Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
24 février 2011 4 24 /02 /février /2011 18:32

 

Aeschylos is de oudste van de drie grote Griekse tragediedichters, en daarom ook wel de uitvinder van het genre genoemd. Naar het schijnt streed hij in verschillende veldslagen, onder meer bij Marathon tegen de Perzen. Niet onmogelijk, geloofwaardig zelfs. Al zijn toneelstukken zitten vol strijd, bloed, dood en zege. Twee invloedrijke factoren zijn hiervoor verantwoordelijk: ambitie en macht. Samen vormen ze het menselijk lot.

Negentig toneelstukken heeft Aeschylos geschreven; 79 titels zijn bekend. Helaas zijn slechts zeven treurspelen bewaard gebleven. Van die zeven is Prometheus geboeid de enige Griekse godentragedie. Het gaat over het stelen van het vuur door de god Prometheus om de mensen de kracht te geven het kwaad te bestrijden en het goed te belijden. Niet naar de zin van Zeus, die altijd in was voor wat lekkere ambras. Hij zond een schone juffrouw met een prachtig kistje naar de vlakte. Zij kreeg de broer van Prometheus zo ver om te kijken wat erin zat. Nauwelijks was het deksel van de doos, of, floep, alle mogelijke rampen en ziekten ontsnapten. Door een snelle ingreep van de eigenares, Pandora, bleef enkel de hoop in de doos zitten. Net dat wat de mens nodig heeft om van de nood een deugd te maken. Wie dacht dat Zeus’ wraak met die smerige streek van nicht Pandora gestild was, moet vroeger opstaan. Hij liet Prometheus door zijn acolieten naar de eenzaamste wildernis sleuren en aan ketenen vastklinken aan een rots boven een afgrond. Maar eeuwen later werd Prometheus door een brave god bevrijd. Hij leefde nog lang en gelukkig, dankzij een ijzersterke lever.

*

De grootsheid van Aeschylos zit hem in het feit dat hij een religieus denker was. De dramatisering bood hem de gelegenheid tot bezinning op de problemen die het verstandelijk vermogen te boven gaan. Troost om die onmacht vinden de mensen, van de sukkelaar tot het genie, in de poëzie en de emoties. De daden van de mensen zijn belangrijk, maar zonder woorden zijn ze waardeloos. Harry Mulisch had dat al begrepen, vandaar zijn boek Het woord bij de daad uit 1968, waarin Fidel Castro de Cubaanse held en god is.

Ook Jan Fabre is zich van de kracht van het woord bewust. Dat bewees hij al in eerdere producties, maar in zijn nieuwste is het opvallender dan ooit. Daarom dat hij voor het woordgedeelte een beslagen kerel in de retoriek heeft geëngageerd, Jeroen Olyslaegers. In acht monologen laat hij evenveel notabelen van de Olympos een interpretatie geven van de feiten. Meningen kwetsen en oordelen botsen. Van gelijke waarde zijn de beelden die de rebellie gestalte geven. De diepte ervan is Wagneriaans, de breedte Felliniaans. Eenvoudig gezegd: Jan Fabre is een operaregisseur met filmische trekjes. Woord en daad worden één. Een oceaan van impressies krijgt de toeschouwer over zich heen. En boven en over en onder en door die oceaan woedt het woedende vuur, de bron van alle passies. Het verwoest de beschaving. Kortom, Jan Fabre toont in Prometheus Lanschap II dat de cultuur de natuur vernietigt, maar evengoed dat de natuur de logische vijand is van de cultuur.

*

Beeldend spectaculair, tekstueel is deze voorstelling echter zwak. De monologen en de zeldzame dialogen van Jeroen Olyslaegers wegen loodzwaar, zijn pathetisch, vergezocht en clichématig. Ze gaan gauw vervelen en beschadigen de aandacht. Rechtlijnig, nooit eens een stijlbreuk, een luchtige uitwassing, de dreiging gaat maar door en door. Dat de toeschouwer aan een half woord voldoende heeft om er anderhalf van te maken is hem blijkbaar ontgaan. Hij wil dramaturg en filosoof spelen, maar blijft steken in de toogpraat van een dronken, uitgerangeerde professor gemaakt van plagiaat.

Jan Fabre zal het ontkennen, hem kennende, maar zelfs hij heeft blijkbaar moeite gehad met de tekst, zoniet had zijn beeldend palet meer schildering gehad. Vuur is het centrale gegeven, dat klopt, mar je kan niet eeuwig in de vlammen staren. Zeker niet als de vuurspuwers, vuureters, vuurkotsers, vuurkakkers elkaar verdringen, over elkaar vallen en elkaar in brand trachten te steken, met op het achterdoek zonne-erupties. Ze worden onderbroken door maanstanden. Wanneer de maan voor een zonsverduistering zorgt en de muziek aanzwelt is het einde nabij. De muziek van Dag Taeldeman, dat moet gezegd, is indrukwekkend.

Het spelen met vuur, het vurig spel, de vuurprojecties overstijgen de aardigheid niet. Het is duidelijk dat er weinig verbeelding is gebruikt om aan dit vuurspektakel een diepere betekenis te geven. Goed, de wereld staat in brand, op de ene plek al wat erger dan op de andere. Momenteel is het Midden-Oosten de grote vuurbal, en op een zeker ogenblik zal de aarde meer dood zijn dan de maan.

Met zijn tweede versie van Prometheus, vandaar Landschap II in de titel, heeft Jan Fabre niet voor een feu d’artifice de grande qualité gezorgd. Hij kan beter, veel beter. Want hij is een grootmeester, een theatraal kunstenaar par exellence. Hopelijk is een minder werk de voorbode van een productie die de toeschouwer bij de keel grijpt, door in het centrale gegeven iets te ontdekken wat niemand anders zag. Ach, iedereen heeft al eens een mindere dag.

Guido LAUWAERT

Prometheus Landschap II – Jan Fabre / Troubleyn gezien op 23 februari in de Singel – www.troubleyn.be

Partager cet article
Repost0
23 février 2011 3 23 /02 /février /2011 05:23

 

Fisk.jpg

Robert Fisk


Wat vermag de waarheid, naakt en koud tegen de versiering en de

de aantrekkelijkheid van de leugen.’(Anatole France)

 

 

Taal, mijn taal. Waarom blijft mijn begeestering en fascinatie voor deze onmin duren? Omdat ik er niet buiten, niet zonder kan?

Het is en blijft een pracht van een hoer, wulps en te koop voor al wie haar wil betalen, een mutant uit een goedkope sciencefiction film, iemand met drie of meerdere armen of ogen en waarvan je niet weet welke hand je moet schudden en in welk oog je kijkt.

Sinds we onze grot verlieten, het gezucht, gekuch, gerochel, het gekreun, de onomatopeeën in verstaanbare klanken stierven, besloop de ontmanteling in woorden, begon het uitdijen op water in een beweging met concentrische cirkels . De afgeketste stenen staken we op zak. Ze blijven nat. (1)

Opmerkelijk is de verfijning van deze ontrafeling. Opmerkelijk hoe in oorlogstaal de meest lieflijke adjectieven worden gebruikt voor het meest brutale dat de mens kan aanrichten.

Denk maar aan het woord ‘zijdelingse schade’ of ‘collateral damage’ dat zo deskundig en afgemeten wordt gebruikt in ‘The Land Of The Free’. Alles werd ontvleesd, het slijm en bloed van open gescheurde ingewanden fijntjes weggesneden. Denk maar aan ‘gericht uitschakelen’, ‘ veiligheidszone’, ‘veiliger toekomst, of de kwaliteitslabels op wapenbeurzen zoals ‘combat proofed ‘ betrouwbaar en innovatief’, ‘geworteld in traditie’, ‘een nieuw ras van vliegtuigen’ met ‘brein en spierbundels’, ‘ vergeet-projectielen’ met een ‘stalen regen’. Denk maar aan een slachtpartij die wordt herleid tot een ‘tragedie’. Op zijn Grieks dus zoals Sophocles ze schreef. Een bezet gebied wordt ‘betwist’ gebied, alsof het een zaak van roerend goed betreft, aanhangig gemaakt voor een rechtbank, een fout wordt vertaald tot ’bewijs’.(2) Prozaïscher kan het niet.

Deze woordverbindingen ogen als een keurig, nieuw samengesteld gezin. Deze schat is eindeloos potsierlijk. Ze scheren als een tondeuse een bikinilijn die de wildgroei van schaamhaar schaamteloos beheert.

Zijdezoet wordt taal verkracht, misbruikt, de semantiek ondergraven.

Men plaatst het dranghekken waarmee de afschuwelijke vernietiging netjes op afstand wordt gehouden. Het heeft ons ook mentaal voorbereid op de coma van het kritiekloos aanvaarden. Door dit woordgebruik wordt de verschrikking zo ver mogelijk van ons zacht donsbedje gehouden. Het zoete ervan hangt als een wellevende paperclip aan onze tong. Het werd rijkelijk ‘ingebed’ en ‘gecontroleerd’ met een haast kerkelijk imprimatur, op de scharnieren van ‘veilige definities’ door verre hoofdkwartieren vrijgegeven. We draaien deze evangelies als honingdraden door onze ochtendthee bij de dagelijkse krant.

Hoe ver staan wij opnieuw van een genocide op Armenen, een Auschwitz voor Joden, de Einsatzgruppen aan het Oostfront die verder gingen dan wat werd bevolen, My Lai, de Falangisten in Shabra en Shatila, de uitroeing van Moerasarabieren in Irak, de embargo’s

op medicijnen voor de behandeling van kankers bij kinderen die werden veroorzaakt door munitie met uranium die weliswaar teder werd verarmd?

Ondertussen klettert het in Centraal Afrika en Afghanistan, liggen de lucifers voor de brandstapels in Jemen en Iran in de hand.

Hoe versteld zullen wij weerom staan? Voor hoeveel waaromvragen zullen wij weerom staan bidden, de afschuw uiteindelijk in opgedragen missen? Hoeveel bibliotheken zullen wij met het waarom op het wrakhout van het gekapte regenwoud weerom bevolken?

Het simpele antwoord is: ‘omdat wij er klaar voor waren’. We zullen er altijd klaar voor zijn. Wij staan er altijd middenin. Onze daden worden omzichtig, haast ingetogen verwoord, met finesse geciseleerd en fijn gesneden, klaar voor de court-bouillion waarin het tot een lekker kreeftje wordt gekookt. Deze ‘purity of arms’ met ‘onze helden’, ‘de bewakers van recht, geloof of democratie’(3), gebruiken wij als een ontgeurder voor het geronnen bloed op het toilet van deze taal: een luchtverfrisser met de gebruiksaanwijzing ‘Gelieve tweemaal te drukken na het drukken’.

Vorig jaar vroeg de Navo aan België om bijkomende soldaten voor Afghanistan. Gelukkig zitten wij in dit voorlopige land met een voorlopige regering zodat op deze vraag niet kon worden ingegaan.

Laat ons eveneens hopen dat de prille stem van vrijheid die nu over het nabije oosten waait niet zal worden gesmoord door theocratische krachten zoals in Iran.

Frank DE VOS

(1) Ik persifleer hier de beeldspraak van José Hierro uit de inleiding van zijn prachtige, laatste bundel ‘Cuaderno de Nueva York’ die ik jaren geleden op een bank in Santa Cruz de Tenerife las. Deze grote Spaanse dichter ontving voor zijn oeuvre tal van literaire prijzen zoals de Premio Principé de Asturias en de Premio Cervantes de las Lettras. Hij stierf in december 2002.

(2) De tussen aanhalingstekens geplaatste woorden in deze alinea komen uit het indrukwekkende The Great War for Civilisation -The Conquest of the Middle East van Robert Fisk. Jarenlang was hij verslaggever voor The Independent. De titel van deze krant is letterlijk te lezen. Wanneer ik hem las, gaf ik hem steeds het epitheton ‘De oprechte’.

(3) Deze werden kriskras uit de mond van geopolitici geplukt en van commentatoren uit de media.

 

Partager cet article
Repost0
22 février 2011 2 22 /02 /février /2011 04:53

 

Chereau.jpg

Patrice Chéreau (foto: David Adémas )

Een man en een vrouw.

Leeftijdsverschil één generatie.

Ze hebben ooit wat met elkaar gehad.

Ze ontmoeten elkaar opnieuw.

Op de begrafenis van de grootmoeder van de man.

Plaats: het kerkhof.

Op de achtergrond doolt de grootmoeder.

In de typische kledij van een rusthuis.

Nonchalant. Nachtkleed en lichte kamerjas.

Na een lange aftastende periode raken ze aan de praat.

Schoorvoetend. Korte zinnen. Lange stiltes.

Emoties koel en kaal. Suggestie van verbondenheid.

Hun verhouding ontbladert.

Zij is alleen. Hij is, nog steeds, getrouwd. Heeft een zoon.

En ouders. Die een voor een verschijnen.

Zich gaandeweg mengen in het gesprek.

Relaties raken verstrengeld. Een kluwen.

Verleden en toekomst gaan op in het heden.

Langzaam wordt een beeld scherp.

Ils viennent rechercher leurs bonbons.

Weggestopt in droom en daad van het bestaan.

De opstaande diagonalen van een gelijkzijdige driehoek.

Liefde en dood. Droom en daad. Elkaar raken.

Eén eenheid. Die verdord. Telkens opnieuw. In de herfst.

Wanneer het sterven begint en de liefde versteend.

Enkel details overblijven. Die geen details bleken te zijn.

Rivierbeddingen. Eens wild en warm. Nu koud en kaal.

En toch. Toch is er dat bestaan. Dat geweest is.

Om dood te kunnen gaan. - En de liefde?

Geen vraag over de liefde heeft een antwoord.

Heeft enkel een omcirkelende beweging.

Die de vraag verstikt.

Een zin die de zin van het bestaan verklaart.

Voor Jon Fosse. De auteur:

Misschien is het de liefde die de doden verlost.’

Misschien. L’amour c’est la vie de la mort.

Regisseur Patrice Chéreau is een grafdelver. Hij haalt uit de grond van een toneelstuk, een opera de vruchtsteen te voorschijn en breekt die open om de pit te vinden waarmee de auteur, de componist het vruchtvlees van zijn schepping heeft gemaakt. Waarmee hij vervolgens aan de slag gaat. Voor Rêve d’automne heeft hij het kerkhof verlaten en heeft hij gekozen voor een ander soort begraafplaats, een museum. Ook in een museum worden de doden gewekt. Door de liefde voor de kunst. Wat lag meer voor de hand dan het Louvre, het museum dat in Parijs haast naast zijn deur is gevestigd. Binnen loopafstand. Samen met zijn vaste scenograaf Richard Peduzzi hebben ze gekozen voor de Denon-vleugel als decor. Hij is nagebouwd vanuit een schuin gezichtspunt. Dat perspectief levert de basis voor de relativiteit van de tijd, een verzinsel van de mens. De naambordjes naast de (uitgeleende?) schilderijen worden de opschriften van de grafstenen. De samenkomst, in het stuk al door het opgaan van de tijden in elkaar onrealistisch, wordt door Chéreau nog aangedikt tot zij een verrijzenis is. Maar Fosse is zo zwartgallig in zijn stukken dat over de doden niets dan slechts kan worden gezegd. Liefde is valse haat.

In het majestueuze decor dolen de acteurs rond als geesten. Chéreau is zeer ver gegaan in zijn regie. Dat blijkt al door de keuze van het decor. Maar ook de beweging van de acteurs heeft hij tot in de finesse geregeld. Het lichaam is taal voor hem. Het kleedt de pauzes en verwarmt de dialogen. Ten bate van de emoties, die stroef zijn bij aanvang en aan het eind loodzwaar. Extra glans aan Jon Fosse’s Draum om hausten uit 1999 geeft Chéreau door de Franse spreektaal zijn van nature zangerige toon te ontdoen. De spelers heeft hij hun naturel laten behouden, wat diepte geeft aan hun rol. Een keur aan spelers trouwens.

Na Nooit van elkaar is Rêve d’automne het tweede stuk van Jon Fosse dat in een week tijd in de Singel wordt vertoond. Boven het cadeau dat de theaterliefhebber wordt gegeven, de kennismaking met een hier te lande zo goed als onbekende auteur, is het extra weldadig dat twee verwante regisseurs te gast waren in de Singel. Verwant, zeer zeker, want Patrice Chéreau was de grote leermeester van Ivo van Hove. Om die koppeling moest deze [niet voorziene] recensie geschreven worden. Als ode aan Fosse, Chéreau, Van Hove en De Singel. Een kunstencentrum dat zich meer en krachtiger dan het al was manifesteert als een theaterhuis waarin stijl en klasse de boventoon voeren.

Guido LAUWAERT

RÊVE D’AUTOMNE – Jon Fosse – productie Théâtre de la Ville [Parijs], De Singel en Musée du Louvre - www.desingel.be

Partager cet article
Repost0
22 février 2011 2 22 /02 /février /2011 04:33

 

JonFosse.jpg

Jon Fosse (foto: Rune Johansen)

Og aldri skal vi skiljast, eerder vertaald als Scheiden zullen we toch nooit, was de eerste theatertekst van de Noorse schrijver Jon Fosse. De ene ziet in hem de nieuwe Beckett, een andere de nieuwe Ibsen en een derde linkt hem met Strindberg. De waarheid is dat hij een toneelauteur hors categorie is. Door hem met voorgangers te linken wordt bedoeld dat hij wel te plaatsen maar in wezen ongrijpbaar is. Zijn toneelstukken vertrekken niet vanuit een gebeurtenis. Wat mogelijk zou kunnen zijn, is belangrijker dan hoe iets geweest is en hoe dat geïnterpreteerd werd. Voor John Fosse is het subjectieve de enige waarheid. Elk stuk is een Traumdeutung.

De nieuwe vertaling van Alexander Schreuder benadert die benadering meer dan de eerste. Dat valt al op bij de titel Nooit van elkaar. Niet eenduidig. Meerdere interpretaties zijn mogelijk. Een vrouw wacht in een flat op de terugkeer van haar man. Waar hij is, wat hij deed of doet, is niet belangrijk. Het vermoeden van de vrouw om wat er in de wachttijd gebeurt, brengt haar tot het besef dat hoe sterk en intens een verhouding ook is, we nooit zeker zijn van elkaar, en dat ook nooit zullen zijn. Zij denkt natuurlijk aan een andere vrouw, uiteraard veel jonger dan zijzelf is, en is bang dat hij verliefd wordt. Een keer vreemd gaan, ach, moet kunnen, maar misschien wordt hij wel verliefd.

De fantasie in de verbeelding van Nooit van elkaar haalt andere schrijvers en beeldende kunstenaars voor de geest. De denker van Rodin is prachtig, maar het meesterlijke zit hem in het suggestieve. Waaraan denkt de man? De schilder Edward Hopper. Zijn schilderij uit 1926 Eleven a.m. Een naakte vrouw zit in een zetel en staart uit het raam, de beide ellebogen op de knieën. Zij kijkt, maar ziet zij wat? In het slotverhaal van Dubliners, van James Joyce, The dead, wordt Gabriël, het hoofdpersonage, onttroond door zijn vrouw. Gretta vertelt dat een lied, dat gezongen werd op het kerstfeest waar ze net vandaan komen, haar deed denken aan een jongeman die zo stapel op haar was dat hij ziek werd en stierf. Geen schuldgevoel maar een zekere verantwoordelijkheid voor zijn dood draagt zij met zich mee. Gabriël is geschokt. Het vertaalt zich in de prachtzin:

He tought of how she who lay beside him had locked in her heart for so many years that image of her lover’s eyes when he had told her that he did not wish to live.

Alles in Nooit van elkaar is suggestief. Behalve de vrouw zelf. Of misschien toch wel. Ten slotte is ook zij verzonnen door de schrijver. Die zich in de plaats van toeschouwer heeft gesteld en een nare dagdroom heeft verzonnen. Ieder van ons heeft af en toe nare dagdromen. Ik mag er niet aan denken dat ik een van mijn kinderen verlies. En toch denk ik eraan en stel mij daar van alles bij voor. En net zoals dat in onze nare dagdromen gebeurt, gebeurt dat ook in de nare dagdroom uit Nooit van elkaar. De tijden vervagen, verdwijnen en maken plaats voor een magisch realisme. Die op zijn beurt leidt tot angst. Dezelfde angst die Fridolin overvalt in het verhaal Droomnovelle van Arthur Schnitzler, meesterlijk verfilmd door Stanley Kubrick. De film heet Eyes wide shut. De overheersende blik in de film is de blik van de angst. De oogleden bevroren, het oogbeeld staat stil. – Dat de vrouw en het meisje identiek gekleed zijn, versterkt daarenboven het suggestieve karakter van het verhaal.

Dat alles schoot door mijn hoofd bij de voorstelling. Regisseur Ivo van Hove is zo bedreven dat hij de toeschouwer in een hogere dimensie tilt dan het stuk (en dus de auteur) al doet. Hij wordt daarbij goed geholpen door Chris Nietvelt, Gijs Scholten van Aschat en Hélène Vos. Zij spelen de vrouw, de man en het meisje. Drie naamloze personages. Het sleutelwoord in al hun clausen is ‘wachten’. Als hij zegt ‘Je mag mij niet verlaten’, zegt hij in feite dat hij op haar zal wachten. Zegt het meisje ‘Komaan we zijn weg’, hoor je ‘ik ben het wachten beu’. Identiek voor de vrouw. Haar clausen zijn nauwelijks tot niet omfloerst. Zij: ‘Je was zo lang weg / Maar nu ben je weer hier / Je was weg / alsof je dood was / Ik zat hier te wachten / Ik wachtte en wachtte / Ik zat hier te wachten / I wachtte en wachtte / En natuurlijk het leven is wachten / …’

Fosse te bestempelen als de nieuwe Beckett, zoals Le Monde deed, lijkt me nogal vergezocht. Wachten is niet des Becketts. Wachten doen we allemaal en voortdurend. De helft van elk uur gaat op aan wachten. Inspiratie, een laatkomer, een trein, het eten, de dokter, de geboorte, de dood. De drie zusters van Tsjechov wachten, Hamlet wacht, Medea wacht, de hele bevolking wacht. Zelfs als we iets doen wachten we nog. Ik tik om niet zenuwachtig te worden van het wachten op de postbode. Belangrijker dan wachten in Nooit van elkaar is de angst die tot bangheid leidt. Angst en bang zijn wel verwant maar geen synoniemen. Vooral Chris Nietvelt weet dat duidelijk te maken. Haar rol is er voor gemaakt, maar de naakten kleden is niet voor niets een werk van barmhartigheid. Dat wachten ook een onmacht uitdrukt is extra meegenomen. Dat wordt onderstreept door het herhalen van de herhaling van het herhaalde goede, en kwade.

Plateaus van het denkpatroon schuiven over elkaar en verzinken. Met muziek van Plink Floyd. Heerlijk om weer eens The dark side of the Moon te horen, al waren het maar korte fragmenten. Aan het eind dringt een liedje uit de musical Sound of Music de ruimte binnen. Zonder Suiker. Jazzy version. Mistig op de hand, dauw in de stem. Het klinkt opnieuw als het publiek de zaal verlaat. Een vaarwel. Maar niet van de voorstelling. Die blijft talk of the town in het foyer, op de terugreis.

Een subtiele en gestileerde voorstelling. Bescheiden en toch indringend. Toch (wat een lelijk woord) moet mij iets van het hart. De voorstelling had een vijfde ster verdient als de uitspraak van het meisje Hélène Vos verzorgder was geweest. Haar vuile Antwerpse A kwetst het genot van het angstlied. Gijs Scholten van Aschat loopt er slordig bij. Hij kan veel beter, dat moet dus beter. En het dempen van de gevoelens had de spanning versterkt. Een nare dagdroom suggereert gevoelens, ze toont ze niet.

Guido LAUWAERT

Nooit van elkaar – Jon Fosse toneelgroep Amsterdam en de Singel -regie: Ivo Van Hove – productie: Toneelgroep Amsterdam – vanaf 19 april tot 19 mei in stadsschouwburg Amsterdam – www.toneelgroepamsterdam.nl

Partager cet article
Repost0
21 février 2011 1 21 /02 /février /2011 07:08

 

In januari 1979 verscheen in de reeks Manteau Marginaal een boekje van de hand van Freddy de Vree, Marcel Broodthaers, Marcel Broodthaers. De auteur heeft Marcel Broodthaers [1924-1976] erg goed gekend. Het lange, smalle boekje van 65 bladzijden valt uiteen in twee delen, vandaar de verdubbeling van de naam van de kunstenaar in de titel.

fdv2.jpgFreddy de Vree

Het eerste deel is een in boekvorm gegoten verslag van radioreportages die De Vree gemaakt heeft voor BRT3 – de voorloper van Klara - rond Broodthaers. Het tweede deel is een analytisch portret en een intimistische benadering. Een monografie, met andere woorden, geschreven vanuit een persoonlijk engagement met zowel de kunstenaar als de mens. Zeer leerzaam, een aanrader.

Deze hommage, mag je wel zeggen, wordt heruitgegeven in mei van dit jaar, als deel 8 in de Belgica-reeks van uitgeverij Voetnoot. De redactie van de reeks is in handen van David Leyman, journalist bij De Morgen. In een nawoord schetst Ludo Bekkers een portret van Freddy de Vree. De plaats en de waarde van deze erudiete man wordt er door belicht, en dat werd tijd. In de tweede helft van de vorige eeuw is hij een vurig propagandist geweest voor vele kunstenaars, waaronder Hugo Claus, Roland Topor, Willem Frederik Hermans en Pierre Alechinsky. Freddy de Vree wist door een oprecht gemeende vriendschap gekoppeld aan een journalistieke steun, heel wat diepere informatie te verwerven. Het soort informatie dat inzicht geeft in de combine leven en werk. Het leven van de kunstenaar in functie van zijn werk, en het werk als getuige van zijn leven.

Wat het boekje bovendien een hogere waarde geeft, is de tederheid van het geheel. In de omgang was De Vree zeer koel, maar dit was slechts schijn. Een spel als test van de tegenpartij. Eenmaal geslaagd ontdooide De Vree. Hoewel de koelheid niet altijd verdween. Maar wie goed zag, rook een zwartgrijze humor.

Het slot van dit juweel toont de juistheid aan van de visie op het boekje en zijn auteur: ‘Terwijl de avant-garde haar triomfen begon te vieren en door musea en salons trok, rolde Marcel Broodthaers de loper op en smeet hem in de hoek. Hij was gearriveerd. Waar? Nergens. Hij was doodop, lichamelijk uitgeput door de ontberingen van vroeger en daaraan zou hij sterven, zoals Asger Jorn. Levercirrhosis, algemene verzwakking. Hij had overwonnen, hij had de eeuwigheid bereikt, hij viel samen met zijn handtekening, zoals voorspeld in het filmpje waarin de initialen MB in beeld zijn [La signature]. Hij had voorgenomen, zich uit de kunst terug te trekken, het circus te verlaten.

Hij was ziek. Men had hem opgenomen in een ziekenhuis in Keulen. Hij zou die dag jarig zijn. Slapend lag hij te sterven; althans hij deed alsof hij sliep, drukte zijn vrouw Maria de hand en verdween uit het leven.’

Guido LAUWAERT

Freddy DE VREE, Marcel Broodthaers, Marcel Broodthaers, uitgeverij Voetnoot, 56 p., 8 €, ISBN: 9789078068778

Partager cet article
Repost0
20 février 2011 7 20 /02 /février /2011 21:40

 

Bart-StoutenMuHKA-048--2-.jpg

Bart Stouten

Vandaag werd in het MuHKA de nieuwe bundel van Klara presentator Bart Stouten voorgesteld aan een talrijk opgekomen publiek. Inleider Frans Boenders was op het laatste ogenblik verhinderd. Bart Stouten nam dan zelf plaats voor de indrukwekkende muurschildering van Keith Haring. Toen hij in zijn welkomstwoord de 95-jarige Marcel van Jole begroette werd deze op een warm applaus onthaald.

Bart-StoutenMuHKA-034--2-.jpg

Marcel van Jole

Luitist Floris De Rycker verzorgde de muzikale intermezzi. De Rycker die ook muzieksamensteller is bij Klara is vooral bekend voor zijn medewerking aan o.a. graindevoix en Capilla Flamenca, vertolkte een aantal stukken van de 16eeeuwse Britse componist John Dowland wiens weemoedige luitmuziek treffend aansloot bij Bart’s poëzie. De dichter las dan op zijn eigen voortreffelijke wijze enkele fragmenten voor.

Bart-StoutenMuHKA-023.jpgFloris De Rycker, Jean de Crée en Marleen de Crée-Roex

In Tussen dood en herlevenverklankt Bart weer de thema’s die ook een rode draad vormen in zijn vorige bundels: dichterschap, tijd, leven en dood. De inhoud bestaat uit twee cycli, de eerst is een dagboek waarin elk gedicht een uur van de dag is. Het tweede deel is een sonate van de dood :…

dood

een ster

een plukbare bloem

in twee ogen

achter een masker van kennis

 

dood

door de handpalmen van het geheugen

een heldere gedachte

in de Tijd-

waarom bang zijn

voor dat woord

voor de afstand

tussen mijn ogen

en de krullende letters

in de leegte?

waarom die afstand inperken?”

 

Rita Compair persmedewerkster van het MuHKA uitte haar tevredenheid om de grote belangstelling voor het evenement.

Uitgever Leo Peeraer tenslotte prees Bart Stouten om de groei in zijn dichterschap die in deze nieuwe uitgave tot uiting komt en overhandigde het eerste exemplaar aan Bart Stouten .

JvdB

Bart-StoutenMuHKA-079--2-.jpgErnest van Buynder

Bart-StoutenMuHKA-017--2-.jpg

Joke van den Brandt en Frank De Vos

Tussen dood en leven”

Uitgeverij P 2011 / 64 p./ 16 €

ISBN 978-90-79433-65-0

Partager cet article
Repost0
20 février 2011 7 20 /02 /février /2011 18:20

Gisterenavond werd Meisje dat ik nog moet (De Bezige Bij), de eerste bundel van Y.M. Dangre, in beperkte kring voorgesteld in de Vriesdonkzaal van het Sint-Michielscollege te Brasschaat.

LucP.jpg

Luc Pay (foto: Geert Bastianen)

Inleider Luc Pay onderstreepte dat Dangre zich in zijn roman Vulkaanvrucht (2010) ontpopte tot een 'woordenfluisteraar, wat in proza niet altijd even opportuun is.'

In de poëzie van Dangre leidt echter de 'superieure taalbeheersing' van de dichter

tot verbluffende verbale pareltjes die bulken van de betoverende omkeringen, ontroerende metaforen, woordspelingen en allusies, betekenisverbanden en verwijzingen (bv. naar de klassieke Oudheid) waarbij abstract en concreet, synesthesieën of lichamelijkheid en taal probleemloos in elkaar overgaan. Dangre beheerst de kunst om de lezer op een erg subtiele manier op het verkeerde been te zetten, bv. met verdraaiingen van bekende zegswijzen of een onverwachte spelling die een woord doet kantelen in een ander.

Vandaar een verrassende, verfrissende en tegelijk warme lyriek boordevol ironische knipoogjes die speels en organisch uit zijn pen vloeien.

YMsigneert.jpgY.M. Dangre signeert (foto: Geert Bastianen)

Poeta doctus en poeta faber Dangre geeft blijkt van wat men in de Renaissance 'sprezzatura' noemde: het talent om op een schijnbaar nonchalante, onopvallende wijze zijn virtuositeit te etaleren, aldus Luc Pay.

Meisje dat ik nog moet (De Bezige Bij), kwam medio januari in de boekhandel. De eerste druk was reeds op 11 februari uitverkocht.

Partager cet article
Repost0
20 février 2011 7 20 /02 /février /2011 04:10

 

 

Willem M. Roggeman genegeerd in Vlaanderen? Na de lezing van het interview in 't Pallieterke was de eerste reactie van Guido Lauwaert een vlammende repliek te schrijven, maar fietsend naar huis dacht hij 'dat de kerel zichzelf met het artikel al genoeg beschadigd en belachelijk gemaakt heeft'.

Na lezing van de hier verschenen reeks objectieve beschouwingen deed hij dat alsnog wel, meer ter stichting van de lezers van de Mededelingendan als antwoord op de uitlatingen en verwijten van Willem M. Roggeman.

Ziehier, louter ter informatie en aanvulling van het Roggeman-dossier, een uittreksel van Lauwaerts' verontwaardigde reactie.

Wat mij bij het lezen van het artikel in ‘t Pallieterke vooral opviel, was de leugen. Roggeman heeft van iedereen kansen gekregen om op te treden, ook van mij, maar hij heeft vrienden gekwetst, vernederd en bedrogen. Daarom is hij met de jaren zo goed als verdwenen van de Vlaamse en Nederlandse literaire scène. Je mag fouten maken, zolang ze niet kwaadaardig waren of met voorbedachten rade. En bij Roggeman was dat in beide gevallen zo. Vrienden en kennissen gebruikte hij om er zelf beter van te worden. Uit goede bron weet ik dat hij als redacteur van Het Laatste Nieuws is moeten ophoepelen, omdat voor wat hoort wat zijn uitgangspunt was. Zonder ets, schilderij, gesigneerd boek met opdracht schonk hij geen aandacht aan een boek of tentoonstelling. Een kunstenaar was voor hem een gebruiksvoorwerp om zijn eigen artistieke verzameling te vergroten, qua omvang en waarde. Hij bouwde dus bewust aan een fortuin. Een tweede punt wat mij stoort is zijn gebluf met zijn positie als adjunct-directeur van De Brakke Grond in Amsterdam. Twee directeurs hebben mij verzekerd dat hij zo goed als niets deed. Hij was altijd bezig om zijn blauwe partijkaart aan te wenden voor postjes en extra inkomen. De weinige keren dat hij een vriendje in De Brakke Grond liet optreden, kwam de vriend er bekaaid van af. Want er zat geen kat. Nu is de promotie een zaak van een andere dienst [m/v], maar de organisator is mede verantwoordelijk. En daarin faalde hij grandioos. En schoof de schuld ook nog af op ondergeschikten. Hij was ook meer niet dan wel op zijn Amsterdams bureau.

Tot slot moet mij van het hart dat zijn poëzie bloedeloos geworden is. Tot zijn dertigste zat er nog verrassing en verzet in. Nadien was het schoonschrijverij. En vaak de uitbuiting van een toestand.

Guido Lauwaert staat bekend om geen blad voor de mond te nemen. Hij aarzelt dan ook niet Willem M. Roggeman als 'literaire schurk' te bestempelen en hem te vergelijken met Jos Murez,

die zijn rode partijkaart en invloed in de Gentse loge aanwendde om na de pensionering van Louis Paul Boon diens pagina ‘Geestesleven’ in de krant Vooruit te bemachtigen. Wat hem ook gelukt is. Tot woede van Boon.

Guido Lauwaert is de enige niet die kennelijk met aandachtige belangstelling het hier gepubliceerde Roggeman-dossier gevolgd heeft. Genegeerd in Vlaanderen? De voorbije zeven dagen werden de web-berichten betreffende WMR gelezen door meer dan 200 bezoekers van onze blog...

Meer in de eerstvolgende aflevering van de Mededelingen van het CDR (nr. 172, 28 februari).

Tussen haakjes, nog even dit. Roggeman pronkt in zijn interview met 't Pallierke over het feit dat hij in Nederland bekroond werd met de Literatuurpijs Zeist 2010. Hij vergeet er bij te melden dat hij de prijs deelde met alom bekende dichters Kees Hermis en Judith van der Wiel...

wmrHeist.jpgWethouder Joke Leenders en de winnars van De Literatuur Prijs Zeist 2010.

HFJ




Partager cet article
Repost0
20 février 2011 7 20 /02 /février /2011 01:43

 

BertBevers2

Volgende week woensdag, 23 februari, besteedt Radio Centraal Antwerpen aandacht aan de meest recente bundel van Bert Bevers, Andere taal. Dat gebeurt in het programma Vhoorspel, dat van 17.00 tot 19.00 uur te beluisteren is. Programmamaker Rudy Claessens brengt dan niet alleen Andere taal onder de aandacht maar ook Antwerpse dichters, de bloemlezing die Bert Bevers samenstelde voor het laatste nummer van het Zeeuwse literaire tijdschrift Ballustrada. Daarin staan twintig nieuwe verzen van twintig Antwerpse dichters.

Radio Centraal Antwerpen is online te beluisteren via www.radiocentraal.be

Partager cet article
Repost0
18 février 2011 5 18 /02 /février /2011 07:25

 

Bozar.jpg

Na een Amerikaanse toernee is Luc Tuymans te gast met zijn eerste overzichtstentoonstelling in België. De retrospectieve is een coproductie met het San Francisco Museum of Modern Art en het Wexner Center for the Arts, The Ohio State University, Columbus en loopt in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel tot 8 mei. Curators Madeleine Grynztejn en Helen Molesworth aarzelden niet Tuymans, die deze week uitvoerig aan bod komt in Humo en Knack, te bestempelen als 'the most important painter of the world'...

Tijdens de vernissage, gisterenavond, bracht gastheer minister van Staat burggraaf Etienne Davignon ootmoedig in herinnering hoe Luc Tuymans hem tijdens een etentje beslissend raad gaf hoe zijn functie van voorzitter van het Paleis voor Schone Kunsten in te vullen.

Tussen het zeer talrijk opgekomen publiek: Geert Blanchart, Herman van den Boom, Jan De Cock, Bert Danckaert, Frank Demaegd, barones Mia Doornaert, Marie-Jeanne Dypréau, Liesbeth Gruwez, Paul Ilegems, Henri-Floris Jespers, Kris Kenis, Luc en Thierry Neuhuys, Adriaan Raemdonck, minister Joke Schauvliege, Jan Scheirs, Bruno Sluydts, Gerd Segers en Willy Vandenbussche.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche