Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
23 décembre 2010 4 23 /12 /décembre /2010 20:39

 

JvanS.jpg

Onlangs ook in de bus, de Nieuwsbrief Joris van Severen, eerste trimester 2011, waarin een gedegen bijdrage van Willem van Vrijberghe, 'Het Nationaalsolidarisme van Joris van Severen. Ontleding van een politieke ideologie'. Het artikel verscheen oorspronkelijk zowat vijftig jaar geleden in het tijdschrift Dietsland-Europa. Willem van Vrijberghe was een pseudoniem van Wim Grauls (1917-2008), zoon van de filoloog Jan Grauls (1887-1960) die tijdens de bezetting gouverneur van Antwerpen (minder bekend is dat mr René Victor kandidaat voor de functie was) en vervolgens burgemeester van Brussel werd.

In een vorige aflevering (derde trimester 2010) stelde Piet Tommissen de vraag of Van Severen zijn corporatisme-concept ontleende aan Gustav Landauer (1870-1919), de belangrijkste Duitse theoreticus van het anarchisme. Dat is nu aanleiding tot een hoffelijke pennenstrijd tussen Luc Pauwels (die over de ideologische evolutie van Joris van Severen promoveerde) en Piet Tommissen.

Onder de titel 'Omtrent Henri Bruning, Ernest Michel, Ernst Voorhoeve en het Verdinaso' brengt Maurits Cailliau een tweede reeks uitvoerige citaten uit Het plagiaat – de polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken van Ewoud Kieft (Nijmegen, Vantilt, 2006).

De Nieuwsbrief is het driemaandelijkse tijdschrift van het Studiecentrum Joris van Severen v.z.w., Paddevijverstraat 2, 8900 Ieper.

Lidgeld (inclusief Jaarboek Joris van Severen): 25 €. Postrekening UBAN BE71 0001 7058 1469 / BIC BPOTBEB.

Partager cet article
Repost0
19 décembre 2010 7 19 /12 /décembre /2010 18:11

 

Meervoud levert ook geregeld bijdragen tot bestrijding van de collectieve amnesie. Zo blikt Christian Dutoit in de jongste aflevering terug op Leo Magits (1899-1990), “een grote meneer”. Hij stelt daarbij terecht vast:

Weinig socialisten of sociaaldemocraten kennen nog hun geschiedenis of die van hun voormannen in een voor hen prehistorisch tijdperk. Magits past niet meteen in hun kraam, en wellicht zal iemand als een Caroline Genez er nog niet veel van gehoord hebben, en als dat wel het geval zou zijn eerder als stoorzender of anachronistisch persoon.

Magits stelde zijn leven in dienst van zijn socialistisch ideaal. Hij was secretaris voor het Vlaamse landsgedeelte van de Centrale voor Arbeidersopvoeding (1936-1967) en trad in dienst van de Arbeidershogeschool, eerst als monitor (1941-1944) en daarna als directeur (1945-1965). Hij was beheerder van het Nationaal Bibliotheekfonds en sedert het ontstaan van het bibliografisch tijdschrift Lektuurgids (1954) voorzitter van het redactiecomité. Ger Schmook onderstreepte de “wijsgerige” fundering van Magits' aanpak, en Hubert Lampo typeerde hem onomwonden als “de beste, de eerlijkste socialist “ die hij ooit ontmoette. “Hij is een man die niet in de kijker heeft gelopen, maar consequent zijn ideaal heeft gediend.”

Christian Dutoit spitst zich toe de op de rol van Magits in het 'Dietse' socialisme:

De Groot-Nederlandse gedachte wordt vandaag meestal niet geassocieerd met de linkerzijde. Een beetje ten onrechte, want heel wat socialisten waren in de periode van de Grote Oorlog tot 1940 en zelfs daarna overtuigde Heel- of Groot-Nederlanders. Dit sentiment ontstond vooral tijdens de oorlog 1914-1918, maar een aantal socialistische Vlaamsgezinden vluchtten in 1918 in Nederland en knoopten er contacten aan met gelijkgezinden aan de andere kant van de grens. Veel vrijzinnigen waren ook in die beweging actief, terwijl langs de andere kant nogal wat oerkatholieke Vlamingen hun bedenkingen hadden bij de omgang van Vlamingen met protestanten. Eén van de merkwaardigste figuren uit die groep was Leo Magits. Wij blikken terug op een stukje meestal onder de mat geveegde geschiedenis.

De activiteiten van Magits tijdens de Eerste Wereldoorlog en achteraf in Nederland worden

verhelderend belicht, in het bijzonder het tijdschrift Schakels. Socialistisch maandschrift voor Noord- en Zuid-Nederland (1929-1935), gesticht door o.m. Roza de Guchtenaere, Jef van Extergem en P. J. Ursi, met Magits als verantwoordelijke in Nederland en in Vlaanderen niemand minder dan Jef Rens. Henk Brugmans (de latere rector van het Europa-college te Brugge), Klaas Heeroma, Achiel Mussche en Garmt Stuiveling, (de latere minister) Alfons Vranckx werkten aan Schakels mee, en in Antwerpen werd (de latere bankier) Maurits Naessens actief.

*

Nico van Campenhout, archivaris van Lokeren, wijdt een paginagrote bespreking aan mijn boekje over Geert van Bruaene.

Jespers, die herhaaldelijk de onvolledigheid, het fragmentarisch karakter en de voorlopigheid van zijn biografische notities en beschouwingen over hem beklemtoont, omschrijft Van Bruaene als “een grimmige farceur die zijn eigen legende graag boetseerde en daardoor zelf in niet geringe mate bijgedragen heeft tot het scheppen van misverstanden” (blz. 7). De auteur ontrafelt (tot op zekere hoogte) de 'mythe van Bruaene' en reduceert de man en zijn leven tot realistische proporties. Jespers erkent echter wel ten volle Van Bruaenes historische rol, met name als promotor van de 20ste-eeuwse eigentijdse beeldende kunst in België. Hij was op dat terrein belangrijk en betekenisvol, zelfs invloedrijk, maar niet de pionier of de trendsetter waar anderen en hij zelf hem soms lieten voor doorgaan. “De rol van Geert van Bruaene als voorloper relativeren vermindert geenszins zijn verdiensten” (blz. 38), zo besluit Jespers zijn biografisch portret.

*

In wat een column heet te zijn somt Hendrik Carette de twintig “beste boeken” op, “verschenen in het Nederlands in het rampenjaar 2010”, waaronder Red ons van de dichters (Prometheus) van Menno Wigman (°1966):

De geestige en originele Wigman (van zich zelf ook een dichter) uit terecht zijn ongenoegen over het bestaan van de alom en allerwegen woekerende slechte dichters of de dichters van de derde rang.

Dat Joris van Severen, 'een biografisch portret' door Pieter Jan Verstraete (Aspekt) niet op het appel ontbreekt, zal wel niemand verwonderen...

Verstraete vertelt misschien niets nieuws, maar na het te korte boekje van Lode Wils, doet hij het toch anders en beter.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Meervoud, 18de jg., nr. 163, december 2010, 52 p., ill.

Drukpersstraat 30, 1000 Brussel. Een jaarabonnement (10 nummers) kost 30 €, te storten op rekening nr. 001-2384501-26.

Partager cet article
Repost0
18 décembre 2010 6 18 /12 /décembre /2010 21:38

Meervoud.jpg

Biepoooost (ex-De Post) boekt meer omzet, meer winsten, meer ontslagen. Dienstverlening wordt vervangen door rendement en louter winstbejag met als gevolg hogere druk op de werknemers en slechtere statuten voor de postmannen en -vrouwen. Mijn facteur belt altijd tweemaal. Althans voorlopig nog.

Wanneer Meervoud, links Vlaams-nationaal maandblad in de bus valt, sla ik meteen aan het lezen. Ik ben nooit ontgoocheld.

Naar aanleiding van de verpletterende verkiezingsoverwinning van de centrumationalistische CiU (Convergència i Unió) stelt hoofdredacteur Christian Dutoit in zijn redactioneel vast dat Catalonië op een aantal vlakken vergelijkbaar is met Vlaanderen:

De kiezer heeft duidelijk gekozen voor 'meer Catalonië', en hoe historisch deze overwinning is blijkt alleen dat CiU vandaag, na een tocht in de woestijn die zeven jaar geduurd heeft, meer zetels behaalt dan in de gloriedagen van haar historische leider, de bankier Jordi Pujol. Catalonië eist een nieuw Estatutmet meer culturele en economische bevoegdheden, en staat vandaag sterker dan ooit in zijn schoenen. Voor minder beginnen ze er niet aan...

*

Jef Turf publiceert een helder opstel over discriminatie, immigratie en solidariteit, waarin hij nagels met koppen slaat. Hij neemt daarbij geen blad voor de mond:

Het is de plicht van de Vlaamse overheid en, zolang ze er nog is, van de Belgische overheid, om in de eerste plaats de solidariteit te verzekeren van het eigen volk en elke discriminatie voor eigen mensen te verbieden.

Volgens de gewezen leider van de Communistische Partij is dit slechts mogelijk wanneer een aantal voorwaarden worden vervuld: het filteren van de immigratiestroom; het onvoorwaardelijke terugsturen van criminelen naar het land van herkomst; het stopzetten van de periodieke regularisatie van de illegalen en het terugbrengen van de massale immigratiestroom tot een geleidelijke, beheersbare immigratie.

Dat is duidelijk niet de bedoeling van de Waalse en vooral Franstalige Brusselse politiekers die verantwoordelijk zijn voor de mislukking van het immigratiebeleid, in de hoop daar electoraal profijt uit te te halen.

Jef Turf verliest zich niet in wereldvreemde theoretische bespiegelingen. Hij beperkt zich tot uit het leven gegrepen redeneringen, waarin iedereen die niet in een ivoren toren leeft zich kan in terugvinden.

Mijn buurvrouw, alleenstaande met kind, heeft acht jaar moeten wachten op een sociale woning. Nu stelt zij vast dat in de sociale wijk waar zij eindelijk een woning heeft toegewezen gekregen, zij omgeven wordt door migranten die veel vlugger een woning konden bekomen. Iedereen die in zulke wijk woont, kan tientallen voorbeelden geven van discriminaties van eigen mensen. Voeg daaraan toe de voorkeur van vooral Turkse en Marokkaanse migranten, voor vertoon met luxe auto's, het verkrijgen van bijzondere voorwaarden voor de aankoop van woningen, de gemakkelijke toegang tot de openbare hulpverlening, en men begrijpt vlug waarom de lokale bevolking revolteert en heil zoekt, niet bij de linkerzijde, die een gebrek aan solidariteit met de eigen bevolking vertoont en leeft bij de muticulturele illusie, maar wel bij extreem rechts dat belangstelling veinst voor hun problematiek. De recente informatie over de rechtsgang waardoor asielzoekers grote vergoedingen kunnen opstrijken wanneer zij niet opgevangen kunnen worden door Fedasil, heeft de verontwaardiging ten top gedreven.

Kortom, “de overheid blijft in gebreke voor een regeling van de immigratie die ook de rechten van de eigen bevolking respecteert”.

In verband met de Islam neemt Turf een duidelijk standpunt in: “Godsdienstvrijheid moet ten allen prijze behouden blijven, voor zover ze niet in strijd is met onze wetgeving”.

Dit betekent niet dat men de Islam niet mag bestrijden. In tegendeel. Nu er eindelijk stappen gezet zijn waardoor het katholieke obscurantisme aan banden gelegd wordt, nu het duidelijk is dat Vlaanderen geen voorbeeldig wingewest meer is voor katholieke zieltjes, zou het onbegrijpelijk zijn de poort wijd open te zetten voor het islamistisch obscurantisme. […] Het moet duidelijk zijn dat ons land een lekenstaat is, met scheiding tussen Kerk en Staat. […] Het is redelijk die scheiding hard te maken en de bestaande dubbelzinnigheden weg te werken. Godsdienst is een persoonlijke aangelegenheid, en wie deel wil uitmaken van één of andere Kerk, moet ook de verantwoordelijkheid dragen om die Kerk te financieren.

*

Miel Dullaert had een gesprek met de filosoof Ludo Abicht naar aanleiding van diens autobiografie Het lunapark en andere plekken (Kapellen, Pelckmans, 2008). Ook hij gaat even in op het migrantenbeleid.

Open grenzen kan niet, want dan krijg je 15 miljoen mensen binnen. Er moet een beleid komen van migratie, dat verteerbaar is. En niet zoals de politieke elite nu doet migranten tegen eigen mensen uitspelen. […] Het kan niet dat je iedereen binnenlaat, behalve natuurlijk politieke vluchtelingen, want dan gaat het sociale draagvlak verloren en krijg je in de kortste keren een hel. Er moet een evenwichtig en redelijk integratiebeleid komen. Vooral principieel en systematisch blijven spreken met goed geïntegreerde migranten […].

Abicht onderstreept dat er tussen de IXde en de XIIde eeuw een verlichte Islam bestond, dat echter de kop werd ingedrukt.

Het feit dat deze verlichte strekking bestaan heeft maakt dat men niet kan zeggen zoals Hirschi Alli van Nederland, of Geert Van Istendael, Benno Barnard en barones Mia Doornaert dat de islam als als zodanig niet ooit terug een verlichte periode zal kennen. […] Als de massa van werkende moslims het beter zouden hebben, sociaal-economisch zouden emanciperen dan zou de verleiding van fundamentalistische groepen en imams al sterk verminderen. Als de islam als zodanig veroordeeld wordt, maakt men het nog erger. […] Godsdienst maakt indruk op mensen die een sociaal-economische en culturele achterstand hebben. In die zin bevestigt dat de kritiek van K. Marx op de godsdienst. Godsdienst is opium van het volk, hun miserie wordt erdoor verlicht. Tegelijk is het een vorm van protest.

Signaleren we ook nog een bijdrage van André Monteyne over 'Istanbul of het derde Ottomaanse Rijk', een lezenswaardige kluwen van (cultuur-)historische bespiegelingen en actualiteit.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Meervoud, 18de jg., nr. 163, december 2010, 52 p., ill.

Drukpersstraat 30, 1000 Brussel. Een jaarabonnement (10 nummers) kost 30 €, te storten op rekening nr. 001-2384501-26.

Partager cet article
Repost0
18 décembre 2010 6 18 /12 /décembre /2010 02:43

 

Mehro2.jpg

Met beste wensen voor het nieuwe decennium van de nieuwe groep WPG Uitgevers België ontvang ik vandaag een op het eerste gezicht nogal verwarrend, drie dagen geleden verschenen boek over / van/ rond Merho: wwwdeKIEKEBOES.be, een uitgave van Standaard Uitgeverij.

Wat ik voor ogen had, was een boekje met wat blogteksten en enkele illustraties, aldus Merho. Maar Johan De Smedt en Sven Denis kwamen met een heel ander concept. Veel revolutionairder. Nog nooit gedaan rond een strip en zijn auteur.

Ik heb altijd een zwak gehad voor Merho (pseudoniem van Robert Merhottein, Antwerpen, 24 oktober 1948). Twee vrienden van mij, nota bene twee Pink Poets, treden in zijn werk als gast.

De dichter Werner Spillemaeckers (°1936) figureert in De doedelzak van Mac Reel (het tiende verhaal van De Kiekeboes) als Dr. von Spillmachers, de uitvinder in dienst van Thimoteus Triangl die steevast in weerspreuken spreekt. Spillemaeckers schreef het eerste artikel dat ooit over Merho is verschenen. Merhottein verzorgde de lay-out en het omslagontwerp van Vanaf alfa (1970), een bundel kritische opstellen van Spillemaeckers, die in De bende van Moemoe (1987) te zien is in zijn professioneel milieu, nl. als griffier bij de rechtbank. Béber Tsuklatski, de gemene schaakkampioen in Een zakje chips (het veertiende verhaal van De Kiekeboes), is een cameo van sculpteur AlbertSzukalski (1945-2000), wiens spoken ook verhaalstof gaven voor De lollige lakens (1977), een kortverhaal van Suske en Wiske.

Terug naar het surfboek dat de webstek van Merho als titel draagt. Het vertrekt, aldus de uitgever in de inleiding,

van de oorspronkelijke web-omgeving waarvoor de teksten geschreven werden, het weblog van Merho en verloopt langs drie grote lijnen. Die lijnen tonen telkens de weg. Langs die lijnen, in de talloze tekstblokken, maak je kennis met slechts enkele van de vele 'open2thepublic write-bytes' van Merho. Het volstaat om elk van die lijnen te volgen doorheen het boek, tot de laatste pagina. Wie langs die lijnen surft, ontdekt Merho en de Kiekeboes ongetwijfeld op een bijzondere manier. De beelden en foto's bij de tekst zijn soms de ogen van Merho. In veel gevallen zijn ze illustratief bij zijn commentaren en bedenkingen. Vaak zijn ze enkel 'wallpaper', maar telkens relevant.

Dit bijzonder origineel vormgegeven, op het eerste gezicht onthutsende boek kan gerust gelden als een papieren projectie van het labyrintische net. De zoveelste metamorfose van de maniëristische concetti, geprangd tussen renaissance en barok...

Henri-Floris JESPERS

MERHO, wwwdeKIEKEBOES.be, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2010, 128 p., ill., gebonden, 24,95 €. ISBN: 9789002243264.

2011.jpg

Partager cet article
Repost0
15 décembre 2010 3 15 /12 /décembre /2010 01:21

 

duinker.jpg

Arjen Duinker [Delft, 31 december 1956] is een Nederlands dichter en prozaïst. Hij studeerde psychologie en filosofie in Amsterdam, Groningen en Leiden. Het typeert hem ten volle. Een zwerver die het gelijk altijd in vraag stelt en zoekende is. Het zoekende zelf in vraag stelt. Een slopende maar verhelderende bezigheid. Hij verfoeit uitvluchten en verontschuldigingen. Heeft lak aan voldongen feiten, omdat ze het gisteren niet waren en morgen nog minder zullen zijn. Al onvoldongen zijn, door de pretentie van hun voldongen presentatie. De waarheid bij Duinker bestaat niet. Hij reist om zijn visie dat de werkelijkheid een imaginaire realiteit is te versterken.

De poëzie van Arjan Duinker is on-Hollands. De gevoelens spatten van het blad af. Nuchterheid moet je in zijn poëzie niet zoeken. Wel dronkenschap door een teveel aan impressies waaruit hij met enige moeite toch zeer geslaagde gedichten puurt. Met enige moeite, schrijf ik, al lijkt dit niet zo. Eerder dat de versregels op het blad gevallen zijn als de dauw op de weiden. Toch is dit schaaf- en beitelwerk. Tot alle franje verdwenen is. Zijn gevoelens kleven niet aan bloed en aders, aan vet en darmen, maar aan bot en beenderen. Om de lezer, de luisteraar het merg op te dringen, maar zo dat het lijkt of het zelf zijn bewustzijn is binnengedrongen. Duinker vindt wat de lezer, de luisteraar zoekt.

Zijn inspiratie vindt Arjen Duinker door het afstoten van zijn Hollandse karakter en zigeuner te worden, een Indiaan die thuis is waar het onverwachte, de nieuwsgierigheid hem opneemt. Daar kan hij loeren en gewaarwordingen opdoen. Ze zijn zijn eten en drank. Ze houden hem in leven. Zonder zou hij verpieteren. De geest gaat voor het lichaam.

Sinds 1992 publiceerde Arjen Duinker in talrijke tijdschriften, hoe meer hoe liever hij het heeft. Een bewijs van onblusbaar enthousiasme. In 1988 verscheen zijn eerste bundel, Rode oever, in 2009 zijn laatste [maar niet allerlaatste, hoop ik, veronderstel ik], Buurtkinderen, waaruit dit gedicht geplukt werd. Tussen het eerste en het laatste liggen elf boeken, van eigen hand of in samenwerking met anderen. Origineel werk en vertalingen. Een roman. De rusteloosheid als delicatesse, dat gevoel komt bovendrijven als je over zijn leven leest en zijn werk ontleedt.

Een drietal prijzen vielen hem in Nederland al te beurt. In Vlaanderen is hij nauwelijks bekend. Daar moet dringend verandering in komen. Want hij hoort thuis in het rijtje van de grote performers, die ook in de heerlijke eenzaamheid van het eigen hoekje zich een plaats verwerft met de kracht van een tatoeage.

Guido LAUWAERT

En het is donker

 

Niets boven

Het bewijs

Voor de spottende grijns

Van het woord.

 

Wat moeten wij doen

Voor zo’n bewijs?

 

We moeten ons voorbereiden

Op stappen van enorme grootte.

 

We zullen ons moeten

Wassen en invetten.

Godverdomme, dan gaan we slapen!

Om wakker te worden

Met licht in de mond,

Het gevolg van zuippartijen,

De oorzaak van evolutie,

De samenhang tussen

Het kapmes en de buik,

De motieven voor humeurigheid,

De nasleep van leven

Zonder lippen.

Arjen Duinker

Partager cet article
Repost0
14 décembre 2010 2 14 /12 /décembre /2010 01:05

 

Ingmar2.jpg

Hans Ingmar Heytze [Utrecht, 16 februari 1970] kreeg kunst met de paplepel ingegoten. Zijn ouders namen hem regelmatig mee naar musea, tentoonstellingen en festivals. Op jonge leeftijd kwam hij al in aanraking met poëzie tijdens de [Utrechtse] Nacht van de Poëzie in 1985, een evenement dat een onuitwisbare indruk achterliet op de jonge Heytze.

Op 15-jarige begon hij met dichten. Tijdens zijn studie Algemene Letteren [tegenwoordig Taal- en Cultuurstudies] in zijn geboortestad werkte hij mee aan het Utrechts Universiteitsblad en het hogeschoolblad Trajectum en diverse commerciële en minder commerciële mediabladen. Een column verschijnt op maandag in de sportkatern van de Volkskrant. Sinds 15 maart 2009 is Heytze stadsdichter van Utrecht. Hij is tevens muzikant in een band.

Ingmar Heytze is bedrijvig op een keur aan poëzieterreinen. Tijdschriften, festivals, bloemlezingen, uitgaven individueel of in groepsverband, CD, wat er zich ook maar aanbiedt en het staat hem enigszins aan, hij springt enthousiast op de kar. Zolang het maar in of omtrent zijn geboortestad gebeurt. Want Heytze lijdt aan een extreme vorm van reisangst, waardoor zijn universum zich voornamelijk in de eigen regio ontplooide. Sinds hij een Vespa heeft gekocht en aan zelftherapie doet, weet hij zijn actieradius te vergroten. En nood breek wet, zelfs de geestelijke, zodat hij wel eens op een verafgelegen poëziefestival gesignaleerd wordt.

Naar aanleiding van een jubileumbundel schreef Gerrit Komrij het voorwoord, waarin hij onder meer over Heytze zei: ‘Hij is een cultuurproduct, schrijvend met het gemak van een natuurtalent, dat door zijn lichtvoetigheid en directheid het gebruik van grote woorden acceptabel maakt’.

De stijl van Ingmar Heytze is sec, op kamertemperatuur. Introvert, het afstandelijke openbarend. Heytze ziet de werkelijkheid van nu en die komen zal. Hij is tevreden een dichter te zijn, maar is zich tegelijk bewust van de relativiteit van zijn filosofische beschouwingen op papier. Dat wordt subtiel aangegeven in het slotvers van 'In deze tuin'. Het gedicht is een biecht. In een ander gedicht schudt hij zijn leeftijd van zich af. Een gedicht is een foto, maar de dichter een donkere kamer. De tijden schuiven in elkaar tot een fractie van een moment. Telkens voelt hij zich anders dan hij is, maar hij is nu eenmaal, zoveel is hem wel duidelijk, wie hij is. Daar ik geen ontkomen aan. Wat hij ook niet wenst. Hij stelt vast. Ingmar Heytze berekent zijn plaats als een kapitein ter zee met een sextant in de aanslag.

Guido LAUWAERT

In deze tuin

 

Ik heb de wereld lang vertrouwd. Te lang.

Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd

en alles was wel vreemd maar toch bekend

genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik

 

het vaak een half uur later weer en anders

deed het er niet toe. Goed, er waren altijd

nog de grote vragen waarop niemand ooit

een antwoord krijgt, maar die zag ik aan

 

van dag tot dag. Wat bleef ik goedgelovig

toen mijn hoofd werd leeggestolen, recht

achter mijn ogen: vreemde foto’s op de kast,

wie ik nog kende was verdwenen. Kijk, dát

 

vind ik nu verdacht. Berg uw camera maar

op, u bent te laat; vanochtend moffelde

een zuster, heb ik zelf gezien, de laatste

restjes van mijn wereld in haar binnenzak.

 

 

 

Partager cet article
Repost0
13 décembre 2010 1 13 /12 /décembre /2010 00:36

 

LuciferAffiche.jpg

Hoewel hielspoor een pijn zo scherp en smerig door het lichaam joeg en de geest bezette, zodat wij nauw’lijks een veter konden knopen, lieten wij ons voeren door d’ijz’ge kou van ’t goede Gent naar ’t kwade Antwerpen, alwaar een stuk toneel van den heer Joost van den Vondel werd opgevoerd. De cast was veelbelovend. Dame Sofie Decleir en de heren Koen Van Kaam en Jan Decleir, vader van de eerder al genoemde mooie freule, hadden voor het meesterwerk van Joost gekozen, Lucifer, dat menig student ten tijde der hoogtij van schooltoneel geserveerd kreeg op zijn bord.

Huisvriend Lucifer is een man naar ons zwak maar kloppend hart. Hij neemt niet zomaar het balken van de baas voor waar, noch plooit hij zich naar zijn dwaze kuren maar denkt na en roespeteert nog voor het eten is verteerd. Helaas, mijn hartsvriend beging een grove fout. Hij sloeg tilt en wilde God een lesje leren.

Zo is het gegaan. Volgens Joost, al werd veel ballast geloosd, ter wille van de korsten kaas en ‘t fletse bier dat al na een uur verhaal in het kombuis ter tafel ging. En ook Decleir, Decleir en Van Kaam liepen liever niet een marathon, dus hadden zij mes en schaar gezet in Vondels vondst.

Volgens Joost dus, verzuipt God in zelfgenoegzaamheid over zijn laatste daad, het kleiden van een pop die hij tot dansen ende schransen brengt met één ademstoot uit zijn gestichte keel. De overgrote meerderheid der engelen was opgetogen. Staande ovaties en kreten vlogen in het rond. Bravo! Geschapen naar uw beeld en weeld! Wonderschoon! Op een detail na, de neus, die kon iets beter, maar toch, hij lijkt op u, hemelse Vader! Hij is de aardse Heer! Wonderlijk! ‘t Werk van een genie!

God was zo gecharmeerd door de zotte lof dat hij de poppenmens nog meer verwende. Hij schonk hem een hof waarin lof en loof zouden gedijen en zijn richting kiezen. Hij was zo opperbest gezind dat hij de goede man een speelgoed gaf, een vrouw. Hij noemde de man A, en voegde er de plaats aan toe vanwaar de klei afkomstig was, een dam. De vrouwsnaam bleef vaag, Eva, wat slaat op wat hij dacht toen hij haar zag, in de pracht van hare blote vacht: é va! O la la! Man man man, geen die het beter kan!

De luiheid waarin God verzonk na ’t gevlij van neven en nichten, vrat aan ‘t gemoed eener minderheid van verwanten. Broed sloop in hun gemoed. Ook de verwenning van zijn laatste worp stond hen niet aan. Daarom eisten zij na fris gekonkel in een duister hoekje, waar geen wind hun woorden troonwaarts voeren kon, dat God de mens zijn goddelijke status ontnemen zou, zoniet was een strijd geboden en zouden zij de Heer der Heren ontdoen van kroon en troon, en zelf zwaaien met de scepter. Hun jammerklachten bereikten niet eens Gods boudoir. Zijn contente neven vergaderden en vreesden voor hun centen. Een kardinaal werd fluks gezonden naar de generaal der malcontenten.

Een seconde later stond Gabriël, een gewiekst politicus, voor Lucifer, een hete koppigaard en chef met vijf sterren op zijn kraag. Zinnen, d’ene koud, d’and’re stout, vlogen over en weer, maar geen van hen wou wijken. Typisch voor de rijken.

Ook Rafaël, een diplomaat in allerbeste staat, vond Lucifer noch Belzebub en Belial, de kolonels der revolten, bereid tot toegeving, al was het maar in schijn. Ze mochten blijven vliegen in de hemel als ze voortaan geen kemel meer zouden schieten.

Ten einde raad stond zelfs Michaël op – en bond een harnas en wat wapens aan. Hij schoof een dik gordijn open en toeterde een keur aan vloeken en verwensingen naar Lucifer en zijn allumeurs. De koppigaards en kopten voort, een strijd werd voorbereid.

En toen, en toen ging Lucifer neer. Al leek hij dood, hij hield een slotbetoog, waarin zijn opgang een neergang was, dat zag hij nu in. Hoogmoed! O hoogmoed, kind van Ambitie!

Maar, maar hoe kon de welbeminde snoodaard preken, dood is dood? Een goeie vraag. Van wie, van wie? Hij verdient het verzameld kroost van Joost. Het antwoord is zo simpel als een pasgeboren rimpel, en even driftig bonst het als de vondst. Poppen! – Na overleg met de acteurs en hun coach Jorgen Cassiers, was Frans Heirbaut in zijn atelier aan het masseren en monteren gegaan. Uit een pap van pulp schiep hij de oversten der beide kampen, gaf ze naar eigen geest een feest van kleur en in de rug een handvat. Drie acteurs kregen aldus zeven rollen klein, al konden het er ook acht of negen zijn. Wie vrij was nam een pop en hop! de planken op.

*

De voorstelling in Theater Zuidpool, dat zijn naam niet had gestolen, hield het midden tussen opera-comique en ballet-tragique. De kluchtigheid van het spel, gekoppeld aan het gesol met de poppen maakte alles zo waarlijk alsof het leek dat elkeen in de zaal getuige was van wat gebeurde in de hemel. In de hemel? Ja, in de hemel. Mensen werden acteurs en acteurs engelen, halfgoden. Zo waarlijk helpe mij God almachtig. Hij/zij werd assistent van de prominent. Een prachtvertoning. Want elk kent zijn rol en speelt zijn deel met verve.

*

Tot slot, beste lezer, een merkwaardig fenomeen. Nog maar begonnen met hun spel of daar verdween mijn pijn. Doch eenmaal het applaus eraus of hij drong zich weer op, feller dan voorheen, alsof mijn hielspoor iets in te halen had.

Het kwaad kwam echter al te laat. Mijn humeur was dusdanig opgewaardeerd dat ik mijn pijn ervoer als iets dat het midden hield tussen ‘t loeien van een koe met volle uier en ‘t geboer van ‘n kruier zonder ballen aan zijn lijf. Besluit: dit spel is goed voor gezonden en gezalfden, voor wie krank is en zweert onder zweren, geërfd van een nazaat van pater Damiaan. Voor armen van geest en al te welbewuste rijken. En ook, voor wie nog niet de kunst verstaat van strijken.

Guido LAUWAERT

Lucifer – Vondel – productie Theater Zuidpool – www.zuidpool.be

Partager cet article
Repost0
13 décembre 2010 1 13 /12 /décembre /2010 00:21

 

RogerDeNeef.jpgAnne van Herreweghen: Roger de Neef


Zaterdag 4 december werd in de Antwerpse galerie De Zwarte Panter de nieuwe dichtbundel van Roger de Neef, Luchthaven voor vogels, het leesvolk aangeboden.

Inleider van dienst was Wim Distelmans, radioloog en kankerspecialist, professor palliatieve zorgen en geneeskunde aan de VUB. In 2003 kreeg hij de Arkprijs van het Vrije Woord, voornamelijk voor zijn inzet voor de euthanasiewet. In Topaz, een comfortabel ingerichte villa met tuin in Wemmel, die nergens aan een ziekenhuis doet denken, worden patiënten met een ongeneesbare of levensbedreigende aandoening door vrijwilligers als ‘gasten’ met de wagen opgehaald en met de beste zorgen omringd zodat zij fysiek pijnvrij en met de hoogst mogelijke levenskwaliteit afscheid kunnen nemen. Roger de Neef is sinds zijn vertrek bij Belga in 2001 bij de werking van Topaz betrokken.

De inleider zei dat hij De Neef aan de borst drukt wegens zijn kurkdroge humor en de gesprekken die hij voert met de gasten. Zijn aandacht is werkelijk oprecht. Bovendien kan hij ‘feestelijk’ koken. Wat de gasten ontzettend waarderen en hun lijden verlicht.

Na de inleiding was het de beurt aan de dichter. Hij las een vijftal gedichten voor. 'Biografie', 'Ook vandaag', 'Het huis', 'Bovenal', en het vrolijk blozend gastronomische gedicht 'Hommage aan de tomaat'.

De voorstelling werd omlijst door prachtige en snedige solo’s van de gerenommeerde altsaxofonist Ben Sluijs.

*

De bundel spiegelt zich aan de samenscholing en de grote jaarlijkse herfsttrek van vogels die door ons als vakantietrip en in de overdrachtelijke betekenis, als levensbestemming kan worden ervaren.

De metamorfose van de mens die telkens opnieuw de zwaartekracht van zijn vlees verliest, afscheid neemt van wat hem vertrouwd is, tijdelijk verhuist, alles achterlaat, plots onbereikbaar, ja zelfs onbestaanbaar wordt. De mens die op artificiële wijze de eeuwenoude wetenschap en nieuwsgierigheid van een vogel, op weg naar ergens, probeert te evenaren.

De Neef heeft een tachtigtal korte en ook langere afscheidsgedichten geschreven die luchtig, ernstig, doorvoeld en herkenbaar zijn. Tezelfdertijd ondervragend en raadselachtig blijven. Voorts heeft hij bij het schrijven van die verzen kunnen putten uit zijn ervaring en jarenlange omgang en gesprekken met terminale patiënten in het dagcentrum Topaz. Twee gedichten als afsluiter.


Bovenal

 

Verkies ik Frankrijk

In dat land wil ik begraven worden

Omdat mijn vader en mijn moeder

Mijn broer en mijn zuster daar niet zijn geboren

Omdat allen die dicht bij mij in het leven stonden

Er niet hebben gewoond

Ook daarom wil ik in Frankrijk begraven worden

Begraven liefst op een zaterdag

Omdat mensen dan doorgaans ontspannen

En vergeetachtig zijn

Zij geven zich weg

Terwijl ze boodschappen doen handen schudden

Koffie slurpen kranten lezen

Ja in Frankrijk wil ik begraven worden

Constance zal zwijgen

Met de woorden die ik al altijd sprak

Zij zal bedroefd zijn

Doorschijnend als de regen

Ook zondag

Ook de dag nadien

 

Niets erger

voor Eddy van Vliet

 

Vrouwen knaagden aan hem

Kanker kapte hem kaal

Dankbaar is Eddy doodgegaan

Misschien was hij meer

Dan de dingen die wij vaak

Over hem hadden gehoord

Na voorlezing van

Dichters in het S.M.A.K. in Gent

Vertelde hij mij

Optreden doe ik liefst zoveel mogelijk

Niets erger dan tijdens je leven

Al vergeten te zijn’


Guido LAUWAERT

Roger DE NEEF, Luchthaven voor vogels, Gent, Poëziecentrum, 2010, 18,50 €. ISBN 9789056550547

Partager cet article
Repost0
10 décembre 2010 5 10 /12 /décembre /2010 21:11

 

HobikenBeeld.jpg

Frank De Vos, Bert Bevers en Peter Holvoet-Hanssen

Op zondag 12 december om 15 u zal het stadsgedicht ’De inwijkeling’ door zijn auteurs Bert Bevers, Peter Holvoet-Hanssen en Frank De Vos worden voorgedragen in kasteel Sorgvliedt, het districtshuis te Hoboken.

De inwijkeling

Oksel van de Schelde. Stervensklaar ben ik er aangespoeld.
Landbouwers, ze baarden zeebouwers en doopten ze in naam
van de Zwarte God in het schuim van Den Beer. Geen korenaar
die nog wiegt maar in de schaduw van de volle maan een reus.
Luistert naar het polderbos, metaalmoe. Rafelig de eik
maar weerspannig als de melkkar van Patrasche. Ik schuil en hoor:
“Morgen schijnt de zon als gisteren, een ster die schiet in ’t goud.”

Shana was hier – parkkiosk, wat groen – met Jessy en Yanice
en drie dichters, voor de foto. Een vos komt uit zijn hol. Hij schrijft:

Met een erehaag van woorden besmeren wij je boke
met de navel van de wereld, beetgaar, veelkleurig.
Hoe wijdbeens soms, stonden wij in verlopen tijd:
een knellende schoen, kortademig van huis tot stad gelopen.

Dan een beverhoofd. Die snor! Zijn antwoord is van ebbenhout:

Boke, bootje, Congoboot. Je bent verslavend als
een medicijn. Het hart moet rustig zijn, en kan dat
in een oude kroeg. Daar ginder achter in de polder
ligt een oot met Congob af. De oot zal nooit verloren

gaan. Ballades van inwijkelingen weerklinken er
met harde moed. Alsof je hier niet geboren hoeft
te zijn om hier vandaan te willen komen...

Peter HOLVOET-HANSSEN, Frank DE VOS en Bert BEVERS

Partager cet article
Repost0
10 décembre 2010 5 10 /12 /décembre /2010 20:28

 

AbkeHaring.png

Abke Haring

De première van Abke Harings nieuwe stuk in deSingel, gisteren, is niet onopgemerkt aan me voorbij gegaan. Niet in het minst omdat ik ernaar gekeken heb op een manier die evolueerde van afstandelijke observatie naar totale verinnerlijkte fascinatie. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik al van heel vroeg in haar carrière een beetje een boon heb voor Haring en wat en hoe ze dingen doet op scène. Maar diezelfde eerlijkheid gebiedt me ook te zeggen dat ik dit stuk met enige scepsis tegemoet trad. Niet uit vooroordeel ten aanzien van haar werk of zo. Eerder omwille van het feit dat er vier acteurs op de affiche stonden. Zijzelf en de heren Louis van de Waal, Ward Weemhoff en Jimmy Zoet. Weemhof en Zoet kende ik voor geen meter, Van der Waal des te beter. Nou ja, persoonlijk goed kennen niet echt, maar als acteur heb ik hem al enkele keren aan het werk gezien, o.a. toen ik meewerkte aan de film Miss Homeless van Daniel Lambo. Daarin speelt Van der Waal een dakloze die de hoofdrolspeelster een soort opleiding geeft in het dakloos zijn. Zonder daar hier verder diep op in te willen gaan, vermeld ik dat alleen maar om te zeggen dat hij me in die film niet echt kon overtuigen met zijn acteerwerk. En dat straalde een beetje af op mijn verwachtingen voor dit stuk. Onterecht zo blijkt. Wat Haring Van der Waal laat doen in dit stuk is dan ook niet acteren maar eerder ageren en debiteren.

Het stuk begint in een mistige duisternis waarboven een tickertapelicht een tekst weergeeft, woord voor woord als een soort telegram, met een geluidje erbij, waardoor het een zeer ponerend effect krijgt. In de mist staan vier figuren, tenminste, na een tijdje worden die allengs beter en beter zichtbaar. En dan gebeurt er iets wonderlijk: de figuren beginnen niet te praten, hoewel je dat zou kunnen verwachten omdat ze alle vier een microfoon opgeplakt kregen. Er gebeurt iets helemaal anders. Iets wat ik eigenlijk zelfs liever hier niet verklap. Omdat dat onverwachte dan eraf is. En ik schrijf dit stukje niet om mijn mening over het stuk perse te willen geven. Neen, ik schrijf dit stukje om die wie het leest naar het stuk zelf te krijgen. Ik zou kunnen beschrijven en omschrijven wat er dan te zien is maar dat ga ik dus niet doen. Alles wat ik er over zou zeggen zou ook maar deels beschrijven wat je ziet. Dus ga ik gewoon verder met hoe het stuk evolueert, namelijk meer en meer beklemmend en geconcentreerd. Je wordt in een universum binnengezogen dat verwarrend en fascinerend tegelijkertijd is. Je staart naar iets waarvan je je kunt afvragen waar je in godsnaam naar zit te kijken. Het bouwt zich zo op dat je ergens in het midden van het stuk het liefst zou wegkijken. Maar dat doe je niet (ik toch niet) want dat zou doodzonde zijn. Haring en de hare bouwen iets op dat geen standaard structuur heeft, geen dramaturgisch verloop dat je al van kilometers ziet aankomen. Er is geen verhaaltje of zo, het is een inkijk in iets hermetisch dat toch leesbaar is. Gevoel ontrokken uit gevoelloosheid. Degradatie die voortkomt uit gradatie. Het stijgt door te dalen. Dit is de enige manier waarop ik het kan omschrijven zonder het te verpesten. Dat alles wordt gekenmerkt door een visualiteit die zo essentieel is verbonden met het spanningsveld, dat meer zeggen onmogelijk is. De bewegingen van de 'personages' zijn daar allesbehalve vreemd aan. Het decor al evenmin. De scène staat vol met vreemde, schijnbaar utilitaire units, machines die volstrekt niet prijsgeven waar ze voor zouden kunnen dienen en volumes die iets suggereren maar ook niet meer doen dan dat. Het zijn de spelers die er in het stuk een relevantie aan geven. Het decor is van de hand van Jean Koeman die beeldend kunstenaar is en dat laat zich ook duidelijk voelen.

De elementen die het decor vormen staan op zich zolang de spelers er van weg- of van afblijven. En dat is dan misschien een puntje van kritiek, er zijn elementen waar de spelers helemaal niet aan toe komen en die raken dan ook wat verloren in het geheel. Ze worden dan stukken inerte constructie, best mooi om naar te kijken maar toch een beetje gemist. Ze betrekken in het stuk ware nochtans geen grote ingreep of verandering, maar dat gebeurt net niet of net te weinig. Andere delen van het decor hebben dan weer wel een min of meer duidelijke functie en komen wel tot hun recht.

De acteurs praten ook, als zou je dat van in het begin niet verwachten – zeker niet indien die vreselijk lelijke vleeskleurige wireless microfoontjes er niet waren – juist maar door de aanwezigheid van die microfoontjes weet je dat er iets gaat komen. En dat komt dan ook, in een vorm verwant met het tickertapelicht, stukken en brokken, staccato en aan elkaar gerijgd, springend van de ene naar de andere, schijnbaar onzinnig bij wijlen toch concreet op andere momenten. De tekst lijkt soms los te staan van de actie maar naarmate het stuk vordert blijkt dat niet zo te zijn. Er zijn twee stukken monoloog, zeg maar, en die bieden een beetje soelaas omtrent waar het in het stuk over zou kunnen gaan.

De grote verdienste van deze voorstelling is echter dat het niet essentieel is per se te weten waar het over gaat om de kracht ervan te ervaren. Je voelt vanzelf waar het over gaat. Dat moet niet uitgelegd worden. Wat je ziet en voelt pakt je direct bij de oren en het nekvel en de tekst is niet de motor. Daar zorgt de actie voor en dat maakt het, althans voor mij, een sterk staaltje theater. Een heel sterk stuk theater.

Kris KENIS

 

Hout” van Abke Haring is nog te zien in de Theaterstudio van deSingel tot 18 december 2010 (zie www.desingel.be voor practische info).

Gezelschap:Toneelhuis

Spel: Abke Haring, Louis van der Waal, Ward Weemhoff, Jimmy Zoet

Scenografie: Jean-Bernard Koeman

Coproductie: deSingel.

*

'Hout', een samenwerkingsproject tussen Toneelhuis en deSingel, is een regie van schrijfster, actrice en regisseur Abke Haring en de eerste 'wereldcreatie' in het kersverse Theaterstudio. Abke Haring volgde een acteursopleiding aan Studio Herman Teirlinck. De laatste jaren is ze verbonden aan Toneelhuis. Daar kon u haar onder meer bewonderen in een zeer pakkende dubbelrol van Ifiginea/Kassandra in Guy Cassiers' Atropa. In haar eigen regies gaat zij op zoek naar de grenzen van de communicatie. Met een genadeloos oog voor ontstane rituelen en de angst voor verandering. Abke Harings stukken zijn eigenzinnige afscheidsrituelen, ongewone dodenwakes, gebrekkige dialogen. Haar taal beschuldigt, vloekt, tiert, bidt en spot. Helder, precies en rauw. Zinnen als gestolde korsten op moeilijk te helen wonden. Haar favoriete thema is het gezin, opgevat als een arena waarin de leden schijngevechten en machtsspelletjes uitvechten. Een oord waar de armoede van de onmacht heerst. (Bron: website deSingel)

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche