale van Venetië (1952), de internationale Prijs van Rome (1961) en de Alcide de Gasperi-prijs (1966). Hij werd lid van de Accademia del Mediterraneo en van de Accademia Tiberina en werd verheven tot de waardigheid van Groot-Officier van de Italiaanse Republiek. Hij was ook drager van hoge Duitse, Oostenrijkse en Belgische onderscheidingen. Bij herhaling weigerde hij een hem aangeboden leerstoel te bezetten. Als blijk van waardering voor zijn literaire en kunsthistorische vorsingen verleende de Oostenrijkse regering hem honoris causa de titel 'professor'.

*

Met zijn meermaals herdrukte twee publicaties over het maniërisme in de epoque-makende reeks Rowohlts Deutsche Enzyklopädie (Die Welt als Labyrinth, 1957, en Manierismus in der Literatur, 1959) verwierf hij internationale bekendheid. De twee roro-deeltjes – hoe omstreden ook in vooral Angelsaksische vakkringen – hebben in aanzienlijke mate bijgedragen tot de heropleving van de belangstelling voor het maniërisme. Ze werden vervolledigd door Verzweiflung und Zuversicht. Zur Kunst und Literatur am Ende unseres Jarhrhunderts (1974) en Neomanierismus. Der Weg der modernen Kunst von Surrealismus zur Meditation (1975). Deze laatste twee grondleggende studies waren geconcipieerd als één monumentaal boekwerk (met als werktitel 'Ein imaginäres Seminar über die geistige Situation unserer Zeit') maar uitgevers beschikten er anders over.

Das europäische Tagebuch (1963) vormt de tweede pijler van Hockes oeuvre. Naast een indrukwekkende comparatistische, meer dan vijfhonderd bladzijden tellende studie over het dagboekgenre in al zijn schakeringen, bevat dit merkwaardig boek een bloemlezing uit meer dan honderd dagboeken, van het begin-XVe-eeuwse dagboek van Francesco da Fiesso tot Graham Greene.

De studie van het maniërisme en van de diaristiek vormen de twee constanten in Hockes omvangrijk oeuvre.

 

Daarnaast publiceerde hij over hedendaagse kunstenaars een aantal grondige monografieën in boekvorm: over Leherb (1973), Jutta Cuny (1977), Peter Prosch (1979), Tonino Lambardi (1979), Loris Grandi (1981) en de gebroeders (Ludwig Valentin en Walter Andreas) Angerer (1981). In catalogi, vaktijdschriften en gelegenheidsbundels publiceerde hij essays over o.m. Fernando Botero, Fabrizio Clerici, Ernst Fuchs, Heinrich von Hessen, Alfred Kubin, Max von Moos, Gianfilippo Usselini.

Naast detailstudies en cultuurhistorische literaire beschouwingen, schreef Hocke indringende essays over o.m. Stefan Andres, Edoardo Cacciatore, Ernst Robert Curtius, Alfred Döblin, Martin Heidegger, Homerus, Thomas Mann, Luise Rinser en Italo Svevo.

*

Dit alles dus bij wijze van toelichting, op vraag van mijn correspondenten. Ik mag nu echt niet bezwijken aan de verleiding een aantal persoonlijke accenten te leggen.

Toch nog even dit. René was een man van de wereld, bestempeld door het weekblad Die Zeit als 'Auslandkorrespondent par excellence, respektiert wie ein Diplomat, gelehrt, viel beachtet, mit Orden und Titels reichlich geschmükt.' En, ja, hij kon daarmee (soms) glimlachen.

In 1961 ontving hij op het Capitool de eerste internationale literatuurpris van de Stad Rome uit handen van president Giovanni Gronchi:

Vor der Preisverleihung hatte ich mir von meinem Friseur in dem Via Frattina in der Nähe des Auslandspresse-Clubs, die Haare schneiden lassen. Die Nachricht über die Preisverleihung hatte er in der Morgenzeitung gelesen. Er beglücktwünschte mich und sagte sehr ernst: “Caro Dottore, non dimenticare un bel sorriso. Si dico che i Tedesci non sanno sorridere durante atti solenni. Lei dovrebbe provare il contrario”.

Die mooie glimlach koester ik in mijn herinnering. Maar René was een onrustige intellectueel. Evenwicht en harmonie waren de absolute eisen die hij ondanks alles niet kon bereiken. In zijn labyrint werd hij teisterend geconfronteerd met de eigentijdse Minotaurus, verpersoonlijking van de decadentie en van de totalitaire staat, de twee ziekten van de (voorbije?) eeuw. Dat heeft zijn laatste jaren diepgravend bezwaard. Na een mislukte seppuku in de Japanse tuin van zijn villa Casa Diana, Monte Giove te Genzano di Roma, verzonk hij in de Noordse nevelen die hij vreesde.

Het begenadigde vaderland dat Rome (of, juister: de Romanità) voor hem betekende, had hem uiteindelijk toch niet tot de innerlijke rust gebracht die hij zozeer betrachtte. Hij overleed op 14 juli 1985.

HOCKEdoodsbrief.jpg

 

*

Een beknopte biobiografie van mijn publicaties over Hocke staat te lezen op http://mededelingen.over-blog.com/article-henri-floris-jespers-dagboek-gustav-rene-hocke-122794930.html

 

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
4 mars 2014 2 04 /03 /mars /2014 13:02

 

JanHoet.jpg

Telkens als ik Jan Hoet bezig hoorde, en vooral: bezig zág, was ik door de man gefascineerd. Misschien nog meer door hoé dan door wát hij vertelde. Want Hoet kón praten, ja zeker – maar dat betekent nog niet dat al wat hij zei, ook zin- en waardevol was. En Hoet wás een enthousiast, zeker voor kunst – maar dat impliceert niet per se dat zijn enthousiasme ook een graadmeter was. Hoet was gedreven, ja – maar dat houdt niet noodzakelijk in dat de onderwerpen die hem dreven, ook begeestering verdiénden. Jan Hoet was een fantast, ongetwijfeld – maar daaruit dient nog niet te worden afgeleid dat zijn fantasieën meteen ook valabel waren. Hoet was een visionair, best mogelijk – maar dat omvat niet automatisch dat zijn visies ook betrouwbaar en duurzaam waren.

Jan Hoet was zovéél en was ook zoveel het tegendeel van wat hij leek te zijn: messias én charlatan, bouwer én ondergraver, kenner én miskenner. Wát bij hem doorwoog, was en is een open vraag, maar één zaak is zo rond als een o: Hoet was een megalomaan 'pur sang', die bijna even vaak de keizerlijke absoluutheid van zijn woorden onderstreepte met 'ongelofelijk' als Eddy Wally dat deed met "gewéldig" en "onvoorstelbaar".

 

Jan Hoet werd op 23 juni 1936 geboren in Leuven, als middelste van zeven kinderen. Tijdens de oorlogsjaren groeide hij op in Geel, waar zijn vader als psychiater werkte in de toenmalige Kolonie voor Geesteszieken (nu OPZ). Omdat vader Hoet een enthousiast kunstverzamelaar was, kwamen er vaak artiesten over de vloer, zoals Constant Permeke en Paul Delvaux.

In 1945 verhuisden de Hoeten naar Gent. Na zijn studies aan het Sint-Lievenscollege aldaar ging Jan naar de kunstacademie, maar hij werd van de school gegooid omdat hij, in plaats van naar de lessen te gaan, liever bij de kunstenaars in het atelier rondhing. Hij ging dan maar naar de Rijksnormaalschool in Gent, waar hij in 1959 het regentaat in de plastische kunsten behaalde.

Aan de normaalschool was Jan bevriend geraakt met de fotograaf Rony Heirman. Na hun studies begonnen ze allebei les te geven, Jan aan de rijksmiddelbare school te Oostakker. Ze droomden echter van een artistieke carrière en tekenden samen verscheidene strips – Heirman tekende de figuren, Hoet de achtergronden –, die ze publiceerden bij Vooruit, de Goede Pers Averbode, De Standaard en De Ronsenaar.

In 1964 gaf Hoet, die dan 28 jaar is en een gezin heeft gesticht, de droom om zelf kunstenaar te worden op, omdat hij begreep dat hij als schilder nooit hoge toppen zou scheren, en ging kunstgeschiedenis studeren aan de universiteit van Gent. Intussen bleef hij wel les geven aan de school te Oostakker. Van 1971 zou hij ook doceren aan de WAK (Westhoek-Akademie), die hij samen met een andere schoolvriend, de beeldende kunstenaar, dichter en componist Walter Vilain, had opgericht.

 

Maar in 1975 maakte hij een eind aan het lerarenschap. Jan had namelijk gesolliciteerd voor de post van artistiek directeur van het pas opgerichte Gentse Museum voor Hedendaagse Kunst en was gekozen. Dat museum, toen nog gehuisvest in enkele zalen van het Museum voor Schone Kunsten, had in het begin niet zoveel te betekenen en was traditioneel elitair. Het duurde dan ook niet lang of Jan besloot er nieuw leven in te brengen. Zijn tentoonstellingen rond de abstracte kunstenaar Dan Van Severen en de als 'charlatan' bestempelde Antwerpenaar Panamarenko, vielen echter niet bij iedereen in goede aarde. In 1980 baarde hij opzien met 'Kunst in Europa na '68', waarin werk werd tentoongesteld van onder andere Arte Povera-kunstenaars, Joseph Beuys, Christian Boltanski en Tony Cragg.

Onder het beleid van Hoet groeide de collectie van hedendaagse kunst stelselmatig aan en kreeg het museum internationale bekendheid. De roemrijkste tentoonstelling werd 'Chambres d'Amis' (1986), waarbij vijftig internationaal befaamde kunstenaars werden uitgenodigd om in door de bewoners ter beschikking gestelde woningen in de Gentse binnenstad een kunstwerk te realiseren. Met die veelbesproken tentoonstelling plaatste Jan Hoet niet alleen Gent maar ook zichzelf op de artistieke kaart. Ze zou een belangrijke rol spelen bij zijn aanstelling als hoofdcurator van Documenta IX.

 

Dat gebeurde in 1992 en was ongetwijfeld het summum van Hoets carrière. De vijfjaarlijkse Documenta-tentoonstelling te Kassel mag zo niet als de grootste dan toch als een van de grootste tentoonstellingen – of zullen we zeggen: happeningen? – van de hedendaagse kunst ter wereld worden beschouwd.

Hoet volgde daarmee de Duitse kunsthistoricus Manfred Schneckenburger op, die ook al in 1977 Documenta 6 had verzorgd, waarbij 622 deelnemers zo maar even 2700 werken hadden geëxposeerd. Aan de 9e editie, waaraan Hoet de titel 'From body to body to the bodies' gaf, namen 189 kunstenaars deel met 1000 werken. Onder hen Jan Fabre, Wim Delvoye en Luc Tuymans, die er internationale bekendheid door kregen.

Hoet maakte een gewaagd avontuur van de expositie door er zijn eigenzinnige stempel op te drukken. Van bij de aanvang stelde hij: "Documenta moet volledig nieuw bedacht worden. We moeten beginnen vanaf nul. We vergeten alle kunstenaars die we kennen, we vergeten alle scènes die we kennen, we vergeten tijdschriften en bibliotheken. Ja, we gaan op reis en berichten het publiek over onze ervaringen!"

Hoet deed wat hij zich voornam: hij trok Documenta open door de hele stad Kassel bij de happening te betrekken. Waar het evenement tevoren steeds doorging in het Museum Fridericianum en enkele andere gebouwen, daar realiseerde hij het thans op meerdere plaatsen in de stad, veelal in openlucht, zodat elke inwoner erbij betrokken werd en de kunst naar het stadsleven kwam.

Uiteraard werd het gebeuren op die manier een peperdure aangelegenheid, die fel omstreden was, maar de curator zorgde ervoor dat alles zonder verlies werd afgesloten. Niet alleen omdat het bezoekersaantal een record van 603 456 bereikte, maar ook dankzij de sponsoring die in de tentoonstelling werd verwerkt. Voor de eerste en laatste keer werden op grote schaal T-shirts, baseball-caps, regenschermen... op Documenta verkocht.

 

Het jaar 1999 zou voor Jan Hoet en het Gentse artistieke leven een 'annus mirabilis' worden. In dat jaar kreeg het Museum voor Hedendaagse Kunst eindelijk zijn eigen gebouw, recht tegenover het Museum voor Schone Kunsten. Hoet, die zich hiervoor al jaren had ingezet en er zelfs voor in de politiek (CVP) was gegaan, doopte het onmiddelijk om tot 'Stedelijk Museum voor Actuele Kunst' (S.M.A.K.). Boven op het dak van S.M.A.K. liet hij een sculptuur van zijn vriend Jan Fabre plaatsen: "De man die de wolken meet". Een betere symboliek voor de grenzeloze ambitie en dynamiek van Hoet is moeilijk denkbaar.

 

Eind 2003 ging Hoet als conservator van het SMAK met pensioen, maar hij bleef niet op zijn lauweren rusten. Dat zelfde jaar nog stampte hij in het Noord-Duitse stadje Herford het MARTa uit de grond, een prestigieus museum voor hedendaagse kunst en design – M staat voor museum, ART voor kunst, en de laatste a voor 'ambiance' –, waarvan hij tot 2008 ook artistiek leider was.

Dit initiatief, dat een werktuig moest zijn voor de vernieuwing van de plaatselijke economie, maakte heel wat los in het stadje, dat qua grootte vergelijkbaar is met Genk. Voor het ontwerp en de bouw had Hoet een van 's werelds grootste architecten geëngageerd, de Canadees-Amerikaan Frank O. Gehry. Opgetrokken uit 5000 vierkante meter plaatstaal en 180 000 lokale klinkers staat het Marta in fel contrast met de Duitse vakwerkhuisjes verderop in de hoofdstraat.

Voor de bouwkosten alleen al hing er aan het project een prijskaartje vast van 28 800 000 euro. En dan kwam het 'Direktorat' van Hoet nog. Jan wist de vroede vaderen van het stadje te infecteren met zijn mateloos enthousiasme, zodat hij ongehinderd zijn gangen kon gaan. Een protestbetoging van burgers, die het museum een buitensporige geldverspilling vonden (en vinden), mocht niet baten. Ook heerste er misnoegdheid omtrent de opbouw van de collectie door de artistieke directeur, die niet alleen uitpakte met de getatoeëerde varkens van Wim Delvoye, maar de Noorse kunstenaar Bjarne Melgaard ook een performance wilde laten uitvoeren met een geit in een latex pak. Hoewel de geit tenslotte verwijderd werd, kreeg de Belgische kunstpaus na enkele turbulente jaren in 2008 de bons van het "onwillige provincienest" (zoals hij Herford zou noemen), dat zo goed als failliet gegaan was aan dit megalomane project.

 

Maar nog bleef Jan niet stilzitten. Ondanks zijn gezondheidsproblemen (nierkanker begin jaren '90 waarna nierdialyse, hartaanval in 2010, virale longinfectie en kunstmatige coma in 2012) bleef hij grootse manifestaties najagen.

Zo organiseerde hij in 2012, in samenwerking met de curator Hans Martens, in Sint-Baafs de tentoonstelling Sint-Jan, met religieus geïnspireerd werk (hoofdzakelijk installaties) van 51 kunstenaars (onder wie alweer dezelfde vrienden Fabre, Delvoye, Borremans…). Ondertussen werd hij ook gevraagd voor de organisatie en vormgeving van de biënnale van Yinchuan in het Chinese binnenland, die in oktober 2012 doorging en onder de bescherming van de Britse kunstenaar Damien Hirst stond. En als sluitstuk van zijn hectische leven organiseerde Hoet in 2013 in zijn geboortestad Geel een uitgebreide tentoonstelling onder de titel Expo Middle Gate Geel '13, die liep van september 2013 tot januari 2014.

Ook werd hij nog gevraagd als medecurator voor de grootschalige internationale tentoonstelling georganiseerd door MuZee in Oostende onder de titel 'De Zee', die zal doorgaan van oktober 2014 tot april 2015. Maar die opdracht zou op de wachtlijst blijven staan, want op 27 februari 2014 viel Jans sputterende motor stil en ditmaal voorgoed. Met Hoet is een kleurrijke, flamboyante, controversiële figuur weggegaan, omtrent wiens moed en overmoed, droom en waan, smaak en wansmaak, het laatste woord nog niet gezegd is…

Frans DEPEUTER

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
3 mars 2014 1 03 /03 /mars /2014 14:18

 

VaesHocke.jpg

Enigszins tot mijn (aangename) verwondering, nogal wat reacties op mijn jongste aantekening, veelal met vragen naar meer info over Gustav René Hocke. Ten behoeve van mijn correspondenten verschijnt hier met bekwame spoed een levensschets. Hier alvast nog een treffende foto: Guy Vaes (1927-2012) interviewt Hocke voor het weekblad Spécial (Brussel, Le Cap d'Argent, 1972).

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
3 mars 2014 1 03 /03 /mars /2014 00:03

 

HOCKE1950

Zondag was ik druk bezig met het schrijven van mijn bijdrage voor het tweede deel van de catalogus van de expositie Paul Joostens in Mu.ZEE te Oostende (deadline 7 april...). Aangewakkerd door berichten van mijn Facebook-vrienden Laurent Œdipe en Geraard Goossens over Gustav René Hocke (1908-19885) bleef ik echter niet bij de les en kon het echt niet laten onder te duiken in mijn (al te talrijke) archiefdozen die ik met Jan Scheirs aan het klasseren ben.

*

Elena Croce typeerde Gustav  René  Hocke als 'een van de meest waarachtige Romeinen die nog overblijven in een stad die in de loop der jaren haar eigen kleur heeft verloren.' Ik was al begin de jaren zestig in de ban van zijn boeken, waar ik in talrijke publicaties naar verwees. Ik leerde hem in levende lijve kennen op 11 september 1971, tijdens het PEN-congres te Dublin. Het werd 'le coup de foudre'. Kort daarop bezocht ik hem voor de eerste keer in Genzano di Roma. In februari 1972 organiseerde DeTafelronde in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen het colloquium 'Section d'or & Labyrinthe', waar het woord gevoerd werd door Rein Bloem, Jean F. Buyck, Paul de Vree, Hocke en uw dienaar.

HOCKEgroepMuseum.jpg

Paul de Vree, Leo Wuyts, wetenschappelijk bibliothecaris van het MSKA, Gustav René Hocke, Jean F. Buyck, adjunct-conservator MSKA, Henri-Floris Jespers, Luc De Visscher, Jacqueline Ballman; op de eerste rij: Mariëtte de Vree en Werner Spillemaeckers. (Foto: Gerald Dauphin).

 

Hocke werd verkozen als briefwisselend lid van Pink Poets en nam deel aan een colloquium in het kasteel van Steenokkerzeel en aan de KUL. Hij werkte mee aan DeTafelronde en het Nieuw Vlaams Tijdschrift.

In 1979 reisde ik met Albert Szukalski (1945-2000) naar Rome, waar we ons in de schaduw van de witte pyramide van Cestius gingen bezinnen op het Cimitero Accatolico, aan de Fontana di Trevi de werking van het licht lijfelijk ondervonden, op het meer van Nemi (spiegel van Diana) de verbondheid ervoeren van het verste verleden, Luise Rinser in Rocca di Papa en Hocke bezochten op de Monte Giove te Genzano di Roma. (Ook Guy Vandenbranden vergezelde mij bij een bezoek aan Hocke. Was het een jaar vroeger, een jaar later? Ik weet het niet meer.)

HockehfjHorizontaal.jpgHocke en Jespers, Genzano di Roma, 1979 (Foto: Albert Szukalski)

HOCKEtaflHorizontaal.jpg

Hocke, Genzano di Roa, 1979 (Foto: Albert Szukalski)

HOCKEalbert.jpg

Albert Szukalski, Genzano di Roma, 1979 (Foto: Henri-Floris Jespers)

Toen ik als woordvoerder op het kabinet van minister van Begroting en Financiën Hugo Schiltz werkte, vond ik geen tijd meer om Hocke te bezoeken (shame on me!). We bleven wel in briefwisseling.

*

Mede op vraag van mijn vriend Luc Pay (die zich ook naar Genzano begaf om Hocke te bezoeken) volgt hierna een bibliografie van mijn bijdragen over Hocke, mijn onvergetelijke leermeester.

Henri-Foris JESPERS

 

Bibliografie

'Why not go straight to the bar?', in: Knack, 5 oktober 1971, pp. 76-77.

'In memoriam Gustav René Hocke', in: De Nieuwe, nr. 1104, 22 augustus 1985, pp. 18-19.

'Dublinse ontmoetingen', in: Diogenes, 5de jg., nr. 2, 1988; pp. 123-132.

'Gustav René Hocke: de woelige achtergronden van een Europese lotsbestemming', Ib., nr. 4, 1988, pp. 322-332.

'Een fiammingo in Roma, a.d. 1971', in: Kunst & Cultuur, 28ste jg., nr. 3, maart 1995, pp. 29-33.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
2 mars 2014 7 02 /03 /mars /2014 01:19

 

CyranoNTG.jpg

Edmond Rostand [1868-1918] is de man van één toneelstuk, al heeft hij er een handvol geschreven. De eerste drie vielen als een baksteen; het vijfde kwam niet van de grond. Slechts met Cyranois hij de toneelgeschiedenis ingegaan. Na de première op 28 december 1897 is Rostand van de ene op de andere dag een nationale held. Op 1 januari 1898 komt Felix Faure, de president van de Franse republiek, met zijn gezin naar de voorstelling en wordt Rostand benoemd tot Ridder in het Légion d’Honneur. Terecht. Cyranois een blijspel met schitterende oneliners, verende dialogen en een driehoeksverhouding, want de brede basislijn wordt gedragen door het titelpersonage.

 

Geen gezelschap dat het niet om de tien à vijftien jaar op de affiche zet. In een kader gelieerd aan de tijd. En daar past uiteraard een bewerking bij. Het NTGent heeft die klus toevertrouwd aan Bernard Dewulf. Hij heeft van het stuk een gelijkzijdige driehoeksverhouding gemaakt, met als basis Cyrano, en als opstaande zijden zijn nicht Roxane, waarop hij verliefd is, en de jonge schone edelman Christian. Wat er behouden bleef zijn sterk vermagerde dialogen. De vrouw die nat wordt van mooie praatjes en liefdesbrieven, de jongeling verliefd op haar schoonheid en uitstraling maar kromtaal schrijft en over zijn eigen zinnen struikelt als hij oog in oog met haar staat, en haar oom die zijn liefdesbrieven schrijft en hem het lijmproces influistert om haar in zijn bed te krijgen; dat is pas liefde voor de geliefde in overtreffende trap.

 

Deacteurshebben moeite met het skelet dat Dewulf gefabriceerd heeft. Wat is een stuk waard waarvan het vlees is weggehaald? Romeo en Julia heeft zijn succes te danken, niet zozeer aan de liefdeshistorie maar aan de vete die leidt tot de zelfmoord van de tieners. Het is niet toevallig dat Shakespeare het een tragedie noemde. Dood van een handelsreiziger van Arthur Miller verliest zijn ziel door de valsheid van de American Dream, alle stukken van Bertolt Brecht hun kracht zonder de sociale strijd van het interbellum. Cyrano speelt zich af tussen 1640, de eerste vier bedrijven, en het vijfde in 1665. Alle toneelstukken hebben een geheime boodschap. Bij Cyrano is hij de 30-jarige godsdienstoorlog van Frankrijk en Spanje waarin Vlaanderen een belangrijke rol speelt.

 

Zwaaien met een floreten een kostuum uit de late Renaissance, is wat er rest van het historisch kader. Voor Dewulf, in samenspraak met regisseur Julie Van den Berghe, was dat voldoende. Waarschijnlijk onder druk van het beperkte budget. Jammer en triest. Een auteur mag nooit toegeven. Hij moet in gedachten houden dat de zot de waarheid spreekt, waarmee bedoeld wordt dat de toneelauteur de context moet bewaren. Zo niet, dan blijft een grap over die men vergeet eenmaal men uitgelachen is. Julie Van den Berghe heeft getracht er een hedendaags bijspel van te maken. Daar is ze niet in geslaagd. De locatie is een caravan en de handeling een liefdesgeschiedenis tijdens de vakantieperiode in Camping Cosmos. Beide elementen zijn belegd of worden gesteund door een irritante muziekscore en een belachelijk belichtingsplan. Voorbeeld. Cyrano kijkt naar boven en zegt: ‘De nacht valt.’ Waarop de belichting tot de helft wordt teruggebracht. Door de smos ontbreekt het geheel vaart en dimensie.

 

Alle respect voor de spelers, An Miller en Bert Luppes in het bijzonder, helaas worden ze, naast het rammelend rommeltje gehinderd in het kleuren van hun personage door een tergend langzaam tempo. Als je mordicus een komedie wil maken, is een lekkere föhn noodzakelijk. Waaraan het schmieren zijn plaats en vorm ontleent.

 

Cyrano van het NTGentis een volkomen mislukte productie, een voorstelling geen cent waard. Op geen enkel gebied.

Guido LAUWAERT


CYRANO – productie NTGent – regie Julie Van den Berghe – www.ntgent.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
1 mars 2014 6 01 /03 /mars /2014 12:37

Gisteren verscheen de 226ste afevering van de Mededelingen, alweer een lijvig nummer.

CDRmddBLOG226.jpg

Het overlijden van Jan Hoet kwam niet echt onverwacht. De jongste jaren werd hij fysiek zwaar gesteisterd, maar bleef hardnekkig actief. Dat was nu eenmaal de aard van het beest. In de (sociale) media kwam Hoet uitvoerig aan bod. Geen reden dus om nu al meteen hier een zoveelste commentaar te publiceren...

In september verschijnt bij De Bezige Bij De luchtkunstenaar van Jan Haerynck (°1964) die de kunst- en levensopvattingen van Hoet grondig bespreekt... Niet alleen Hoet zelf komt in dit boek aan het woord. Ook aartsvijanden, critici en collega-kunstcuratoren spreken zich uit. En voor het eerst getuigen ook zo’n zestig internationale kunstenaars van hun ervaring met Hoet, van Gerhard Richter en Marina Abramović via Ilya Kabakov en Marlene Dumas tot Joseph Kosuth en Rob Scholte e.v.a.

Bij de eerste uitreiking van De Diamanten Kogel, in 2002 in Studio Herman Teirlinck, was Jan Hoet de gedreven spreker die de iconische boksbeugel van Wim Delvoye bij het publiek introduceerde.

*

Op 9 maart wordt de dichteres Clara Haesaert 90 jaar jong en passend gevierd te Brussel (zie rubriek 'Door de leesbril bekeken'). Als ambtenaar en vooral vanuit een diepe overtuiging heeft ze decennialang onvermoeibaar en vastberaden bijgedragen tot de verspreiding van de bonae litterae. Tientallen jonge (destijds...) schrijvers (en tijdschriften) hebben veel, heel veel aan haar te danken. Ik leerde haar een halve eeuw geleden dank zij Jan de Roek in het Martini Center kennen, waar ze mij voorstelde aan Raymond Brulez.

In de rubriek 'Achteruitkijkspiegel' worden Gaston Burssens, Hugo Claus, Daniël van Hecke en Jean Weisgerber voor het voetlicht gebracht.

Henri-Floris JESPERS

Inhoud

Gedicht

Kris GEERTS, Mijn kleine vaderlandse geschiedenis

Column

Guido LAUWAERT, Geldproblemen

Kritisch

Lukas DE VOS, Johan Polak: knarsende droogstoppels

Guido LAUWAERT, Peter Verhelst : Wij totale vlam

Luc PAY, Marc Pairon, De Kinderspelen: een pleidooi voor kinderlijke onschuld

Cinema Trivia

Bert BEVERS, What's in a Name?

Door de leesbril bekeken

Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode:

Patrick Lateur pleit voor biografie;

Clara Hasaert: 90 jaar jong; Rody Vanrijkel

Achteruitkijkspiegel

Henri-Floris JESPERS, Gaston Burssens en Hugo Claus in gesprek

Rody VANRIJKEL, Jean Weisgerber

Guy VAN HOOF, Daniël van Hecke

Colofon

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
28 février 2014 5 28 /02 /février /2014 10:08

 

BW14_Geschenk_231.jpg

Jo Cornu heeft al zoveel puin geruimd bij Vlaamse bedrijven, dat hij gevraagd is om zijn kunstje te herhalen met de NMBS. Maar eer het zover is, moet er nog een lange weg worden afgelegd. En om die lange weg nog wat langer te laten duren heeft hij gekozen voor de simpelste oplossing: de treinen trager laten rijden dan de koeien kunnen lopen, en er een aantal afschaffen. Beide ingrepen maken dat ze dat volgens het boekje zullen doen. Hij noemt dat ‘Afstemmen op de realiteit’.

 

De realiteit ziet er echter anders uit dan het plan dat vroegtijdig uit zijn brein is gelekt. Die lek was bewust, zoals dat vaak het geval is. Lekken zijn testmiddelen om na te gaan hoe de media zullen reageren. Is het niet naar de wens van de lekgever, een kaderlid dat bij strootjetrek gekozen is, dan kan Cornu nog altijd verklaren dat het plan maar een proeve van een studie was. De woordkeuze en de strategie van ministers en bedrijfsleiders zijn wonderlijk. Je kan er uren om lachen, terwijl je zo droog staat als een uitgezwierde droogkast.

 

De werkelijke reden dat de treinen trager gaan rijden is bij Jo Cornu ingegeven door een diepe liefde voor de kunst, en de literatuur in het bijzonder. Het boekenweekgeschenk van 2014, dat de treinreizigers op 16 maart gratis krijgen, is van de hand van snelschrijver Tommy Wieringa. Het resultaat, Een mooie jonge vrouw, is, gezien de stijl van Wieringa, slechts te begrijpen als men zo traag leest als een kindertrein op de dijk van Blankenberge. En dan nog. Om ten volle te begrijpen wat men eigenlijk beter niet gelezen had, is een tweede lezing – waarvoor de terugreis, die nog trager verloopt dan de heenreis – ideaal geschikt.

 

Het boekenweekgeschenk is een prachtige metafoor voor detoestand van de NMBS en zijn reiziger. Ziehier de samenvatting van de inhoud van het literair cadeau, zoals die ons door de uitgever wordt geserveerd: Een briljant microbioloog ontmoet een mooie jonge vrouw. Ze is een overwinning op de tijd, maar zijn nakende ouderdom en het verval kan hij er niet mee afwenden. Hun huwelijk is een botsing tussen haar idealisme en zijn realisme – waar zij zich verbindt met het lijden van de ander, ontbeert hij volgens haar empathie. Maar als de controle over zijn bestaan hem ontglipt, leert ook hij de betekenis van pijn kennen. In een overrompelend verhaal stelt Tommy Wieringa de vraag of je werkelijk kunt doordringen tot de pijn van een ander als je deze niet eerst zelf hebt gevoeld.

 

Omgezetnaar de toestand van de NMBS krijgen we dit: Een aftands treinstel krijgt een lelijke oude man te vervoeren. Zijn leeftijd valt niet te schatten, maar zijn kwieke mobiliteit en alertheid zijn verrassend intact. Hun reis is een confrontatie tussen de realiteit van de treinreis en zijn wensdromen – waar de reiziger hoopte dat de rit vlekkeloos zou verlopen, ontbreekt het de trein aan energie en comfort. Maar als hij veel te laat zijn bestemming bereikt, ziet hij echter de relativiteit van de tijd in. In een overrompelend verhaal stelt Tommy Wieringa de vraag of je werkelijk moet stilstaan bij de ongeloofwaardigheid van de spoorwegen als je deze niet eerst zelf aan den lijve hebt ondervonden.

 

Een bizar verhaal? Het kan nog gekker en dat wordt het ook. Al in het voorhoofd van Jo Cornu zit een transportplan, dat uw alom geliefde scribent via omleidingen op het spoorwegnet ter ore kwam. Een jaar na de invoering van de trein der stipte traagheid, wat zoals nu al gepland helemaal in het honderd zal lopen, zal Jo Cornu uitpakken met de ultieme oplossing. Een oplossing waar geen spoorwegstaaf tussen te krijgen is. Waar geen protest bij helpt, wegens de genialiteit van het idee. Een spoorboekje wordt overbodig, heel het ingenieus systeem van de aankondiging van de aankomst, het vertrek en, vooral, de vertraging zal overbodig worden. Geen schuldenberg meer maar een winst zo groot als het Atlasgebergte.

 

Simpelweg door, opgelet, houdt u vast aan de takken van het gras,niet meer of minder dan het afschaffen van de treinuren. Als de reiziger weet dat er vier treinen per uur rijden tussen Antwerpen en Brussel en twee tussen Hasselt en De Panne, wat heeft hij dan nog te klagen en te zeveren? Hij mag al blij zijn dat ze niet vertrekken als hij vol is, tot en met het dak, zoals in sommige Afrikaanse en Aziatische landen het geval is.

 

Staatssecretarisvan Mobiliteit Melchior Whatelet droomt al van het premierschap, met Jo Cornu als kabinetschef. Want met iemand zoals hij in de stuurcabine leeft men beter, slaapt men dieper in zijn limousine en kan hij bij files prachtige treinfilms bekijken als De trein der Traagheid, High Noon [Le train sifflera trois fois] en The Great Train Robbery, zowel de Amerikaanse uit 1963 als de Engelse BBC-versie uit 2013.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
27 février 2014 4 27 /02 /février /2014 18:00

 

Cinema Trivia 1

Van Herbert George (H.G.) Wells werden nogal wat boeken verfilmd. De auteur (1866-1946) moet er zelf nog een aantal van hebben gezien. Reeds in 1932 bewerkte Erle C. Kenton Wells The Island of Dr. Moreau tot Island of Lost Souls (met Charles Laughton en Bela Lugosi). Een jaar later kwam The Invisible Man van James Whale (met Claude Rains in de hoofdrol) in de bioscopen. Andere bekende verfilmingen van boeken van Wells zijn natuurlijk The War of the Worlds uit 1953 (van Byron Haskin, met Gene Barry) en The Time Machine uit 1960 (van George Pal, met Rod Taylor).

Een andere Wells-adaptatie, die ik nu voor het eerst zag dankzij YouTube, is Things to Come van William Cameron Menzies. Die werd in 1936 gedraaid in de studio’s van London Films van Alexander Korda. Het is een verbluffende evocatie van de oorlog die nog moest komen. Toen ik het levenslicht zag was die al negen jaar afgelopen, maar als Wells’ verwachting uit was gekomen had ik tot mijn zestiende moeten wachten want in Things to Come is alles in het fictieve Everytown (na oorlog, pest en opstand) pas weer in 1970 normaal.

De decors zijn indrukwekkend. De glazen stad uit het tweede deel van de film, en de lanceerinstallatie voor de eerste raketvlucht naar de maan moeten beslist indruk hebben gemaakt op Edgar Pierre Jacobs, want regelmatig moest ik bij het zien van deze rolprent denken aan sommige albums van Blake & Mortimer. Cameravoering en montage zijn eersteklas!

Cinema-Trivia-2.jpgOnder de acteurs diverse klasbakken als Cedric Hardwicke, Raymond Massey en Ralph Richardson. Hardwicke speelt Theotocopulos, die de verworvenheden van de moderne tijd niet erg ziet zitten: What is this progress? What is the good of all this progress onward and onward? We demand a halt. We demand a rest...an end to progress! Make an end to this progress now! Let this be the last day of the scientific age!maakt hij van zijn hart geen moordkuil. Prima film! Ook H.G. Wells zal destijds beslist zijn ogen uit hebben gekeken. Things to Come is volledig te bekijken op YouTube:

http://www.youtube.com/watch?v=9miSJvuLJ9c

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article
27 février 2014 4 27 /02 /février /2014 12:00

 

De laatste dode is alweer opgebaard

en alles voelt oud en koud en vochtig aan

(ook de poezelige en groezelige vrouwen).

 

Alle levenden zijn hier ziek en verontrusten

het volk dat van ver buiten de vesten komt.

 

Alle doden lopen hier rond als levende spoken

en vele levenden slapen staande aan de staken.

 

Maar dankzij de ingemetselde zusters

uit het monastieke en de goede broeders

uit het maçonnieke verleden

blijft deze Burg, vrij van hekserij, mijn Burcht.

 

Hendrik CARETTE

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
26 février 2014 3 26 /02 /février /2014 18:00

 

pairon_kinderspelen_cover.jpg

"Natura artis magistra" luidt het motto van een bekende dierentuin. Door de eeuwen heen leverden kunstenaars inderdaad vaak "a strife with Nature, to out-doo the life" (1), terwijl sommigen het adagium juist omdraaiden: "It is none the less true that Life imitates art far more than Art imitates life" (2). En daarmee zijn we beland bij de nog steeds actuele discussie rond 'creatio versus mimesis' (3).

 

Dat dispuutis misschien niet zo relevant in de context van De Kinderspelen , Marc Pairons eerste roman, die verscheen op 20 november 2013 ter gelegenheid van de Internationale Dag van de Rechten van het Kind. Hoewel: een liefdesversje van de hoofdfiguur van de roman gaat zo: "Uit mijn woorden / ontpoppen vlinders, / naar levend model" (p. 48); en iets verder luidt het: "De glasheldere waarheid is onnoemelijk veel sterker dan de vlucht voor die werkelijkheid" (51). Al zijn beide romancitaten wellicht niet uitdrukkelijk of niet bewust bedoeld als stellingname in het hoger genoemde debat, toch vormen ze een mogelijke aanwijzing voor het feit dat de ongebreidelde fantasie in het boek refereert aan de werkelijkheid. Het bevat trouwens ook enkele expliciete verwijzingen naar de extra-literaire context: het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, brasserie Den Artist, en uiteraard het schilderij van Bruegel (dat voluit voor- en achterkaft siert en een hoofdrol speelt in het boek). Iets meer verdoken zijn knipoogjes als "It takes a whole village to raise a child" (p. 61), wat (ondanks de licht gewijzigde vorm) verwijst naar een boek van Hillary Clinton die zelf deze titel ontleende aan een aantal zegswijzen (opnieuw in licht gewijzigde vorm) uit de Afrikaanse cultuur; of de naam van een kruidenier in de stad (Antwerpen dus), ene "Achim Abdu Mohammad Ibn Khaldun" (p. 84), die mij ondubbelzinnig (maar toch lichtjes ironisch?) lijkt te verwijzen naar de naam van de 14de-eeuwse Arabische filosoof en wetenschapper. Daarnaast zijn er nog enkele autobiografische toespelingen, waarover later meer.

 

Hoe ook, Pairon transformeert de hoger genoemde tegenpolen – 'creatio'/'ars' versus 'mimesis'/'natura' – tot een nieuwe stelling: "Amor naturae magister". DeKinderspelen is inderdaad een ode aan de liefde – een totale en onvoorwaardelijke "mildheid" die wijsheid genereert (p. 129) – tussen man (vader Paboel) en vrouw (moeder Droezel) en tussen ouders en kinderen, waarbij de intensiteit van hun onderlinge liefde de natuur vitaliseert en stimuleert, terwijl 'natuur-lijkheid' op haar beurt het fundament vormt van een mateloze, onverwoestbare liefde die zelfs de grenzen van de dood overstijgt en overwint.

 

Paboel en Droezelzonderen zich af van de maatschappelijke werkelijkheid in een 'locus amoenus', een 'lieflijk oord' waar ze leven volgens de cycliciteit van de natuur en een danig overvloedig kroost groot brengen. In die wel erg bijzondere enclave is het alleen "Moeder Natuur die de scepter zwaait" (p. 9). Zelfs de tijd staat er stil: "Vadertje Tijd is niet meer van deze tijd, want de Natuur is nu de Moeder van de Tijd" (p. 129), en:"Hun eventueel tijdsbesef betrof hooguit voldongen wetten van de natuur" (p. 7 en 77). Er wordt overigens ook alleen seizoensvoedsel gegeten (p. 132) – want "voor wie haar wetten naleeft, is moeder natuur inschikkelijk" (p. 172) – en de vigerende economische (monetaire) geplogenheden worden resoluut vervangen door ruilhandel om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Immers: "in elke waardebepaling zit een persoonlijk element" (153).

 

De symbiose tussen de personages en de natuur krijgt ronduit sprookjesachtige allures. Niet alleen de tijd wordt in dit aardse paradijsje stopgezet, maar er doen zich nog andere verschijnselen voor. De kruinen van de majestueuze kastanjebomen buigen zich elk jaar tijdens één bepaalde nacht nederig tot bijna tegen de grond "om het oogsten te vergemakkelijken zodat ook de kleinste kinderen de opbrengsten van hartstocht moeiteloos kunnen verzamelen" (p. 30 en133); in het familiale utopia heerst een uitzonderlijk microklimaat en de aarde getuigt er van een ongeziene vruchtbaarheid ("kruiwagengrote courgettes" of "metershoge selderie"), terwijl ook de kippen als "echte struise vogels" gigantische scharreleieren leggen (p. 189). Afrikaanse lelies overwoekeren het dak zodat het leek alsof "de hemel erop was neergestreken" (p. 54). Op het landgoed, dat "treffende gelijkenissen [vertoont] met het Weense familiedomein van de Bruegels" (p. 68), bloeien orchideeën waarvan Paboel zelfs muiltjes maakt voor zijn Droezel. Ruzie maken is er onbekend (p. 54) en dagelijks huilen de bewoners hagelstenen van blijdschap (p. 150). Ook de moedervlekken bij de kinderen blijken over magische krachten te beschikken (p. 162-163).

Na hun overlijden worden Paboel en Droezel herenigd in een gemeenschappelijke kist, waar ze opnieuw geheugenspelletjes spelen en zelfs een schattig-ondeugende conversatie houden: "Nu kunnen we vrijen zonder vlees en zoenen zonder lippen" (p. 221).

 

Pairon lijkt hier dus, net zoals b.v. in sprookjes, de wetten te volgen van de 'pathetic fallacy', of moet ik veeleer spreken van een 'objective correlative'? Inderdaad, ook wanneer Paboel en Droezel oud worden en hun domein moeten verlaten om in "de koele havenstad" (p. 46) – de jachtige, lawaaierige en onpersoonlijke "diamantstad" (p. 79) – hun intrek te nemen, dalen plotseling de temperatuur en de luchtvochtigheid (p. 56) en brandt het huis af doordat het vuur van hun hartstocht onbewaakt achterbleef (p. 56). Het hele paradijs is zelfs gewoon onzichtbaar geworden, want Paboel "had uiteindelijk toch het pittoreske landschap en de laatste kleurrijke regenboog met zich meegenomen" (p. 120). In zijn (tragische en gruwelijke) jeugd woont Paboel dan weer in de "Treurwilgenlaan", waar bovendien giftige rododendrons groeien, geen zonlicht doordringt en geen windje te bespeuren valt (p. 60-61).

 

Rarevogels zijn het, die hoofdfiguren, zeker de "wereldvreemde stamvader" (p. 8) Paboel, die in zijn jeugd misbruikt is door zijn stiefvader en daar een diep trauma aan heeft overgehouden en nachtmerries vol dreigende zwarte weduwen. Een reproductie van Bruegels Kinderspelen betekende destijds echter zijn redding: "Gelukkigerwijs ... kreeg hij als prille tiener een foto onder ogen uit het familiealbum van de Bruegels. [...] dat kroostrijke gezin was overduidelijk vervuld van liefde, kinderen die vragen, worden daar nooit overgeslagen! Die Bruegeltjes mochten altijd spelen" (p. 23). "Mijnheer Bruegel" wordt dan ook de meest geschikte plaatsvervanger "voor al wie een tweede jeugd verdient, zoals elk kind van de rekening" (126).Die tweede jeugd vindt hij samen met (en dank zij) zijn geliefde in de splendid isolation van hun domein, waar ze samen zo'n twintigtal nakomelingen, de "Spelende Kinderen" (p. 7) verwekken: "Hij hoopte dat een kroostrijke omgeving de bittere smart over zijn onterende jeugdjaren gaandeweg zou verzachten" (p. 19). Immers: "Kinderliefde is de echo van het beminnen" (p. 12). Of: "Wie op zoek is naar de zin van het bestaan, moet er kindergeluk voor over hebben" (p. 15), en vooral: "Wie uitgelaten kon spelen in het volle licht, is gesterkt om de smart van het duister te trotseren" (p. 17).

 

De incest-tragedie motiveert meteen ook de ruilhandel: Paboels moeder, die weigerde de gruwel onder ogen te zien, is getrouwd voor het geld, "bloedgeld, de afkoopsom voor misdadig gedrag" (p. 98). Ook later weigert Paboel furieus de toelage die zijn kinderen bijeen gespaard hebben met het oog op de oude dag van hun ouders: "Op het hoofd van kinderliefde staat geen prijs", fulmineert Paboel, en: "De eerste betekenis van fortuin is geluk" (p. 108). De "genadeloze" kloktijd, de kalender, wordt eveneens terwille van de kinderen buitenspel gezet "doordat ze geen enkele emotionele gebeurtenis aan hun aandacht laten voorbijgaan, want [...] emotionele verwaarlozing [is] nooit meer in te halen" (128).

 

In dat beschermende isolement houdt Paboel er een heel eigenzinnig en compromisloos wereldbeeld op na. Hij ontkent b.v. dat de aarde rond is en schrijft brieven naar zijn idool en voorbeeld "Mijnheer Pieter Bruegel" op het adres "Kunsthistorisch Museum, Wenen, Oostenrijk". Echte schilderijen beschouwt hij, in tegenstelling tot zijn reproductie van Kinderspelen, als waardeloze "geverniste fotowerken" (p. 81) en van Bruegels doek zelf levert hij merkwaardige interpretaties (p. 126). In het levensonderhoud van zijn gezin voorziet hij uitsluitend via de reeds vermelde ruilhandel, en wel met zijn "Crème d'Amour", een afrodisiacum gemaakt van kastanjepuree. En wie zijn filosofie of bepaalde opvattingen in twijfel trekt, krijgt als antwoord: "Op geen enkele stafkaart is de gulden middenweg terug te vinden (p. 109). Zijn gul rondgestrooide wijsheden leveren hem het epitheton 'de Jonge' op, in contrast met dat van zijn gekoesterde schilder. Hij negeert de toenemende dementie van zijn Droezel compleet, en schrijft andermaal een brief aan Bruegel om te vernemen hoe het tij te keren (p. 39 en 42). Als Droezel uiteindelijk toch overlijdt, bewaart hij nog een jaar lang haar gebalsemde lijk tot ook hij bezwijkt aan de totale dementie en de angstdromen uit zijn jeugd hem opnieuw beginnen te teisteren.

 

Paboels tweede, levenslange (en zelfs nog langer...) steunpilaar is Droezel, speelse geliefde, trouwe levensgezellin en genereus barende moeder van "spelende kinderen". Het is precies haar "invloed [die] ook langzamerhand de woede over de ingrijpende lotgevallen van zijn jeugd [verzachtte] (p. 24). Zij wordt omschreven als de "Moeder van de Goede Raad" (p. 25) en als Paboels "geestelijke gids" (p. 88) want: "Een liefdeloze jeugd is een gevaarlijk labyrint, voor wie op eigen kracht de uitweg niet meer vindt" (p. 23). Ze steunt hem vanuit en met de overtuiging: "Een litteken mag slechts een knoop zijn in de zakdoek van blijdschap" (p. 62). Paboel wordt dan ook al snel omschreven als "hij die met de Mond van Vrouw Spreekt " (p. 25). Droezel leert hem dat "gemoed en hartstocht het sprookje zichtbaar [maken] (p. 173), dat "de waardevolste ingrediënten van het leven niets kosten (p. 173) en dat alleen "goedheid en tevredenheid welvaart en voedsel" (p. 191) kunnen betekenen.

 

Pairons DeKinderspelen is in eerste instantie een lofzang op het kind, of liever: een pleidooi voor de bescherming van het kind, voor hun recht op geborgenheid en uitgelaten spelen. Paboel stelt dan ook (heel) terecht: "Je kunt pas van een succesvol leven spreken wanneer je kinderen volmaakt gelukkig zijn" (p. 13). In de veilige wereld van het domein krijgen de kinderen privé-onderricht en mogen ze naar hartelust ravotten, want "wie uitgelaten kon spelen in het volle licht, is gesterkt om de smart van het duister te trotseren" (p. 17). Zoals een nevenfiguur het zelf stelt, is dit een verhaal over de "eeuwigheidswaarde van kinderliefde" (p. 224).

Opmerkelijk is het feit dat het kinderparadijs ingericht wordt in een voormalig bejaardentehuis, en dat zowel Paboel als Droezel naar het einde toe, als gevolg van hun dementie, nog meer kinderlijke trekken beginnen te vertonen dan ze tevoren al hadden. Cirkels worden nu eenmaal altijd onherroepelijk gesloten.

 

Ik vermeldde reeds even de aanwezigheid van opvallende autobiografische elementen. Er is sprake van een "heidereservaat" (p. 46), in de buurt waarvan de auteur inderdaad een aantal jeugdjaren doorbracht; Paboel vertelt aan één van zijn dochters dat hij zijn middelbare studies niet heeft kunnen afmaken (p. 108), wat je in elke biografische schets van Pairon kunt terugvinden; de roman bevat fragmenten uit vroegere publicaties van de auteur, b.v. het gedichtje voor Paboels overleden zuigeling Dolores (p. 51), dat ook voorkomt in Minnedichter zkt muze (2012, p. 49), waarin trouwens ook reeds de "vlinders naar levend model" en een "zwarte weduwe" opduiken (p. 11 en 32); het "Dag- en Nachtboek" van de stamvader (p. 51) wordt, onder dezelfde titel, vermeld als dat van de auteur zelf in Top 50 intiemste liefdesverzen (2009, op de ongenummerde pagina 62).

portretfoto-pairon.jpg

Pairon werd ooit de meest gelezen, de best verkopende dichter in Vlaanderen genoemd (ik las ergens het duizelingwekkende getal van 60.000 exemplaren) en hij ontpopte zich warempel zelfs tot stand-upcomedian. Hij schrikt er ook niet voor terug om in een secundaire school tijdens de drukke gekte van een 'Gedichtendag' een klas in te stappen, er gedichten voor te lezen en met de jonge snaken over poëzie te debatteren. Ja, Pairon schrijft erg toegankelijke poëzie boordevol geestige knipoogjes en schalkse oneliners. 'Light verse' zou je het kunnen noemen, maar wie daar een denigrerende connotatie aan wil verbinden doet er goed aan – b.v.! – de dubbelbundel Litanie(met Nic van Bruggen, 2009) aandachtig te lezen. Of de hier besproken roman.

 

DeKinderspelen is een poëtisch en tegelijk erg guitig boek, soms navrant, vaak vertederend, over de hele lijn ontroerend. Als allegorie van het authentieke geluk bevat het boek heel wat thema's: liefde, ouderschap, kinderliefde, familiale geborgenheid, dementie, de waarde van (kinderlijke) naïviteit en onschuld, de rijkdom van de natuur en van eenvoud, jeugd en ouderdom, aanvaarding van verdriet en verlies – naast overduidelijke kritiek op sociaal isolement en egocentrisme, materialisme, het jachtige (stads-) leven en, blijkbaar toch het fundament en uitgangspunt van het hele boek: kritiek op dat onbegrijpelijke en weerzinwekkende fenomeen incest of kindermisbruik. Die thematische lagen vloeien echter allemaal zo organisch in elkaar over in een meeslepende, consequente en feilloze stijl dat het lastig wordt om ze in een analyse allemaal wat overzichtelijk uit elkaar te halen.

 

Een parabel, een exempel, een (cultuur-) sprookje, een utopie? Ja. Dus een boek met een boodschap? Natuurlijk, maar dan wars van prekerigheid, (h)eerlijk gedreven en gedragen door een betoverende, sprookjesachtige fantasie, hilarische gedachtekronkels, verrassende woordspelingen en grappige aforismen – waarop de auteur een onvervalst patent blijkt te hebben.

 

Conclusie: een over de hele lijn hartstochtelijk hoopgevende en hartverwarmend overtuigende roman.

 

Luc PAY

 

 

Marc Pairon, De Kinderspelen, Stichting Charles Catteau, 2013. 233 p., 14,50 €.

 

(1) Ben Jonson, 'To the reader' in Shakespeares First folio (1623), over het portret van de bard door graveur Martin Droeshout.

(2) Oscar Wilde, in The decay of lying.

(3) Zie, bijvoorbeeld, het uitstekende en erg heldere dossier rond dit thema in Nieuw Vlaams Tijdschrift , 28/8, oktober 1975, p. 693 - 751 (diverse auteurs).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche