Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
24 mars 2011 4 24 /03 /mars /2011 22:33

 

BertLezy.jpg

Bert Lezy (°1970) studeerde vrije grafiek aan Sint-Lukas Gent en aan de Academie van Berchem. Na zijn studie werkte hij voor theater Ivonne Lex: ontwerpen van affiches en folder, decorbouw en -schilderen. Hij is ermee gestopt omdat het werk 'zeer slecht' betaald werd – en, theater Ivonne Lex kennende, zal dat wel een eufemisme zijn... Als veelzijdige, full-time creatieve mens is hij niet alleen graficus, tekenaar en schilder, maar ook in de weer met onder meer strip, video, animatiefilm en geluidscollages.

Van 3 tot 24 april stelt Bert Lezy linosnedes ten toon in het Atelier Jacques Gorus. Te bezichtigen op zaterdag en zondag, van 14 tot 17 uur. Doen!

Vernissage zaterdag 2 april, 20 uur.

Atelier Jacques Gorus, Venusstraat 52, 2000 Antwerpen.

Wie meer wenst te vernemen over de boeiende artistieke persoonlijkheid van Bert Lezy kan best zijn voortreffelijke website bezoeken:

www.bertlezy.be

Partager cet article
Repost0
24 mars 2011 4 24 /03 /mars /2011 19:44

Morgen om 19u30 wordt Opgerichte poëzie (1975-1985), de nieuwe verzamelbundel van Maris Bayar, in De Zwarte Panter (Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen) voorgesteld.

Cover-Opgerichte-poezie-voorplat-copie-1.jpgNeen, Maris Bayar is geen pseudoniem.

Maris is gewoon een van de talrijke volkse verbasteringen van Maria. En Bayar is een Turkse naam. Gevorderde postzegelverzamelaars kunnen dat moeiteloos natrekken. In de filatelistische bijbel, de befaamde Yvert et Tellier, staan onder de nummers 1193 en 1194 twee Turkse postzegels van 1953 gecatalogeerd. Ze werden uitgegeven ter gelegenheid van een internationaal congres en dragen in een medaillon de beeltenis van Celal Bayar, de toenmalige president.

Marie Thérèse Fernanda Léonie Bayar, geboren in 1937 aan de Groene Hoek uit een Kempense moeder en een Waalse vader, publiceerde tot nu toe een zeventiental dichtbundels die alle nauw aansluiten bij haar levensloop.

Ze genoot een katholieke opvoeding bij de Zusters Apostolinnen (nomen est omen), maar gaf onder invloed van de oosterse mystiek haar geloof op in het begin van de jaren zestig. Ze schreef toen al verinnerlijkte poëzie maar het was haar ontmoeting met de dichter Hugues C. Pernath (1931-1975) in 1965 die de doorslag gaf: ze zou zich volledig inzetten om het literaire pad te bewandelen. Een jaar later werd ze door de dichter Tony Rombouts (°1941) geïntroduceerd in de destijds woelige Antwerpse literaire kringen. Ze gaf haar kapperszaak op. Zich volledig aan het dichterschap wijden werd haar geloof, haar apostolaat. Haar eerste bundel, De deur die gesloten bleef, wordt in 1967 door Adriaan Peel (1927-2009) uitgegeven in de thans gezochte Lepelreeks. Een jaar later verschijnt Zachte bodem bij Stuip. Haar gedichten waren verrassend, speels ingesteld op de taalwerkelijkheid. In het koor van de soms zwaar existentiële ernst van de (neo)- en/of (post)-experimentelen klonk de toon van haar gedichten verfrissend, ludiek en luchtig.

Vanaf 1973 wordt het salon van Maris Bayar en Tony Rombouts een vertrouwde, drukbezochte ontmoetingsplaats. Ze stichten hun eigen private press. Op de legendarische Original F. M. Weiler’s Liberty National degelpers met pedaalaandrijving, een gevaarlijk XIX de eeuwse gietijzeren gevaarte, worden met benedictijns geduld tientallen dichtbundels uitgegeven. Naast hun eigen werk brengen Maris Bayar en Tony Rombouts bundels van heel wat gerenommeerde dichters: Ben Klein, Werner Spillemaeckers, Michel Bartosik, Saint-Rémy, Renaat Ramon, Marcel van Maele, Wilfried Adams, Jos Daelman, Lucienne Stassaert, Hendrik Carette, Frans Denissen, Marcel van Maele, Emiel Willekens, Annie Reniers, Wim Zaal, Patrick Conrad en ik vergeet er ongetwijfeld.

Tussen 1973 en 1986 publiceert Maris Bayar tien bundels. Haar bundels vormden een soort verhuld intiem dagboek en verwijzen haast zonder uitzondering naar concrete, reële situaties die voor de oningewijde lezer niet altijd even toegankelijk zijn. Zij onthult immers vooral door te verhullen. Ze kapselt zich in een aantal feilloze afweermechanismen (of overlevingsstrategieën) in: alles wat de eigenste eigenheid van haar innerlijk leven kan raken of aantasten, glijdt meteen af over het harnas van haar eenzelvigheid.

Woorden zijn voor haar dingen die haar beschermen en beveiligen tegen een buitenwereld die ze hardnekkig, wellicht uit zelfbehoud, weigert te zien zoals hij werkelijk zou kunnen zijn. En wanneer een pijnlijke luciditeit in haar verzen tot uitdrukking komt, dan gebeurt dit steeds met betrekking tot haar eigen persoon, uiteraard.

De dichteres verschijnt als een godin in ’t diepst van haar gedachten en zit in het ’t binnenst van haar ziel ten troon. Maar binnenin bijt de pijn zich uiteraard vast, wat dacht u wel. Het verglijden der dingen, de vergankelijkheid, het verval worden immers met de jaren onherroepelijk duidelijker:


De klok staat niet stil
De tijd staat niet krom

 

Of nog


Het menselijk huis dat zolang bestaat
Moet hersteld worden

marisIJZERENHAND.jpg

Die periode van tomeloze creativiteit wordt in 1988 besloten met Een ijzeren hand in een fluwelen handschoen, een bundel met passend gekozen titel, verschenen in 1988 bij An Dekker te Amsterdam. (Tussen haakjes, een hint voor exegeten, de titels van Maris’ bundels hebben altijd betrekking op louter biografische toestanden die ze aldus samenbalt, synthetiseert.)

marisEPOS.jpg

Epos van het groot ongelijk, Litera-Este, 2004, 220 p.

Maris zou tien jaar niet publiceren. Maar ze was wel hardnekkig aan het schrijven aan haar Epos van het groot ongelijk.

Toen ze in 1992 vijfenvijftig werd, stelde ze vast dat ze heel veel verdrongen had. Het mechanisme van de herinnering trad in werking, mede op gang gebracht door de Golfoorlog. 'Het was net of er op de deur geklopt werd', zei Bayar. Dat werd een ware psychologische schok. Plots gingen de sluisdeuren van het geheugen open en herbeleefde ze de donkere oorlogsjaren die ze als kind meemaakte. Haar werk zou een andere wending nemen.

Ik heb het al gezegd, haar oeuvre heeft een sterk autobiografisch gehalte, en haar epos kan op het eerste gezicht beschouwd worden als een familiekroniek. Niet de vader, noch de moeder staan hier centraal (zoals het geval was in haar Vrouwelijke elegieën), wel de ziener, de man die haar jeugd betoverde en tijdens de angstige bezettingsjaren een beschermende en beslissende invloed had op haar ontwikkeling.

'Hij was, zegt Maris, wat je zou kunnen noemen een tweede vader voor mij. Hij was helderziend, letterlijk, en daarbij moralist en pietepeuterig. Hij probeerde me op te voeden. Het was zijn huis waarin wij woonden op de gelijkvloers. Wanneer mijn vader dronk, zocht ik als kind steun bij hem en bij zijn vrouw, Harriet Mac-Cord, een Schotse.' En om kracht bij haar woorden te voegen: “Zijn werkelijke naam was Franciscus Gerardus van den Mussele (1897-1980). Hij was van Italiaanse afkomt.”

Ze was hem vergeten, maar hij was in haar onderbewustzijn hardnekkig blijven sluimeren.

Maris Bayar is altijd gefascineerd geweest door de lotsbestemming van enkelingen die diep gebukt gaan onder de tragische druk van het tijdsgewricht. Haar bekendheid met de Russische literatuur van de vorige eeuw is daar een sprekend exponent van. In haar “epos” staat dan ook de geschiedenis centraal - in casu de verschrikkingen van de Tweede wereldoorlog. De dichteres onderneemt nu een brede poging, niet langer om zichzelf, dan wel om haar tijd te vatten en te bevatten, te grijpen en te begrijpen. Terwijl ze vroeger vaak meegesleurd werd in de kringen naar binnen, poogt ze nu te objectiveren.

Uitgever Walter Soethoudt bracht onder het inprint Facet het eerste deel van Maris’ epos in 1998, Fleur de Flandre. Voordien had hij al, dertig jaar geleden, de verzamelbundelAls Maris Dante zoent uitgegeven. Een tweede uittreksel verscheen twee jaar geleden bij Pte Leuven, onder de welsprekende titel Ares.

Eigenlijk, zegt Maris, ben ik een poëtische romancière”. Ik ben een fantasieloze dichteres.

Zij is anders dan wij, hoorde ze vaak thuis zeggen. Ze voelde zich afgesloten van familie en volk. “Pijnlijk voor een kind”, vertrouwde ze me toe. “Ik had gelukkig destijds mijn frivoliteit mee, waarmee ik het gered heb. Op school bracht ik de kinderen aan het lachen.”

In haar epos zit ze gekneld tussen hooggestemd uiting geven aan haar gevoelens en het onverbloemd weergeven van de werkelijkheid..

Lyrisch realisme dus? Neen, ik zou zeggen maris-realisme.

Maris Bayar vertaalt haar duik in het verleden in verzen die uiteenlopende taalregisters bespelen, waarbij soms ogenschijnlijk onhandige verhevenheid moeiteloos verbonden wordt met authentiek volkse, dialectische zegging. Ontwapenende naïviteit (een woord dat ze anders niet duldt…) en verrassend schrander inzicht, veeleisende verkenning van de grenzen der eigen uitdrukkingsmogelijkheden en dan, ja, die verzen die door de goden geschonken worden…

Naast de aanwending van retorische knepen laat ze ook de spreektaal tot haar recht komen, het dialect dat ze op straat opraapte (“ik luisterde in stilte naar oerklanken”, zegt ze) en waarvan ze de soms verrassende en rauwe wendingen graag koestert. Ze was al altijd iemand die gadeslaat, haar scherpe vermogen tot observeren komt in haar vorige bundels ook al ruim aan bod. Bovendien heeft ze zin voor theatraliteit (een van haar vorige bundels typeerde ze als een “wagenspel”), nog aangescherpt door haar jarenlange omgang met een mime.

Maris Bayar is van vele markten thuis maar ze diende de tol te betalen voor haar ambitieuze en vermetele poging (“bayar” betekent “betalen” in het Maleis…): de jongste jaren stonden in het teken van het gevecht met de angst. Ontheemding en toe-eigening van een moeilijk maar taai bevochten eigen plaats midden de chaos. Ontgoocheling en/of begoocheling. Romantisch dwepen en sluw boerenverstand. Wereldvreemdheid en rauw realisme.

marisDANTE.jpgMaris Bayars eerste verzamelbundel Als Maris Dante zoent. Gedichten 1965-1975 verscheen in 1975 bij Walter Soethoudt, met een woord vooraf van de pas overleden filosoof en meesterschaker Julien Vandiest (15 juni 1919 – 2 maart 2011). In Opgerichte poëzie, een fors boekdeel van 350 pagina's, wordt nu het werk van 1975-1988 gebundeld, Lof voor onwerkelijken (Walter Soethoudt, 1976) tot Een ijzeren hand in een fluwelen handschoen (An Dekker, 1988).

*

Wat een wonderlijk, ontroerend en verbijsterend oeuvre! Meesterlijk!”, aldus de dichteres Aleidis Dierick (°1932), die de publicatie voorzag van wat bescheiden aangereikt wordt als 'een bibliografische schets'. In feite gaat het tevens om een levensschets: alle dichtbundels van Maris Bayar vallen immers onder de noemer “memoires in dichtmaat”...

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
22 mars 2011 2 22 /03 /mars /2011 16:14

 

Below I publish the statement by Archbishop Silvano M. Tomasi, Permanent Representative of the Holy See to the United Nations in Geneva at the 16th Session of the Human Rights Council – General Debate Geneva, 22 March 2011, on sexual orientation. Attentively reading requested !

Vatican-Radio.gif

Mr. President, the Holy See takes this opportunity to affirm the inherent dignity and worth of all human beings, and to condemn all violence that is targeted against people because of their sexual feelings and thoughts, or sexual behaviours.

We would also like to make several observations about the debates regarding “sexual orientation”.

First, there has been some unnecessary confusion about the meaning of the term “sexual orientation,” as found in resolutions and other texts adopted within the UN human rights system. The confusion is unnecessary because, in international law, a term must be interpreted in accordance with its ordinary meaning, unless the document has given it a different meaning. The ordinary meaning of “sexual orientation” refers to feelings and thoughts, not to behaviour.

Second, for the purposes of human rights law, there is a critical difference between feelings and thoughts, on the one hand, and behaviour, on the other. A state should never punish a person, or deprive a person of the enjoyment of any human right, based just on the person’s feelings and thoughts, including sexual thoughts and feelings. But states can, and must, regulate behaviours, including various sexual behaviours. Throughout the world, there is a consensus between societies that certain kinds of sexual behaviours must be forbidden by law. Paedophilia and incest are two examples.

Third, the Holy See wishes to affirm its deeply held belief that human sexuality is a gift that is genuinely expressed in the complete and lifelong mutual devotion of a man and a woman in marriage. Human sexuality, like any voluntary activity, possesses a moral dimension : it is an activity which puts the individual will at the service of a finality; it is not an “identity”. In other words, it comes from the action and not from the being, even though some tendencies or “sexual orientations” may have deep roots in the personality. Denying the moral dimension of sexuality leads to denying the freedom of the person in this matter, and undermines ultimately his/her ontological dignity. This belief about human nature is also shared by many other faith communities, and by other persons of conscience.

And finally, Mr. President, we wish to call attention to a disturbing trend in some of these social debates: People are being attacked for taking positions that do not support sexual behaviour between people of the same sex. When they express their moral beliefs or beliefs about human nature, which may also be expressions of religious convictions, or state opinions about scientific claims, they are stigmatised, and worse -- they are vilified, and prosecuted. These attacks contradict the fundamental principles announced in three of the Council’s resolutions of this session. The truth is, these attacks are violations of fundamental human rights, and cannot be justified under any circumstances.

Thank you, Mr. President.

http://www.radiovaticana.org/EN1/Articolo.asp?c=471925

Partager cet article
Repost0
17 mars 2011 4 17 /03 /mars /2011 22:06

 

Om de vijf voet werd Johann Wolfgang von Goethe verliefd. Dat het telkens fout liep ligt niet aan de vrouwen maar aan hemzelf. Uitgangspunt van Goethe’s denken is de overtuiging dat elke mens de natuurlijke aanleg heeft zijn moreel gedrag zelf te kunnen bepalen. Dat gold echter niet voor de vrouwen die zijn amoureuze snaren hadden geraakt. Bezitsdrang ging bij Goethe hand in hand met afgunst en jaloersheid. En maar verliefd blijven worden. Op 73-jarige leeftijd wordt de grootste schrijver van zijn tijd in 1822 stapel op de 19-jarige Ulrike von Levetzow. Kort daarop vraagt hij haar ten huwelijk, maar zij wees zijn aanzoek af. Veel woorden heeft hij in zijn geschriften niet aan Ulrike besteed. Enkel een gedicht. Dat hij kort nadat hij het deksel op de neus kreeg, geschreven heeft. Elegie von Marienbad.

 

Eerste tussenspel:

Vrouwen zijn in de wolken als een liefdesgedicht voor of over hen is geschreven. Het ontgaat ze blijkbaar dat dichters bedriegers zijn. Goedaardige, dat wel, maar toch… Alle liefdesgedichten, maar dan ook alle, zijn niet geschreven voor de geliefde, of voor een komende, bestaande of voorbije relatie, maar voor de gratie en glorie van de dichter zelf. Geen enkele dichter schrijft voor iemand of naar waarheid over iets anders. Alles en iedereen is gebruiksmiddel voor zijn literaire productie, de poëzie voorop. In dat opzicht verschilt de dichter niet van een marktkramer, wiens kaas veel beter is dan die van zijn buurman, omdat het ‘zijn’ kaas is.

 

Het gedicht in kwestie, een klaagzang, wordt beschouwd als het belangrijkste uit de laatste creatieve periode van Goethe. Het werd geschreven tussen 5 en 12 september 1823. De passie van Goethe voor Ulrike was voor Johan Reyniers het basisvoedsel voor zijn eerste theatertekst. Reyniers is tien jaar directeur geweest van Kaaitheater. Hij heeft dus heel wat voorstellingen achter de kiezen. Voorstellingen zonder een liefdesaffaire zijn op één hand te tellen. Verwondering wekt het dus niet dat zijn eerstgeborene over de liefde gaat. Dat mag, over de liefde kan niet genoeg geschreven worden, maar is het geschrevene relevant? Een gedicht, een toneelstuk moet een brug hebben met een recente gebeurtenis, om de toeschouwer een ruimtereis te laten maken, zoniet is het literair product waardeloos. Geen kunst zonder hinkelspel in tijdsvakken, poëzie is politiek en een anatomie van de psychologische beginselen die tot een creatie hebben geleid.

 

Tweede tussenspel:

Is er ooit iemand nagegaan of er meer gedichten over de liefde dan over de dood geschreven zijn? En hoeveel het er samen zijn, in vergelijking met de totaliteit van alle andere? Neen, dat heeft niemand gedaan en zal niemand ooit doen. Omdat er meer getallen ná dan vóór de komma zijn. Want buiten de gedichten die over de dood of over de liefde gaan, gaan er ook heel wat gedichten over iets anders, maar zit de dood of de liefde verscholen op de zolder, de kelder, het tuinhuis, of is onder de mat geveegd. Zelfs als het gedicht over het weer gaat, dan nog heeft het het bloed van de liefde en/of de dood in zijn feces. Kortom, de grootsheid van de poëzie is vrouwelijk. Zij is liefde én dood. Zelfs voor de homo.

 

Goethe’s laatste liefde was voor Johan Reyniers een manier om af te rekenen met het ouder worden. Iets wat alle mannen hebben en afwentelen op vrouwen. Zij verjongen hun vrouwen als ware het een kuur. De meeste mannen kunnen dat op een redelijke manier verwerken. De ene door verliefd te worden op de jonge spruitjes of worteltjes van hun groentetuintje, de andere door een kunstvorm te hulp te roepen. Zo denk ik er al jaren over en Johan Reyniers is overigens ook die mening toegedaan. De voorstelling is nog maar pas begonnen of de verteller van dienst zegt: ‘In één van zijn romans laat Goethe een personage in een dagboek noteren hoe een bejaarde man werd kwalijk genomen dat hij zich voor jonge vrouwen interesseerde. “Het is de enige manier,” zo had de man zich verdedigd, “om je te verjongen, en dat wil toch iedereen.”

Wat volgt is het verhaal van een verjongingskuur, althans een poging, en een poging die mislukt, gezien de afwijzing van Goethe’s huwelijksaanzoek. Maar misschien is de poging toch niet mislukt. Een verliefdheid is al een verjongingskuur.

 

Derde tussenspel:

Theater is spreken vanuit de stilte. Wat er gezegd wordt, wordt gezegd om stiltes te creëren. Geen stille stiltes maar stiltes die tot nadenken stemmen. Drama’s verwekken vanuit mysteries die leiden naar verscheurende conflicten bij de toeschouwer. Lukt dat dan heeft dat botsende meningen tot gevolg. De meeste producties, en meer dan negentig procent van de nieuwe toneelteksten, laten de toeschouwer echter koud, omdat het feiten verhaalt op een manier die niet doordringt tot de ziel. Bovendien wordt al te vaak de ruimte met accessoires gecoiffeerd die er niet wezenlijk toe doen. Ze zijn logisch, maar dat is nu net wat het theater kan missen als kiespijn. Logica in het theater levert een productie op, een lichaam dat geen kreet uitstoot. Geen doodsreutel en geen liefdeslied.

 

Al wat u zonet gelezen hebt is boeiender dan de voorstelling. Johan Reyniers is een intelligent man, een aimabele kerel, maar hij mist de gave om met een gegeven op de loop te gaan. Een theater is geen aula. Wat de bezoeker te zien en te horen krijgt is sprokkelwerk van een docent, die het werk van zijn professor naar zijn hand heeft gezet. De voorstelling duurt iets meer dan een uur. Het boeiendste is de voordracht door Johan Heestermans van Goethe’s gedicht. In het gedicht zit het ganse scala van emoties, verweven met diverse vormen van zelfverwijt. Goethe komt tot inzicht hoe dwaas hij is geweest. Het huwelijksaanzoek een belediging voor het meisje was. De verliefdheid een gebeuren is die zijn reputatie schaadt.

Was Johan Reyniers vanuit het gedicht vertrokken had hij een boeiende voorstelling gemaakt. Hij heeft echter het weinige wat over de affaire tussen Ulrike en Goethe geweten is op een rijtje gezet en daar verteltheater van gemaakt. Nooit eens een zijsprongetje, een tussenspel als wekker, u weet wel, dat ding dat meestel een slag, een uitzonderlijke keer een streling krijgt. Het was dan ook onmogelijk voor regisseur Rudi Meulemans om de deeg te laten rijzen en een brood te bakken waaraan men het graan, de boer en de bakker herkent. Als zelfs de toeschouwer ziet dat de acteurs Tom de Hoog, Ina Geerts en Johan Heestermans met lange tanden eten, ja, dan is het applaus er niet voor de productie maar voor de groet.

Guido LAUWAERT

Laatste liefde – Johan Reyniers – productie De Parade & Beursschouwburg – www.deparade.be


 

Partager cet article
Repost0
16 mars 2011 3 16 /03 /mars /2011 00:30

 

3stuivers.jpg

Als iemand de prijs verdient van de grootste letterdief is het Bertolt Brecht. Elk gedicht, elk toneelstuk is jatwerk. Bovendien waren het zijn vriendinnen die voor de ideeën zorgden. Een bloemetje hebben ze nooit gekregen. Hij stak zijn geld en lof liever in zijn sigaren. Zijn beroemdste jatwerk is De Driestuiversopera. Het is niet zo’n klein beetje geïnspireerd op The Beggar’s Opera (1728) van John Gay, die ook al leentjebuur was gaan spelen bij een vroegere bewoner van zijn pand, Jonathan Swift. Op vraag van regisseur Franz Marijnen heeft Geert van Istendael een nieuwe vertaling gemaakt en mede dankzij het muziekensemble Asko/Schönberg is deze ‘ballad opera’, dit ‘singspiel’ een uitermate boeiend en bruisend spektakel geworden.

Plunderen en zakkenrollen

Plaats van gebeuren: de straten van Londen. De grote heersers zijn superboef MacHeath, bijgenaamd Mackie Messer, en bedelaarskoning Peachum. Alles loopt lekker naar de zin van de twee heren. Ze worden rijk dankzij politiechef (Tiger) Brown, die in ruil voor wat lekkers voor zijn geld- en zaadzak de verkeerde kant opkijkt. En ze zullen alle drie nog rijker worden, door de massale belangstelling naar aanleiding van de kroning van de nieuwe koningin. De bedelaars zullen de zakken rollen van de bermtoeristen, terwijl de inbrekers hun huizen plunderen. Kink in de kabel. Mackie is stiekem getrouwd met Polly, de dochter van Peachum. Hij is razend en dreigt de kroningsstoet te verstoren, als Tiger Brown Mackie Messer niet achter de tralies draait. Niet zo eenvoudig voor Tiger, want hij en Mackie zijn oude maten, al sinds ze samen soldaat waren in India. Onder druk gezet kan hij echter niet anders dan ingaan op de wens van Peachum. Mackie is echter niet op zijn mondje gevallen en weet de galg te ontlopen door een fusie tussen de twee ‘bedrijven’ voor te stellen.

Geen cent armer

Alles draait om relaties. Wie weet wat en zet dat in op het juiste moment. Wie dat spelletje kent wordt almaar rijker. Het is altijd zo geweest en zal altijd zo zijn. Bernard Maddoff zal niet de laatste zijn om dat te bewijzen. En was ook niet de eerste. De in 1725 opgehangen schurk Jonathan Wild heeft model gestaan voor Peachum, terwijl het publiek van Gray’s The Beggars Opera sir Robert Walpole meende te herkennen in MacHeath. De financiële crisis heeft geen bankier of beursgoeroe een cent armer gemaakt. Hij heeft het even benauwd gehad, maar is snel weer aan de bonus geraakt. Een totaal gebrek aan moraal is in zaken onontbeerlijk Het is de kleine man die voor zijn schurkenstreken moet opdraaien. Welk stuk kan dat beter aantonen dan De Driestuiversopera. De dialogen zijn bijtend, de toon ironisch en de smaak sarcastisch.

Jazzy volksdeuntjes

De commentariërende songs stellen de corruptie in alle lagen van het gezag aan de kaak. De muziek van Kurt Weill is naakt en toch warm, snijdt zonder pijn te doen. Het zijn volksdeuntjes met een jazzy inslag en zitten, het mooiste voorbeeld is het Levenslied van Mackie Messer, in het geheugen van zowel de kleine als de grote muziekliefhebber. Hij kent de tekst dankzij de muziek. Het wereldvermaarde Asko/SchönbergSchönberg kent zijn rol. De instrumenten worden werkgerief van meesterknechts, ten bate van hooggekwalificeerd vakwerk. Het samenspel tussen muzikanten en de achttien acteurs is in balans, de uitvoering scherp. De uitvoering sleurt het publiek een circusgevoel in. Alle voorbehoud valt weg. Wat er in de plaats komt is een gevoel van betrokkenheid en engagement.

Bach en Villon

Regisseur Franz Marijnen heeft de diepere laag van het stuk opgevist en in beelden omgezet. Daardoor is het een moderne vorm van de commedia d’ell arte geworden. De typen zijn makkelijk herkenbaar. Lakens worden vlaggen, spandoeken, scooterwagentjes vervangen de voddenkarren. Met de inhoud van de laadbak wordt in een mum van tijd een decor opgebouwd, afgebroken. Waar het bij Marijnen om te doen is, is arte povera te laten functioneren in ‘land art’, met de geur van het Berlijnse cabaret uit het interbellum. Ogenschijnlijk is het idee belangrijker dan de uitvoering. De keuze daarvan geeft ruimte aan de acteurs, en in hun zog de muzikanten. Extra grapjes, zoals een lijntje Bach en een streepje Villon [Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs, dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is. (vertaling Ernst van Altena)] onderstrepen het belang dat Marijnen hecht aan de verwevenheid van koning, kerk en kapitaal, in de sociaalkritische opera samengebald in het intussen wereldberoemd geworden gezegde: Eerst het vreten en dan de moraal.

Missiepost

Dit alles maakt van De Driestuiversopera rauw toneel. Daarmee keert hij terug naar zijn oerinstinct, zijn afkeer voor politiek als buit, en zijn beginperiode. In het MMT zaliger zette hij stukken op met rommel dat van de stedelijke ophaaldienst gered was. Slechts ten dele wegens geldgebrek, maar vooral om zijn groot respect voor de acteur binnen een repertoirestuk moest het dure decorum wijken voor het povere.

De keuze van het stuk, een grote bezetting met een uit zijn broekspijpen gegroeid kamerorkest, tekent tevens de hergeboorte van Marijnen als spektakelregisseur, een ander genre dat hij stevig in de hand heeft. Na zijn smadelijke aftocht uit de KVS heeft hij een aantal jaren intimistische stukken gemaakt, als zelfonderzoek. Blijkbaar is die fase nu verleden tijd. Hij heeft hem wel erg getekend, want de aftocht was geen gevolg van artistiek wanbeleid, maar zijn weigering lid te worden van de Brusselse loge. Die weigering heeft voor een boycot van zijn leiderschap gezorgd, en werd een artificiële vertraging van de restauratie van de KVS opgezet. Pas toen hij werd opgevolgd door een logeman werd de kluis geopend en kan de nieuwe artistiek leider niets fout doen, hoewel de KVS eerder een missiepost is dan een stadsschouwburg.

Uit de darmwinden

Deze beschouwing mag niet eindigen zonder een word van lof voor de acteurs. Een singspiel is voor acteurs die kunnen zingen. Je voelt dat het geen geschoolde zangstemmen zijn, maar dat eist dit stuk. Het maakt deel uit van de gewenste rauwheid. Gemakkelijk is het echter niet. Een kopstem is uit den boze. Dat zou de stembanden sparen. Helaas, de stembanden moeten gegeseld worden. Door de eigenaar. En dat doen alle acteurs. Ze beseffen zeer goed dat het publiekgerichte gedeelte van deze voorstelling pas geslaagd is wanneer de stemval uit de darmwinden komt. Zeker als ze gewonnen zijn uit de spijsvertering van de juiste harmonie.

Eén of twee acteurs prijzen zou een belediging betekenen van de anderen. Mits enig googlen vindt u hun namen. En al is het vertaalwerk, Geert van Istendael heeft zijn beste theaterwerk tot nog toe geleverd. Zijn pen zwom op het blad.

Het is een scheve schande dat voor de zoveelste maal een productie van het Nationaal Toneel niet in België te zien is. Enige verbetering is godzijdank toch al voelbaar. De driestuiversopera doet Brugge aan. Waarom gaat alles wat goed is hier zo traag dat het stuk gaat, en wat slecht is zo snel en wordt kunst?

Guido LAUWAERT

De Driestuiversopera– van Bertolt Brecht & Kurt Weill productie Nationale Toneel, Den Haag – dinsdag 15 maart Stadsschouwburg Brugge – vervolgens op reis in Nederland – www.nationaletoneel.nl

Partager cet article
Repost0
8 mars 2011 2 08 /03 /mars /2011 02:31

 

Manu-Bruynseraede-Klein.jpg

Manu Bruynseraede

Tijdens de 148ste Muzeval zal dichter, vertaler en schilder Manu Bruynseraede een ander, voor velen wellicht verrassend nieuw beeld van cultdichter Charles Bukowski (1920-1994) ophangen: 'Misschien heeft hij ons wel degelijk een menslievende boodschap meegegeven van vrede en verzoening.' Een 'nieuwe' Charles Bukowski tonen, dat is het uitgangspunt van de lezing van Manu Bruynseraede:

Iedereen kent wel de Vieze Oude Man, de dichter en schrijver van zuipen, rondneuken en keet schoppen.

Zuipen, rondneuken en keet schoppen is één ding. Deze dingen in het dagelijkse leven doen plus daarbovenop 6 dikke romans schrijven, honderden kortverhalen en 3000 gedichten is een tweede ding.

Hier vanavond gaat het om het derde ding: de synthese van de these en de antithese. Een Charles Bukowski laten tevoorschijn komen die wel degelijk ook mooie en lieve dingen kon zeggen, schrijven en denken. En dat op een poëtische manier, zoals een echte schrijver dat hoort te doen.

Een lyrische, geestige en constructieve Charles Bukowski. Een Charles Bukowski die weinig bekend is bij diegenen die hem al kennen.

Bij diegenen die nog nooit van hem gehoord hebben: een grote schrijver, een echte vakman en een levende, boeiende mens met oprechte en toch ook wel zachtaardige gevoelens tussen alle zware miserie des levens door.

Een geniale schrijver die op het eerste zicht misbegrepen werd omdat hij verkeerde signalen de wereld instuurde. Logisch als je zo goed als 40 jaar van je leven dag en nacht dronken bent.

Een woordkunstenaar van wie de meeste lezers verkeerde dingen dachten als: zelfmoord is interessant, werken in loondienst is per definitie slavenarbeid, zuipen, gokken en knokpartijen zijn leuk, vreemdgaan is een aanrader, alle gezagsdragers zijn corrupt en het hele systeem is door en door verdorven.

Als je woonde waar ik woonde begon je te geloven dat het overal elders net zo’n schamele bedoening was als bij jou.”

Tussen al die foutieve signalen in het oeuvre van Charles Bukowski treffen we evengoed signalen aan van de schoonheid en het nut van moderne literatuur, misschien zelfs tekenen waardig voor het predicaat van de Schone Letteren.

Af en toe heeft de wereld behoefte aan de juiste persoon die de juiste mensen op het juiste moment wakker schudt. Af en toe. Niét aanhoudend. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Het feit dat hij bij leven miljoenen boeken ter wereld verkocht was een logisch gevolg van de allereerste zin van zijn allereerste roman: 'Het begon als een vergissing.'

Bukowski.jpgCharles Bukowski

In dat verband zet Manu Bruynseraede alvast een aantal 'misvattingen over de mens Charles Bukowski' op een rijtje:

  • Hij kon een harde werker zijn bij de Post en als hij goede punten scoorde bij de directie was hij trots.

  • Hij was erg spaarzaam en had een klein fortuin op de bank staan toen hij stopte met werken.

  • Hij schaamde zich vaak voor zijn fouten en weende veel.

  • Hij heeft leuke tekeningetjes en schilderijtjes gemaakt.

  • Hij las en studeerde erg veel en was een veel verstandigere en voorzichtigere mens dan zijn werk doet uitschijnen.

  • Bij zijn optredens was er altijd politie in de buurt, maar hij voelde zich daardoor beter gewaardeerd en als hij écht in de fout ging besefte hij dat en liet hij zich gewillig sanctioneren. Hij schold en foeterde wel op de politie maar zelden recht in hun gezicht.

  • De laatste 10 jaar van zijn leven was hij overwegend nuchter en leefde hij gezond in bescheiden luxe.

  • Hij is zijn echtgenote Linda Lee altijd trouw gebleven.

Manu Bruynseraede verstrekt ook een aantal moraliserende en waarschuwende 'raadgevingen bij het lezen van Bukowski'. De eerste vingerwijzing zet al meteen de toon:

Bukowski lezen is een luxe. Best lezen bij een warm haardvuur, een lieve echtgenote die je trouw blijft en een grote spaarboek bij de bank. Best niét lezen als je depressief of psychotisch, straatarm of doodziek bent.

Met zijn lezing zal Manu Bruynseraede, die zich sinds vorig jaar toelegt op het vertalen van Bukowski's poëzie, wellicht enige controverse in het leven roepen...

*

Manu Bruynseraede (°Ekeren, 18 november 1969) richtte tijdens zijn studie Germaanse filologie (Universiteit Antwerpen) samen met JMH Berckmans en Vital 'Vitalski' Baeken, Steven Grietens en Geert Beullens het avant-gardistisch theater-rockensemble Circus Bulderdrang op, dat begon als een dichtersgroep.

Manu Bruynseraede over Charles Bukowski: welkom donderdag 10 maart 2011 vanaf 19u30 in literair-artistiek café Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24, 2000 Antwerpen.

Meer over Manu Bruynseraede:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Manu_Bruynseraede

http://www.basicpublishing.nl/index.php?page=profiel&id=3079

http://www.youtube.com/user/ManuBruynseraede?feature=mhum

Partager cet article
Repost0
7 mars 2011 1 07 /03 /mars /2011 23:36

Na het ter ziele gaan van ‘Het Andere Boek” onstond, na een jaar van stilte dit project van Kunstencentrum Vooruit Gent en de Singel Antwerpen. Dit alternatief en actueel boekenfeest alterneert tussen Antwerpen en Gent.

Singel-5-3-11-022.jpgBert Bevers (l.) en Gerd 'Revolver' Segers

Hoewel er vele ongetwijfeld boeiende lezingen gepland waren moesten we ons tot de voormiddag beperken. Deze tijd namen we te baat om de beurs voor bibliofiele uitgaven te bezoeken. In toonkasten was daar een interessante selectie te bekijken van de tentoonstelling 'Mooi Marginaal' Dit is een jaarlijkse wedstrijd voor bibliofiele uitgaven van amateur-drukkers en uitgevers. De tentoonstelling van de bekroonde werken vond gelijktijdig plaats met de grote expositie 'Het Ideale Boek , 100 jaar private press in Nederland' die van 19 november 2011 tot 20 februari 2011 plaats vond in Museum Meermanno, museum van het Boek te Den Haag. De zeer waardevolle catalogus (Ned.en Eng.) van deze manifestatie is nog steeds te koop.

Singel-5-3-11-021.jpgFilip Marsboom, Boris Rousseeuw, André Bollen en Joke van den Brandt

Aan de stand van Boris Rousseeuw (De Carbolineumpers) ontmoetten we André Bollen (Pandora) de enthousiaste uitgever van kunstboeken, o.a. een rijk geïllustreerde monografie van graficus Henri van Straaten, waaraan Frank Ivo van Damme zijn medewerking verleende met het maken van goede afdrukken van originele lino’s (in zeer verkommerde staat!) die toegevoegd werden aan de luxe uitgave. Carbolineumpers brengt uiterst verzorgde, op de handpers gedrukte speciale uitgaven. Filip Marsboom (Gazet van Antwerpen ) was present aan deze stand. Filip kennen we reeds vele jaren als een verwoed boekenliefhebber.

Singel-5-3-11-010.jpgKula Kalentzi

Op de verfijnde stand van Kula Kalentzi (die haar boekbinders opleiding kreeg in Duitsland) en Luc Rombouts ( ingenieur en als boekbinder oud student van de vermaarde kunstschool Roger Avermaete) zagen we hoogstaand boekbindwerk. Sedert 1999 is dit kunstenaarspaar ook gespecialiseerd in het uitgeven van hedendaagse miniatuurboekjes onder de naam KAPA.

Singel-5-3-11-030.jpgJacques Decru

In het Grand Café van de Singel (een unieke locatie ) ontmoetten we nog Jacques Decru van antiquariaat 'De tweede lezer' te Brasschaat (helaas gestopt na zijn op pensioenstelling als medewerker van Standaard uitgeverij). We kennen hem ook als de drijvende kracht van vzw. De Lezer,die boeiende lezingen en interviews organiseert in het Literair Café te Brasschaat.

Singel-5-3-11-036.jpgIngrid Vander Veken

Voor haar vertrek volgende woensdag naar Zuid Afrika begroetten we daar nog journaliste en schrijfster Ingrid Vander Veken.

JvdB

 

www.meermanno.nl

jacques.decru@scarlet.be

www.carbolineumpers.be

www.atelierluka.be

Partager cet article
Repost0
7 mars 2011 1 07 /03 /mars /2011 18:05

 

Ivo van Hove’s eerste liefde was film. Zijn meest persoonlijke theaterproducties zijn de versmelting van film en toneel. Een goed voorbeeld is Opening Night naar de gelijknamige film van John Cassavetes. De productie oogstte internationaal succes. Van Hove’s concept paarde de intimiteit van toneel aan het monumentale van film. Dankzij high-tech en video wist hij tegelijk het verre dichtbij te halen en wat intiem is uit te vergroten.

Dat trucje herhaalde hij met Romeinse tragedies. Hij ging toen nog een stap verder. Er was geen pauze in deze ruim zes uur durende voorstelling. Het publiek mocht het toneel op, plaatsnemen naast de acteurs, op het laatste anderhalf uur na. Er was een bar, men kon in en uit lopen en toch niets missen, door een lichtkrant die het nieuws vóór was: ‘Over vijf minuten dood van Julius Ceasar.’ Een derde maal werd dezelfde truc uit de hoge hoed getoverd voor een bewerking van Kreten en gefluister van Ingmar Bergman. Waarop duif nummer vier volgde, Antonioni project, een productie waarin drie films van Michelangelo Antonioni waren verwerkt.

Van een eerste liefde raakt men nooit verlost. Een vijfde vertoneling van een film viel dus te verwachten. En dat is nu gebeurd. Niet bij zijn eigen gezelschap, Toneelgroep Amsterdam, maar de Müncher Kammerspiele. Met Ludwig II, en dat het niet de versie van Syberberg is, wordt benadrukt door nach Visconti. Dat toevoegsel benadrukt dat Van Hove, sterker dan voorheen, trouw is gebleven aan het script van Visconti. Van een bewerking is nauwelijks sprake. Het nieuwe in deze versie is elders te vinden. En maar goed ook. Want het trucje is nu maar al te goed bekend.

Een witte kubus midden op het toneel, staande op een sokkel. In het midden van de voorkant is een deur. Een trapje van twee treden vergemakkelijkt in- en uitstap. Het is noodzakelijk maar het oogt niet fraai. En het verraadt bovendien waar de binnenscènes zich zullen afspelen. En ja hoor, door een projectie op de smetteloos witte wand weet de toeschouwer wat er binnenskamers gebeurt. Naast het toneel en de holle kubus is de overdekte orkestbak het derde speelvlak. Voor de pauze staat er een vleugel op, na de pauze tafels met bureaulampjes en bijpassende stoelen. De vleugel is naar het midden van de toneelvloer verhuisd, onder de halfweg het eerste deel opgetrokken kubus.

Koning Ludwig II van Beieren was liever kunstenaar dan koning geweest. Het broeiend besef van zijn artistieke beperking drijft hem in de armen van de operacomponist Richard Wagner. Het gevolg is dat Wagner zonder financiële zorgen kan componeren en Ludwig met stijgende financiële problemen wordt geconfronteerd. Ludwig, koppig van aard, schakelt door de kritiek van zijn entourage in overdrive. Hij wordt volgens zijn omgeving gek. Wat niet zo is, want gekte en krankzinnigheid verschillen sterk van elkaar. Gekte is het verlies van de greep op de eigenheid, terwijl krankzinnigheid het bewustzijn maar versterkt. En dat is wat er Ludwig overkomt. In de voorstelling wordt het prachtig verwerkt door hem de vleugel te laten slopen, eenmaal hij beseft dat Wagner zijn koninklijke positie heeft misbruikt.

Ludwig uit zijn gevoelens door het tekenen van droedels. Ogenschijnlijk lijken het luchtige, vluchtige tekeningetjes, maar wie ze goed bekijkt, vindt een verband, enerzijds onder elkaar en anderzijds met het verlies van overtuigingskracht. Extra balast voor zijn positie als koning is de druk om te trouwen. Maar de enige vrouw voor wie hij een grote sympathie heeft, is de vrouw die net als hij wil heersen op eigen benen en niet volgens het protocol, keizerin Elisabeth ‘Sissi’ van Oostenrijk. Klap op de vuurpijl is dat hij door een toenemende isolatie en bloeiende kunstliefde, zijn seksuele appetijt verliest. Er rest hem niets anders dan troost te zoeken in de armen van jonge hofknapen en spelletjes te spelen eigen aan de jeugdbeweging. Eén man gaat een erotische relatie met hem aan, eerder ter wille van de vriendschap dan uit seksuele drift. De vrijpartij, zowel in de film van Visconti als in deze productie van Van Hove, doet denken aan de groeiende psychologische band van de twee mannen in de roman Woman in Love van D.H. Lawrence. Zowel Visconti, Lawrence als Van Hove, maar ook David Hockney tonen aan dat kunst en erotiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Bij de vier genoemde kunstenaars is het verbindingselement water. Zie de zwembaden van Hockney. Voor Visconti was Ludwig de ideale figuur om dat te bewijzen. Het regent voortdurend in de film. In de voorstelling van Van Hove neemt het geluid van uiteenspattende druppels een angstwekkende vorm aan. Druppels worden waterplassen, meren, zeeën, oceanen… in zijn hoofd. Het resultaat is dat hij geen kleur meer ziet, geen diepte, alles en iedereen zwart werd en is. Maar geen treur voor Ludwig, eerder een troost. Zwart is de mantel van de nacht. De nacht krijgt van Ludwig een eresaluut, alvorens hij – uiteraard tijdens een fikse regenbui bij nacht – het water inloopt, want verdrinking is een niet gewelddadige dood. Twee zinnen uit zijn slotclaus: Es gibt nichts Schöners, nichts Faszinierenderes, als die Nacht. … Im Mysterium der Dunkelheit, in der Groβartigkeit der Nacht, lag für mich jedoch immer… das unendliche, erhabene Reich der Helden.

De muziek, aan de vleugel zowel als uit de klankkasten is heerlijk, in zijn woeste als in zijn dreigende toon. Maar het allermooiste is de vertolking van Ludwig door Jeroen Willems. Dát en hij is de echte verrassing van deze productie. De evolutie van het personage knijpt je keel dicht. Zoals hij het gemoed van de koning van licht optimisme naar zwaar defaitisme laat evolueren, verliest de toeschouwer het zicht op de mens en het personage. Jeroen Willems wordt niet alleen Ludwig II, maar trekt de toeschouwer ook mee naar de tijd van Wagner, naar slot Neuschwanstein in Beieren. Het is makkelijk een persoonlijkheid te vertolken. Heel wat moeilijker is het een karakter te spelen. Ja, Ludwig II was zo, zegt de toeschouwer bij het buitengaan tegen zichzelf. Want ik was bij hem op bezoek.

Guido LAUWAERT

LUDWIG II. nach Visconti –door Münchner Kammerspiele. Regie: Ivo van Hove – Te zien: Schauspielhaus, München – www.muenchner-kammerspiele.de

 

Partager cet article
Repost0
7 mars 2011 1 07 /03 /mars /2011 05:45

 

Winterreise

Neergelaten zwart brandscherm, met in het midden een deur. Het voortoneel is verlengd, loopt tot in de zaal. Het middenstuk bezet de eerste vijf rijen. Het licht hellend vlak bestaat uit een ruwe plankenvloer, planken waarmee een blokhut gebouwd is of als afrastering van een weide dient. Rechts achter op het speelvlak lijkt een alpinistentent te staan, waarover een plasticzeil ligt. Ruwe bergwind woedt door de zaal bij binnenkomst van het publiek. Aan alles is te zien dat regisseur Johan Simons de zoon van een boer is en daar ook fier op is.

Alles ist fort

De gure wind wordt sterker. Moeizaam gaat de deur open en een berggids komt binnen, sneeuw en wind met zich meevoerend. De eerste rijen krijgen een sneeuwvlaag over zich heen. De zaal koelt af. Publiek rilt. De gids schetst een beeld van wat er te wachten staat. Een familiegeschiedenis. De gids trekt het zeil van de tent. Geen tent komt te voorschijn maar een huisorgel en een buffetpiano, rug aan rug. Tegelijk gaat opnieuw de deur open en de familie komt te voorschijn, wind en sneeuw met zich meevoerend. Door de kracht van de wind is de intrede een dans van botsen, vallen en opstaan, tot de deur weer dichtgaat. Dan neemt iedereen een normale houding aan, deftig naar woord, keurig in het pak. Gegoede klasse. Een pianist neemt haast ongemerkt plaats aan de piano. Hij speelt Schubert, pianissimo. Terwijl de gids zegt [in het Duits]: ‘Als ik aan jou denk, denk ik aan iemand anders. Zegt dat veel zoniet alles over de plaats van jou in mijn herinnering. Voorbij is voorbij’.

Elfriede Jelinek was in haar jonge jaren een achtergrondpianiste voor zangers van klassieke liederen. Vanuit de cyclus Winterreise, maar deels ook Die schöne Müllerin, bouwt zij het verhaal op. Geen theaterverhaal, maar een novelle. Theaterwetten kunnen haar gestolen worden, die zijn voor de regisseur. Hij ziet maar. En hij zag dat het zaallicht beter bleef branden, op de helft van zijn kracht.

Es kommen Fragen auf

De vader is de centrale figuur in de familiegeschiedenis. Rond hem is het hele verhaal opgebouwd. Zijn jeugdjaren. De keuze van een vrouw. Haar waarde in geld uitgedrukt. De Alpen kunnen verkocht worden, net als een bruid. Zijn leven als huisvader. Het langzaam blind worden van de man. Het verlies aan invloed in de kleine regering die een gezin toch is. De machtsovername van de moeder. De onderlinge ambities die vaak tot conflicten leiden. Eenmaal blind verliest hij zijn zin om een woordje mee te praten. Wordt dus stom. Wat tot nog hogere spanningen leidt. Zijn ooit krachtige persoonlijkheid ter waarde van een rots verschrompelt tot een erwt. Toch moet de schijn opgehouden worden. Driedelig pak. Wandelstok van uitstekende kwaliteit. De moeder heeft kuren. Haar waanbeelden, fata morgana’s, terroriseren het gezin. Toch blijft alles draaien om de vader. Wat last brengt, is niet waardevoller of waardelozer dan wat lust schenkt. Er is geen toekomstige tijd, er is geen toekomst. Herinneringen verkleuren.

De acteurs spelen op het publiek, zonder echter het onderling contact te verliezen. Haast jaagt de spreektaal voort. De ene herinnering haalt de andere boven. De andere corrigeert de ene. Lawines. De winter is doorgedrongen tot in de stem. IJzige humor, bevroren confrontaties, heldere haat.

Wir sind die Mehrheit

Wat wij, de mensen, denken en zeggen is wet, maar is het in werkelijkheid niet. Achteraf beschouwd. Langzaam ontbloot het familiegebeuren uit Winterreise zich als een modelvoorbeeld van elk gezin, waar ook ter wereld, in de maatschappij. Zij is een gevangenis, met in de kelder de martelkamer om onze gevoelens te temmen, tot ze een status verwerven van schijn. Het sociale weefsel van de maatschappij moet bestreden worden. Met alle middelen. En zoals de politici het volk misbruiken, mogen ook de argumenten misbruikt worden. Min plus min is plus. Als het orgel eindelijk een potje jankt en het zaallicht dooft, is de tijd aangebroken om een balans op te maken van een getraumatiseerde jeugd. Zo blijken gebeurtenissen uit de kindertijd een voedingsbodem te zijn van de latere karaktervorming, nodig en nuttig om ook in de toekomst te kunnen leven. Altijd en voor altijd. Wat voor gedrag iemand ook heeft. Zelfs al bevalt het ons niet. Vrijheid bestaat niet. Het is een verzinsel.

Jelinek lijkt op de Zwarte Madam, de hoofdfiguur uit de gelijknamige strip uit 1947 van Willy Vandersteen. Zeer kritisch over de medemens, zonder zichzelf te sparen. Want had zij het bij het rechte eind als dochter, als vrijgevochten vrouw, als oudere dame die de man in al zijn presidentiële gedaantes schilt.

Alles wird einfacher

Een dreigende sfeer groeit. Bezet het gebouw. Het zaallicht dooft. Alleen de nuchterheid van de koude en kale zinnen geselen het publiek. Tot de familieleden verdwijnen, met achterlating van de vader, blind geworden. Dag en nacht zijn voortaan van hetzelfde zwart. Voor hem zijn er geen dimensies meer. Geen houvast. Hem rest niets anders dan te dolen door zijn geest. Het wordt tot leven gebracht door hem te laten ijsberen tegen de achterwand, een enkele keer een paar passen voorwaarts te laten maken, om hem dan snel weer de zwarte achterwand te laten opzoeken. Het toneellicht dooft. De vader verdwijnt. Het zaallicht ontwaakt. Pauze.

Zonder afbreuk te doen aan de prestaties van de andere acteurs, blijkt dat de Vlaamse uitblinken. Zowel Benny Claessens, in een zwart wijd kleed gehuld en met een communiekroontje op het hoofd, en Kristof Van Boven stelen de show. Kristof Van Boven speelt een duivelse jonge vrouw. Hij laat zien wat transformatie op het toneel moet zijn. Benny Claessens lijkt in München een hogere versnelling te hebben gevonden. Losser. Meer zelfvertrouwen.

Ich hab ihnen geglaubt

Na de pauze zit de vader op de zitbank van het huisorgel. Een lange monoloog volgt. Als verantwoording van zijn daden, zijn stilte. Dat hij altijd heeft vertrouwd op zijn vrouw, zijn dochter. Wat hij zou kunnen geweest zijn, gedaan zou kunnen hebben, ware er die oprukkende blindheid niet geweest. Zijn stomheid was een spoor in de donkere wereld van de beeldloosheid. Volg het spoor. En Jelinek, jaren na de dood van haar vader, volgt het spoor. Hij verrijst in Jelineks hoofd. Er moet toch een mens, een gezinshoofd, een vader in hem verscholen hebben gezeten. Reconstructie als constructie. En dan verschijnen de overige familieleden weer. Ze verantwoorden zich, met flauwe argumenten. Waardeloos, nutteloos, nodeloos. Wij zijn allen vreemden voor elkaar, schrijft Jelinek. Vreemde dingen opgedaan, vreemde dingen uitgebraakt. Zo evolueert een familieverhaal op een reis door de winter. Geen wandeling meer, geen wind waait nog, geen vrieskou, geen dooi.

Wie kommen Sie darauf?

Ieder gezin heeft zijn geschiedenis. Elke mens zijn winterreis. Met zijn eigen verklaring, zijn eigen verhaal. Das ware dann was andres gewesen. Das ware was gewesen! Ja, das ware natürlich was andres gewesen!

Een indrukwekkende voorstelling. Naar verluidt heeft Elfriede Jelinek, de openbaarheid schuwend, toch haar veilige Weense oord verlaten om de laatste doorloop te zien. Ze was tevreden, zeer tevreden. Ondanks het feit dat Johan Simons meer dan de helft geschrapt heeft. Om tot de essentie te komen en de voorstelling geen acht uur te laten duren, maar drie.

Guido LAUWAERT

WINTERREISE – Elfriede Jelinek – door Münchner Kammerspiele. Regie: Johan Simons – Te zien: Schauspielhaus, München – www.muenchner-kammerspiele.de

Partager cet article
Repost0
5 mars 2011 6 05 /03 /mars /2011 06:25

 

Cover-Opgerichte-poezie-voorplat.jpg

Opgerichte poëzie (1975-1988), de nieuwe, lijvige verzamelbundel van Maris Bayar (°1937) wordt in De Zwarte Panter voorgesteld op vrijdag 25 maart. De publicatie van de sterk autobiografische en eigenzinnige poëzie van Bayar wordt begeleid door een grondige biografische schets van de hand van Aleidis Dierick.

De publicatie werd mogelijk gemaakt door steun van de Provincie Antwerpen.

U bent van harte welkom!

Galerie De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen, vrijdag 25 maart om 19u30. Einde voorzien om 22 u.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche