Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
15 février 2008 5 15 /02 /février /2008 08:47

In Mededelingen van het CDR, nr. 109 de dato 8 januari verscheen een bespreking van Guy Prieels’ roman Duisterlicht. Op 28 januari verscheen op deze pagina’s “Pernath & Snoek als romanpersonages”, gewijd aan een bepaald aspect van Prieels’ roman.

Op de site van de nieuwe uitgeverij Wever & Bergh (http://www.wever-bergh.com) wordt een lezenswaardige bokblog gepubliceerd, waarin Guy Prieels reageerde op de bespreking in Mededelingen. Met instemming van uitgever en auteur wordt de reactie hierna integraal gepubliceerd.

Een afgedrukt proefexemplaar van de eerstkomende aflevering van Mededelingen kan aangevraagd worden op hfj@skynet.be

Bokblog

In het interessante internettijdschrift Mededelingen 109 van Henri-Floris Jespers, kreeg mijn debuutroman Duisterlicht een bespreking mee. Ik ben al blij dat iemand mijn boek leest, maar ik ben er best mee opgezet als het dan ook nog uitvoerig met een fileermesje onder handen wordt genomen. Zeker als ik de algemene teneur van dit vlijtig lezen kan samenvatten in volgende adjectieven: (ik citeer)

"Duisterlicht, of De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke avonturen van Prieels in Knokke, Antwerpen en omstreken. Een ambitieus, irritant, meeslepend, perfide, pakkend en, het moet gezegd, soms ook ontgoochelend boek".

 Enkele opmerkingen moeten me van het hart. Wat mij een beetje steekt is volgende zin:

 "Soms doet hij denken aan een eigentijdse Candide, ware het niet dat hij ook zelf trekjes vertoont van de parvenu’s die hij node ondergaat. Bovendien vindt hij het ook nodig, wellicht bij wijze van compensatie, zich in zijn taalgebruik al te vaak te profileren als een zielige macho."

Macho? Nergens. Het zal aan mijn taaltje liggen. ’t Is geen stoerdoenerij, eerder hanige zelfspot. Ik ben zo gebekt. Zielig? Ja, hoor. Ik durf mezelf te kijk stellen als een zielige clown, daar heb ik niet de minste moeite mee. Een eigentijdse Candide? Allons enfants de la patrie, een zekere graad van naïviteit is me niet vreemd, maar een bloodaard ben ik evenmin. Meer een soort Candide Perfide, ik beken het.

Lees er in dit Bokblog bijdrage nr. 5 van De Nieuwe Wereld op na: Ik kom uit de kunstwereld. Glans

en glitter. Vedettariaat. Veel hoempapa. Allemaal reuzen als je de makers en inleiders van tentoonstellingen mag geloven. Allemaal genieën. Grote geesten. Sla het woordenboek van de synoniemen er maar eens op na, dan nog kom je woorden tekort. Lees de catalogi er op na, als je me niet gelooft. Elke catalogus. Al presenteren ze stront in nieuwe zakken dan nog ruiken de producten van de Meesters naar wierook en mirre. Er komt namelijk Poen aan te pas. That’s why.
(Waar mopper ik eigenlijk over? Het is toch met de boter van die lui dat ik mijn brood heb gesmeerd. Zo is het toch? Ik mag niet beweren dat ik water en bloed heb gezweet. Multa non tuli.)

Terug naar de commentaren van HFJ – zijn naam weze geprezen – die in de komende maanden met Berghen van gout en MorituriI nog wat meer van mijn brood op zijn plank krijgt. Ik mag hopen dat hij zowel het kruim als de korsten lust. Bij de overwegingen in zijn interspaceblad verwijst hij eveneens naar mijn artistieke prestaties uit een vorig leven.

Over de kunstjes die ik toen heb beoefend wil ik kort zijn. Ik til daar niet zwaar aan. Na een toneelstuk, een jeugdzonde waar ik zonder spijt aan terugdenk, dat trouwens in de KVS te Brussel niet onopgemerkt de planken haalde, heb ik een aantal luisterliedjes voor het voetlicht gebracht en op vinyl gezet. Algauw echter ondervond ik dat ik het licht van de schijnwerpers schuwde. Ik voelde me beter in de schaduw dan in de zon. Nog steeds. Voor geen cent ambitie gehad om in een van de twee disciplines door te breken. Ik voelde nu eenmaal meer voor het zakenleven.
In Bokblog De Nieuwe Wereld nr. 2:

Ik had me opnieuw aan het schrijven gezet. De roeping om mijn leven achter een schrijftafel door te brengen en mijn tijd te verdoen met het verzinnen van verhalen, heb ik nooit gevoeld. Nu gaat het mij beter af. Ik hoef niets meer te verzinnen. Alleen maar opschrijven wat ik hier en daar heb meegemaakt. Mijn deuntje op noten zetten.

 PS. De recensent in Mededelingen 109 van Henri-Floris Jespers (hfj@skynet.be), meent een verschil in toon en structuur in mijn boek op te merken, en hij gaat op zoek naar een verklaring. Hij meent dat mijn roman een collage is van stukken die op heel verschillende tijdstippen zijn geschreven. Zijn goed recht. De enige waarheid is dat ik DUISTERLICHT heb geschreven in een tijdspanne van vier maanden, het daarna twee maanden heb laten rusten om dan gedurende weer twee maanden, a rato van een paar dagen per week, al dat geschrijf stevig door te hakselen.

Guy PRIEELS

 

Guy PRIEELS, Duisterlicht. Een queeste, Antwerpen, Wever & Bergh, 2007, 349 p., 19,50 €.

Partager cet article
Repost0
15 février 2008 5 15 /02 /février /2008 07:13
Soms is het hoofdpersonage van een roman een stad: Parijs bijvoorbeeld (bij Restif de la Bretonne, Eugène Sue en Emile Zola, of in Victor Hugo’s Notre-Dame de Paris) of Berlijn (Alfred Döblin), Praag (Gustav Meyrinck), Dublin (James Joyce) en, waarom ook niet, Antwerpen (Georges Eekhoud, Emmanuel de Bom, Hubert Lampo en Guy Vaes).

Zo bepaalde de lectuur van Henryk Sienkiewicz’ populaire Quo vadis? (1896) mijn prilste verbeelding van Rome. De koelbloedige zelfdoding van Petronius, arbiter elegantiarum, en de haast gedwongen zelfmoord van de opgejaagde Nero legden toen reeds het contrast bloot (dat ik later zélf in de Eeuwige Stad zou ervaren) tussen beheerste en voorname theatraliteit en bedwongen zin voor decorum enerzijds, ongebreidelde neiging tot (zelf)karikatuur en histrionische vulgariteit anderzijds.

Later herlas ik Vergilius. Zijn bucolische poëzie was me vreemd gebleven, maar een aantal verzen uit de Aeneis stonden in mijn geheugen gegrift (de bouw van Carthago – hier werd ik immers geconfronteerd met een stadslandschap in wording – en de ontmoeting met Dido, die fluisterende en tragische verklanking van de coup de foudre. De gebalde erotiek van Horatius en de uitgebalanceerde retoriek van Cicero spraken me aan (de imperatoria brevitas – bij Caesar reeds aanwezig – ontdekte ik pas later).

Petronius’ dood bleef echter het recurrente beeld: de antieke zelfdoding als beredeneerde daad van moed, zelfbeheersing en ultieme zelfbevestiging, die niets te maken heeft met de romantische zelfmoord in het teken van frêle en sentimentele onmacht, noch met de existentialistische of absurdistische variante, uitdrukking van vereenzaamde vertwijfeling en vacuüm-neurose.

Neen, de zelfdoding van Petronius (of van de oude patriciër in Fellini’s Satyricon) beantwoordt aan een soort onthecht plichtsbewustzijn tegenover zichzelf: de aristocratische, autonome enkeling is nu eens niet bereid te wijken voor de druk van de dwaze macht der velen, omdat hij nu eenmaal hogere eisen stelt en dwingender regels hanteert. De verbinding van de waarlijk epicuristische ingesteldheid met de vastberaden aanvaarding van het lot resulteert aldus in een ultieme lange neus aan het adres van de onbespraakten die, naar het woord van Gilliams, cultuur verwarren met “een fabriek van sanitaire meubels” en “het bruisende onwelriekend schuim als drinkbare wijn prijzen”.

&

Mijn ervaring van het Romeinse licht is aan drie plaatsen gebonden: het Cemetero Acatolico, de Fontana di Trevi en het meer van Nemi.

 

Ik ontmoette Gustav René Hocke (1908-1985) in Dublin in september 1971, en hij nodigde me uit in Casa Diana, zijn residenza in Genzano di Roma. Alvorens naar Genzano af te dalen, bleef ik enkele dagen Rome verkennen. Ik wilde me immers eerst geheel onderdompelen in de sfeer van de stad, de lauwe of plots gloeiende kleuren ervaren, het wisselende licht ondergaan dat staal en beton tot doorschijnend of poreus marmer herleidt of verpulvert, dan weer integendeel een scherp, staalachtig profiel verleent aan de tederste glooiingen van de zinnelijkste beelden. De cafés aan de via Vittorio Veneto, van de Doney tot de Harris’ Bar, brachten me Parijs in herinnering, maar dan krachtiger, geprofileerder, genadelozer ook, zonder vervloeiende overgangszones. Verfijnde, natuurlijke aristocratie en zelfvoldane, frisse vulgariteit.

Het stadslandschap stond toen in de greep van de politiek. Overal affiches, proclamaties, slogans, graffiti – het schuim van de tijd. “Basta con la dittatura poliziesca” – “La giustizia nelle mani del popole” – “Via il governo della galera” – “Tricolore si, fascismo no”. Steeds opnieuw het rumoer van de eeuw, het ondergronds rommelende oproer.

De bus naar Genzano volgt de Via Appia. Twee boomsoorten beheersen het antieke landschap, de cypres (gesloten paraplu) en de Romeinse pijnboom (open paraplu). Vanuit café Nazionale, op een steenworp van de tuinen van Togliatti, belde ik René op om mijn komst te melden. Hij kwam me met de auto afhalen. We dronken eerst nog een aperitief. Plots keek hij op zijn horloge en zei: “In Europa is het nu tien uur”. Toen besefte ik pas dat ik inderdaad een andere wereld was binnengetreden.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
15 février 2008 5 15 /02 /février /2008 06:43

Bericht aan de bevolking

Met het oog op de bibliografie van de door Floris Jespers geïllustreerde boeken, zoekt het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie een exemplaar van:

 

Alexis DENYSE, Poèmes, édit. G. Thone, s.l. [Liège], s.d. Avec un dessin original de Floris Jespers.

 

Alle info over de auteur welkom !

 

Gelieve contact op te nemen met hfj@skynet.be

 

Dank bij voorbaat.

Partager cet article
Repost0
14 février 2008 4 14 /02 /février /2008 01:45

Henri van Straten (1892-1944) schilderde futuristische en abstracte schilderijen, evenals scènes uit het nachtleven. Hij is echter vooral bekend als xylograaf, illustrator van het tijdschrift Lumière en lid van de Vlaamse groep houtsnijders “De Vijf”, waartoe ook Frans Masereel, Joris Minne en de gebroeders Jan en Jozef Cantré gerekend worden.

Roger Avermaete portretteerde hem in 1929:

Henri van Straten est un virtuose. S’il est toujours reconnaissable à certains détails – ses têtes, une fleur, une colonne -, il a trouvé moyen de varier considérablement sa manière. [...] Le caractère dominant de cet art est la grâce. Henri van Straten est gracieux sans être fade. [...] Il est raffiné, un tantinet satanique et pervers.[1]

&

In haar eindverhandeling (Het montageprincipe in literatuur en kunst in Vlaanderen: het geval Köhler) merkt Liesbeth Vantorre terecht op dat in de prenten van de xylograaf Henri van Straten vaak sporen van montage terug te vinden zijn (pp. 183), wat blijkbaar ontgaan is aan Van Straten-kenner Ludo Raskin. Montage wordt hier gebruikt als “overkoepelende term voor een veelheid van kunstvormen”:

Collage, fotomontage, papiers collés en assemblages horen allemaal onder deze noemer thuis, maar ook ruimtelijke installaties en literatuur pasten in het plaatje.

(pp. 54-55).

&

Het werk van Van Straten vertoont niet alleen sporen van montage. De kunstenaar wendde die techniek bewust aan. Hij maakte trouwens ook collages, wat niet alleen aan Ludo Raskin, maar ook aan Liesbeth Vantorre ontgaan is.

Het was pas in de jaren negentig van vorige eeuw dat er een viertal collages van Henri van Straten opdaagden, waarvan er zich drie bevinden in de collectie van de Verbeke Foundation te Kemzeke: Tapuanen (1925), Bena Mpassa (1925) en Urua (1925). Centraal op die collages staan duidelijk herkenbare beelden en maskers uit Belgisch Congo. (Terloops: ook Joris Minne maakte af en toe collages.[2] )

Henri-Floris JESPERS

 

Liesbeth VANTORRE, Het montageprincipe in literatuur en kunst in Vlaanderen: het geval Köhler. Eindverhandeling Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, academiejaar 2006-2007, 376 p. Promotor: Prof. Kris Humbeeck. Tweede lezer: Matthijs de Ridder.

 

 



[1] Roger AVERMAETE, Petite fresque des arts et des lettres dans la Belgique d’aujourd’hui, Bruxelles, L’Églantine, 1929, pp. 95-96.

[2] Cf bijv. de “poème-collage” O troubadour ??? van het begin van de jaren twintig, een verrassend werk van Joris Minne, gereproduceerd in Roger AVERMAETE, L’aventure de « Lumière », Bruxelles, Arcade,  1969, p. 41.

Partager cet article
Repost0
14 février 2008 4 14 /02 /février /2008 00:16

Op 16 mei 1973 kwam de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift onder voorzitterschap van Ivo Michiels bijeen om de Arkprijs toe te kennen. De vergadering werd bijgewoond door Georges Adé, Marc Galle, Marcel Coole, Hugo Raes, Jef Geeraerts, Erik van Ruysbeek, Willy Vaerewijck, Paul de Wispelaere en Paul Snoek. Mark stond op de shortlist, maar diende het bij opeenvolgende geheime stemmingen op punten af te leggen tegenover jongeren.

Mark Braets literaire carrière illustreert ten volle de stelling dat wie zich niet met alle middelen weet te manoeuvreren naar het middenveld, gedoemd is in de marge te blijven. Belangrijke dingen gebeurde echter altijd in margine, en de beste weg is de omweg.

&

Er zullen altijd mensen zijn die “neen” zeggen, “de werkelijkheid kan niet waar zijn”. Niets te maken met de “open debat”-cultuur, die niets meer is dan een schamel schaamlapje, maar wel past in de cultuur van het cynisme en van het volksvermaak.

Het is een gemeenplaats dat ideologieën mensen breken – of erger, kapot maken. We leven thans in de waan dat het tijdperk der ideologieën voorbij is – dat is althans het officiële discours, dat mirabile dictu voor een keer niet geheel leugenachtig is, in die zin dat enige consequente rechtlijnigheid inderdaad allang zoek is. Je bestrijdt het fascistische populisme maar treft populistisch-socialistische maatregelen; je pleit voor een sterk centraal gezag, maar federaliseert de uitvoervergunningen voor wapens; je belijdt het liberalisme, maar reglementeert strikt de vrije circulatie van mensen (niet van het kapitaal). Het dominante discours is bijna altijd juist als het niet bijna altijd verkeerd is.

De ideologie - die zich thans beperkt tot geheime agenda’s - werd geïnstitutionaliseerd als politieke correctheid. Kleurloos, reuklos en smaakloos gif. Maar aan de globalisering, die zich aandient als ideologievrij, kleeft echter evenzeer bloed. Het neoliberaal imperium maakt meer slachtoffers dan fascisme en communisme samen. Om van de massale verpaupering nog maar te zwijgen – duidelijk bijna altijd juist.

Het Chili van Pinochet was een dictatuur, maar stond geen totalitaire ideologie voor. Een totalitaire ideologie is een ideologie die de wereld wil redden. Het neo-liberalisme is de nieuwe totalitaire dictatuur, nl. een dictatuur die er aanspraak op maakt, de gehele wereld totaal te willen hervormen. De Wereldhandelsorganisatie is totalitair.

&

Langs alle beschikbare kanalen wordt openlijk of heimelijk het nieuwe geloof gepredikt: de noodzaak van de privatisering van de openbare diensten. Alles moet herleid worden tot koopwaar: het onderwijs, de cultuur, de spoorwegen, de posterijen. Zelfs de oorlog: zo werd de Amerikaanse interventie in Irak gedeeltelijk uitbesteed aan privé-bedrijven. Logisch in een land waar ook de regering uitbesteed werd. En waar privé-bedrijven gevangenissen runnen.

De handige makelaars in window-dressing stellen de enig zaligmakende globalisering voor als onvermijdelijk en bovendien productief. Dat de markt niet alleen alles oplost, maar tevens vrijheid en voorspoed voor allen garandeert, is het fundamentele dogma van het nieuwe geloof. Duidelijk bijna altijd verkeerd: de globalisering produceert immers kapitaal, maar geen welzijn, niet eens welvaart; de oplossing betekent het uiteenvallen van traditionele structuren ten bate van een amorfe massificatie die tevens de atomisering in de hand werkt en de veiligheid van de genadeloze uitbuiters garandeert.

De fundamentalisten van het nieuwe geloof bewijzen van alle markten thuis te zijn, zij die schaamteloos stellen dat de markt alleenzaligmakend is en bovendien de intellectuele zwendel zo ver drijven dat ze met arrogante zelfverzekerdheid durven beweren dat hun aanpak waardevrij, objectief en wetenschappelijk is.

Hun nieuwe kerk, de beurs, is grilliger dan een dichter: ze is even irrationeel, neen, irrationeler dan welke vorm van bijgeloof ook.

&

De onschuld waarmee ik naar die liederen van de Internationale Brigaden luisterde is voorgoed verloren. Misschien werd ze vervangen door een andere vorm van onschuld die ook tot verkrachting gedoemd is, dat hoop ik toch.

 

Hoe keek Mark Braet aan tegen die postmoderne wereld, hij die nog lekker ouderwets voor waarden stond, meningen verdedigde, geen belangen? Ik had daar graag met hem over gesproken, toevallig als het al altijd het geval is geweest, kortstondig maar ingrijpend. Kameraadschappelijk.

Henri-Floris JESPERS

 

Partager cet article
Repost0
13 février 2008 3 13 /02 /février /2008 00:24

Sommigen willen worden wat ze haten of haten wat ze willen worden; ze willen erkend worden door hen die ze misprijzen en misprijzen hen door wie ze erkend worden. Anderen weten dat beroemd willen worden betekent zich vernederen: je bedelt om erkenning van een publiek dat je in de grond veracht. Mark was gewoon een innemend mens die wellicht erkenning nodig had maar ze niet eens nastreefde. Hij wist beter.

Sommigen noemden hem naïef - wat een compliment kan zijn, maar zo bedoelden ze ’t niet. Naïef, het is gauw gezegd. Hij leek wel soms even ingetogen en onwankelbaar als een tweemaal geborene, maar onder zijn onverstoorbaarheid woelde wellicht een onrustige natuur. Zocht hij in ideologische zekerheden de mentale rust die af en toe evenwicht en orde in het leven brengt? Al te zeer psychologiserend, zo’n vraagstelling, net zoals de typering van Karel Jonckheere al te reducerend klinkt: “Mark Braet wentelt tussen intieme liefdepoëzie en communistische belijdenissen, en verkeert in opstandigheid tegen de aparte gruwelen van zijn opponenten.”[1]

&

Je werd geen lid van een communistische partij zoals je lid werd van een koor, al werd natuurlijk verwacht dat je mee kon zingen, maar dat was niet genoeg. Ook niet in Vlaanderen, waar de partij weliswaar marginaal bleef maar waar de kadaverdiscipline, alleszins na de oorlog en tot diep in de jaren vijftig, even stringent was als bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de rijke zuster niet alleen decennialang een politieke en syndicale macht vertegenwoordigde maar bovendien over een aanzienlijk intellectueel potentieel en prestige kon bogen. De Franse partij hield trouwens een tijdlang ideologisch toezicht op de Belgische, daar kon Maarten Thijs, die na de bevrijding tot de redactie van de strak geleide Rode Vaan toetrad, sine ira et studio verhelderende verhalen over vertellen. [2]

Wie zoals Mark Braet, komende uit het verzet en na twintig jaar partijlidmaatschap, tien jaar lang in het Centraal Comité zetelt, is niet naïef, zoekt geen zekerheden als uitkomst voor een persoonlijke problematiek: dank zij intellectuele discipline heeft hij hardnekkig en koppig zijn “dur métier d’homme” geleerd. Grondiger wellicht dan in andere organisaties, die meestal niets meer voorstellen dan de tijdelijke belangengemeenschap van een los verbond van carrièrebeluste individualisten. 

Soms gaf hij toch de indruk opgejaagd te zijn, en dan straalde hij iets iels uit, net of de nog nauwelijks bedwongen onrust hem naar de riskante rand van de sentimentaliteit had gestuwd. De revolutionair kan zich echter niet beperken tot bevlogen rebelsheid die vaak een slechte raadgeefster blijkt. En mocht zijn overtuiging wel eens een barst vertonen, dan liet hij dit niet blijken. Je mag niet in het slop geraken, de geest waait waar hij wil, maar scheuren moet je toch tijdig dichten, wil je niet in de tocht staan. Kalfaten is soms onvermijdelijk.

(wordt vervolgd)

[1] Karel JONCKHEERE, Een hart onder de dierenriem, Brussel/Den Haag, Manteau, 1967, p. 44.

[2] L.-P. Boon refereert af en toe aan de interne keuken van de partij, waar Aloïs Gerlo het ook over heeft in zijn levensverhaal, Noch hoveling noch gunsteling (Kapellen, DNB/Uitgeverij Pelckmans, 1989).

Partager cet article
Repost0
12 février 2008 2 12 /02 /février /2008 03:51

De merites van de dichter werden onlangs nog, in het voetspoor van Jan van der Hoeven[1] en Bart Vonck[2], overtuigend vastgelegd door de schrandere criticus Jos Joosten, die onderstreept dat Braets politiek engagement geen beslissende rol heeft gespeeld bij de receptie van zijn werk.[3] En terwijl hij terecht betoogt dat Braet bij uitstek een dichter is, gingen mijn gedachten spontaan naar de communist uit.

 

Hij mocht dan inderdaad “eerder karig met biografische gegevens”[4] zijn, volgende oriënteringspunten zijn welsprekend genoeg: van 1963 tot 1970 was Mark vrijgestelde van de Kommunistische Partij waartoe hij in 1943 toegetreden was. Eveneens in 1963 werd hij lid van het Centraal Comité (tot in 1973) en politiek secretaris van de Federatie West-Vlaanderen (tot 1969). Hij was lid van het CC toen hij in 1970 nationaal secretaris werd bij de Vereniging België-USSR (tot aan zijn pensioen in januari 1986); bovendien was hij medestichter van de Vereniging België-DDR.

 

Wie sprak er weer van “le dur métier d’homme”? Ziehier in een notendop het itinerarium van een man die alleszins de harde stiel sowieso diende te leren.

 

Ik heb hem gelezen, te zelden besproken, vaak gezien ook, vooral vanaf de jonge jaren zeventig en in de eerste helft van de jaren tachtig, meestal in gezelschap van collega’s of vrienden, tijdens jaarvergaderingen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, die hij gewetensvol bijwoonde; ook in werkgroepen van de VVL, waar ik zijn strategisch en tactisch inzicht leerde waarderen; naar aanleiding van publicaties en colloquia over de economische Oost-Westbetrekkingen; op recepties bij de ambassade van de Sovjetunie of van de Duitse Democratische Republiek.

 

Net zoals Georges van Acker, die andere Brugse vriend, kon ik vannacht schrijven: “Mark Braet is althans voor mij een onzichtbare vriend. Wie ooit de film De onzichtbare man heeft gezien, weet dat die kerel nu en dan zichtbaar werd, maar wanneer hij zich van zijn verband ontdeed, verdween hij in het niet. Zo ook Mark Braet. Hij hoefde zich echter van geen zwachtels te ontdoen om voor mij onzichtbaar te worden. Nu en dan dook hij op, wij ontmoetten elkaar, werkten samen, doch alles bleef bij ‘korte en goed’.”[5]

 

&

 

Zaterdag 23 mei 1981 reed ik ‘s ochtends met Clara Haesaert naar Den Haag om aan de jaarvergadering van de Vereniging van Letterkundigen deel te nemen. Een paar uren later woonden we in Amsterdam de opening van De Brakke Grond bij. Erg geestdriftig over de oprichting van een Vlaams cultureel centrum in Amsterdam was ik niet. Als er dan toch geld beschikbaar was voor dergelijke prestigeprojecten, dan ging mijn voorkeur immers naar iets zinnigs: een Vlaams centrum in Parijs en een huis van de Franse gemeenschap in Amsterdam. Aan het Nes vond een betoging plaats. Uit België met bussen aangevoerde welzijnswerkers betoogden minder tegen wat ze ervoeren als een elitaire bedoening dan wel om hun concrete eisen op het veld te beklemtonen. Wie niet beter wist, kon de sfeer grimmig noemen, maar ze was in feite goedhartig woelig. Toch vond ik plaats en uur van de demonstratie al bij al ongepast. Bovendien kon zo’n doordeweekse herrie – zeker in Amsterdam… - nauwelijks indruk maken.

 

Ik stond daar tussen de joelende menigte met minister Rika de Backer te babbelen, met haar man Herman en haar medewerkster Diane Verstraeten en met Jo, Hein, Frank en Christine Albers. Het was een heen en weer geloop: Maurits Naessens, Mark Galle, Guy Tegenbosch, Nic van Bruggen, Marcel van Maele, Irina van Goeree, Patrick Conrad, Roger de Neef, Raoul de Puydt en André Moerman kwamen ook commentaar geven.

 

Daar, maar dan tussen het betogend volk, stond Marc Braet, even sereen als altijd en met dat tikkeltje onverzettelijkheid dat zijn al bij al frêle postuur niet liet vermoeden. Hij had trouwens geen broze houding, wel een heldere, wat naïeve blik en een nonchalante distinctie die hem een schijn van broosheid gaven. Ik vermoed dat hij taai kon zijn, en onverzettelijk, koppig zelfs, en dat hij zich als geen ander kon opwinden. Maar zo zag hij er niet uit, neen, hij leek eerder jongensachtig innemend, tegelijk tegemoetkomend en gereserveerd, meegaand en dwars.

 

(wordt vervolgd)

 


[1] Jan VAN DER HOEVEN, Mark Braet, een roos op de bajonet, in: VWS-cahiers, 1986, XXI, nr. 3.

[2] Bart VONCK, Mark Braet: zwerven tussen strijd en liefde, Torhout, Vereniging van Westvlaamse Schrijvers, 1989

[3] Jos JOOSTEN, In het wonder blijven geloven, in: Poëziekrant, XXVII, 1, januari-februari 2003, pp. 66-68.

[4] Bart VONCK, op. cit., p. 5.

[5] Georges VAN ACKER, De onzichtbare vriend, in: Mark Braet Wit, Brugge, Kruispunt, 1985, p. 5.

Partager cet article
Repost0
12 février 2008 2 12 /02 /février /2008 03:49

Precies een kwarteeuw schreef ik over een moeilijk te bepalen, haast romantisch solidariteitsgevoel dat ons dwingt de zijde der verdrukten te kiezen. Omdat we dit al te zelden daadwerkelijk doen, knaagt het kwade geweten. Zo ontsloten de liederen uit de Spaanse burgeroorlog (ik bedoel de drie toen geperste 78-toeren platen van Ernst Busch in de reeks Lied der Zeit) - voor mij althans – de mythische wereld van proletarische solidariteit en militant engagement, terwijl ze tevens naar mijn verste verleden verwijzen. Ik hoorde ze voor de eerste keer een halve eeuw geleden. Vader bediende een ouderwetse platendraaier met echte naalden, en de heldhaftige kolommen van de Elfde Brigade of van het Thälmann Bataillon bevolkten als een schimmenleger wat eens het atelier van grootvader was. Nu nog ruik ik het stof dat hun krijgshaftige stappen deden oplaaien. De rode ster aan hun voorhoofd schittert nog in de nacht. En een vuur van hartstochtelijke overgave laaide toen op, niet te bedwingen. Ook wanneer iemand felbewogen en doodeerlijk doch onhandig en met gebrekkige dialectiek een overigens juist en achtbaar standpunt verdedigt, wordt ik door een lauw en week gevoel van menselijke solidariteit bevangen, net zoals de vertedering mij vaak te machtig wordt wanneer ik weerloze oudjes, huisdieren of niet begrijpende kinderen zie.

 

De ervaring van die liederen deelde ik met Hugues Pernath, met Georges van Cauwenberg; ik zong ze met de Oost-Duitse kapitein van een Irakees schip in een Antwerpse zwarte kroeg; en met Karel Coeckx, op de Belgische ambassade te Lissabon.

 

De drie afgeleefde, dikke, zware platen met hun donkerrood etiket ben ik kwijt, hun krassende melodie niet. Evenmin als het traag, statig en onweerstaanbaar opwellende en overrompelende Chant des Partisans van Maurice Druon en Joseph Kessel.

 

 

 

De Oost-Duitse kapitein, Heinrich, had filosofie gestudeerd en was tot het inzicht gekomen dat filosoferen met hamer en met sikkel niet vanzelfsprekend was: hij koos voor een veiliger en vrijer beroep. Hij was uitgeleend, displaced person als we allen zijn: in het kader van een machtspolitieke variante van de socialistische internationale arbeidsverdeling was de DDR destijds aangeduid als pilootland van Irak, vandaar de vlag waaronder hij voer. Karel, belezen als hij was, wist ook al beter, maar de anjerrevolutie had plaatsgevonden, en dat was toch een uitgestelde nachtelijke viering waard. Als ambassadeur was hij ook maar een ontheemde, zij het dan in een comfortabelere situatie.

 

&

 

Van Ostaijen schreef het moedwillig in het Frans :“Le Flamand vit heureux dans la persuasion qu’on ne l’aura pas.” Die overtuiging dat niemand hém te grazen zal nemen past de Vlaming jammer genoeg haast uitsluitend toe op eigen toestanden. Hij verliest ze meestal wanneer hij geconfronteerd wordt met zijn veel buitenland.

 

Idealist klinkt in de mond van bijvoorbeeld Sophie de Schaepdrijver zoniet als een scheldwoord dan toch als een dooddoener. Zeker wanneer ze het woord op Vlamingen betrekt. Het idealisme ligt inderdaad aan de basis van talrijke ontsporingen, net als het materialisme. De dwaling is een op hol geslagen waarheid en de lijst opstellen van woorden waar bloed aan kleeft zou ons ver leiden. In het communistische taalgebruik klonk idealist ook al niet vleiend – al had het marxisme zich al lang in de Sovjetunie (en in de overige landen van het reële socialisme) ingesteld als een idealistische superstructuur, een ideologie.

 

Mark Braet was een idealist, iemand die eerder existentieel en gevoelsmatig dan beredeneerd concrete idealen nastreefde.

 

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
12 février 2008 2 12 /02 /février /2008 03:23

Architect en beeldhouwer Maurice Carlier (Sint-Joost-ten-Noode, 1895 – Brussel, 1976) studeerde op Sint-Lukas en aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel). Na de Eerste Wereldoorlog was hij betrokken bij de wederopbouw van Nieuwpoort en als plannentekenaar werkzaam voor de basiliek van Koekelberg. Hij legt een nieuw verband tussen architectuur en sculptuur en is een van de eersten die op eigen initiatief de figuratieve beeldhouwkunst de rug toekeerde. Sculptuur is voor Carlier in essentie architectuur met ruimte en licht. Dat komt ook tot uiting in zijn talrijke meubelontwerpen, die een grote plastische kracht uitstralen.

De meubelmaquettes en ontwerpgouaches van Maurice Carlier (1894-1976) uit de collectie van de Verbeke Foundation vormen de ruggengraat en tevens de historische referentie voor de tentoonstelling No Man’s Land.

Carlier is een pionier van de abstracte beeldhouwkunst. Maar hij werkte vooral in het niemandsland tussen design en kunst. Daar werken ook alle ontwerpers en kunstenaars die in de Verbeke Foundation rond hem zijn samengebracht. Ook zij doorbreken de artistieke conventies en de regels van materiaalgebruik en techniek. Ze ontwerpen en experimenteren met natuurlijke grondstoffen, industriële producten, kunststoffen en organische of biologische componenten. Ze maken gebruik van alle soorten fysische processen en technieken.

Herman DE PRINS

Locatie: Westakker - 9190 Kemzeke, België
Info: Fleur Pierets: 0032 (0)477.88.17.52 www.verbekefoundation.com

Partager cet article
Repost0
10 février 2008 7 10 /02 /février /2008 22:46

In december 1972 schenkt beeldhouwer Maurice Carlier (1894-1976) zijn werk "Synthèse Solaire" aan het Hoger instituut voor archeologie en kunsthistorie van de universiteit van Louvain-la-Neuve.

Deze schenking ging indertijd gepaard met een academische zitting.

Het werk bestaat uit een machine die de lichtinval op een beeld kan nabootsen. De zonnestand (zowel zomer, herfst, winter als lente) kon op een beeld belicht worden, zodanig dat de schaduwwerking op een beeld kon gezien worden. In heel het beeldend werk van Maurice Carlier is deze schaduwbespeling van uitzonderlijk groot belang.

Dit toestel was in staat in enkele seconden de totale belichting van een volledige dag de weer te geven, was 2,75m x 2,75m groot en had een hoogte van 2,50m.

Toen curator Geert Verbeke begin augustus tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling over Maurice Carlier een aanvraag richtte aan het Musée de Louvain-la-Neuve om de machine "Synthèse solaire" te ontlenen, was zijn verbazing groot:

Het werk, in 1972 als gift aanvaard, was "Jeté à la poubelle". Ongelofelijk maar waar, een uniek stuk erfgoed is verdwenen op het stort!

Bijkomende inlichtingen kunt u vinden in Courrier du passant, n°90 van april-juni 2006, uitgegeven door het Musée de Louvain-la-Neuve.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche