Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
11 juillet 2014 5 11 /07 /juillet /2014 12:40

 

Ron-Scherpenisse-en-het-Jongenszakboek--foto-Veronic-Scherp.jpg

Foto: Veronic Scherpenisse-Booij Liewers

En plots bevind ik mij op een onbewoond eiland. Onbewoond klinkt voor een stadsmens niet bepaald uitnodigend. Parelwitte stranden, azuurblauwe zee, wuivende palmen, ik moet er niet aan denken. Om de eenzaamheid draaglijker te maken zou ik minimaal twee kinetische strandsculpturen van Theo Jansen meenemen. Verder Het jongenszakboek (deel 1 en 2) van F.H.N. Bloemink, in 1947 uitgegeven door A.W. Sijthoff Uitgeversmaatschappij N.V..

1001-dingen-Ron-Scherpenisse.jpg

De ondertitel van deze twee deeltjes is 1001 onderwerpen waarin jongens belang stellen, als daarin niet iets over een onbewoond eiland staat. Als blijkt dat er tussen de 1001 onderwerpen geen bruikbare informatie te vinden is om de eenzaamheid van een onbewoond eiland te verdragen neem ik ter herlezing ook graag de drie delen van De man zonder eigenschappen van Robert Musil mee. Films laat ik liever thuis. Niet dat er geen goede films zijn hoor, maar het lukt me hoogst zelden een hele film uit te zitten. Met wat muziek van het Deense Efterklang op de achtergrond en hoop op een snelle terugkeer naar het bewoonde, moet het rottige strandzand in mijn schoenen snel vergeten zijn.

 

Ron Scherpenisse, Bergen op Zoom

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
10 juillet 2014 4 10 /07 /juillet /2014 21:37

 

guido-lauwaert2.jpg

                                                                                                   voor Jasmijn Rose


Een late lentemiddag in juni met een woestijnlucht die de stad uitdroogt. De rokjes worden korter en de bloesjes doorzichtiger. Op de terrasjes en binnen in de koffie- en theehuizen zitten jongeheren met speurende ogen en een vuurtoren in hun pastelkleurige linnen broeken.
De organisator zegt tegen de schrijver:
‘Schrijf mij een column. Voor de festivalkrant.’
‘Dan zal je een ander hoofd op je schouders moeten zetten,’ zegt de schrijver.
‘Welk hoofd wil je?’
‘Een hoofd dat ik niet ken. En jij kent er geen en je kan er geen verzinnen. Ik heb mensen snel door. Daaraan heb ik mijn leven te danken.’
‘Lul niet zo en schrijf die column. Ik ken je stijl en die bevalt me.’
‘O, die bevalt je! Dank je wel maar ik trap niet in de val. Ik wil niet eens twintig bladzijden voor je schrijven zonder iets te zeggen.’
‘Je hebt alle vrijheid, zolang het thema gerespecteerd wordt,’ vervolgt de organisator alsof hij de schrijver niet gehoord heeft.
‘Veeg met je thema je kont af, man. Ik schrijf niet op bevel.’
Pauze. Stilte. Ingekeerde blikken.
Tussen hen in staan andere wetten. Hij denkt: zal ik zeggen dat ik goed 60 jaar gekozen heb voor wat ik wil doen, dat ik dat gedaan heb zoals mij het beste leek en dat ik daar een grote voldoening in heb gevonden. Als ik dat niet meer doe dan is die hele periode niks meer waard, zero, en zal de rest van mijn leven een geestelijke marteling zijn, een stille, traag oprukkende demon die ik in tegenstelling tot de andere niet zal kunnen verdringen om te…
‘Wat drink je?’ vraagt de organisator. ‘’t Zelfde?’
Zijn hoofd knikt naar de lege kop, die kort geleden door een bevallige jongedame voor de schrijver is neergezet. Ze zitten in Café Labath. De jazzdeuntjes volgen elkaar op, niet te luid, zodat de bezoekers niet hoeven te schreeuwen om een rustig gesprek te voeren. Onder het praten heeft Louis Armstrong het van Lena Horne en haar versie van Stormy Weather overgenomen.
De schrijver staart naar de organisator. ‘Je hoeft mij niet te trakteren.’
‘Waarom niet?’ vraagt deze.
Hij denkt aan wat hij zo kort geleden had gedacht, maar ach, wat had die man eraan. Hij denkt alleen in thema’s en in motieven van muzikanten, imitators die imitaties kopiëren en wil die wereldwijd verspreiden.
‘Eén: Schrijven op bevel is dwangarbeid. Twee: We hebben afgesproken om vijf uur en om half zes moet ik je bellen. Je zegt dat je in een vergadering zit, maar aan je stem te horen lag je te slapen. “Over vijf minuten ben ik er,” zeg je, en drie minuten later kom je binnen. Je bent on-be-trouw-baar! Nee, geen traktatie. Voor geen goud.’

Je hebt er niets bij te verliezen, enkel te winnen, zegt de organisator. Zo’n column is publiciteit, en die kan je goed gebruiken. Geen mens hecht belang aan iemand die geen publiciteit voor zichzelf maakt. Laat maar aan mij over om van je column een fanfare te maken.
De schrijver kijkt weg van de organisator. Een fanfare. Naar buiten. Zoals een kano schuift over een kalme rivier bij het breken van het licht. Auto’s, fietsers en bussen snijden elkaar de pas af, alsof ze zo snel mogelijk de broeierige stad willen ontvluchten. Een man wandelt voorbij die niet de bewoners maar de toeristen schrik aanjaagt. Zijn blik glijdt weer binnen en houdt halt bij de toog. Hij ziet de bevallige jongedame. De eerste blik met een korte sluitingstijdvertelt ons alles. Op- en top een vrouw in elk opzicht. Hij wil haar nog niet kwijt. Doet hij dat wel dat zal het een zelfontslag zijn van een kijkgenot als het verlangen van wat men begeert zonder het te willen bezitten. Als ik me wat milder opstel, zal het genot van de bevallige jongedame bezig te zien langer duren en zal ik wel iets vinden, verder in het gesprek, om mijn schijnbare zachtheid in wrede hardheid om te zetten. Een makkie. Een spelletje wat ik wel duizend maal duizend heb gedaan.
‘Goed dan! Van mijn steen een hart gemaakt. Een cappuccino! Wat is het thema? Maar denk eraan dat ik niet behoor tot die stinkende troep honden van columnisten die op hun achterste poten gaan staan voor een half klontje suiker en een rondje dansen en luchtsprongen maken op de maat van de arm van hun baasjes. Totale vrijheid; begrepen?’
De organisator stoot een lach uit die de eindtune van Armstrongs Blueberry Hill de nek omwringt. Hij draait zich naar de bar en roept, terwijl Ella Fitzgerald Isn’t This A Lovely Day inzet: ‘Eén cappuccino en één groene thee!’
‘Je bent onbetrouwbaar en je hebt geen manieren,’ sist de schrijver. ‘Een bestelling schreeuw je niet over de hoofden en boven die prachtige muziek uit.’
‘Het thema van de volgende editie…’
‘Ik weet wel dat het voor de volgende editie is,’ kapt de schrijver de organisator in het gezicht. ‘Het thema… of ik bestel een derde cappuccino op jouw kosten.’
‘… is Verandering. In al zijn variaties. Dus niks klontje suiker en dansje naar mijn broekspijpen.’
De schrijver veegt zijn aardappelneus af.
‘Mooi gevonden,’ zegt hij. ‘Je schuift er alle last mee van je af. Voelt de pers en het publiek weinig verschil met de vorige edities, kun je de schuld bij de artiesten leggen. Je bent onbetrouwbaar, hebt geen manieren en speelt voor Pilatus. Heb jij een geweten?’
‘Ik denk het niet,’ zegt de organisator, ‘want ik ben niet van plan je te betalen. Een paar drankbonnen, meer zit er niet in.’
‘Ben je zo krenterig dat er geen honderd euro voor een schrijver afkan?’
‘Ik ben niet krenterig.’
‘Wat ben je dan wel? Een profiteur.’
De drukte buiten neemt toe. Het terras zit stampvol. Er wordt gelachen en geflirt. Meisjes hebben hun rokje wat hoger opgeschoven, jongens de pijpen van hun shirts tot boven hun schouder opgerold. Oudere dames wuiven zichzelf koelte toe met een weekblad. Mannen op leeftijd zijn er niet.
‘Het budget is beperkt.’ De zin van de organisator valt koudweg op tafel.
De nieuwe bestelling wordt door de bevallige jongedame op de tafel gezet. Ze kijkt beiden aan met een kokette glimlach. Eerst de organisator, dan de schrijver. Ze maakt een lichte reverence, vraagt of ze nog iets willen. Wat een zachte stem. Fluweel. De schrijver kijkt haar aan zonder zijn kaaksbeenderen te bewegen. De organisator pakt zijn op kop op, neemt een slok. Hij slurpt. De bevallige jongedane draait zich om en verdwijnt. Haar wijde plooirok wappert als het loof bij een briesje. Hij ziet vaak bevallige jongedames, maar deze is bevalliger dan de andere. Ze dringt ook geen herinnering aan een andere op. Ik begeer haar zonder dat ik avances zal maken, want wachten is een amusante ondraaglijkheid. Haar bezitten zou een vernedering voor haar zijn. In mijn hoofd is zij een lijdensweg waarop geen troost te vinden is. Maar ach, wat is troost? Een middenstandsbegrip. Ze zal me nooit meer ontsnappen. Voortaan heeft zij de heerschappij bezitten over al mijn gedachten, meningen over vrouwen in de hemel, op de aarde en in de hel.
Een regel uit een operette dringt zich op: Puppchen, du bist mein Augenstern.
De schrijver grijpt naar zijn hoofd, stoot een kakafonie van klanken uit, schuift van de stoel en valt met een harde klap op de grond.
De organisator schiet toe, tilt het hoofd van de schrijver op. ‘Doe niet flauw. Schrijf eerst die column en dan mag je desnoods dood vallen.’
‘Jezus, ik ben al bezig,’ fluistert de schrijver. ‘Zie je dat niet, idioot. Een schrijver zoekt naar de juiste invalshoek. En ik voel, ik voel… [hij doet er nog een schepje bovenop] dat de invalshoek een mond-aan-mond-ademhaling is van de bevallige jongedame. Zit haar adem in mijn lijf kan je elke verandering krijgen die je maar wilt.’
De organisator wenkt de bevallige jongedame. ‘Juffrouw, het voortbestaan van Gent Jazz hangt er niet van af, maar het scheelt niet veel.’
De bevallige jongedame aarzelt geen seconde. Terwijl Nat King Cole zingt I’m In The Mood For Love schopt ze de schrijver voor rot, tot hij van de pijn recht kruipt.
‘Zo, dat is weer geregeld,’ zegt de organisator. ‘Aan je gekreun te horen is de column al dente.’
De schrijver schudt het hoofd. ‘Snel. Bel de hulpdienst.’
De hulpdienst wordt gebeld. Vijf minuten later arriveert een ambulance. Terwijl de verpleegkundigen hem oplappen zingen ze Dry Bones, bijgestaan door de aanwezigen die met vorken, messen en lepeltjes op kopjes, flessen en glazen tikken, kreten uitslaan en op de tafels dansen. De bevallige jongedame laat de koffiemachine sissen na elke strofe en blaast op een fluitje.
Een gekkenhuis, denkt de schrijver, een gekkenhuis. Ondertussen heeft de interventiedokter een spuit gevuld. Hij toont hem aan de schrijver, wijst op de inhoud en terwijl hij de transparante smurrie in een ader spuit zingt hij Rum And Coca Cola.
De schrijver glijdt weg en ontwaakt in een ziekenhuisbed. Van zijn enkels tot zijn nek zit hij onder het gips. Hij ziet de organisator met de bevallige jongedame op zijn schoot. Samen neuriën ze neus aan neus Into Each Life Some Rain Must Fall.
‘Ik heb haar voor je meegebracht,’ zegt de organisator na hun liedstonde.
‘Wat heb ik aan haar,’ piept de schrijver. ‘Ze schopte me en zit op jouw schoot.’
‘Ze heeft pen en papier mee. Van beroep is zij een puntenslijpster. Je hoeft maar te dicteren. Rechtdoor. Zij weet wel waar en welke lettertekens er bij horen. Maar maak geen misbruik van haar vrije tijd als je bij je volgende bezoek aan Café Labath geen haar in de soep wil of in de cappuccino een klodder spuug.’
De organisator verdwijnt al fluitend Take The A’Train.
‘Je verdient de kogel!’ schreeuwt de schrijver hem na. ‘En ik doe het niet. Geen letter zet ik voor jou op papier, al kom je af met het argument als “de kunst als sociale grondwet”.’
‘Ik luister,’ zegt de bevallige jongedame, terwijl ze met een rode schrijfstift achter een oor een blanke rol behangpapier ontrolt. ‘Denk aan een ezelsbruggetje en de redding is binnen handbereik. Iets ongewoons, zodat niemand het begrijpt. Dan vindt iedereen het een meesterwerk.’
De schrijver staart met wijd opengesperde ogen naar het plafond waaruit het woord Verandering regent, in alle soorten lettertypes, kleuren en talen.
De waterwoorden vullen de kamer. De bevallige jongedame opent het raam.
Dolenthousiast banen de schuimende waterwoorden zich naar buiten.
Ze vermenigvuldigen zich en overspoelen de aarde. Al duikend in het water verandert de bevallige jongedame in een zeemeermin. Het bed van de schrijver wordt een bootje en hijzelf een zeemeerman; de schrijfstift een mast en de rol behangpapier een zeil. De kamer verdwijnt. Hij drijft over een jazzy zee. In de verte klinkt de stem van de organisator. Hij zingt We’ll Meet Again. Scherend over de Noordzee, landinwaarts.

Guido LAUWAERT

GENT JAZZ FESTIVAL – www.gentjazz.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
10 juillet 2014 4 10 /07 /juillet /2014 02:17

 

CaretteHFJGroof.jpg

Van l. naar r.: Piet de Groof, Henri-Floris Jespers en Hendrik Carette,  Vlaams Huis, Brussel, 2000

Piet de Groof, alias Walter Korun, overleed te Jette op 4 juli. Hij was 83. Na een briljante studie aan de Koninklijke Militaire School, bracht hij het tot generaal-majoor vlieger. Tegelijkertijd was hij in de jaren vijftig redactielid van het radicale literaire tijdschrift Taptoe  – en, met de schilder Maurice Wyckaert, een van de eerste leden in België van de IS (Internationale Situationniste).

Kunstkenner Piet de Groof, (net als Clara Haesaert) getuige van de korte maar actieve nasleep van de Cobrabeweging in Brussel, bleef tot op hoge leeftijd een actieve rol spelen in het Brusselse cultuurleven. De Parijse uitgeverij Allia publiceerde in 2008 een in alle opzichten onthullende monografie van Gérard Berréby over “le général situationniste”, waar ik actief aan meewerkte. Zie de getuigenis van zijn dochter Tamara: http://mededelingen.over-blog.com/article-18254508.html.

Er is maar één middel om lang te leven: oud worden, helaas. En vermits ik al altijd oudere vrienden had, en mij al lang teruggetrokken heb in mijn abdij, wordt het nu wel wat eenzaam – maar daarom nog niet rustig...

Piet de Groof bezorgde mij onschatbare onuitgegeven documenten over de legercarrière van Hugues C. Pernath, over de tijdschriften Taptoe  en Gard Sivik, en leende mij grootmoedig en geheel op eigen initiatief zijn generaalsuniform uit om aanwezig te zijn op het eerder carnavaleske afscheidsfeest in café Pallieter toen Didier (vriend van Kurt Van Eeghem die als koning en opperbevelhebber verscheen) onder de wapens geroepen werd. (Luc Boudens stelde zich bij die gelegenheid bescheiden tevreden met de graad van adjudant.)

Walter Korun / Piet de Groof kwam herhaaldelijk aan bod in het tijdschrift Mededelingen van het CDR en op de gelijknamige blog. http://mededelingen.over-blog.com/article-18915806.html

En uiteraard ook bij diverse gelegenheden op mijn Franstalige blog:

http://caira.over-blog.com/article-18624814.html

http://caira.over-blog.com/article-16953765.html

http://caira.over-blog.com/article-19541361.html

http://caira.over-blog.com/article-16026072.html

*

Piet de Groof zocht niet eens erkenning, laat staan herkenning. Daar was hij te aristocratisch voor. Ik koester de herinnering aan een humorvolle, beminnelijke en erudiete, verre vriend en bied zijn nabestaanden mijn oprechte deelneming in het verlies dat hen treft.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
9 juillet 2014 3 09 /07 /juillet /2014 06:32

 

F.J.Verdoodt.JPG

Zoals Streuvels vanuit zijn Lijsternest heeft deze academicus vanuit zijn ruime en met boeken volgestouwde werkkamer uitzicht op de contouren van de molen van Oordegem, een beeld waaraan hij niet kan weerstaan. In december vallen steevast zijn eindejaarwensen in de bus, steevast in versvorm, steevast gedrukt op mooi, handgeschept papier.

Onze kansen zijn nu verkeken, de moor is niet meer wit te wassen/ Tenzij alweer die overdosis goede wil, dat helpt vaak maar niet altijd/ Draai nu elke pessimist meteen de nek om en lees een heel goed boek'.

Het zijn voortreffelijke gelegenheidsverzen met wat mespuntjes ironie gekruid. Wat gebruik ik graag dat woord “voortreffelijk”, het aretheiavan de oude Grieken. Noem het wat mij betreft ‘voornaamheid’, vandaag bijna une ariette oubliée van Claude Debussy, de getoondichte poëzie van Verlaine. Noem het wat mij betreft ook ‘burgerlijk’ of ‘bourgeois’: iemand netjes aanspreken, iemand keurig de hand schudden, geen sms-gekakel, geen ‘Hoi’s, Hi’s en Greetz’ en ander losgeslagen Vlangels. Kortom, het staat voor de haast vergane beelden van etiquette uit de zwart-wit film van mijn jeugd. Altijd draaft dit aretheia door mijn hoofd als ik aan Frans-Jos Verdoodt (°Moorsel 1939) denk en aan Lieve, zijn charmante echtgenote-met-toepasselijke-voornaam.

Naar aanleiding van deze bijdrage vroeg ik hem naar zijn drijfveren, zijn voorkeuren, zijn lievelingen en het waarom van zijn belangstelling voor literatuur en poëzie in het bijzonder.

Laat ik eerst en vooral stellen dat dit (ten dele) aansluit bij mijn taal-passie: ik heb sinds de geboorte van mijn eerste zoon in mijn privéleven – en uiteraard in mijn beroepsleven – uitsluitend Algemeen Nederlands gesproken. Daar hoorde natuurlijk ook mijn specifieke opleiding talen en literatuur bij. Wat de geschreven taal betreft, doet het schrijven van taal- en spelfouten mij meer pijn dan een klap met een lineaal op mijn kreupele (en dus reeks jicht-pijnlijke) vingers. Dat betekent natuurlijk dat ik meteen erg veeleisend ben voor mijn medewerkers (en was voor mijn studenten).

Daarnaast is literatuur, als onderdeel van de kunst, steeds mijn middel geweest om mijn heel zwaar professioneel leven in evenwicht te houden.

Zo’n tweede leven is voor mij inderdaad steeds noodzakelijk geweest: ik zou nooit slecht met één ding kunnen/willen bezig zijn, noch professioneel noch qua bijkomende belangstelling. Uitsluitend directeur zijn, uitsluitend kunstenaar zijn, uitsluitend met wetenschappelijk onderzoek bezig zijn ? Neen, dank u, onmogelijk.

Via de lesopdracht die ik jarenlang uitvoerde in het kunstonderwijs, heb ik tevens enorm veel relaties opgebouwd in die milieus, evenwijdig met de wetenschappelijke milieus waarin ik reeds decennia vertoef. Is dat evident ? Ik weet het niet echt. Als men langs de ene zijde van de weg staat, heeft men toch vaak het gevoel dat men zich maar beter aan de overzijde kan bevinden. En omgekeerd.

O ja, ik schreef natuurlijk (uiteraard verdwenen) jeugdgedichten en ik ben daar nog lang mee doorgegaan en ik heb effectief bundels poëzie gepubliceerd (zelfs Nederlands-Italiaans) naast recensies, korte verhalen enz. enz.

Dat is een voorbij verhaal, ik schrijf nog alleen gelegenheidspoëzie. Ik zou overigens niet naar buiten kunnen/willen treden met het vele dat ik nog in de lades bewaar. Bewaren voor wat en voor wie? Uiteindelijk besef ik dat dit slechts derderangs is.

Ik ben een alleslezer en verteer soms drie-vier werken tegelijk, wetenschappelijk, literair enz. Jarenlang waren de kanjers uit de Noord-Amerikaanse en Zuid-Amerikaanse literatuur mijn keuze, naast Italiaanse en Spaanse natuurlijk. (Zo zouden Rode Duivelgekken misschien wel eens ‘Brazilië, Brazilië’ van Ribeiro moeten lezen …) Maar de “markt” is letterlijk en figuurlijk open gegaan: kijk maar eens hoeveel goeds wij op onze leesplank vinden vanuit Oost- en Centraal Europa, Armenië, Turkije enz. Als men bijvoorbeeld’ Onverzadigbaarheid’ van de Pool Witkiewics heeft gelezen, dan weet men het natuurlijk wel.

Als jurylid van een aantal literaire prijzen, heb ik tussen 1970 en vandaag systematisch de productie in de Vlaamse letteren gevolgd. En om eerlijk te zijn, geweldig onder de indruk ben ik daarvan nooit geweest. Met uitzondering van de poëzie, waar wij sinds jaren in een zekere weelde vertoeven. Maar ik mag niet generaliseren, er verschenen/verschijnen soms wel erg goede dingen in de romankunst, maar niemand steekt er echt bovenuit. Overigens vond ik ook Claus over het paard getild als romancier.

Dit betekent niet dat al het “vroegere” prima was en het eigentijdse minderwaardig. Met Boon zal ik wel mijn hele leven bezig blijven (ik heb er ook reeds talloze lezingen over gehouden).

*

In de poëziewereld zette ik mijn eerste danspasjes tijdens het kunstproject “Belle op aarde” in het mooie Schellebelle. We schrijven 2005 toen er enkele van mijn gedichten werden geselecteerd voor een wandelroute langs de Schelde en in de Kalkse Meersen. Trots hing ik er te blinken naast illustere namen zoals Patricia De Maertelaere en Ramsey Nasr. In de nasleep van dit helaas ter ziele gegane project-meoie naam in 2007, kwam ik in contact met Frans-Jos Verdoodt. Ik werd bij hem thuis uitgenodigd voor een denktank rond een nieuw poëzie initiatief. De vergaderingen werden culinair stevig omkaderd met de nodige pompoensoep en kaasschotels waarmee Lieve vanuit de keuken uitrukte. En zo belandde ik uiteindelijk aan de jurytafel van de Melopeepoëzieprijs met Frans-Jos Verdoodt als voorzitter.

In 2009 werd deze prijs in Laarne voor de eerste maal uitgereikt aan Charles Ducal (1) en in november volgt dit jaar de zesde editie.

Jury-Melopee.JPGDe jury van de Melopeepoëzieprijs. Van l naar r: Herman Elegast, Frank De Vos, Dorethea Van Hooyweghen, Trees Veeckmans, Roel Richellieu Van Londerzele, Erwin Steyaert, Jan De Meester en Frans-Jos Verdoodt.

 

De Melopeepoëzieprijs onder het gedreven voorzitterschap van Frans-Jos Verdoodt is uniek in zijn soort en onderscheidt zich van de anderen doordat er niet met inzendingen wordt gewerkt. Deze put namelijk uit de poëzie die werd gepubliceerd in onze literaire tijdschriften. Zodoende worden jaarlijks honderden en honderden gedichten onder het vergrootglas bekeken. Er zijn verschillende selectierondes waarbij elk jurylid eenentwintig gedichten selecteert en aan elk gedicht zijn punten geeft. Puur rekenkundig wordt er gewerkt en dus zonder deliberatie. Dit om elke beïnvloeding te voorkomen en om haar onafhankelijkheid te verzekeren. De laureaat ontvangt 2500 € en de eenentwintig genomineerde gedichten verschijnen in een verzorgde bloemlezing. Traag maar gestaag wordt door de jury aan de bekendheid van deze prijs gewerkt.

Verschillende bijdragen waaronder deze over het ‘Historisch pardon’ van Frans-Jos Verdoodt kunnen in de encyclopedie van Mededelingen worden geraadpleegd.(2)

Frank DE VOS

  1. http://mededelingen.over-blog.com/article-36620829.html

  2. http://mededelingen.over-blog.com/article-het-historisch-pardon-van-prof-dr-frans-jos-verdoodt-109388659.html

Zie ook: http://mededelingen.over-blog.com/article-voorzitterswissel-in-het-advn-124083470.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
7 juillet 2014 1 07 /07 /juillet /2014 19:59

 

Een-hinkelbaan-in-de-wolken.jpg

Omwille van hun roodwit geblokte wapenschild heb ik altijd de impuls om voor Kroaten te supporteren. Dat komt omdat ik uit Noord-Brabant kom, en de roodwit geblokte vlag van deze provincie immer wonderschoon heb gevonden. Ik werd dan ook onmiddellijk vrolijk toen ik het boekje Brabants vlag – Historiek en gedichten  uit de enveloppe haalde, want tegen een blauwe achtergrond wapperde hij daar trots.

Het gaat hier om een uitgave van de Stichting Hoeders van de Brabant Bokaal en het Prins Bernhard Cultuurfonds, samengesteld door Pien Storm van Leeuwen. Paul Spapens en Jac. Biemans, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Brabantse Hoeders, lichten de geschiedenis van het Brabantse dundoek toe. De hoofdmoot van de bundel bestaat echter uit zeventien speciaal voor deze gelegenheid geschreven gedichten van evenveel dichters. In alfabetische volgorde zijn dat Rick Baggermans, Catharina Boer, Frans August Brocatus, Olaf Douwes Dekker, Christina Guirlande, Albert Hagenaars, Bauke van Halem, Kees Hermis, Marijke van Hooff, Peter Korsman, Pieter Luykx, Kees van Meel, Jasper Mikkers, Ronella Moser, Pien Storms van Leeuwen, Jace van de Ven en Willem van de Vrande.

Hier en daar scheren sommige dichters griezelig langs de rand van het chauvinisme. Neem mijn tweekleur wappert trouw, door wind gedreven, / verbeeldt de mooiste zin ooit neergeschreven: / “en nergens ligt een glimlach zo gereed / als waar de wereld land van Brabant heet”. van Pieter Luykx (° Ginneken, 1935). Of: En gedenk, geschapen op de zesde dag / gaan wij ooit over in water, aarde, lucht en vuur, / de vier levensbronnen van ons gewest / waar deze vlag altoos zal blijven wapperen.van Albert Hagenaars (° Bergen op Zoom, 1955). Alsof de elementen buiten de grenzen van de provincie niet zouden bestaan. Gelukkig is de rest van zijn bijdrage erg sterk. Een fragment: Over de schaamte na de nederlaag, / de grafelijke banier beslijkt in het mistig woud / dat respijt bood voor vernedering, verlies / aan meer dan domein, ontvallen eer.

Marijke van Hooff (° Haarlem, 1944) omschrijft het vaandel mooi als Een hinkelbaan in de wolken. Ook de bijdrage van Christina Guirlande (° Moerzeke, 1938) mag er zijn: En luister maar: de wind / herinnert zich nog feilloos alle / woorden van het oude lied. Treffend vind ik voorts het gedicht van Catharina Boer (° De Bilt, 1939), waaruit: Ons dundoek lijkt op Brabants Bont, / geblokt als moeders trouwe schort en / keukendoek die nog gekoesterd wordt / als eens haar zult, haar kersenstruif of soep.

Een charmante uitgave, wat mij betreft.

Bert BEVERS

 

Brabants vlag – Historiek en gedichten, samenstelling Pien Storms van Leeuwen, Uitgeverij Ceedata, Chaam, 2014, ISBN 978 90 71947 44 5

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
6 juillet 2014 7 06 /07 /juillet /2014 20:00

 

2jongeVlamingen

Op 18 juni werd in Vooruit te Gent het boek Twee jonge Vlamingen in Den Grooten Oorlog van Herman Balthazar en Nico Van Campenhout voorgesteld. Ruim 300 mensen waren aanwezig. Een zeer succesvolle avond, naar verluidt ook voor Paul Luyten van boekhandel Walry en stichter van Confituur, de belangenclub van de onafhankelijke boekhandels. De twee auteurs werden aan een literair verhoor over het boek en hun verhouding tot de twee jonge Vlamingen onderworpen door Marc Reynebeau, wat hem wel ligt, in tegenstelling tot het schrijven van columns voor De Standaard. Ze zijn van oppervlakkig niveau en etaleren meer ijdelheid dan kennis over de behandelende onderwerpen.

Alvorens de twee auteurs naast Marc Reynebeau plaatsnamen, hield Stefan Hertmans een inleiding. Dat was pas klasse. In zoverre dat wij haar hebben opgevraagd. Door allerlei redenen heeft het even geduurd, maar uiteindelijk belandde ze in mijn mailbox met de mededeling dat zowel hijzelf, als de twee auteurs geen bezwaar hadden tegen publicatie. Prachtig. Met de publicatie wordt die niet alleen openbaar, maar ook in de geschiedenis van de literatuur opgenomen. Genoeg gepraat. Ziehier de inleiding.

Guido LAUWAERT

*

Dames en Heren,

Ik heb twee decennia in het Patershol gewoond, in het huis waar de bekende Gentse historicus Adriaan Verhulst opgroeide. Verhulst schreef later zijn memoires, onder de weinig aan de verbeelding overlatende titel: Zoon van een foute Vlaming. In dat huis vergaderden namelijk, tijdens de tweede Wereldoorlog, op het gelijkvloers, enkele nazi-officieren met zijn vader bij de haard, waar een buste van Hitler prijkte. Op de eerste etage verbleef geregeld een jongedame die stiekem voor het verzet werkte en schreef.

De fysieke, haast intieme nabijheid van deze twee voor ons zo onverzoenlijke politieke strekkingen heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken. Het tekent ook een realiteit waar we ons in retrospectief al te vaak aan onttrekken: hoe verwarrend dicht bij elkaar de tegengestelde stromingen van collaboratie en sociaal bewustzijn soms kwamen in de dagelijkse realiteit.

In het belangwekkende boek dat hier vanavond wordt voorgesteld, kan men lezen waar de wortels lagen van deze verwarrende werkelijkheid. In de dagboeken van de jonge Gust Balthazar, zowel als in die van de jonge Leo Picard, kan men lezen hoe het Vlaams activisme, zelfs bij progressief georiënteerde jongelui, van bij zijn aanvang gevoelig was voor de sirenenzang van het zogenaamde Pan-Germanisme: de droom dat Vlaanderen met Duitsland, Nederland en zelfs de Scandinavische landen in een soort grote Germaanse landenbond zou worden opgenomen.

Terwijl eenvoudige infanteristen zoals mijn grootvader op gevaar van leven en dood strijden achter de IJzer tegen de moordende machine die de Duitsers op het haast weerloze België hebben losgelaten, terwijl het geheugen van de Vlaamse literatuur nota bene reeds in de eerste oorlogsdagen werd platgebrand met de misdaad op de Leuvense universiteitsbibliotheek, schrijft Leo Picard doodgemoedereerd dat Vlaanderen nu eindelijk bevrijd wordt door het Germaanse broedervolk. Het zijn haast schokkende dingen om te lezen, wanneer men niet in gedachten houdt dat hier jonge, nog onervaren jongens spreken die naïefweg droomden van een Vlaanderen dat eindelijk verlost zou zijn van de Franstalige vernederingen en onderdrukking in de Belgische context. Een situatie die zij moeiteloos konden duiden in het kader van een sociale strijd om meer rechten voor de werkende Vlaming. Flamingantisme, bij velen zelfs tot en met sympathie voor de funeste Flamenpolitik  van de Duitsers – die doelbewust de Vlaamse actoren tegen elkaar opzette, bijvoorbeeld in de periode van de Von Bissing-universiteit – kon moeiteloos hand in hand gaan met vurig sociaal engagement. Waar voor ons de scheidslijn tussen links en rechts in de decennia na de Tweede Wereldoorlog duidelijk liep langs lijnen van progressief internationaal socialisme versus een conservatief nationalistisch discours, was die situatie volstrekt anders voor de Vlaams activisten, de Antwerpse dichter Paul Van Ostaijen bijvoorbeeld inbegrepen. Het betekent dat we omzichtig moeten omspringen met waardeoordelen en moeten proberen te begrijpen dat zelfs onze huidige politieke situatie – denken we aan de manifesten van de Gravensteengroep hier in Gent - hier en daar nog sporen vertoont van een denken dat dwars door de geijkte clichés heen probeert te lopen – met wisselend succes, overigens.

Op die manier voelt ook de briljante jongsocialist Gust Balthazar zich al snel geklemd tussen twee polen: enerzijds een duidelijk flamingantische inspiratie, die hem ertoe drijft tijdens zijn krijgsgevangenschap de spil te worden van de Vlaamse Beweging in het kamp, omdat ook hij lijdt onder de vernederingen van de hogere Franstalige militaire leiding in België. Anderzijds beseft Balthazar al snel dat een te radicale Vlaamse Beweging zich schuldig maakt aan destructieve collaboratie met de vijand.

De evolutie in zijn denken is zelfs in het krijgsgevangenkamp reeds zeer duidelijk. Bij een bezoek van Borms en een aantal Vlaams-activisten zegt hij: “Ik ben passief en mijn overtuiging is oprecht. Ik heb eerbied voor alle mensen die niet denken zoals ik. Gij handelt uit liefde tot het land en het volk, ik ook. Hoe zouden we dus aan elkaar geen eerbied verschuldigd zijn! Het is voor mij geen reden u te veroordelen, omdat mijn regering u veroordeelt. Ik begrijp uw strijd, maar sta niet in uw rangen’. Een vorm van hoffelijkheid die we heden te dage node moeten missen op de sociale media.

Op die manier geprangd tussen twee polen, ontwikkelt Balthazar, net als Leo Picard later, een geheel eigen visie waarin Vlaams bewustzijn binnen een pragmatische ideologische context moet worden benaderd om het te laten sporen met strijden voor sociale rechtvaardigheid.

De combinatie van deze beide grootheden is tot op de dag van vandaag een heikele aangelegenheid gebleven. Aan hun Vlaams bewustzijn zijn ze trouw aan een vorm van nationalisme verschuldigd, aan hun sociaal bewustzijn trouw aan het internationalisme van de arbeidersbeweging. Hoe moet men internationale solidariteit – proletariërs aller landen, verenigt u! – koppelen aan een op louter Vlaamse rechten gebaseerde nationalistische politiek? Welke solidariteit krijgt de voorrang wanneer puntje bij paaltje komt? De kreet van Jean Jaurès, dat men geen Franse arbeiders tegen Duitse arbeiders moet laten vechten omdat het eerst en vooral om een klassenstrijd moet gaan, vindt in de links-flamingantische boegbeelden een van haar meest pijnlijke, want verscheurende varianten. Van sociaal bewogen figuren als August Balthazar weet men hoezeer solidariteit met de werkende klasse zijn hele politieke loopbaan zou gaan beheersen, zelfs in en door de strijd om de Gentse coöperatieven en het failliet van de Bank van de Arbeid, maar in de dagboeken leest men nog geen bekommernis voor, om maar iets te zeggen, de lotgenoten in de Waalse steenkoolbekkens, nochtans broeders in de socialistische strijd. De afkeer van de Franstalige bourgeoisie in Vlaanderen verhinderde vooralsnog een bekommernis voor bijvoorbeeld het anderstalige proletariaat dat in dezelfde staatstructuur om zijn rechten vocht. Later, in het kader van de BWP en de Belgische politiek, wordt Balthazar uiteraard wel de grote pragmatische politicus die zich van dergelijke anomalieën bewust is, en schrijft Picard op zeer genuanceerde wijze over sociale strijd en Vlaams bewustzijn. Toch eindigen beiden hun leven zoals ze het begonnen zijn: tussen twee stoelen in, en vandaar ook opzij geschoven door andere actualiteiten.

Deze schizofrenie aan de flamingante progressieve zijde, ontstaan tijdens de periode van het activisme, tekent tot op vandaag de debatten over de betekenis van engagement en emancipatie in Vlaamse en internationale context – denken we maar aan het recente, enigszins pijnlijke debat tussen Abou Jahjah en Peter de Roover in DeStandaard van vorige week.

De dagboeken van de beide jongelingen Balthazar en Picard, neergeschreven in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog, getuigen van intense pogingen om deze problematiek door te denken in een context die hun niet altijd de kans gaf zich grondig te informeren.

Zo kan men zich verbazen over het haast volledig ontbreken van reflecties over de internationale context die tot de brutalisering van de Belgische integriteit van het grondgebied had geleid. Ergens vermeldt Picard dat de Entente ons in de armen van Euraziatische barbarij heeft gedreven (hij bedoelt het bondgenootschap tussen Rusland, Engeland en Frankrijk), en mijmert Balthazar dat we ons door en door bewust moeten zijn van “ons niets-zijn in gans de tegenwoordige wereldgebeurtenis”, of verzucht hij dat we het juk van de decadente Franse cultuur moeten afgooien, maar de Servische kwestie, het afbrokkelen van het Midden-Europees machtsevenwicht van de Habsburgse dynastie, de problematische Duitse machtsconcentratie, en juist de nationalistische absurditeiten die tot de patstelling tussen de Triple Entente en de Triple Alliantie hebben geleid - het blijft onuitgesproken voor deze bevlogen jonge Vlaamsnationalisten.

Net omwille van de historische beperking die hun visies noodgedwongen nog moest domineren voor zij de grote, betekenisvolle figuren werden die zij in zich hadden, zijn de hier gepresenteerde en gewetensvol gedocumenteerde dagboeken van aangrijpende waarde. De historische nuancering werkt hierdoor ook als een vorm van rehabilitatie. Ik feliciteer graag Herman Balthazar en Nico Van Campenhout met deze acribische en betekenisvolle uitgave, die volgens mij haar plaats verdient in de rij publicaties die ons historisch bewustzijn kunnen verfijnen en verder documenteren. Het is dit historisch bewustzijn dat we nodig hebben, om elkaar vandaag de dag ook beter, serener en genuanceerder te leren debatteren.

Stefan HERTMANS

Zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-twee-jonge-vlamingen-in-de-grooten-oorlog-123882770.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
6 juillet 2014 7 06 /07 /juillet /2014 05:38

 

Kopie-van-Rochtus_Verdoodt.jpg

Onder professoren: Dirk Rochtus en Frans-Jos Verdoodt

Op 6 augustus aanstaande beëindigt prof. dr. Frans-Jos Verdoodt (°1939) zijn functie als voorzitter van het ADVN. Hij wordt opgevolgd door prof. dr. Dirk Rochtus (°1961) (KULeuven, campus Antwerpen). Verdoodt was een van de oprichters van het ADVN en gedurende dertig jaar afgevaardigd bestuurder en later ook voorzitter van het centrum. Het ADVN werd opgericht in 1984 als één van de privaatrechtelijke archiefcentra in Vlaanderen. Sindsdien groeide het uit tot het centrum voor erfgoed en onderzoek over het Vlaams-nationalisme en de Vlaamse beweging in hun brede en internationale context. Daartoe behoren o.a. de andere nationale bewegingen in Europa, de theorievorming omtrent nationalisme en thema’s zoals natie en identiteit. Het ADVN publiceert daarover driemaandelijks in de ADVN-Mededelingen  en in Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is een landelijk cultureel-archiefcentrum dat werd opgericht in 1984. Vanuit een open maatschappelijke geest en gesteund op een wetenschappelijke methodologie verzamelt, bewaart en beheert het ADVN het erfgoed omtrent de Vlaamse beweging en het stelt dat erfgoed open voor alle geïnteresseerden.

Het verzamel- en studieterrein plaatst het erfgoed in zijn brede historische en thematische context, waartoe de nationale bewegingen als maatschappelijk-filosofisch verschijnsel behoren.

Het heeft daarbij ook aandacht voor de thema’s die ermee verbonden of ervan afgeleid zijn zoals culturele identiteit, natievorming en migratieprocessen.

Over die onderwerpen verzamelt, bewaart, beheert en ontsluit het ADVN historische en actuele bronnen zoals brieven, verslagen van vergaderingen, notities, scripten, foto’s, affiches, films, vlaggen, museale voorwerpen, geluidsopnamen, boeken, brochures, kranten, tijdschriften, knipsels en pamfletten.

In de leeszaal van het ADVN worden de bronnen ter beschikking gesteld voor onderzoek.

Het ADVN voert ook zelf wetenschappelijk onderzoek uit en maakt de resultaten daarvan bekend langs colloquia, tentoonstellingen, lezingen, publicaties en andere publieksgerichte realisaties. Een belangrijke rol bij de stimulering van het onderzoek spelen de tijdschriften ADVN-Mededelingen  en Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is medebeheerder van Archiefbank Vlaanderen en de ODIS-databank over intermediaire structuren in Vlaanderen. In het NISE-netwerk coördineert het ADVN een internationaal netwerk van erfgoed- en onderzoekscentra voor de vergelijkende studie van de nationale bewegingen in Europa.

*

Frans-Jos Verdoodt heeft het ADVN opgericht in maart 1984 als een wetenschappelijk project. In tegenstelling tot de katholieke, liberale en socialistische bewegingen, beschikte het Vlaams-nationalisme – en bij uitbreiding de Vlaamse beweging – over geen specifiek archief- en onderzoekscentrum met wetenschappelijke aspiraties.

Verdoodt heeft die leemte niet alleen opgevuld, hij verruimde ook systematisch de focus van zijn instelling: van het Vlaams-nationalisme naar de breedst mogelijke Vlaamse beweging, van de Vlaamse beweging naar de nationale bewegingen over geheel Europa, van een Vlaams onthaalcentrum voor archief en documentatie naar een wetenschappelijk onderzoekscentrum met een internationale dimensie, van een neutrale onthaalinstelling voor archieven naar een uitvalsbasis voor culturele publiekswerking en een forum voor nieuwe historiografische publicaties. Ook de afgeleide aspecten van de Vlaamse beweging kwamen ruim aan bod, bijvoorbeeld de theorievorming rondom natie en identiteit, de repercussie van emigratie- en immigratiebewegingen op de natievorming en de geschiedenis van de Vlaamse migranten in de wereld.

Parallel met zijn ADVN-opdracht, bouwde Verdoodt in Vlaanderen en Nederland een academische loopbaan uit, als docent en publicist. Dat tweevoudig engagement van archiefdirecteur en docent stelde hem onder meer in staat om – naast het ADVN – het tijdschrift Wetenschappelijke tijdingen voor de geschiedenis van de Vlaamse beweging  te redigeren en om te vormen van een strijdend medium tot een puur wetenschappelijke publicatie. Daarnaast bleef Verdoodt een loopbaan lang actief in de literaire sector, als dichter, als essayist en als voorzitter van een aantal literaire prijzen.

Verdoodt was ook de historicus die in 2000 op de IJzerbedevaart in Diksmuide het Historisch pardon  uitsprak over de collaboratie van een groot deel van de Vlaamse beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In datzelfde kader bouwde hij de Voorwaartsgroep  uit, een brede groep van progressieve, vooral linkse intellectuelen die pleitten voor een genuanceerde visie op de problematiek van collaboratie, verzet en repressie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Verdoodt is vandaag eveneens actief in de Gravensteengroep, een burgerinitiatief van progressieve kunstenaars, journalisten, filosofen en historici die kritisch reflecteren op de politiek in Vlaanderen.

*

Dirk Rochtus doceert internationale politiek, Europese politiek en Duitse geschiedenis aan de KULeuven (o.a. masteropleiding journalistiek). Hij is ook senior fellow van het Zentrum für Europäische Integrationsforschung (ZEI) van de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn.

Hij publiceerde over Turkije, over Duitsland en over de theorie van het nationalisme en het federalisme. Over al die materies houdt hij regelmatig voordrachten en gastcolleges in binnen- en buitenland en publiceert hij opiniestukken in De Standaard, De Morgen, en op www.deredactie.be  en www.knack.be. Van zijn hand verschenen ook de boeken Turbulent Turkije  (2011) en Dominant Duitsland  (2013).

Rochtus is lid van de adviesraad van de Emiel Verhaeren Stichting, lid van de Expertencommissie Overheidscommunicatie in het Vlaams Parlement en bestuurder van het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (VLEVA). Als gewezen extern adviseur van de Raad van Europa lichtte hij, tijdens verschillende in Rusland georganiseerde conferenties over federalisme, Russische ambtenaren in over de werking van het Vlaams Buitenlands Beleid. Hij ontving, net als wijlen Jan Hoet, het Bundesverdienstkreuz, de hoogste civiele onderscheiding van de Bondsrepubliek Duitsland.

Net als Verdoodt, kan Rochtus een ruime bibliografie voorleggen omtrent zijn diverse specialismen en belangstellingsthema’s.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
5 juillet 2014 6 05 /07 /juillet /2014 05:20

 

Vóór 1975 was die vraag niet aan de orde. Het was de Franse auteur/acteur Numa Sadoul (°1947) die de kat de bel aanbond, toen hij in zijn Entretiens avec Hergé. Tintin et moi (uitg. Casterman) wees op de affiniteiten tussen het werk van Hergé en dat van Benjamin Rabier.

Benjamin-Rabier.jpg

Benjamin wie? Jawel, Benjamin Rabier (1864 -1939). In zijn tijd een beroemdheid die om en bij 250 geïllustreerde albums publiceerde. Vandaag de dag kent geen kat hem nog, tenzij een legertje verzamelaars die voor een origineel album van Rabier tot 450 euro en méér betalen.

Maar wie was Rabier eigenlijk? Een geboren tekenaar, die hoewel hij reeds op 15-jarige leeftijd de Prix du dessin de la Ville de Paris won, boekhouden koos als zijn vak. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan, en na een ontmoeting met de satirische tekenaar Emmanuel Poiré, beter gekend als Caran d'Ache (1858-1909), begon hij als illustrator voor diverse kranten te tekenen.

Zijn eerste tekeningen verschenen in tijdschriften als La Chronique Amusante en Le Gil Blas Illustré. Na enige tijd werd Rabier een vaste medewerker van het satirische blad Le Rire, maar zijn echte doorbraak kwam als medewerker aan het humoristische weekblad Le Pêle Mêle  in september 1895. Hij tekende ook voor de tijdschriften L'Assiette au Beurre  en Le Chat Noir.

animaux-s-amusent.jpg

Rabier is een van de voorlopers van het maken van dierenstrips. Titels van zijn boeken – in feite geen echte BD's maar teksten met illustraties – zijn o.a.: Les Animaux s'amusent, Les Contes du Pelican Rouge  en Les Contes de la Souris Bleue. Hij tekende ook de personages voor Le Roman de Renart  en illustreerde de verhalen van Jean de La Fontaine. Maar zijn beroemdste dierenpersonage is Gédéon, een eend waarvan hij in 16 albums de avonturen vertelde tot het einde van zijn leven.

vache-qui-rit.jpg

Aan Rabier hebben we ook het grappige koetje te danken dat Léon Bel in 1921 als logo gebruikte voor de doosjes smeerkaas van 'La vache qui rit'.

Toen Numa Sadoul in zijn gesprekken met Hergé wees op de verwantschap tussen de dieren die verschenen in diens Tintin au pays des Sovjets en die in de albums van Rabier, zei de vader van Kuifje: "C’est vrai. Dans ma jeunesse, j’ai beaucoup admiré Benjamin Rabier. Et j’avais un tel souvenir de ses dessins que j’ai dû y penser, en effet, en dessinant mes animaux. Ça se remarque, indéniablement ! Mais c’est la seule fois, je crois, où je lui ai fait des emprunts."

Hergé geeft dus toe dat hij beïnvloed werd door Rabier. Maar alleen voor wat zijn tekeningen van dieren betreft. Toen hij 12/13 jaar was had iemand hem eens een reeks gekleurde postkaarten gegeven, die de fabel van Le corbeau et le renard  illustreerden en, zegt hij, "J'ai été immédiatement conquis. Car ces dessins étaient très simples. Très simples, frais, robustes, joyeux, et d’une lisibilité parfaite. En quelques traits bien charpentés tout était dit : le décor était indiqué, les acteurs en place; la comédie pouvait commencer."

Maar… er is méér. Er is namelijk ook ene Tintin-Lutin, "un petit diable prénommé Martin, mais surnommé Tintin par sa mère". Dat ventje verscheen voor de eerste keer in 1898, in een album dat Tintin-Lutin getiteld was. Wanneer Sadoul Hergé confronteert met een tekening van Rabier waar het jongetje tussen zijn ouders staat, voor de schoorsteen van het salon van het gezinnetje, blijft Hergé bij hoog en bij laag volhouden dat hij van het bestaan van de voorloper van zijn Tintin niets afwist tot in 1970, toen een lezer hem op de hoogte bracht. En toch, de gelijkenis is opvallend: de kuif, de vorm van het gezicht, de golfbroek, het is er allemaal. Zelfs ligt er een wit hondje aan Lutins voeten, maar het is geen ruwharige fox-terrier zoals Bobbie.

Of Tintin/Kuifje al dan niet schatplichtig was aan Rabier, daarover heerst er geen eensgezindheid bij de Hergé-biografen en 'tintinologen'. Numa Sadoul zelf zette onder het hogergenoemde prentje van Tintin-Lutin 'Un précurseur de Tintin?'. Mét een vraagteken, jawel, maar de vraag beantwoorden doet hij niet. Hergé heeft immers op de bladzijde ervoor gepreciseerd dat de invloed van Rabier zich beperkte tot de tekeningen van de dieren. Het was vooral Rabiers 'klare lijn' die hem getroffen had, zoals hij zelf zegt in zijn voorwoord bij een heruitgave van de door Rabier geïllustreerde Fables de La Fontaine: "C’est ainsi que Benjamin Rabier est devenu, à mes yeux, un maître. Et c’est à coup sûr de cette rencontre que date mon goût pour le dessin clair et simple, un dessin qui soit compris instantanément. C’est avant toute chose cette lisibilité que je n’ai cessé de rechercher moi-même."

Ook andere Hergé-biografen (Pierre Assouline, Philippe Goddin, Albert Algoud…) gunnen Kuifjes vader het voordeel van de twijfel. Benoît Peeters schaatst er nog het gemakkelijkst omheen: Hergé "heeft geen tijd om erover na te denken," schrijft hij. "De nieuwe serie is al aangekondigd. Hij kiest de eerste de beste naam die hem invalt: Tintin, zonder te bedenken dat Benjamin Rabier die naam al heeft gebruikt." En Christophe Gervais, journalist van de krant La Nouvelle République, drukt zich als volgt uit: "Rabier a inspiré Hergé, qui, en 1929, à l'occasion de la sortie de son premier album, a redonné vie à ce personnage qui a marqué son enfance. »

Is het alweer uit eerbied voor een Heilige Koe dat de critici zo op de vlakte blijven? Of is het gewoon omdat Hergé Tintin-Lutin inderdaad niet kende vóór 1970? Overigens, zelfs al had Hergé ooit/ergens een glimp opgevangen van het guitige mannetje van Rabier, dan nog blijft 'zijn' Tintin een heel ander baasje dan zijn Franse broertje. Ja, laten we Kuifje maar de "Rolls Royce de la bande dessinée" noemen, zoals Nick Rodwell, de echtgenoot van Hergé's weduwe Fanny Vlamynck, stelt.

Frans DEPEUTER

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans STRIPS - BD
commenter cet article
4 juillet 2014 5 04 /07 /juillet /2014 19:58

 

Musical1418.jpg

Tijdens redactievergaderingen van de CDR-Mededelingen ontstond er al eens discussies over musicals. De niet liefhebber komt altijd met hetzelfde argument, dat ze het zo belachelijk vinden dat er ineens uit het niets gezongen wordt. Jammer. Musical is een kunstvorm op zich en je houdt ervan of niet.

Buiten het louter muzikaal niveau, hangt een musical sterk af hoe het gezongen gespeeld en geregisseerd wordt. Daar valt of staat het ding ook mee. In principe geldt dit trouwens ook voor een theaterstuk.Ik kreeg nogal wat tegenwind omdat een “spektakel” zomaar gekoppeld werd met de ellendige Eerste Wereldoorlog.

Nu is deze productie werkelijk het meest hoogstaande spektakel van zo een omvang en met zo een integriteit dat ik ooit gezien heb. Het verhaal kan je vinden in alle media maar is er niettemin eentje die pakt.

Van de eerste seconde af word je erbij betrokken, de visuele ontwerpen zijn zo sterk dat ze je haar doen rechtop komen.

Je beleeft de oorlog, je beleeft de vriendschap van de personages maar vooral je beleeft de dood.

Ik heb nooit een zaal in Vlaanderen gezien waar ze zo stil zijn gepakt, morsgeslagen. Geen applaus tot het laatste ogenblik.

Ten eerste is het decor en het licht van een fenomenale aanpak, met uiterst schaarse middelen wordt in de enorme ruimte van de Nekkerhallen een gevoel gecreëerd van hoe het moet geweest zijn in de Grote Oorlog. Veel films heb ik gezien, zelf 3D, doch geen zelfde effect op mij als bij deze voorstelling waar je precies in het oorlogsveld zelf lijkt te zitten.

Ten tweede de staging van choreograaf Martin Michel geeft je de indruk dat massa's mensen op de vlucht slaan, zich in de loopgraven bevinden, dood op het slagveld liggen, dit slechts met een bescheiden crew van een veertigtal mensen.

Het meest indrukwekkende moment van de voorstelling is wanneer een grafkruis in de grond gestampt wordt. Op dat ogenblik zie je alleen maar kruisbeelden 500 meter diep, met een dode ernaast.

In één beeld wordt de oorlog gevat!

Ten derde heb je het scenario van Allard Blom en Frank Van Laecken en daaraan gekoppeld de regie van Frank Van Laecken en vooral het filharmonisch aspect van de muziek van Dirk Brossé.

Een ijzersterk verhaal die alle elementen van een musical bevat, maar het is geen “feel-good story”. Het is niet van 'alles komt wel in orde'. Neen integendeel!

Het loopt slecht af, zoals het voor miljoenen slecht afliep.

En nu na meer dan een week blijf ik nog steeds met een beklijvend gevoel achter.

Zeg me nu nog eens dat musical een minderwaardige cultuurvorm is...

Een absolute aanrader.

PS: neem wel plaatsen dichtbij, ik vermoed dat wanneer je achteraan zit, je je minder betrokken voelt bij de in alle opzichten voortreffelijke voorstelling.

Jan SCHEIRS

http://www.1418.nu/

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Musique
commenter cet article
4 juillet 2014 5 04 /07 /juillet /2014 06:00

 

Woestijnvis.jpg

Dat Woestijnvis in nauwe schoentjes zit heeft het aan zichzelf te danken. Wie met een dikke nek rondloopt krijgt het vroeg of laat benauwd. En die knellende schoenen hebben een tweede oorzaak: verder willen springen dan zijn neus lang is. Elke neus heeft een rekbaarheid, maar elke rekker heeft net als elke vis zijn houdbaarheidsdatum, met wat goede wil, en de kijker van goede wil zal het niet bestrijden, zijn houdbaarheid en rekbaarheid communicerende vaten. En zelfs de grootste woestijn heeft zijn grenzen.

Mooie woordspelingen, maar zijn daar facts and feelings op te plakken? Tuurlijk, anders zou ik er mijn tijd niet insteken. Woestijnvis is begonnen als een kind dat van huis is weggelopen, genaamd VRT. Het kind werd groter door zich te focussen op zijn interessegebied. Helaas groeide dat interessegebied uit zijn kleren en werd de baas verplicht was extra kleerkasten aan te schaffen. Tot hij eigen huizen ging bouwen, want die kasten kwamen in de gang te staan. Op een gegeven moment moesten de bewoners over de kasten klimmen om de eigen kruk te vinden.

Om die nieuwbouw te bekostigen zocht de baas naar extra kapitaal, want wat er op de eigen bankrekening stond, was maar net voldoende om de basiskosten van inwoners, producties, infrastructuur en onderhoudskosten te betalen. De baas stond daardoor enkel nog open voor ideeën van verwanten van het eerste uur, maar had geen tijd meer voor vriendschap, en aandacht voor herbronning en vernieuwing. Het resultaat was dat de verwanten Jansen en Janssen werden die, zoals in Kuifje en het Zwarte Goud rondjes draaiden in de woestijn. Bovendien werden de programma’s vervelend omdat ze eindeloos in herhaling vielen. De kleur veranderde maar niet de geur. Derde minpunt was het blijven vissen in dezelfde vijver. Er werd wel vis aan de haak geslagen, maar die werd opnieuw het water ingegooid om even later weer opgevist te worden. De koper, zijnde de kijker, wil ook eens wat anders op het bord, maar de pater familias bleef Oost-Indisch doof. Verwanten van het eerste uur zagen de bui hangen, maar de baas had lak aan hun waarschuwingen. Hij vond ze een belediging voor zijn talent. Met als gevolg dat er heel wat deuren uit hun hengels vlogen, en toen er geen binnendeuren meer waren de voordeur, wat de vlucht van de malcontenten bevorderde. En nog zag de baas niet in eigen boezem, maar bleef in het rond speuren naar nieuw kapitaal en afzetmarkt. Ze werden gevonden in de vorm van een concern met virtueel geld en kanalen op de buis. Het bleek echter een woestijnhaai te zijn. Het voerde een beleid van gissen en gokken en was enkel uit op cijfers en letters. Nog meer kameraden verdwenen, met in hun zog kennissen. Die laatsten hadden geen benul van wat er zich achter de schermen afspeelde, maar ze zagen wel dat men niet steeds dezelfde bevriende BV-kring kan laten opdraven, al hebben ze van kostuum gewisseld en een ander masker opgezet.

De godfather in zijn godshuis met nauwelijks nog goden op sokkels en zandkorrels in zijn woestijn werd een kluizenaar zonder kluis. Hij was afhankelijk van de giften van graaiers, en wat is een graaier volgens de dikke Van Dale? Iemand die, voor eigen gewin, ergens zoveel mogelijk geld weet uit te halen. Dat de godfather dit niet heeft ingezien komt omdat zijn oren gaandeweg oogkleppen werden. Hij hoorde niet meer, en zijn blik was sterk vernauwd. Wat hem in het kamp deed belanden van de bewoners waarop doctor J. Peter zijn theorie baseerde: In a hierarchy every employee tends to rise to his level of incompetence. [In een hiërarchie stijgt elke werknemer tot zijn niveau van incompetentie]. Die positie maakte dat zijn winkel niet alleen leeg liep, de klanten wegbleven, maar wat er nog was verbleekte, omdat het te lang in de zon had gelegen. In zijn hele bestaan heeft Woestijnvis zich beperkt tot formats. Maar formats, ook die uit eigen kweekvijver, zijn als koeien. Op een zeker ogenblik komen ze droog te staan. Het productiehuis dat dacht de vierde macht te hebben uitgevonden, heeft ook nooit naar andere zeeën en woestijnen gezocht. De kunst bijvoorbeeld, daar keek het op neer. Het heeft, binnen de cultuursector, BV’s uitgemolken, al zijn jetons op de sport gezet, zero gespeeld, ja, dan is de kans om te winnen zeer klein. Elke zender, het klinkt vreemd maar het is niet anders, elke zender zonder kunst is als een vrouw zonder juwelen en make-up.

Klein blijven is geen schande. Het is zelfs een eer als men klein is en van zijn kleinheid een miniatuur heeft gemaakt ter waarde van een ei van Fabergé. Maar daar heeft de godfather, de pater familias, de Stalin van het Belgisch zendergebied, Wouter Vandenhaute, nooit oog voor gehad. Hij zag alleen de spiegel en zichzelf. Hij zit al tot aan zijn neus in zijn spiegelbeeld. Een nieuwe glazenwasser uit welke hoek en broek ook, zal hem wat meer beeld geven, maar het zal niet zijn redding betekenen. Daarvoor kijkt hij al te lang in dezelfde vijver en heeft daardoor dezelfde kanker opgelopen als Narcissus.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche