Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
22 avril 2011 5 22 /04 /avril /2011 22:44

Pernath1.jpg

Hugues C. Pernath en Henri-Floris Jespers

Het H.C. Pernathfonds en het Letterenhuis nodigen u uit op het colloquium ‘Jarig in mijn schitterend woord’naar aanleiding van het tachtigste geboortejaar van de dichter. Het colloquium vindt plaats in het Letterenhuis te Antwerpen, op woensdag 27 april.

Programma

14.00 uur: Verwelkoming door voorzitter Leen van Dijck

14.10 uur: ‘Een grote, onverklaarbare ode aan de Mens, de myte en het onmogelijke". Kunstnotities van Hugues C. Pernath in 'Het Geestesleven' van Vooruit (november 1957-oktober 1960)’. Lezing door Yves T’Sjoen

14.30 uur: ‘Geen licht dat moeder heette’ Moeder en zoon in de poëzie van H.C. Pernath. Lezing door Joris Gerits

14.50 uur: ‘Geïllustreerde gedichten en geannoteerde plastische indrukken van H.C. Pernath’. Lezing door Henri-Floris Jespers

Koffiepauze

15.30 uur: ‘Treursoldaat’ Soldatenbrieven van H.C. Pernath en Paul Snoek. Lezing door Dirk de Geest

15.50 uur: ‘H.C. Pernath en Mei’68’. Lezing door Geert Buelens

16.15 uur: Ruth Joos interviewt Walter van den Broeck en Henri-Floris Jespers over de dichter Hugues Pernath en de man Hugo Wouters.

Na afloop is er een receptie.

AMVC-Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen.

Partager cet article
Repost0
22 avril 2011 5 22 /04 /avril /2011 08:32

De Herman J Claeys-prijs 2011 wordt uitgereikt op donderdag 12 mei (17u30 -19 u) in de Groene Watermankelder, Wolstraat 7, 2000 Antwerpen.

HJCprijs.jpg

De filoloog, dichter, romancier en vertaler Herman J. Claeys overleed op 29 december 2009 aan kanker. Hij werd 74. Herman Claeys was een linkse, geëngageerde kunstenaar in zijn leven en werk. Hij speelde een rol in de jaren zestig met Provo, Revo in Brussel, was de vader van De Dolle Mol aldaar, werd in Antwerpen de bezieler van De Muzeval, een maandelijks poëziemoment dat weldra aan zijn 150ste aflevering toe is.

herman-j.-claeys.jpg

Herman J. Claeys in de Muzeval

Herman J. Claeys was een geliefd man”, aldus Koen Caillauw. “Een autonome militante dichter die met beide voeten in de werkelijkheid stond en zijn teksten in het teken stelde van de strijd tegen onrecht, oorlog, sociale uitsluiting, armoede, ...”

Herman J. Claeys was een vaste medewerker van het CDR. Om talrijke bijdragen rond hem online te lezen, volstaat het in de kolom rechts van de blog te scrollen en in de rubriek “Recherche” zijn naam in te typen.

Herman J. Claeys publiceerde in het Bulletin de la Fondation ça ira (nr.9, 2002) een definitieve bijdrage over de Scandinavische origines van de Franstalige Antwerpse dichter Max Elskamp (1862-1931).

*

De Herman J. Claeys-prijs werd ingesteld door Pipelines vzw / De Muzeval. In naleving van de laatste wil van de dichter wordt het juryvoorzitterschap waargenomen door Henri-Floris Jespers.

De jury bestaat uit Bert Bevers, Koen Calliauw, Paul Ilegems, Kris Kenis, Patricia De Landtsheer, Jef Meert, Roger Nupie, Hans Plomp, Lucienne Stassaert en Jan van Veen. ■


(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
22 avril 2011 5 22 /04 /avril /2011 07:37

 

CaretteBundel.jpg

Zaterdag 7 mei om 16 uur wordt de nieuwe (zevende) dichtbundel van Hendrik Carette, Een zeemeermin aan de monding van het Zwin, feestelijk voorgesteld in de bovenzaal van het Toreken op de Vrijdagmakt, 36 te Gent.

Uitgever Willy Tibergien spreekt een welkomstwoord, prof. dr. Erik Spinoy houdt een toespraak en de dichter leest acht gedichten, waarna de obligate receptie aangeboden wordt.

De bundel werd met steun van de provincie West-Vlaanderen uitgegeven door het PoëzieCentrum. ■

Hendrik CARETTE, Een zeemeermin aan de monding van het Zwin,Gent, Poëziecentrum, 2011, 78p., 17,50 €.

Partager cet article
Repost0
22 avril 2011 5 22 /04 /avril /2011 06:29

 

Meisje-dat-ik-nog-moet.jpg

Y. M. Dangre (°1987) is met Meisje dat ik nog moet, verschenen bij De Bezige Bij Antwerpen, genomineerd voor de C. Buddinghprijs 2011. Dangre is de enige Vlaming. De drie Nederlanders zijn Dennis Gaens (Ik en mijn mensen,Van Gennep), Marjolijn van Heemstra (Als Mozes had doorgevraagd,Thomas Rap) en Lieke Marsman (Wat ik mijzelfgraag voorhoud,Van Oorschot). De C. Buddingh'-prijs (1200 €) bekroont jaarlijks het beste poëziedebuut. De jury bestaat dit jaar uit Koen Stassijns, Anja de Feijter en Maarten Elzinga.

Op 19 februari werd Meisje dat ik nog moetin het Sint-Michielscollege te Brasschaat voorgesteld door Luc Pay. Zijn toespraak, verschenen in de Mededelingen van het CDR(nr. 172, 28 februari 2011, pp. 7-11), wordt nu hier online gezet.

*

 

Dichter, romanschrijver en cineast Patrick Conrad schreef mij ooit over Dangres poëzie: “Ik las de gedichten van je Venetiaanse protégé en was, moet ik zeggen, vrij onder de indruk. Pastiches inderdaad, maar pastiches waar meer achter schuilt.” Datum: januari 2006 – dat is dus, nota bene, reeds vijf jaar geleden. De gedichten waar Conrad op doelde zijn de allereerste die Dangre ooit publiceerde, en wel in Schakel 2005.

Eind 2009 vertrouwde essayist, criticus, prozaschrijver en dichter Henri-Floris Jespers mij toe: “Ik geloof inderdaad dat Dangre de ‘étoffe’ heeft van een échte dichter.” Beide auteurs kregen gelijk.

In het najaar 2010 verscheen Dangres roman Vulkaanvrucht, die heel wat reacties uitlokte zowel in de schrijvende als de sprekende pers. Ondertussen publiceerde hij ook gedichten in een aantal vooraanstaande literaire tijdschriften of op blogs, droeg hij poëzie voor op o.m. het Elsschot-festival en was hij onlangs nog te gast op de Gedichtendag in Antwerpen en in Utrecht. Vandaag presenteren we hier op het college zijn eerste dichtbundel, die medio januari van de persen rolde en waarvan de eerste druk, jawel, reeds op vrijdag 11 februari was uitverkocht.

Meisje dat ik nog moet is de enigszins dubbelzinnige want elliptische titel van deze dichtbundel, die uiteindelijk vijf cyclussen telt en die, zoals je kan verwachten van een debuterende jongeman, de liefde tot centraal thema heeft. Zijn het dus oden aan zijn grote liefde of elegieën voor één of ander ‘verloren’ of ‘verdwenen meisje’? Zo simpel is het niet, zeker niet bij een schrijver als Y.M. Dangre. Wie zijn roman Vulkaanvrucht gelezen heeft, zal mij begrijpen. Ik verklaar mij nader.

Het “meisje dat [de dichter] nog moet” krijgt diverse namen. In de eerste cyclus heet ze “Aurora”, in de ‘Sargedichten’ gaat het om een “heel kleine muze” of een “Grieks Roodkapje”, en in het gedicht ‘Gratia plena’ (dat opgebouwd is uit 14 septetten) wordt ze aangesproken als “meisje dat ik nog moet”, “dat ik nog wil”, “dat ik niet mag”, “dat ik nog zal” of: “meisje in mijn midden”. ‘Gratia plena’ is wèl expliciet opgedragen aan een zekere “Marie”: mogelijk een meisje/vrouw van vlees en bloed, maar gezien de titel – “(Wees gegroet, Maria/Marie) Vol van genade” blijft ook deze opdracht op zijn minst dubbelzinnig.

Bij nader toezien gaat het uiteindelijk in die drie cycli om een apostrofe van de Muze: Aurora bijvoorbeeld, godin van de dageraad die de zon aankondigt. Dangre richt zich tot haar als in een gebed en smeekt haar om haar liefde, haar gunsten, om de honing die uit haar lichaam stroomt – de hemelse dauw die, metaforisch of allegorisch, uiteraard ook naar de poëzie verwijst.

 

Elke ochtend lik ik de dauw / uit je monden […] en open je wonde / tot je honing breekt en mijn lichaam / reinigt.”

 

In de cyclus ‘De sargedichten’ – de bepaling ‘sar-’ verwijst naar ‘sarren’ of ‘plagen, pesten’ – krijgt de Muze geen naam maar gaat het om een dartel, ondeugend en zelfs gevaarlijk klein meisje dat spelletjes speelt met de dichter en uiteindelijk ongrijpbaar blijft. Ze speelt verstoppertje en blijft onvindbaar

 

tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding.”

Met als gevolg:

Halsstarrig blijf ik roepen: kom toch / tevoorschijn om mij te openen / als een blik op jou.”

Maar helaas, zo zegt de dichter: “klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht”.

 

Deze “gekke meid”, die zich de hele tijd “vermomt […] in een vrouw”, blijkt een Grieks Roodkapje dat zegt: “Ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend.” En dan verdwijnt ze weer, deze erotisch-poëtische fee en feeks, deze inspiratiebron, precies in de taal die de dichter neerschreef: zij maakt zijn verzen mogelijk en tegelijk onmogelijk, zij is er tegelijk in aanwezig én afwezig.

Gratia plena’ is een schitterend, lang litanie-achtig of psalmodiërend gedicht waarin Dangre opnieuw de aandacht, de aanwezigheid van een muze afsmeekt en oproept: “Luister je al, meisje dat ik nog zal” Of: “Voel mij bidden, meisje in mijn midden, / meisje smeulend in de vrieskou / van mijn zingende handen.” Maar ook zij blijft ongrijpbaar, en bij het afscheid in het slotgedicht klinkt het zo:

 

Gegroet, meisje dat ik nog moet, / meisje ooit en nooit meer hier, / veel te hijgend verwoord, paars / en ijselijk word jij weer het december / van mijn verbeelding […]”

Of: “Verdraag toch mijn zenuwtrekkend geloof / en vergeef en vraag en vul, val, wees vol / van mijn genade.”

 

Schrijven is de wanhopige, telkens weer herhaalde beweging naar een centrum dat zich altijd aan de periferie bevindt, of dat zich even toont in de schriftuur en dan weer onherroepelijk verdwijnt.

Naast deze drie cycli, deze zowel speelse als ernstige smeekbeden aan het muzenmeisje, bevat de bundel nog twee cycli die enigszins apart staan en die de langste, breedvoerigste gedichten bevatten van de hele bundel.

De cyclus ‘Vivaldi’ is opgebouwd rond de vier seizoenen van de Venetiaanse componist. Hier geen lyrisch ‘ik’ meer tegenover een ‘jij’ maar de ruimere collectieve algemeenheid van een ‘wij’. De dichter ‘beschrijft’ hoe, afhankelijk van het seizoen in kwestie, ‘wij’ de liefde beleven en ervaren; maar tegelijk vormen deze vier seizoenen metaforen voor de grote fasen in elk individueel mensenleven. Bijvoorbeeld, als het zomer is:

 

In dit zomerse lied zingen wij van zon / en zaad de liefde leeg, dansen wij vrouwen / en mannen met onze korte broeken vol / muzieknoten en strekken onze kerfstokken / tot eer”.

 

Met deze vijf verzen moge voldoende aangeduid zijn hoe heerlijk ondeugend en dubbelzinnig Dangre zijnlyrische strijkstok hanteert. Ondanks de onafwendbare vergankelijkheid klinken deze seizoen-gedichten nog optimistisch, want zelfs in de winter gaat het als volgt:

 

[wij] weten al lang niets meer / dan dat wij nog snakken naar elkaars / snaren, naar het tikken, strijken, / blazen en zuigen op elkaars zonnewijzers, / want zelfs nu, ondergesneeuwd in ouderdom, / zijn wij van water en van muziek en van elkaar / de schunnigste partituren.”

Heel anders is de tonaliteit in de cyclus ‘Onze woonst. Net zoals bij Vulkaanvrucht stond ik als aan de grond genageld met deze gedichten waarin Dangre de verloren vitaliteit, de uitzichtloosheid, het tekort en de onmacht, de uitgedoofde liefde binnen een huwelijk lyrisch omcirkelt. Deze genadeloos observerende, maar opnieuw erg beeldrijke gedichten die eveneens in de wij-vorm geschreven zijn, getuigen van een ongehoorde, pijnlijke gevoeligheid van een 22-jarige voor de problematiek van het gehuwde paar; ze tillen zijn poëzie hoog uit boven de al te ik-betrokken probleempjes van de doorsnee adolescentenpoëzie-op-vrijersvoeten.

Een voorbeeld: het echtpaar weet van het echtelijke bed dat zij

 

er toch zullen instappen op onze oude voeten / van oorlog en schimmelende wellust.”

 

Datzelfde bed wordt omschreven als

 

een slagveld van lijfgeur en paringsdans, / van vroeggestorven warmtes” waar de “trouwe nacht als een loopgraaf onder de lakens” ligt.

 

De grote boeman blijkt hier, net zoals in de roman Vulkaanvrucht, de tijd te zijn, de voortschrijdende ouderdom, de aftakeling, het verlies van de jeugd – een fundamenteel thema, blijkbaar, bij Dangre. Luister maar:

 

“Wij worden oud en kinderlijk en denken / dat het went, dit

stilzitten in elkaars mond, / met versleten tongen en zere

knieën / wachten tot één van ons eindelijk begint te lekken en

de woorden sijpelen / op het tapijt, op de verleerde lippen / die

de ander niet meer wil oprapen. / Nooit meer.”


Beste vrienden, een technische of vormelijke analyse van deze gedichten zou mij veel te ver voeren en uw geduld te lang op de proef stellen. Alleen dit.

Dangre schrijft echte lyriek – niet de ‘zuivere lyriek’ à la Van Ostaijen, maar hoedanook virtuoze lyriek waarvan het litanie- of psalmodiërende karakter onweerstaanbaar herinnert aan b.v. Bijbelse poëzie, aan de prachtige litanieën van een dichter als Nic Van Bruggen of de zangerige metaforenrijkdom van een Hugo Claus. Lees maar hoe bepaalde gedichten strak, bijna geometrisch opgebouwd werden rond variërende of letterlijk herhaalde woord- of zinspatronen, ofwel rond één centraal motief.

Opvallend is de grote klankrijkdom en de oorstrelende muzikaliteit van de verzen, die pas bij een innerlijke of werkelijke declamatie tot haar volle recht kan komen. Die ritmiek heeft te maken met syntaxis, met alliteraties, assonanties en subtiele echo’s of klankverschuivingen, of met soms erg verrassende enjambementen.

Maar er is meer. In de roman Vulkaanvrucht ontpopte Dangre zich reeds tot een woordenfluisteraar, wat in proza niet altijd even opportuun is. Hier echter leidt zijn superieure taalbeheersing tot verbluffende verbale pareltjes die bulken van de betoverende omkeringen, ontroerende metaforen, woordspelingen en allusies, betekenisverbanden en verwijzingen (bv. naar de klassieke Oudheid) waarbij abstract en concreet, synesthesieën of lichamelijkheid en taal probleemloos in elkaar overgaan. Dangre beheerst de kunst om de lezer op een erg subtiele manier op het verkeerde been te zetten, bv. met verdraaiingen van bekende zegswijzen of een onverwachte spelling die een woord doet kantelen in een ander:

 

“krabbel mij recht / en zonder rede” (zonder –n dus), zo vraagt

hij aan Aurora;

en elders stelt hij dat het “meisje” zijn verzen “beliegt, want zij leidt

almaar de tuin / van mijn poëzie om”.

 

Vandaar een verrassende, verfrissende en tegelijk warme lyriek boordevol ironische knipoogjes die speels en organisch uit zijn pen vloeien. Dangre, poeta doctus en poeta faber, geeft blijk van wat men in de Renaissance ‘sprezzatura’ noemde: het talent om op een schijnbaar nonchalante, onopvallende wijze zijn virtuositeit te etaleren. Maar ik laat het linguïstisch-poëtische genot verder volledig aan u over. Lees deze poëzie, herlees ze vooral vaak en savoureer ze met alerte en eerbiedige omzichtigheid.

 

Mijn dierbare dichter,

 

Homeros en Vergilius openen hun onsterfelijke gezangen met die welbekende apostrofen van de Muze, terwijl Lucretius zich bij de aanvang van zijn De rerum natura tot Venus richt in het volgende prachtige vers: “Quo magis aeternum da dictis, diva, leporem”(“Verleen des te meer, Godin, eeuwige bekoorlijkheid aan mijn woorden” – I, 28). Nagenoeg jouw hele bundel echter kan beschouwd worden als een invocatio van het Meisje dat je muze, of van de Muze die jouw meisje is, en wel aan het begin van je hele poëtische carrière. Dat beschouw ik als een elegante geste van nederigheid en toewijding bij deze, jouw, inwijding. Ook als dedicatio kan deze geste tellen.

Ik las ooit ergens volgende maxime van de Franse acteur Gérard Philippe: “Lorsque nous serons tristes, nous serons élégants.” Maak ons nog vaak deelachtig aan je oorbetoverende poëtische elegantie, want zij maakt ook onze tristesse draaglijk. Al was het maar l’espace d’un de vos poèmes.

*

Luc Pay recenseerde ook de debuutroman van Y. M. Dangre, Vulkaanvrucht, in de Mededelingen van het CDR(nr. 167-168, 31 december 2010, pp. 5-18). De integrale tekst verscheen hier in twee afleveringen, op 7 en 8 november 2010:

http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-y-m-dangre-de-moord-op-peter-pan-60508872.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-y-m-dangre-de-moord-op-peter-pan-slot-60512910.html

Partager cet article
Repost0
21 avril 2011 4 21 /04 /avril /2011 22:36

 

Hoewel het wonderbaarlijk mooi weer was voor een Witte Donderdag bleek er toch een veertigtal poëzieliefhebbers bereid om in Het Letterenhuis meer dan een uur lang de mond te houden. In het kader van de Donderdagen van de Poëzie was deze keer Chrétien Breukers te gast. Hij werd geïnterviewd door de charmante Jelle Van Riet, die (en dat is - neemt u dat van mij aan - beslist geen vanzelfsprekendheid bij interviewers van dichters) 's mans werk daadwerkelijk gelézen bleek te hebben.

Chretien-Breukers-en-Jelle-Van-Riet--foto-Bert-Bevers-.JPGChrétien Breukers en Jelle Van Riet (Foto: Bert Bevers)

De oorspronkelijke opzet van de Donderdagen van de Poëzie is op zoek te gaan naar de literaire inspiratiebronnen van de gasten. Die wilde ze van Breukers (º 1965, Leveroy) ook wel weten, maar ze was toch ook wel benieuwd naar de reuring die hij regelmatig veroorzaakt (met het samenstellen van de bloemlezing 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten bijvoorbeeld, maar vooral met zijn dagelijks geactualiseerde poëzienieuwssite De Contrabas), en of hij daar niet veel vijanden aan overhield? Die zijn er volgens hem wel ("Niet dat die me iets doen hoor, als we elkaar al tegenkomen kijken ze me meestal niet aan"), maar hij zei toch ook niet uit te sluiten dat hij her en der nog wat vrienden heeft. De dikwijls platvoerse reacties van gefrustreerde dichters die vinden dat ze ook gebloemleesd hadden moeten worden of die het niet eens zijn met Breukers' definitie van hen en hun werk laat hij tegenwoordig van zich af glijden. "Vroeger zat ik daar nog wel eens over te piekeren, maar ik heb een speciale hersenfunctie ontwikkeld die me in staalt stelt me daar voor af te sluiten," glimlachte hij. Hij zei het gewoon belangrijk te vinden man en paard te durven noemen. Iets dat velen volgens hem nalaten omdat ze bang zijn degene(n) die ze eigenlijk kritisch zouden willen benaderen nog wel eens nodig te hebben in 'het circuit' van dichters die ook nog ergens juryleden, organisatoren en toelagebedelers zijn.

Jelle Van Riet had het katholicisme als rode draad in Breukers' oeuvre ontdekt, en vroeg zich af hoe hij zichzelf ziet. Als dominee (die hebben ze niet in het katholicisme, maar soit), profeet, voorganger, voorzanger? Breukers wist het niet precies, maar kon zich wel vinden in een door Van Riet gesuggereerde rol als die van Herman De Coninck ("Maar dan wel zonder Kristien Hemmerechts!"). Overigens zijn het vooral de rituelen en symbolen van het katholicisme waarin hij opgroeide die hem aanspreken, en niet meer zozeer het geloof zelf. Zijn twee dochters groeien zelfs niet-kerkelijk op. "In het Leveroy van begin jaren zeventig was het katholicisme lang niet meer zo beklemmend als dat waarmee mijn ouders groot werden, er speelde zelfs al eens orkestje in de kerk," aldus Chrétien Breukers die in religieus opzicht dan wel zijn voornaam meeheeft, maar nog steeds niet vergeten is dat die als Chritien op zijn geboortekaartje staat. Aardig detail. Zoals ook de culturele bagage die hij thuis - zijn ouders dreven een kruidenierswinkel - meekreeg leuk was om te vernemen. Een reproductie van De Nachtwacht, een huilend zigeunerjongetje en lp's met Beierse fanfaremuziek. Klanken waarvan hij nu eigenlijk nog steeds wel houdt. Hij was ook lid van de fanfare, en heeft zelfs gevoetbald. Het kennismaken met cultuur ging op eigen kracht. "Gewoon in de bibliotheek beginnen bij de A en op naar de Z. Dan krijg je vanzelf in de gaten wat je aanspreekt." Maar op zijn 18de hield hij zijn geboortedorp voor gezien en moest het naar de grote stad. Tegenwoordig woont hij in Utrecht waar hij zich gaandeweg steeds vaker realiseert (net als Manuel Kneepkens in Rotterdam) dat hij meer Limburger is dat hij ooit had verwacht.

Chretien-Breukers--foto-Bert-Bevers-.JPGChrétien Breukers (Foto: Bert Bevers)

In zijn geboortedorp realiseerde hij zich reeds op zijn 15de dat hij 'de poëzie in' wilde. Dat gebeurde toen op weg van school terug naar huis een gedicht van Adriaan Roland Holst hem dusdanig boeide dat hij volledig vergat van de bus te stappen. Met Holst kwam de eerste grote literaire invloed voor de microfoon. De tweede was Jan Kostwinder, van wie hij leerde dat poëzie niet per definitie duidelijk moet zijn, maar wel hélder. Hij las Kostwinders pakkende Afscheidslied voor. De derde Grote Meneer voor deze 'Limburger in diaspora' is Jos De Haes, wiens Rouwhij bracht. Het verheven taalgebruik, de symboliek. Hij herkent die zeker bij De Haes.

Van zijn eigen recente werk kwamen vooral de mooie bundels Tongebreek & Niemendal (2008) en Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt (2009) ter sprake. Chrétien Breukers besloot deze interessante editie van de Donderdagen van de Poëzie met het voorlezen uit eigen werk. Waaronder Urbi, orbu, ufarsin:

 

Op een paarse slee word ik gebracht.

God is loom, nee, God is dood. Vanuit

mijn kist geef ik geen zegen: urbi,

orbi, ufarsin. Het lijkt alsof

 

het kaf van eeuwen opstuift waar ik

langs de wegen word gevoerd. Mijn keel

is als vergrendeld. Heel mijn lichaam

is geolied en gezalfd. Memento

 

dat er altijd iemand ergens wakker

schrikt en naar zijn lichaam tast. De slee

glijdt verder. God is bijna wakker.

 

Prevelt onomkeerbaarheid. Stevent

op de voordeur af. Vér weg staat een

verse roedel tamme honden klaar.

 

Het was voor veel van de aanwezigen een aangename kennismaking met deze notoire brombeer, die in het dagelijks leven eigenlijk gewoon een aardige jongen kan zijn....

Bert BEVERS

Partager cet article
Repost0
21 avril 2011 4 21 /04 /avril /2011 07:46

Foque1.jpg

De nieuwe bundel van Richard Foqué, Te laat het landschap (hier aangekondigd op 5 maart) werd donderdagavond 31 maart voorgesteld in De Zwarte Panter te Antwerpen. Poëziekenner Gerd Segers, redacteur en uitgever van het voormalige literaire tijdschrift Revolver ging in gesprek met de dichter, waarna Richard Foqué enkele gedichten voorlas.

De bundel bestaat uit vijf cycli: 'Ik teken een landschap', 'In de aarde geëtst', 'Uit lucht gebeiteld', 'Door de tijd verlaten' en 'Te laat het landschap'. Elke cyclus wordt voorafgegaan door een illuminatie van graficus / uitgever Gerrit Westerveld en een motto (van, achtereenvolgens, T.S. Eliot, Seamus Heany, Leonardo da Vinci, Jorge Luis Borges en Emily Dickinson).

Uit de titelcyclus, het gedicht 'Dit land wil ik niet meer bewonen':

 

Dit land wil ik niet meer bewonen

deze krimpende vlakte waarin

je niet kan verdwalen waar leegte

aan de middelmaat gemeten wordt

eigenwaan in brons gegoten. Verder

zijn er de heuvels kaalgeslagen kleihopen

 

die in schuldig verzuim schaamteloos

de eeuwigheid begrenzen het licht niet

in deogen dulden. Wind en lage wolken

beloven er de hemel naar de vallei moet

je zoeken waar water stroomt en leven

het uitzicht is er weidser


De bundel is voorbeeldig vormgegeven en met de hand gemaakt door Gerrit Westerveld. Het binnenwerk is gezet in de letter Palatino, normaal,cursief en vet, 8, 10 en 12 punt. Stofomslag en binnenwerk zijn gedrukt op 120 grams Conqueror, de omslag is 300 grams Folia-Bringmann Hochrot. Een kleinood!

HFJ

Foque2.jpg

Richard FOQUE, Te laat het landschap, Bergen op Zoom, Kleinood & Grootzeer, 2011, 43 p. Te bestellen bij de uitgever voor 16 + 2 € verpakkings- en verzendkosten.

uitgeverij@kleinood-en-grootzeer.com

www.kleinood-en-grootzeer.com

 

Meer over Richard Foqué:

http://mededelingen.over-blog.com/article-nieuwe-bundel-van-richard-foque-bij-kleinood-grootzeer-68633573.html

Partager cet article
Repost0
16 avril 2011 6 16 /04 /avril /2011 21:47

 

Holvoet.jpg

Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen werd gevraagd om een gedicht te schrijven, bestemd voor de Antwerpse trouwboekjes.

Dat inspireerde hem totaal niet – tot hij een visarend zag en oog in oog stond met een hert.

'Tja, dan krijg je “stads”gedicht als dit, vers uit mijn koker...'

*

In een trouwboekje van de gemeente Ukkel afgeleverd op 20 augustus 1878 staat o.m. te lezen:

Ten zij hij een ouderdoms ontslag van de Koning bekomen hebbe, mag de man geen huwelijk sluiten vóór den ouderdom van achttien jaren en de vrouw vóór vijftien jaren voltrokken.
De akten en stukken in vreemde landen afgeleverd ( uitgenomen Holland, Frankrijk en Pruissen), zullen geviseerd moeten worden door de afgevaardigden of consulen van België er verblijvende en gerechtiglijkt door den Minister van buitenlandse zaken van België.
De stukken in fransche, vlaamsche of hollandsche taal niet geschreven moeten door eenen gezworen vertaler overgezet worden.

Hopelijk zullen gezworen vertaler-dichters het huwelijksgedicht van Peter Holvoet-Hanssen vertolken in de talrijke talen die de metropool rijk is.


Ziehier, in exclusiviteit, de tekst van dit (onverkorte) gedicht.

 

Formule voor een gelukkig huwelijk

Reis in uzelf, spiegel uw partner in het wilde meer van de nacht

vang het licht van de volle maan met vier armen, zie de sterren als

zilveraaltjes in een goddelijke sigaar, streel op tijd de tijd

maal ijs tot sneeuw, bepimpel wimpers als de vleugels van een vlinder

spreek desnoods een avond af bij hoog water, vuur in staf, licht in grot

ademnood: trek naar buiten, vang zeewind, de oorschelpen als vliegers

spoor naar het laatste woud, zoek de wielewaal en doe een kikkerwens

voor een rolstoelpatiënt, proef de stilte als een ijsje voor een kind

alleen zijt ge dan nooit alleen, oehoe, de schicht van een beekforel

lekker als de lippen van de liefde, bron van een rode rivier

hand in kuip vol salamanders bij de verlaten leerlooierij

waar het Witte en het Zwarte Water verstrengelen tot één stroom

welt de eenzaamheid naar boven: verstar niet als een zuchtende rots

vergroot de afstand, sakkerend als een kruimeldief: herlees dit vers

geschreven voor u toen sterren vielen boven de Antwerpse ring.

 

© Peter Holvoet-Hanssen. Trouwboekje(stads)gedicht anno 2011.

Partager cet article
Repost0
13 avril 2011 3 13 /04 /avril /2011 19:55

 

Wie zichzelf zonder enige bevangenheid een “echt dichter” durft te noemen, kan niet anders dan het ook zijn. Dat moet Hendrik Carette hebben gedacht toen hij zich zo betitelde in een ‘persbericht’ waarin geen zweem van satire te bespeuren valt. Hendrik méénde het, in volle overtuiging. Met rokende kruin meldde hij in elke mailbox dat hij niet was uitgenodigd om op het Poëziecircus van de Gentse Vooruit een nummertje te komen doen. Om de gegrondheid van zijn koleire nog mee kracht bij te zetten schaarde hij zich tussen een bonte zwerm van andere dichters, de ene al ‘echter’ dan de andere, zijnde Frans Boenders, Paul Claes, Lut de Block, Frank de Crits, Jozef Deleu, Frans Deschoemaeker, Aleidis Dierick, Philip Hoorne, Henri-Floris Jespers, Gwy Mandelinck, Bert Popelier, Renaat Ramon, Hedwig Speliers, Willy Spillebeen, Erik Spinoy, Lucienne Stassaert, Mark van Tongele, Geert van Istendael, Hubert van Herreweghen en de “Grote Drie van de Nederlandse poëzie: H.C. ten Berge, Herman Hendrik ter Balkt en Jacques Hamelink”.

Het is een literair schandaal,” schruwelde hij, dat die echtedichters en dichteressen “aldaar aldus niet mogen optreden en voorlezen”. En tegelijk vroeg hij zich af wie verantwoordelijk was voor het samenrapen van al die andere “potsenmakers, () valse poëten en proleten, () poseurs en parasieten, () postjesjagers en () prozaïsche prozaschrijvers” zoals de “wereldberoemde (cursief van Carette - FD) Steven Grietens, Andy Fierens, NoN, Jan Bucquoy, Kenny de Thaey, Antoine Boute en ACG Vianen” en andere “geestigaards” van wie “niemand al ooit één goed gedicht heeft gelezen”.

En hij sluit af met een aandoenlijk lamento voor de (alweer) “echte” poëzieminnaars die zich vreselijk te kort gedaan moeten voelen: “Dit is betreurenswaardig, niet zozeer voor de geweigerde, verzwegen of gecensureerde dichters zelf als wel voor de echte liefhebbers van poëzie die een verminkt geluid en een vertekend beeld van de poëzie krijgen en de stem van hun al dan niet geliefde of vermaledijde dichters daar in Gent helemaal niet kunnen zien, aanhoren en beluisteren.”

Het meest betreurenswaardig is het echter voor… Hendrik Carette zelf. Dat een 65-jarige nog in zijn keutel gebeten is omdat hij publiekelijk niet mag voorlezen in de Voor- of Achteruit, getuigt van een schromelijk gebrek aan relativering. Zo schromelijk zelfs dat de ‘echtheid’ van ‘s mans dichterschap er een rare bijklank door krijgt. Wie op zo’n gezegende leeftijd een optreden in een poëziecircus - en voeg er maar bij: de poëzie en het dichter-zijn zelf - niet weet te relativeren, moet dringend zijn vleugels en tenen laten bijknippen.

En dan die “stem van hun () geliefde dichters”, mama mia! Het klinkt bijna even eerbiedwaardig als het gefluister van mijn moeder wanneer ik als knaap van acht in de basiliek van Scherpenheuvel een kwartje in het offergleufje mocht steken en een gewijde kaars mocht branden voor het beeld van de Blauwe Dame… Het publiek en zijn geliefde dichters, ik krijg er zowaar een krop van in de keel. Alleen vraag ik me af of ‘het’ publiek dat op 2 april in de Vooruit naar de Nacht van de Poëzie kwam luisterkijken, misschien niet voor wat anders kwam dan voor gedichtjes, zelfs al zouden ze van Hendrik Carette geweest zijn!

En toch heeft Hendrik niet helemaal ongelijk. Dat het beeld van het literaire (en dus ook poëtische) landschap vertekend wordt, hangt als een volle uier onder de koe. Wie niet in de media aanwezig is, mag het vergeten. En wie niet bij ons-kent-ons behoort, zal niet in de media aanwezig zijn. En zeker wie het aandurft voor Vlaanderen op te komen, zal nooit bij ons-kent-ons behoren. Ja, Hendrik, zo simpel is het. Dus is het misschien toch nodig af en toe eens in een circus op te treden. Zeker voor iemand die ‘erbij’ wil horen!

Op verzoek van Carette heeft Henri-Floris Jespers diens persbericht op zijn ‘Mededelingen’ geplaatst. En ja, hoor, zoals te verwachten liepen er heel wat reacties binnen.

Van organisator Guido Lauwaert o.a., die op een stekelige, ietwat taalkwakkelige manier, waaruit meer sarcasme dan satire spreekt, schreef: “Beste Hendrik Carette, Bedankt voor de publiciteit. Kan je later op de week van de Gentse Boekentoren springen als protest? Dat garandeert ons 100 toeschouwers extra en zullen we er ons broek niet aan scheuren. Want dat dreigt nu voor de 5de maal het geval te zijn. Wat extra hulp kunnen we gebruiken. Grüβen aus Gent.” En die de suggestie van ene Richard Steegman(s) “waarom geen festival organiseren met vijftig bekende Nederlandstalige dichters die niet aantreden op 2 april in de Vooruit?”, voor de zwijnen gooide met: “Als tegemoetkoming wil ik wel een goed woordje doen bij de directie van de Universiteitsbibliotheek om een alternatieve Nacht van de Poëzie te organiseren. In de Panoramazaal is er plaats voor 50 toeschouwers, zijnde 45 protestanten + 5 volgelingen, indien de laatste niet elders ingehuurd zijn. 50 stoelen en 1 microfoon, dat moet ruim voldoende zijn, dacht ik.”

Ook blogbeheerder Henri-Floris geeft commentaar op het persbericht. Vooreerst laat hij weten dat hij in feite niet bij Carettes zwerm behoort, want hij was wél degelijk gevraagd, maar hij “zag dat niet zitten”. [Overigens was ook nachtburgemeester Vitalski van de partij, net als de alomtegenwoordige vetmester Jozef Deleu, die zijn 17e Liegend Konijn kwam aanprijzen.] Jespers heeft echter nog andere bedenkingen bij het lijstje van Carette. Ik citeer: “Lut de Block, zegt Carette? OK, maar hij vergeet dan Maris Bayar, Vera Alexander Beerten, Marleen de Crée of Annie Reniers? Frank de Crits en Frank Deschoemaeker? Jawel. En waarom niet Patrick Conrad, Marc Tritsmans of Werner Spillemaeckers? En zo kunnen we nog lang bezig blijven.”

Wie ook reageerde, is Walter Soethoudt, schrijft Jespers: “Volgens [Soethoudt] ontbreken ook () Maris Bayar, Anneke Brouwers, Toon Brouwers, Frans Depeuter en Vitalski”.Dat Walter ook mij naar de Vooruit zou willen lokken, vinden we bijzonder lief van hem. Maar in tegenstelling tot al die dichters die ontsticht zijn omdat ze niet uitgenodigd werden op “wat zij kennelijk als een normatieve prijsuitdeling ervaren(Jespers), wenst Frans Depeuter juist nietop te treden bij zo’n bedoening. Evenmin als Robin Hannelore, voor zover ik kan inschatten. En als pakweg Frans Deschoemaeker, Aleidis Dierick, Willy Spillebeen, Marc Tritsmans, Marleen de Crée… wier poëzie voor iets intiemers is gemaakt dan om in een circus te worden uit- en misschien weggebruld.

Nee dus, Walter, ik zou hetechtniet willen meemaken om daar de belangrijkerd te gaan uithangen, maar je bent wel bedankt voor de attentie. Wie 65 jaar wordt (zoals Carette) of ouder is (zoals Depeuter), mag toch worden verondersteld tot de jaren van discretie en verstand te zijn gekomen en afstand te hebben genomen van heel dat showgedoe, dat aan de literatuur verbonden is als een hoerenwinkel aan een windmolenpark. Zo dacht ik tenminste.

Dat blijkt ook het aanvoelen te zijn van Henri-Floris die terecht schrijft: “Jongens, waar gaat het om?! Een optreden? Samen de Gentse burgemeester Daniël Termont die als Buffalo verkleed de Internationale zal zingen? Onder waakzaam toezicht van Marc Reynebeau en Herr Seele die in een hoge loge op het balkon van de concertzaal op een ironische manier, als Statler en Waldorf (van de Mupetteshow zaliger), kritiek zullen leveren op de gaande en komende dichter? Waar zijn jullie toch mee bezig? “

Ja, waar zijn we toch mee bezig? Of beter: waar zijn ‘ze’ toch mee bezig? Want mij niet gezien, hoor, ik heb helemaal geen behoefte om daar wat te staan fladderen tussen al die kraaiende hanen - want de kippen houden zich meestal gedeisder. Als het toch niet anders kan, geef mij dan maar een klein publiek dat echt “echt” van poëzie houdt. Een avond met begeleiding van ‘Prana’ bij voorbeeld, het ensemble van Koen Vermeiren, Paul Gyles en Tex Vandelooverbosch, die uit mijn sonnettenbundel Landschap met Duif veertien gedichten selecteerden en op muziek zetten.

Toch wel vreemd dat een “echte” dichter als Hendrik Carette jaloers is omdat hij niet mocht “optreden” tijdens de Nacht van de Poëzie. Ik mag er niet aan denken dat ik op de scène zou moeten staan naast een Jules Deelder, die begeleid met een dwarsfluit (!) zijn 'Kutgedicht' voordroeg: “Oh kut, o snee, o pruim, o spleet,/ o gleuf, o naad, o kier, o reet,/ o gat, o dot, o doos, o meut,/ o muts, o klier, o bef, o preut” en zo gaat de “topdichter”, dankbaar gebruik makend van Jaap Bakkers Rijmwoordenboek,28 regels door, van peer naar vijg, van deur naar scheur, van rits naar snits, van dal naar kwal, van spons naar plons…

Of naast Dirk van Bastelaere die onder de titel ‘Poetry is porn’ een videomontage toonde vol pompende pornosnorren en brutale taferelen. Of naast een opgeblazen puit als Andy Fierens met zijn “grote smerige vlinder die op de mat heeft gekakt”. Of naast ene Frank Starik, die - misschien omdat hij in feite Von der Mohlen heet? - het nodig vond bij wijze van poëtisch statement zijn broek te laten zakken. Of naast ene Théophile de Giraud, die pleitte voor (nog) meer bloot op openbare plaatsen en, de daad bij het woord voegend, the full monty deed. Of naast Jan Bucquoy, die ‘Masturbatie in drie minuten’ bracht, wat erop neerkwam dat hij, na drie minuten lijdzaam gekreun, over het publiek een geschud blikje frisdrank liet rondsproeien dat hij ter hoogte van zijn kruis hield - hij had tenminste champagne kunnen gebruiken, dat doen de coureurs toch ook!

Een deel van het “echte” poëzieminnende publiek was na de act van Van Bastelaere al weggelopen, en ook daarna bleef het door het vergiet wegsijpelen, zodat na middernacht vooral het minder “echte” publiek overbleef, en dat zat/stond te roepen en te lachen en te drinken en te dansen. En ja, ook de wiet en wiet-weet-wat-nóg-allemaal mochten niet ontbreken op dit verheven festival van fijne ontwikkeling, evenmin als de rollebollende jongens en meisjes die elkaar zonder onderscheid van kunne lagen te snavelen en beroeren.

Toen Peter Verhelst zijn ding kwam doen, was alle aandacht zo goed als weg. Terwijl de postmodernist zich stond af te sloven om zijn “Kraanvogels” door de zaal te laten vliegen, kletste en kwekte het publiek als op een vogelmarkt. En toen het de beurt was aan Saskia De Jong kwam vanuit de zaal de ‘poëtische’ aanbeveling “Tetten bloot!”

Ja, mensen, de Nacht van de ‘Poëzie’ noemen ze dat. Moet ik nu bewondering of medelijden opbrengen voor iemand als Adriaan de Roover, die 87 jaar zijnde toch aan het circus deelnam door in een stoel neer te ploffen en minutenlang voor zich uit te zitten turen tot de autocue zou oplichten, en daarna wippend op zijn voet van wal te steken met: "Ik dicht zoals een haan een ei legt"?

Of voor Leonard Nolens die stomdronken terug naar Antwerpen gevoerd moest worden, omdat hij, pas bevallen van een nieuwe bundel, met een postnatale depressie zat te kampen en zijn toevlucht had genomen tot een ‘medicijn’ van ietwat te hoge gisting?

God, wat moet Remco Campert zich achteraf gelukkig hebben geprezen dat hij ziek was geweest en had moeten afhaken. En wat heeft Peter Holvoet-Hanssen chance gehad dat hij wegens hartklachten forfait had moeten geven!

En wat zijn wij blij dat we er niet bij waren!

Frans DEPEUTER

Partager cet article
Repost0
11 avril 2011 1 11 /04 /avril /2011 04:51

 

In Vlaanderen en Brussel word je liefst geen dichter. Daar kan je niet van leven, een enquête wees uit dat alle literatoren best vanaf hun eerste woord een aanvraag tot steun bij het OCMW indienen.

In Vlaanderen en Brussel word je liefst geen oud dichter, negentig jaar is uiteraard stokoud en nergens wordt er vermeld dat het je verjaardag was .Dat overkwam Albert Bontridder,dichter en negentig jaar dezer dagen? Who the fuck is die Bontridder toch?

Hij werd geboren op 4 april 1921 in Anderlecht, ging daar naar school en ontmoette er de iets oudere Jan Walravens – wie is dat nu ook weer? Ze werden boezemvrienden en Jan las altijd als eerste de verzen van Albert. Ze raakten geestelijk zo vergroeid dat men van een intellectuele tweeling kon gewagen, schreef Willem M. Roggeman in de reeks 'Monografieën van de Vlaamse Letterkunde' (1975,dat is lang geleden) uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.

Albert Bontridder studeerde architectuur in Sint-Lucas te Brussel en verdiende zo zijn boterham. Ik denk dat zijn overlevingspensioen van zelfstandige, hem en zij vrouw Olga de gelegenheid geven om van veel grand crus en andere Perzische kaviaar te genieten.

Bontridder maakte deel uit van de redactie en was medewerker van het baanbrekende literaire tijdschrift Tijd en Mens opgericht door Jan Walravens in 1949. Bij de medewerkers waren Louis Paul Boon, Hugo Claus (hopelijk doen die namen een belletje rinkelen), Remi C. van de Kerckhove, Marcel Wauters en Ben Cami (who the fuck!!).

Albert schreef zijn eerste verzen in het Frans, hij zal door de 'nieuwe machtige' Vlamingen zeker niet op een eremetaal moeten rekenen. Gelukkig overtuigde de 'ket' Walravens hem in het Nederlands te schrijven. Wat hij vanaf dan ook deed. In 1951 verscheen Hoog water en daarna volgden nog een zevental bundels van hoogwaardige kwaliteit. Bontridder werd ook verschillende malen bekroond, ontving de Arkprijs van het Vrije Woord (1957) en in 1972 de Jan Campertprijs (1972). Hij publiceerde ook, in eigen beheer, enkele bundels met Marcel Wauters, die nu antiquarisch een klein fortuin waard zijn.

Bontridder schreef ook enkele werken over architectuur en ontwierp de woningen van Louis Paul Boon en van Marcel Wauters. De woning van Hugo Claus bleef echter bij een tekening van het plan.

Sinds jaren wordt zijn naam nog door enkele dichters in de Brusselse kroegen gefluisterd en worden, ja, zijn verzen nog geciteerd. Hij wordt bewonderd, hoog in de dichtershemel geprezen door Leonard Nolens, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en ik vergeet er moedwillig nog een tiental andere sukkelaars van dichters.

Ik heb ook met genoegen en immens veel plezier in de letterkundige tijdschriften, de literaire bijlagen van kranten en weekbladen, de artikels naar aanleiding van zijn verjaardag gelezen. Als fan van Albert heb ik ze ingekaderd en geloof mij, ik kom lijsten te kort...

Ik ben er van overtuigd dat de Minister van Cultuur, tussen alle beleidsplannen in, aan haar kabinetschef de opdracht gegeven heeft om die oude dichter een kaartje te zenden met de vermelding: 'nog vele jaren'. Oeps, zegt die chef en slaat zijn rechterhand voor de mond: vergeten,volgend jaar beter. Ook het Fonds voor de Letteren zal hem naast een ruiker, een dikke cheque (na maandenlange sessies van allerhande commissies en vergaderingen met de voorzitter) opgestuurd hebben. Ze kwamen er maar niet uit of ze hem een toelage moesten geven voor zijn vroegere of komende gedichten, of een toelage voor zijn architecturaal werk.

Doch ik vrees dat dat niet kan, want Albert is waarschijnlijk ingeschreven in de Franstalige Ordre des Architectes. Foei, Albert, zo van twee walletjes willen eten. Ook van de Brusselse culturele autoriteiten of de Brabantse (woont hij niet in Sint-Genesius-Rode?) zal hij wel geen blijk van sympathie gekregen hebben.

Albert Bontridder is 'alive and kicking' en negentig geworden ondertussen. Hij schrijft nog steeds gedichten die geen enkele uitgever wil.

Gelukkige verjaardag, Albert en ik beloof het, ik kom je bezoeken.

Moeten wij nu aan al die oude zakken denken, dat is toch onmogelijk werk, kunnen wij het verleden niet begraven? 'Place aux jeunes poètes' is toch de strijdkreet van vandaag.

Frank DE CRITS

lid van Het Brussels Dichterscollectief

zie:

http://mededelingen.over-blog.com/article-16429171.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-19656628.html

Partager cet article
Repost0
9 avril 2011 6 09 /04 /avril /2011 04:35

 

De smadelijke aftocht van Franz Marijnen bij het Nationale Toneel van Den Haag blijft voor beroering zorgen bij onze noorderburen. Nadat collega Kester Freriks vorige week in het Cultureel Supplement van NRC van leer was getrokken tegen het wangedrag van de nieuwe artistiek directeur Theu Boermans, heeft deze week acteur, componist en muzikant Herman Frank een protestgedicht geschreven. Het ontslag van Marijnen sloeg hem met verstomming en is de druppel die de emmer doet overlopen. Voor hem voortaan geen toneelbezoek meer.

 

nee

geen grap vandaag

daar is het verhaal te gruwelijk voor

de gelijkenis met AJAX

dringt zich op

dus niets nieuws onder de zon

 

nu

moet Marijnen het loodje leggen

de nieuwe bezem Boermans

veegt zijn straatje schoon

en zet het ensemble naar zijn hand

én goeddunken

 

tot

driemaal toe

mocht ik onder Marijnen werken

tot driemaal toe

mocht ik werken boven de middelmaat

tot driemaal toe

 

omdat

Franz niet in het plaatje past

té toegankelijk theater maakt

maar wel een draai geeft aan een oud verhaal

zodat het de jas aantrekt

van de tijd waarin het wordt gespeeld

 

terug

draaien

of herroepen kan niet meer

de toon is gezet

de krenking heeft plaats genomen

tussen de kreukels van zijn ziel

 

en

de rest van het gezelschap

nestelt zich in de slangenkuil

zonder een vorm van protest

ik heb geen klacht vernomen

tuurlijk mijnheer Boermans… u heeft gelijk

mijnheer Boermans

 

zo’n

veertig jaar speelde ik toneel

minstens eens in de zeven jaar

maakte ik dit misselijk makende spelletje mee

het verleden draagt een smakeloze smaak

dat het zich – wat dit betreft – herhalen laat

 

daarom

zie ik af van toneel bezoek

ik ken de machinaties en gezichten

die zonder enige vorm van respect

dat wat ze voorstaan

met voeten treden

 

dank voor uw stuk – over theater –

waarin u het opnam

voor een man

die gedreven door een onbenoembaar streven theater maakte

 

Herman Frank, Den Haag

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche