Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
28 mai 2011 6 28 /05 /mai /2011 15:56

 

Maria Verhuyck, het allereerste vrouwelijke lid van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL), wordt langzaamaan iets minder een in de mist der tijden vergleden schrijfster. Uit de editie 1930 van Het boek in Vlaanderen - Jaarboek van de Vereeniging van Letterkundigen en de Vereeniging ter Bevordering van het Vlaamsche Boekwezen stak ik op dat Maria Verhuyck, toen reeds Maria Peremans-Verhuyck (tóch Peremans met 2 e'en klaarblijkelijk) in Amsterdam woonde, op het adres Gerard Terborgtstraat 42II. Ook dat haar toentertijd meest recente roman Hoe het zich wreekte was. Die verscheen in 1926. Ook in de uitgave van 1935 van het gelijknamige jaarboek is dat nog steeds haar laatste uitgave. In die van 1937 komen we weer iets meer te weten: daarin staat dat (ze woont dan nog steeds in de Nederlandse hoofdstad) in dat jaar de novelle Chance en het eerste deel van Catlijne Meyblom verschenen. Catlyne Meyblom is een roman, leert ons Het boek in Vlaanderen 1938, in welk jaar daarvan het tweede deel het licht zag. Weer een jaar later meldt de almanak de verschijning van de duitsche [sic] vertaling van Cathlijne [sic] Meyblom.

Een zoekopdracht op Google leverde verrassenderwijze zelfs een bespreking, ondertekend door ene J.C., op van dit boek. Waaruit blijkt dat de volledige titel Catlijne Meyblom, de weg naar het voetlicht is, en dat het boek verscheen bij Uitgeverij Steenlandt in Kortrijk. Uit jaargang 102 van De Gids, in 1938 verschenen bij P.N. van Kampen in Amsterdam. Geestdriftig werden ze daar niet van het boek van hun stadgenote. Voor de volledigheid:

"Vlaanderen heeft de laatste jaren op proza-gebied een aantal voortreffelijke werken opgeleverd en het zal in een periodiek als deze wel allerminst noodzakelijk zijn daaraan in bijzonderheden te herinneren. Het is daarenboven opvallend hoevele jonge talenten plotseling - het een gelukkiger dan het ander - naar voren komen. Marcel Matthys, Réné Berghen, André Demedts, ziehier enkele namen. Hunne prestaties staan dan nog wel niet op de hoogte van het werk hunner voorgangers (Elsschot, Walschap, Roelants, e.a.), maar het zijn dan toch in ieder geval auteurs wier arbeid reeds thans meer bevat dan een belofte alleen.

De schrijfster van bovengenoemden roman kende ik niet. Ik meen dat voor eenigen tijd een novelle van haar hand is verschenen, welke niet in den handel werd gebracht en die mij al evenmin heeft bereikt. In zooverre kan Catlijne Meyblom  dus bezwaarlijk als een debuut worden aangemerkt. In dit eerste boek (er zal nog een tweede deel volgen) doet Maria Peremans-Verhuyck het verhaal van een vondelinge, die opgevoed wordt in het Vondelingenhuis van Onze Lieve Vrouwe ter Engelen in Mechelen. Zij groeit daar op tot een aanvallig meisje. Zij raakt later verliefd op haar peter, een jong edelman, die haar nogal achteloos behandelt en het verstandiger acht een meisje met geld te trouwen. Catlijne zelf trouwt eveneens. Het huwelijk is echter van korten duur, haar man sterft en laat haar in moeilijke omstandigheden achter. Zij heeft echter talent voor tooneel en op die wijze weet zij dan te voorzien in het onderhoud van zichzelf en haar kind. Wanneer haar beschermster Zuster Oda sterft keert zij naar huis terug met het besluit haar kind niet meer te verlaten.

Men ziet het: een nogal romantisch gegeven. Misschien dat de verbeelding en de voorname woordkunst van een van Schendel, van een Aart van der Leeuw het verhaal van Catlijne Meyblom's jonge jaren zoodanig zouden hebben kunnen weergeven, dat men het geboeid en ontroerd had gelezen. Nu is daarvan geen sprake. Het verhaal wordt wel gedaan, maar nergens worden de figuren levend. Zij leiden in dit boek een schimmenbestaan. Neen, dan knapte een van Lennep zooiets toch stukken beter op."

 

Uit zijn Verzameld werk blijkt dat ook Marnix Gijsen Verhuyck heeft gelezen. Op basis van die lectuur noteerde hij summier: "Mevrouw Maria Peremans-Verhuyck, die in Catleyne  [sic] Meyblom de retrospectieve elementen vermengde met een streven naar psychologische verdieping, leunt enigszins aan bij de gemoedelijke vertelschool." Vermits dat 'streven naar psychologische verdieping' er expliciet in opduikt valt niet uit te sluiten dat Gijsen ook de auteur was van het lemma Peremans-Verhuyck, Maria, Mevr.: Z. Ned. (Mechelen 23-12-1887 – A'dam) in het Lectuur Repertorium. Ze schrijft 'vlotte romans, welke enigszins de schijn verwekken van een streven naar psychologische verdieping, maar eigenlijk slechts in beperkte mate, vooral dan wegens de thema's en de wijze waarop deze behandeld worden, boven het feuilleton-genre uitreiken.' Het supplement 1938-1946 van het repertorium omschrijft het boek nog als 'een vlot-geschreven, doch inhoudlooze mondaine roman'.

Getraceerd kon ook nog Ewig unruhvolles Herz worden, een titel die in 1940 verscheen bij de Berlijnse uitgeverij Vieweg. In tegenstelling tot wat ik eerder noteerde verscheen Het gestolen dagboek niet in 1943 (misschien werd verwezen naar een nieuwe druk?) maar in 1941. Dat blijkt uit Het boek in Vlaanderen uit het tweede jaar van de Tweede Wereldoorlog. Daarin vinden we Maria voor het laatst terug in de annalen van de VVL. Ze is dan wel verhuisd naar Rotterdam, waar ze woonde aan de Heemraadssingel 203A. Uit die tijd dateert deze (netjes in Het Letterenhuis bewaarde) foto, gemaakt door de Amsterdamse fotograaf Godfried de Groen.

Maria-Peremans-Verhuyck.JPG

Bert BEVERS

Partager cet article
Repost0
28 mai 2011 6 28 /05 /mai /2011 01:44

  Bloed-Rozen.jpg

I

Zo bont was het leven – zo verdroeg de geur van bloed en rozen door elkaar

In deze zin uit Herfsttij der middeleeuwen, de cultuurhistorische studie van Johan Huizinga’s teloorgang van de laat-middeleeuwse samenleving, vond Tom Lanoye de titel van zijn nieuwste toneelstuk. Bloed & Rozen haalt twee figuren uit de eerste helft van de vijftiende eeuw uit de schemering. Jeanne d’Arc en Gilles de Rais. Hij zet hun verhaal om in twee delen. In het eerste deel staat Jeanne centraal, in het tweede Gilles. Samen dienen ze één doel.

Hun streven geeft Lanoye de kans geven dubbel en dik de centrale plaats van de kerk in de wereldmaatschappij aan te tonen, een macht geboren uit misbruik van vertrouwen en machtsmisbruik. De kerk mag dan aan macht hebben ingeboet, haar invloed is er nog steeds. Elk schandaal komt het te boven, omdat het de derde wereldmacht is, de sterkste wandelgangen en de beste diplomatie ter wereld heeft. Met de stille instemming van eender welk regime en alle toonaangevende religies.

Jeanne en Gilles, een volksmeisje en een edelman, kenden aanvankelijk elkaar niet. Ze vonden elkaar in hun geloof en in de strijd om de macht van hun land in Europa uit het slop te halen. Frankrijk dreigde het qua politieke macht en invloed te moeten afleggen tegenover Engeland. Na enige aarzeling door de hoogste regionen van kerk en staat mochten ze hun gang gaan. Nadat ze in hun zelfgekozen taak waren geslaagd moesten ze echter verdwijnen. Koning en kardinaal duldden geen helden van het volk. Ze maken ze liever zelf. Beiden belandden daarom op de brandstapel. Een reden is altijd te vinden. Bij Jeanne was het haar onvoorwaardelijk geloof in de goddelijke boodschappen, haar stemmen, boven het pragmatische geloof van de prelaten. Bij Gilles een gevecht met dodelijke afloop in een gezegende plaats, een kerk. Dat hij een pedofiel was en een kindermoordenaar was erg maar bijkomstig. Elke mens, van hoog tot laat, vergreep zich. En hoe hoger op de ladder van de maatschappij, hoe erger de vergrijpen waren. Maar ze werden vergeven en vergeten in naam van God.

Tom Lanoye is voor dit stuk in huid en hoofd van de kerkelijke entourages gekropen. Regisseur Guy Cassiers is hem op de voet gevolgd. Voor de uitvergrotingen op een reuzenscherm werd gefilmd in een weliswaar tijdelijk maar beroemd pauselijk verblijf. Het verhoogt de sacrale sfeer van de voorstelling. En de voorstelling is geknipt en geplakt op de maat van het Festival van Avignon, waar het in juli vijf maal opgevoerd wordt in de tempel van het beroemdste theaterfestival ter wereld, la Cour d’honneur du Palais des Papes. In de Bourla, of eender welke schouwburg verliest de voorstelling aan kracht. De kathedraal van Antwerpen ware een betere keuze geweest. Zelfs minder heilige plaats, als de monumentale zalen van het Museum voor Schone Kunsten zouden zich beter hebben geleend voor dit locatieproject. En dat geldt evenzeer voor de nog geplande voorstellingen buiten Avignon.

Los van de discutabele locatiekeuze is de voorstelling echter een waar genot. Zeven acteurs, maar allen van de beste kwaliteit. De wijze waarop Abke Haring een volksmeisje speelt en toch een alles naar zich toe zuigend charisma uitstraalt, dwingt bewondering af. Net als (koningin) Katelijne Damen, die per productie aan waardigheid wint. Johan Leysen als Gilles blijft woelen in zijn geest. Een rol is nooit af. Hij zoekt niet maar vindt al spelende de juiste binnenwereld van woord wederwoord. De echte revelatie is echter Jos Verbist. Hij vertolkt een bisschop en doet dat met bravoure. Maar hij is de enige die zeer goed begrepen heeft dat de prelaten en de adel zich niet druk maken om welk probleem dan ook. Tronen en rijken vallen maar de instituten kerk en staat blijven bestaan. In Bloed & Rozen staan beide partijen, Jean en Gilles langs de ene kant en kerk en hof aan de andere kant, op dezelfde gespannen voet. Aai. Het concept is loodzwaar en terecht, maar het spel vraagt meer speelsheid. De onderhuidse komische trekjes die de tekst heeft zouden sterker zijn geweest. Zoals het nu gebracht wordt verzinken de zingende zinnen van Lanoye in kathedertaal en moeten de acteurs, buiten Jeanne en Gilles, een voorstelling lang rondlopen met een preekstoelsmoel.

Negen zangers van Collegium Vocale zorgen voor de muzikale inbreng. A capella en in vroeg-middeleeuwse stijl zingen ze stijlvol en loepzuiver. De liederen vertolken de stemmen van Jeanne, rechtstreeks afkomstig van God, in Deel I – Bloed, van het gemoed van Gilles in Deel II – Rozen. Lanoye schreef de neo-polifonische teksten, Dominique Pauwels de muziek.

De muziek en de uitvoering is licht en toch indringend. Frank Agsteribbe heeft als repetitor zeer goed aangevoeld dat de liederen een magische verbinding zijn tussen geest en ziel in de onmetelijke ruimte. Regisseur Guy Cassiers heeft dat goed begrepen en houdt het koor in het halfduister. Soms verplaatst het zich, komt het naderbij, maar net voldoende om flou te blijven. Soms gebeurt het dat de verpakking mooier is dan een cadeau. In Bloed & Rozen is dat niet het geval maar het komt toch dicht in de omgeving.

De toneeltekst is het zwaargewicht van deze prachtige voorstelling. Zo zwaar dat zich een vraag opdringt. Het antwoord op de vraag is onderwerp van een apart deel.

II

Wat is het geheim van Lanoye’s toneeltaal?

De basis van het geheim is dat hij geen acteur is maar een cabaretier van het college. Uit elke zin, uit elk personage, uit de vorm en het concept van het stuk rijst een klassieke vorming op. Een college is een oord van gestrengheid. De soberheid die de leerlingen ingestampt krijgen zet zich later om, om haast blindelings en spoorslags de essentie van een probleem te zien en de oplossing ervan te vinden. Een college daarenboven predikt zulke ultieme gehoorzaamheid dat het automatisch leidt tot verzet. Zeker voor wie van nature een opstandige knobbel in het hoofd zitten heeft. En het lijkt wel of de rectoren en docenten van colleges dergelijke leerlingen zoeken. Niet om ze te knechten, maar om hun verzet vanuit een onmerkbaar gevoel te stimuleren. Op hun manier zijn het zwervers die overtredingen van de regels met een gespeelde strengheid behandelen. Dat soort leerlingen hebben de collegeheren het liefst. Ze weten dat die pupillen op politiek, wetenschappelijk, economisch en cultureel gebied toonaangevend worden. Tom Lanoye heeft het geluk gehad die collegegestrengheid nog te hebben meegemaakt, want die is sinds de jaren zeventig verloren gegaan.

Een tweede aspect van het geheim van zijn toneeltaal is dat hij stukken schrijft die zich onttrekken aan parade. Ze zijn niet ontstaan vanuit een intellectuele analyse, maar vanuit het ambachtelijke, waardoor het lijkt alsof ze altijd hebben bestaan. Natuurlijk heeft Lanoye zich vooraf goed gedocumenteerd, zoals in het geval van Brood & Rozen uit de bronnenlijst blijkt, maar hij kan het zo verwerken alsof hij niet de schepper maar de klerk was. Het etaleren van je wijsheid levert onleesbare romans, gedichten, toneelstukken op. Zelfs voor essays primeert het ambachtelijke op het intellectuele. Alle stukken van Shakespeare, Beckett, Molière, Pinter, Tsjechov ruiken naar aambeeld en hamer, terwijl die kerels geen spijker in de muur konden slaan. De toneeltaal van Lanoye lijkt gezwollen maar is dat niet.

Lanoye’s talent stoelt bovendien op een stijl die van hemzelf is. Elke claus, dialoog houdt hij tegen het licht van de stem, elke gedachte laat hij in scherven vallen en ordent die opnieuw, gooit weg wat het cabaret ervan aantast. De zinsbouw krijgt er een onverwoestbare beeldvorming door. Bij de lezer/luisteraar roept hij een ontroering op die beklijft. Een belangrijk aspect is dat hij voor elk stuk het taalspel vindt dat erbij past. Het taalspel van Mama Medea zou helemaal niet passen voor Bloed & Rozen. Voor dit stuk is een taalspel nodig uit het milieu van de adel en vooral de curie.

Wat tot slot belangrijk is om het talent, het geheim van Lanoye’s toneeltaal te verklaren is, dat hij een maniakaal organisator is. Dat is al duidelijk te merken aan zijn merchandising, zichzelf afficheren als verkoopsproduct met label. Dit geldt ook voor zijn toneelstukken. Ze zijn poëtische verkoopspraatjes mét verhaal, het lijkt wel of je in slaap gewiegd wordt door een ingenieur. Stap voor stap maakt hij de lezer/luisteraar nieuwsgierig naar het beslissende moment. En zelfs al ken je dat moment al, omdat je het stuk voor de tweede, derde maal leest/ziet, blijf je er naar uitkijken. Lanoye weet namelijk zeer goed dat een toneelstuk niet moet vertellen wat gebeurd is, maar wel de indruk verwekken dat het zo gebeurd is. Het suggestieve is geloofwaardiger dan de waarheid.

Envoy

Bloed & Rozen is een grote sprong voorwaarts voor Tom Lanoye, maar ook voor Guy Cassiers en het Toneelhuis. De voorstelling is, ondanks de detailkritiek, een hoogmis gebaard onder het binnenvallend licht van de koepel van de Sint-Pieterskerk van Rome. Al werd uitgeweken naar Avignon. Het was en is de ideale plaats om te tonen waar de katholieke kerk zijn macht en invloed gestalte gaf. Ten koste van zowel het volk als de adel.

Guido LAUWAERT

Bloed & Rozen – Tom Lanoye – productie Toneelhuis– regie Guy Cassiers – spel Katelijne Damen, Stefaan Degand. Abke Haring, Han Kerckhoffs, Johan Leysen, Johan Van Assche en Jos Verbist – muziek Dominique Pauwels – zang Collegium Vocale Gent www.toneelhuis.be

Partager cet article
Repost0
27 mai 2011 5 27 /05 /mai /2011 03:44

 

Zo ga je niet met een literaire erfenis om. De media-aandacht voor het boek De Wolken, met als hoogtepunt een heiligverklaring in Ter Zake, gevolgd door het lezen van het boek, dat als ondertitel Uit de geheime laden van Hugo Claus heeft, liggen aan de basis van de openingszin.

Vooreerst: geheime laden heeft Hugo nooit gehad. Dat ze in de onderste lade lagen wil niet zeggen dat het etiket ‘geheim’ erop geplakt moet worden. Bovendien, zoals elke goede lezer weet, lopen schrijvers altijd met een boekje op zak, of anders ligt het wel naast hun bed. Dat geldt overigens niet enkel voor schrijvers maar voor alle kunstenaars van oorspronkelijk werk. Ideeën kunnen goddelijk zijn, de start van een meesterwerk, maar het geheugen is zwak. Dus, noteren maar.

Vervolgens: houd het boek tegen het licht en je ziet direct dan men uiterst onzorgvuldig te werk is gegaan met de literaire erfenis van Claus. ‘Ze’ zijn Veerle De Wit, weduwe, en Mark Schaevers, eindverantwoordelijke. De nadruk in beeld en geschrift wordt gelegd op het privé-leven van Hugo Claus, waar hij zelf altijd terughoudend over is geweest. Handenwassend zal de Weduwe zeggen dat Claus op smalende wijze over zijn dagboeken en cahiers sprak. Wat hem betreft mochten ze na zijn dood verbrand of op de markt gegooid worden. Die uitspraak geeft echter geen recht om een van beide ook te doen. Uitspraken van kunstenaars zijn gevaarlijk. Elke wolk verbergt een andere wolk. En soms moet een wens van een kunstenaar genegeerd worden, omdat men niet zeker weet wat de diepere oorzaak van de uitspraak is. Had Max Brod de wilsbeschikking van Franz Kafka gevolgd en al zijn brieven, notities, verhalen en romans vernietigd, dan zouden wij, lezers, verstoken zijn gebleven van het meeste en het beste werk van een van de vijf grootste auteurs van de twintigste eeuw. Max Brod besefte echter dat Kafka een uitzonderlijk begaafd auteur was. Jacques De Visscher in zijn boekje Franz Kafka – De tragiek van een bestaan (1991) verklaart de beslissing van Max Brod als volgt: ‘Inzake kunst telt immers uiteindelijk niet de persoonlijkheid van de kunstenaar als mens, maar wel de uitwerking van het oeuvre in de geschiedenis.’

Het meest kwaadaardige aan het boek, het is er nu eenmaal dus niet ergeren – enkel diep in- en uitademen, is dat het losse flodders zijn uit de cahiers en dagboeken, uit hun verband gerukte notities over intieme ervaringen met vrienden/vriendinnen, van het soort waar bladen als Story vol mee staan. Dat de notities niet nader worden toegelicht maakt de zaak nog erger. Dit geldt niet alleen voor de notities over de vriendenkring, maar ook die over zijn werk. Het publiceren van twee bladzijden aantekeningen in telegramstijl over De verwondering (1962), een moeilijk toegankelijke roman die Claus als een van zijn beste boeken beschouwde, is alleen zinvol als het verband tussen die aantekeningen en de roman nader wordt verklaard. Dat zou zeer verhelderend geweest kunnen zijn. De opname van dit item, en enkele andere uit dezelfde literaire geheugenkamer is een schijnbeweging. De indruk dat De Wolken enkel een roddelboek is waar de Weduwe garen bij spint, moest vermeden worden.

De notities werden roddeltjes omdat ze welgekozen zijn. Wie enigszins vertrouwd is met de entourage van de Weduwe, ziet dat de notities vrienden en vriendinnen eerder vernederen dan ophemelen. Roel D’Haese, Pjeroo Roobjee, Robert De Smet, Sylvia Kristel, Freddy de Vree, Guy Verhofstadt, Kitty Courbois. Zelfs Willem Elsschot via Kaas krijgt een sneer. Eén voorbeeld, over een klusje dat Claus voor Chris Yperman deed:

Twee aantekeningen gemaakt bij het manuscript van Chris. In vroegere, beschaafdere tijden, zou de schrijver voor wie men dit deed, minstens je werk erkennen, even telefoneren of schrijven, of iets daarover zeggen.’

De algemene indruk die je overhoudt, eenmaal het boek in zijn geheel te hebben geconsumeerd, is dat vanuit een vernedering van Claus’ vrienden is gestreefd naar een vergoddelijking van de Weduwe. Naar het einde toe komt zij als de redder te voorschijn, de jarenlang gezochte en goddank gevonden geliefde. De vele foto’s van Hugo en de binnenste vriendenkring, kort voor het eind van het boek, laten hierover geen twijfel bestaan. Ze zijn door de weduwe gemaakt of de weduwe staat pront vooraan naast de Meester. De huwelijksfoto van de Meester en de Weduwe mocht natuurlijk niet ontbreken, net als die van de balkonscène. De zaligheid straalt van het gezicht van de Weduwe: de buit is binnen. Voor de buitenstaander een normale gelukkig koppel, maar voor wie beter weet, wist op dat Claus enkel getrouwd was omdat zij de perfecte boekhouder was. Dat de Weduwe zou uitgroeien tot een kampcommandant had hij niet voorzien. Maar het was te laat. De leeftijd liet niet meer toe dat hij naar de oude gewoonten terugkeerde.

Het ontbreken van een personenregister is een uitgeversfout van de eerste orde. Of is het opzettelijk weggelaten? Zodat de kenner niet meteen doorheeft wie aan het kruis genageld wordt. Wie er niet in staat mag zich in de troonzaal weten of durfde de Weduwe en haar handlanger niet kruisigen omdat ze nog in leven zijn en de hoogste waardering genieten in de Vlaamse kunstwereld, zoals Jan Decleir.

Dat knipselboeken verschijnen gebeurt meer. Maar ze verschijnen wanneer vertrokken is vanuit een grote eerbied voor de kunstenaar, nadat een biografie is verschenen. Dat is wat betreft De Wolken niet het geval.

De beeldkwaliteit, een punt waarop Claus veeleisend was, toont tot slot aan dat dit boek een vluggertje is. Zeer begrijpelijk wat de Weduwe betreft, die haar kasboek dagelijks bijhoudt, maar wat bezielde in godsnaam De Bezige Bij?

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
26 mai 2011 4 26 /05 /mai /2011 02:28

 

Bart Mesotten (°1923) is licentiaat theologie en klassieke filologie. Als publicist maakte hij zich vooral verdienstelijk inzake de Japanse versvorm haikoe, waarvan hij de productiefste promotor is geweest in Vlaanderen. Het is in dat verband dat ik hem in de jaren tachtig dankzij Clara Haesaert leerde kennen.

b.mesotten.photo.jpg Bart Mesotten zoals ik hem destijds leerde kennen

De laatste decennia publiceert hij vooral over etymologie. Valse profeten (2007) werd beknopt gesignaleerd in Mededelingen van het CDR (nr. 102, 30 september 2007, p. 26), waarin ook een grondige bespreking van Rari nantes. Honderden Griekse en Latijnse gevleugelde uitdrukkingen, afkortingen, voor- en achtervoegsels te gast in het Nederlands (2009) van de hand van Luc Pay verscheen (nr. 160, 30 juni 2010, pp. 2-4); de integrale tekst kan hier geraadpleegd worden: http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-bart-mesotten-en-zijn-rari-nantes-52900169.html

Mesotten-Valse.jpg Met Valse profeten(2007) bracht Bart Mesotten een nieuwsoortig woordenboek met ‘honderden Bijbelse woorden en uitdrukkingen’ die, zoals hij zegt, ‘te gast zijn in het Nederlands’. Daarmee bedoelt Mesotten dat deze in onze taal zijn onthaald en opgenomen en er een eigen leven zijn gaan leiden. Het gaat om gezegden die uit de Bijbel komen, dus eigenlijk Bijbeltaal zijn, ofschoon we dit vaak niet (meer) onderkennen. Bart Mesotten laat zien hoe de Bijbel onze taal (en ook tal van andere talen) heeft verrijkt met woorden, begrippen en uitdrukkingen, zelfs spreekwoorden. Hij doet dit, zoals in zijn vorige boek, in alfabetische volgorde. Telkens geeft hij hierbij de vindplaatsen, de tekst en context van deze woorden en gezegden in de Bijbel, omschrijft hun oorspronkelijke Bijbelse betekenis en volgt daarna hun latere aanwendingen en nieuwe inhoud en betekenissen.

In Schakel, hetJaarboek van het Sint-Michielscollege te Brasschaat(jg. 59, 2007, pp. 196-197) wijdde Luc Pay een grondige bespreking aan Valse profeten. Het leek ons zinvol een door de auteur lichtjes herziene versie hier on-line te publiceren.

MesottenPay.jpg

Bart Mesotten en Luc Pay

 

Valse profeten

 

Op zaterdag 13 oktober 2007 werd in de abdij van Averbode het tweede lexicon van Bart Mesotten o. praem. voorgesteld: Valse profeten. Honderden Bijbelse woorden en uitdrukkingen te gast in het Nederlands.

 

Norbertijn Bart Mesotten werd geboren in 1923 te Diepenbeek, behaalde zijn licenties in de theologie (Rome) en de klassieke filologie (Leuven) en gaf les aan het Sint-Michielscollege van 1954 tot 1969; daarna werd hij rector van de zusters van Overijse-Mechelen. Ik waag mij niet aan een volledige bibliografie van zijn werk en verwijs de lezer daarvoor resoluut naar bibliotheken en (met enige voorzichtigheid) naar het internet; een summiere suggestie moge volstaan.

 

Pater Mesotten was hoofdredacteur van Schakel. Jaarboek van het Sint-Michielscollege van Brasschaat  van 1957 tot 1968. Nog afgezien van zijn beslissende en blijvende invloed op dat jaarboek vindt de lezer er talloze bijdragen van zijn hand rond literatuur, muziek, cultuur, naast eigen creatief werk (b.v. in de jaargangen 1955 en 1971).

Maar Mesotten is natuurlijk de man die in Vlaanderen de Japanse dichtvorm ‘haikoe’ introduceerde en bij een ruim publiek bekend en geliefd maakte. Naast eigen dichtwerk in dit genre publiceerde hij rond haikoe (en verwante dichtvormen) twee standaardwerken: Haikoe-boek  (Pelckmans, 1986) en Duizend kolibries (SintJoris, 1993), met daarbij, eveneens bij Pelckmans, Een verre vogel  (1998) en Boven de wolken  (2003). Hij stichtte het ‘Haikoe-centrum Vlaanderen’ (1976) en richtte het haikoe-tijdschrift Vuursteen  op (1980). Tot in Japan zelf geniet Mesotten met het werk in dit genre een grote faam; in 2000 ontving hij daar zelfs een prestigieuze Japanse literaire prijs voor. Daarnaast publiceerde hij ‘gewone’, eigen poëzie, een bloemlezing met en een essay over poëzie.

Hij verzorgde tevens voor de schoolradio en -televisie enkele uitzendingen rond grote literaire meesterwerken (Gilgamesj-epos, Ramayana-epos, Divina Commedia).

 

Bij ‘the general public’ is Mesotten echter vooral bekend geworden door zijn religieuze rubriek in Knack  (die hij verzorgde gedurende 16 jaar en “waarbij hij de netelige theologische kwesties van deze tijd niet schuwde” – aldus Rudi Arnould in het tijdschrift Vlaanderen,1993) en door zijn talloze taalkundige bijdragen in diverse bladen, waarin hij zich een erg scherpzinnig en gevoelig etymoloog toont die er bovendien in slaagt op een vaak plezierige en heldere manier een toch niet zo eenvoudige materie bij de modale lezer over te brengen. Etymologische bijdragen verschenen in Vlaamse Filmpjes De Bond Kerk en Leven Knacken De Standaard, en vonden een definitieve neerslag in twee lijvige publicaties met “etymologische verkenningen”: Binnenkijken in woorden  (Pelckmans, 1997,  584 pp.) en Rondneuzen in woorden  (Pelckmans, 2000, 621 pp.).

 

Tot nog toe publiceerde hij op dit terrein ook twee lexica die we gerust als ‘magna opera’ mogen bestempelen: Van Aalmoes tot Zwitserse garde. Etymologie en betekenis van duizend woorden rond religie  (Averbode, 2005, 670 pp.) en het hoger genoemde Valse profeten  (Averbode, 2007, 644 p.). Met deze twee publikaties vestigt Mesotten, op vrij hoge leeftijd maar met een onvoorstelbare, niet-aflatende werkkracht en dito vitaliteit, meteen ook definitief zijn reputatie als uitstekend lexicograaf.

 

Valse profeten bevat Honderden Bijbelse woorden en uitdrukkingen te gast in het Nederlands.  In een ‘Woord vooraf’ behandelt Mesotten aanleiding, reikwijdte en methodiek van zijn nieuwe etymologische lexicon, zoals het een goede lexicograaf betaamt. Dit soort inleidingen wordt door de modale lezer bij andere woordenboeken (Van Daleb.v.) nooit gelezen, zeer ten onrechte maar misschien begrijpelijk gezien het vaak erg wetenschappelijk-technische jargon dat in zulke woordenboeken wordt gehanteerd. Mesotten slaagt er echter in op een verhalende, toegankelijke en vooral pittige wijze zijn lexicografische kaarten op onze leestafel te gooien.

Zo vernemen we op welke manieren Bijbelse taal het Nederlands heeft bëinvloed (lexicologisch-semantisch aspect); krijgen we informatie over de gebruikte bronnen en het verschil tussen dit lexicon en vergelijkbare werken over Bijbelse taal, over de gehanteerde vertaling en de spelling-criteria, en uiteraard over de vraag welke verklaring bij de diverse lemmata verwacht mag worden. Kortom, een voortreffelijke, erg leesbare inleiding waarin macro- (“welke woorden heb ik opgenomen?”) en microstructuur (“wat zeg ik over die woorden en hoe?”) van het woordenboek uit de doeken worden gedaan.

 

Zowat 600 bladzijden lang worden dan, in alfabetische volgorde, Bijbelse woorden en uitdrukkingen in het Nederlands etymologisch verklaard en in hun context geplaatst. Verwacht hier geen saaie, puur vaktechnisch-gesystematiseerde opsommingen van linguïstische wetenswaardigheden (betekenissen, vindplaatsen, semantische verschuivingen, data...) maar onderhoudende ‘verhalen’ die niet alleen die taalkundige informatie maar tevens boeiende historische en/of religieus-filosofische toelichtingen en achtergronden aanbieden. Sommige trefwoorden krijgen een kwart pagina verklaring, de meeste echter een volledige bladzijde, zoniet twee. Een schatkamer aan informatie dus waarin de lezer eindeloos kan grasduinen en puur genieten van de etymologische en stilistische weelde. Het boek, dat overigens ook een zeer mooie en overzichtelijke vormgeving kreeg, sluit af met zes registers die de zoek- en vindbaarheid van de ingangen nog in belangrijke mate verhogen.

 

Kortom: een taalkundige én stilistische schatkamer. De uitgever, Filip Noël o. praem., sprak bij de presentatie de hoop uit dat dit boek “gelezen zal worden”; ik ben er echter van overtuigd dat daarover weinig twijfel kan bestaan gezien de manier waarop de lemmata behandeld worden.

 

Tot besluit van zijn verwelkoming bij de presentatie van Valse profeten knipoogde diezelfde uitgever Mesotten ironisch deze woorden toe: “Je mag nog boeken schrijven, maar het mag ook iets minder zijn.” Ikhoop echter dat het nieuwe lexicon , waaraan Mesotten ondertussen alweer werkt, minstens even volumineus zal blijken. Want zoals Courteline zei: “J'admire en vous ce soupçon d'embonpoint qui n'exclut point la grâce.”

Luc PAY

Bart MESOTTEN, Valse profeten. Honderden Bijbelse woorden en uitdrukkingen te gast in het Nederlands. Uitgeverij Altiora Averbode, 2007, 644 p. [registers en inlegvel met afkortingen]. 36,50 €.

Partager cet article
Repost0
24 mai 2011 2 24 /05 /mai /2011 16:42

 

Mejuffer M. Verhuyck

Aan wat voor overpeinzingen geblader in het archief van Het Letterenhuis je toch allemaal kan overleveren. Hoe een vrouw die 124 jaar geleden het levenslicht zag, er toch uit zou hebben gezien....

Hoewel de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen officieel pas in 1907 werd opgericht, bestond ze een jaar eerder reeds als afdeling van de Nederlandse equivalent. Werkend aan een artikel voor De Auteur, waarin gestreefd gaat worden naar een zo volledig mogelijk overzicht van wie er ooit allemaal lid is geweest van de VVL, kreeg ik in Het Letterenhuis de allereerste ledenlijst onder ogen. In 1906 waren er 78 auteurs ingeschreven, waaronder fameuze als Emmanuel De Bom, Prosper Van Langendonck, Alfons De Ridder, Herman Teirlinck en Karel Van de Woestijne. Van die 78 auteurs was er 1 (lees: één!) een vrouw. Dat was Maria Verhuyck, later Maria Peeremans-Verhuyck. Dat maakte me nieuwsgierig: wie was die kranige madame die het waagde zich in zo'n mannenbolwerk te nestelen? Tijd voor wat speurwerk. Het viel nog niet mee om iets substantieels over haar te weten te komen. Ze werd op 23 december 1887 geboren te Mechelen, en stierf op 17 april 1973 te Bladel. In het Letterkundig Woordenboek van Noord en Zuid noteert K. ter Laan in 1952 abusievelijk dat ze in 1888 geboren werd. Mechelen had hij dan wel juist. Ze zag dus het levenslicht in wat ooit de hoofdstad van de Nederlanden was, en blies de laatste adem uit in een dorp in Noord-Brabant. Niet te achterhalen waarom ze dat net nou daar deed. Of wie die Peeremans was met ze schijnbaar ooit huwde. Alleszins was ze romanschrijfster. Hoewel ze dus reeds in 1906 lid was van de VVL, en de respectabele leeftijd van 85 jaar bereikte is de enige titel die ik van haar op het spoor wist te komen Het gestolen dagboek  uit 1943. In de catalogus van de bibliotheek is het niet meer te vinden.

 

In Het Letterenhuis worden wel beschrijvingen van haar correspondentie (met onder meer Lode Baekelmans, Filip De Pillecyn en Jan Vercammen) bewaard. Verder kon ik alleen iets over haar vinden in De verslagen van het RUG-centrum voor genderstudies 17  (de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik eerst moest opzoeken wat dát dan wel weer zijn) door Marysa Demoor, Liselotte Vandenbussche, Griet Vandermassen, Debora Van Durme. In het hoofdstukje '”Vrouwelijke”' intellectuelen en het Belgische feminisme in de belle époque'  valt te lezen:

"Bij vrouwelijke auteurs was de organisatiegraad, of het aantal vrouwelijke auteurs en journalisten dat lid was van een professionele vereniging, bijzonder laag. Het ledenaantal van de Vlaamse Vereniging van Letterkundigen (hetgeen gelezen moet worden als Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, B.B.) groeide tussen 1908 en 1914 gestaag aan tot meer dan 100. Enkel Cecilia Ameye (1842-1923) en Maria Verhuyck (1887-1973) sloten zich aan bij de V.V.L. en woonden regelmatig een vergadering bij. De katholieke vrouwen rond Marie Elisabeth Belpaire sloten zich pas na de Eerste Wereldoorlog aan. De verklaring van Geraldine Reymenants dat vrouwen minder snel geneigd waren zich te profileren als professioneel auteur kan kloppen, maar dan geldt dit wel enkel voor Belgische vrouwen. Binnen de Franse Société des Gens de Lettres en de Nederlandse Vereniging voor Letterkundigen eisten vrouwen immers wel een prominente rol op. Sommigen zagen in de auteursorganisatie zelfs de legitimatie van hun professionele schrijverschap. De statuten van de V.V.L. waren ook zo opgesteld dat het duidelijk was dat men ook vrouwen in de rangen verwachtte. Bij het omschrijven der voorwaarden van het lidmaatschap had men het over 'den aanvrager (aanvraagster)' en 'zijn (of hare geschriften)'. In Franstalig België was de situatie niet anders. In 1910-1912 waren slechts twee vrouwen effectief lid: Marguerite Van de Wiele en Marguerite Coppin."

 

Er is verder weinig over Maria Verhuyck geweten. Dat ze later Maria Peeremans-Verhuyck is gaan heten, ja. Hetgeen doet vermoeden dat ze met ene Peeremans is gehuwd. Maar de eerder genoemde Ter Laan heeft het in zijn Letterkundig Woordenboek van Noord en Zuid   in 1952 dan weer over Maria Peremans-Verhuyck. Met een e te weinig dus. Ook niet traceerbaar. Ik bleef benieuwd naar hoe zij er toentertijd uit had gezien. Op het wereldwijde web bleek van Verhuyck echter geen enkele afbeelding te vinden. En ook hiér bood Het Letterenhuis (wat is het toch een rijkdom om zo'n instelling nabij te weten) uitkomst. Binnen vijf minuten nadat ik mijn aanvraagformulier had ingeleverd lag er een kartonnen map op tafel met viér foto's van Maria Verhuyck. Allez: twee van Maria Verhuyck, en twee van Maria Peeremans-Verhuyck (waarop ze beduidend ouder is). Van de eerste twee is er een gemaakt door de Amsterdamse fotograaf P. Brandsma, onder de ander staat gedrukt Mejuffer M. Verhuyck. Ze was beslist niet onknap, en keek zelfbewust de wereld in. Het lijkt me dat het geen katje is geweest om zonder handschoenen aan te pakken. Voilà: het eerste vrouwelijke lid van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen heeft bij dezen weer een gezicht....

Maria-Verhuyck.JPG

Bert BEVERS

Partager cet article
Repost0
24 mai 2011 2 24 /05 /mai /2011 06:14

WWzaal.jpg

Op zondag 22 mei werd in de Taxandriazaal van het Provinciehuis te Antwerpen de CD “Libra” van Wilfried Westerlinck voorgesteld. Het talrijk opgekomen publiek werd ontvangen door de componist, die vertelde dat hoewel zijn curriculum een indrukwekkende CD-lijst bevat, het daar steeds gaat om opnames van meerder componisten. De CD die voorgesteld wordt is de eerste waarop uitsluitend een keuze voorkomt uit zijn eigen oeuvre.

Bestendig afgevaardigde Bart Denijn verwelkomde de aanwezigen namens het Provinciebestuur, dat reeds in 1977 aan Wilfried Westerlinck de prijs van de Provincie toekende voor zijn “Landschappen I” voor blaaskwintet.

Producent Patrick Mortier van Senza Nome gaf als beweegredenen voor de uitgave van de CD vooral zijn bewondering voor het veelzijdige oeuvre van Wilfried, dat hoewel hij geregeld gevraagd wordt in het buitenland voor festivals, masterclasses en lezingen, toch te weinig waardering krijgt in eigen land.

WW-copie-2.jpg

Wilfried Westerlinck

Tot slot kwam de componist zelf uitgebreid aan het woord om zijn parcours in de compositie voor te stellen. In korte fragmenten, voorzien van sfeerbeelden, gaf hij een overzicht van zijn belangrijkste werken.

Wilfried Westerlinck vindt zijn inspiratie in eigen belevenissen, gemoedstoestanden of literaire teksten. De poëtische kracht van zijn werk steunt op de herhaling. Hij gaat vaak uit van één krachtig akkoord dat langzaam uitgerafeld en uitgepuurd wordt, zo krijgt het werk kleur en sfeer. Wilfried bereikt de hoogste lyrische top bij zijn werken voor één instrument (basklarinet, cello, fluit) eventueel ondersteund door percussie.

Basklarinettist Jan Guns met wie Wilfried vaak samenwerkt was aanwezig met zijn Japanse vrouw Kaoru Hoshino. Celliste Judith Ermert vertolkte Canto II , een werk dat vanuit een agressief begin evolueert naar een uitgepuurde, verstilde melodie.

JanGunsKaotuHoshino.jpg

Jan Guns en Kaoru Hoshino

JorisJoke.jpg

Joris Gerits en Joke van den Brandt 

Prof. em. Joris Gerits was het met mij eens dat vooral in die pure lyrische werken de weemoedige poëtische kracht van het werk een onvergetelijk indruk maakt.

 

LudoSimons.jpgWilfried Westerlinck, Ludo Simons en Jo Gisekin

VDEREyken.jpg

An en Willem Vander Eyken en Frank Ivo van Damme

De naam “Libra” verwijst naar het sterrenbeeld van Wilfried, waaraan zin voor schoonheid, evenwicht en harmonie worden toegeschreven, elementen die ontegensprekelijk aanwezig zijn in zijn werken. De producent opteerde voor de naam”Balance” maar Wilfried kreeg uiteindelijk zijn zin en het werd het veel zuiverder klinkende Libra.

Joke VAN DEN BRANDT

Foto’s Frank Ivo van Damme

Partager cet article
Repost0
23 mai 2011 1 23 /05 /mai /2011 22:55

Op 21 mei werd in de statige Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience de merkwaardige tentoonstelling 'Antieke manchetknopen 1860-1960' geopend. Wat bij ontvangst van de uitnodiging een wat bizar onderwerp voor deze locatie leek, blijkt vanwege de historische context van de expositie wonderwel te passen in dit decorum. Guy-David Lambrechts, ontwerper van herenkledij op maat, toont een unieke selectie uit zijn immense verzameling van 10.000 manchetknopen.

Lambrechts.jpg

Guy-David Lambrechts

Met de gedrevenheid van de ware verzamelaar stelde Guy met trots de tentoonstelling voor aan de genodigden: de allereerste tentoonstelling in Europa waar zulke collectie getoond wordt. Bij de chronologisch opgestelde toonkasten hoort telkens een paneel met de evolutie van het gebruik van de manchetknoop en de historische achtergronden. Het verhaal eindigt in 1960. Om weer aan te knopen bij het heden vroeg Guy aan de studenten juweelontwerpers van Sint Lucas om hun creativiteit aan te wenden in het ontwerpen van hedendaags manchetknopen.

RenardHeylen.jpgVan l. naar r.: Ann Renard, Jan van Broeckhoven en Philip Heylen

De manifestatie toont volgens Cultuurschepen Philip Heylen aan dat er in de stad vele verhalen zijn, en het is goed dat zo’n verhaal kan tot stand komen in een zaal die zelf een verhaal vertelt: het verzamelen van kostbare boeken. Wij zijn een volk van verzamelaars, dit komt in onze stad op vele plaatsen tot uiting, niet in het minst in het pas geopende MAS. Dit is onze manier om onze band met het verleden in stand te houden.

manchetknopen-079--3-.jpgJoke van den Brandt in gesprek met Guy-David Lambrechts

Het bezoeken van deze tentoonstelling is een echte aanrader omdat Guy-David Lambrechts elke dag zelf aanwezig zal zijn om individuele bezoekers én groepen met enthousiasme rond te leiden.

Tijdens de tentoonstelling wordt ook het boek Antique cufflinks 1860-1960voorgesteld, een naslagwerk dat geïllustreerd is met 3500 afbeeldingen van manchetknopen.

JvdB

Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Nottebohmzaal 21 mei tot 17 juli 2011 van 13 tot 17 u. (gesloten op maandag en 2 juni)

Foto's F. I. van Damme


 

 

Partager cet article
Repost0
23 mai 2011 1 23 /05 /mai /2011 21:48

 

Belgie1.jpg

In 2008 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker een pracht van een boek, althans voor wie verslingerd is aan zowel de grote als de kleine geschiedenis. De volledige titel luidt: België - een parcours van herinnering.

Gebonden, bevat het een aantal historiën over dit land waarin de melk soms zuur is en de honing meestal versuikerd. Het eerste deel focust op plaatsen van geschiedenis en expansie, het tweede deel op plaatsen van tweedracht, crisis en nostalgie. De hoofdredacteur was Jo Tollebeek en de redactie bestond uit Geert Buelens, Gita Deneckere, Chantal Kesteloot en Sophie de Schaepdrijver. Zij droegen het grootste part van de studies, maar heel wat andere historici en journalisten hebben een bijdrage geleverd. Onder meer Herman Balthazar, Marc Holthof, Kaat Wils, Tom Verschaffel, Inge Bertels, Valerie Montens. Alle auteurs schreven stukken met bloed in de pen. Stuk voor stuk zijn het onthullende artikels met een hoog trillergehalte. Een greep uit de onderwerpen: Antwerpen: de Handelsbeurs; Diksmuide: de Ijzertoren; Breendonk: het fort; Marche-les-Dames; Aalst: het warenhuis Delhaize; Kigali: Kamp Kigali; Gent: het Gravensteen; de Leeuw van Waterloo; Antwerpen: het Centraal Station; Ieper: Flanders Language Valley; Werchter: de wei; Coburg: Schloss Ehrenburg.

De uitgever heeft aan het dubbelboek blijkbaar veel aandacht en verzorging besteed, als we de wikkels buiten beschouwing laten, maar er bij en na verschijning nauwelijks tot geen promotie voor gemaakt. De verkoop liep dan ook niet en al gauw werd de aankoopprijs verlaagd. Van 100 naar 75 euro. Het hielp geen moer. De uitgever heeft het dan maar in Nederland in de ramsj gegooid. Vruchteloos, de rekken bleven gevuld, het stof was gelukkig en vermenigvuldigde zich aan een tempo waar de konijnen van schrokken. Tot Eureka uit zijn bad opstond en naar Vlaanderen keek. Daar! Daar zitten de redders. En dat bleek ook zo te zijn. De Groene Waterman in Antwerpen en Boekhandel Walry in Gent hebben het restant gekocht en bieden het hun klanten aan, aan - schrik niet - de prijs van 15 euro. Voor die som denk je meteen aan rommel en quatsch. Dat is deze maal niet het geval. Mijn hand en mijn nog in goede staat verkerende edele delen erop. Wie dit dubbelboek aanschaft, haalt de geschiedenis van dit land in huis. Hij/zij heeft er een jaar leesgenot aan.

Een vrij moment en hup, even naar Tongeren, waar de lezer via het standbeeld van Ambiorix in Tongeren bij de Belgische kroonprins, de latere Leopold II, belandt, die in de buurt van het Duitse Regensburg van zijn paard werd gebliksemd op een groene heuvel boven de Donau. Met het Walhalla, het pantheon van de Beierse koning Ludwig I, voor ogen, zag hij eensklaps zijn land als een pretpark, gestoeld op zijn glorieus verleden.

Wie in de vakantie naar Wallonië durft te gaan en in de buurt van Seraing komt, leze alvorens af te reizen de geschiedenis van een ‘Magische, gigantische stad van de mechanisering’ met als hart de Cockerill-fabriek. De auteur, Sven Steffens, heeft sneller geschreven dan de snelste HSL van Japan. De spanning is van hetzelfde niveau als de roman van Raf Verhulst, Jan Coucke en Pieter Goethals, naar een waar gebeurd verhaal: twee Vlaamse mijnwerkers werden in Charleroi onthoofd omdat zij geen Frans spraken en hun verdediger geen Nederlands. Permitteer, terloops: dit boek is dringend aan een herdruk toe, want het behoort tot de top van het Vlaams Literair Erfgoed. Ik heb het indertijd cadeau gekregen van Jef Anthierens, broer van Johan en Karel.

Belgie2.jpg

Maar terug naar BELGIË, een parcours van herinnering. Snel naar de Wolstraat voor wie rechts van de Schelde woont, en naar de Zwijnaardsesteenweg nr. 6 voor die links van de stroom huist. Dat de aanschaf de moeite waard is bewijst de verkoop: zowel Walry als De Groene Waterman verkochten honderd exemplaren in nauwelijks tien dagen.

Zo, dit gezegd zijnde spoed ik mij opnieuw naar het boek en gooi mij in het artikel van Chantal Kesteloot, Grâce-Berleur: het rode café, de doden van de koningskwestie. Om nog voor bedtijd Walter Pauli te consumeren. Brussel: De Guimardstraat, de mobilisatie van verschanste macht. Ik geef u het slot cadeau. Even bladeren. Et voilà:

In de jaren 1950 had de Guimardstraat België in een levensbeschouwelijk conflict gestort, zoals ze in Italië al langer voorkwamen en door Rome gestimuleerd werden: een Vlaamse versie van Don Camillo en Peppone, de eeuwige oorlog tussen de pastoor en de rode burgemeester. Vijftig jaar later poogde een Belgische kardinaal met landelijke, West-Vlaamse roots Rome te overtuigen van de Belgische benadering: sluit a.u.b. een pact met de samenleving.

Guido LAUWAERT

 

BELGIË – een parcours van herinnering – uitgeverij Bert Bakker – 2 delen – hoofdredacteur Jo Tollebeek – ISBN 978 90 351 3304 4 en 978 90 351 3304 4 - € 15 – exclusief bij boekhandels De Groene Waterman, Antwerpen en Walry, Gent

Partager cet article
Repost0
20 mai 2011 5 20 /05 /mai /2011 23:32

Beeldschoon. Een treffender woord kan ik niet plakken op De veer van César. Deze kortfilm van regisseur Oscar Spierenburg (tevens getalenteerd kunstschilder) beleefde donderdag jongstleden de persvoorstelling in Cartoon's. Er was zoveel publiek op komen dagen dat hij een uur later nog eens werd vertoond. Dat belooft voor de officiële première in de Roma, komende maandag om 20.30 uur. Oorspronkelijk was het de bedoeling die op het balkon daar door te laten gaan, maar het wordt de grote zaal! Ook in Gent vindt een première plaats, en wel op maandag 6 juni in Kinepolis, Ter Platen 12.

De veer van Césaris gebaseerd op César aan het woord, het gedicht dat Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen (die zelf ook in beeld komt als kastelein) schreef met het taaluniversum van de eigenzinnige Pjeroo Roobjee in gedachten. Die Roobjee, tevens fascinerend beeldend kunstenaar, mag hier de hoofdrol spelen van de uitbater van een speelgoedwinkel (de door eigenaars Jetty De Laet en Lotte Verhelst welwillend ter beschikking gestelde Sjokkel in de Wijngaardstraat) die langzamerhand zijn houvast op de werkelijkheid kwijtraakt onder de zware schaduw van een nakend faillisement. Hij doet zulks met verve, doorlopend met de van hem bekende peuk op de lippen en in zijn vertrouwde zangerige Oost-Vlaams. César doolt door het Antwerpse stadshart, dat wonderlijk fraai in beeld wordt gebracht, en kan maar geen afstand nemen van zijn winkeltje en het speelgoed daarin.

Ook dat speelt een hoofdrol, en dat is de verdienste van animatieregisseuse Minske van Wijk die onder meer ballonnen en een zilvermeeuw ontroerend door de scènes laat zweven.

DeVeerROOBJEE

Pjeroo Roobjee

Maar op het Conscienceplein laat ze ook ineens een mallemolen opduiken, in de Wolstraat César wegspringen voor een reusachtige speelgoedtram ( en in de Wijngaardstraat mensgrote mechanische poppen verschijnen.

 

De scène waarin een speelgoedmuisje een suikerklontje in César's koffietje komt gooien doet denken aan die in Jean-Pierre Jeunet's Le fabuleux destin d'Amelie Poulainwaarin op haar nachtkastje een varkentje haar lampje uitdoet. Intiem, ontroerend.

Onder meer Jan Decleir (zijn présence, al duurt die nog zo kort, op celluloid blijft verbazingwekkend) en Robbe De Hert tekenen voor opmerkelijke gastrolletjes. De encadrering is vlekkeloos, het kleurenpalet hartverwarmend en de muziek (gecomponeerd door regisseur Oscar Spierenburg in samenwerking met diens broer Tobias) charmant.

De veer van Césaris Oscar Spierenburgs debuut als cineast, en hij mag er fier op zijn. Minske van Wijk liet zich met eerder animatiefilmwerk reeds opmerken op festivals in onder meer Berlijn, Melbourne en Rome.


Naschrift

DeVeerCONSCIENCE

Conscienceplein

Toen ik vorig jaar door Michaël Vandebril van Antwerpen Boekenstad namens de makers mee werd uitgenodigd (er werden meer dichters benaderd) om te figureren in De veer van César ging ik met plezier op die invitatie in. Terwijl de meeste van mijn literaire of anderszins artistieke collegae (als Dianne Broeckhoven, Frank De Vos, Noella Elpers, Adriaan Raemdonck, Annmarie Sauer en Ingrid Vander Veken) opteerden voor een presentie later op de dag in dat sympathieke en warme cultuurminnende café Rood-Wit aan de Drubbelstraat 42 in Berchem meldde ik me op een bitterkoude oktoberochtend (het was echt om te kléumen!) op het Conscienceplein waar behalve de filmmakers alleen Pjeroo Roobjee aanwezig was. In René Frankens boekhandel Demian gingen we de krant lenen waarin ik op een bankje voor de Carolus Borromaeuskerk zit te lezen. Minske van Wijk vroeg hem en passant of hij ook even wilde opdoemen in die opname. Daaruit komt de still hierboven. Rechts kuiert Pjeroo. In de film zie je René mij passeren en goeiendag wensen, waarop ik hem beleefdheidshalve à l'improviste een goeiendag terug wens. Je hoort dat natuurlijk niet, maar éigenlijk had ik dus een sprékende rol. Het was een bijzondere ervaring Oscar, Tobias, Minske en Mustapha zo gedreven bezig te zien met het creëren van iets waarvan zíj al wisten hoe het er uit moest gaan zien. Op de plaats van de draaimolen op de foto was die morgen slechts een enorm groen laken te zien waarop later die carrousel werd gemonteerd. Het was leuk om, hoe bescheiden dan ook, eens deel uit te maken van het productieproces van een film in plaats van die louter te consumeren.

Ik ben, in een tijd dat het bezit van een televisietoestel nog geen vanzelfsprekendheid was, opgegroeid als zoon van een filmoperateur. In de Roxy aan de Grote Markt in Bergen op Zoom zag ik als jongetje al zoveel films op groot formaat dat ik televisie immer als ersatz ben blijven zien. Het was niet eens zozeer als dichter of als lid van de Vlaamse Vereniging van de Filmkritiek (VVF) dat ik het een bijzondere sensatie vond om mijn naam op de aftiteling van een op groot scherm geprojecteerde rolprent te zien, maar toch vooral als zoon van de filmoperateur....

Bert BEVERS

Zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-minske-van-wijk-en-peter-holvoet-hanssen-de-veer-van-cesar-73930840.html

Partager cet article
Repost0
20 mai 2011 5 20 /05 /mai /2011 22:45

 

Londen.jpg

'When a man is tired of London he is tired of life; for there is in London all that life can afford.' [Samuel Johnson in Boswell's Life, Sept. 20, 1777].

Londen staat centraal in de jongste aflevering van het maandblad Lire. Het hoofdartikel van François Busnel bulkt van de nietszeggende gemeenplaatsen.

Londres est le siège d'une monarchie. Et les Anglais restent, ne l'oublions jamais, très majoritairement attachés à ce qui nous apparaît, à nous autres enfants de la République française, comme un aimable folklore.

De Britse monarchie als aardige folklore... Scherp gezien van een kind van de Republiek waarin presidenten zich als absolute monarchen gedragen – geen folklore, o neen, ook niet bepaald aardig, gewoon keikarde realiteit. Dit even terzijde.

*

De lezer wordt meteen op sleeptouw genomen. Londen wordt bezocht en in zijn diversiteit in kaart gebracht met als leidraad romans van William Boyd, Ian McEwan, Jonathan Coe, Zadie Smith, Maggie O'Farrell, Rachel Cusk, Hanif Kureishi, Martin Amis, J.G.Ballard en Monica Ali. Zonder veel innoverende verbeelding wordt de wandelaar een aantal haltes aanbevolen: Waterstone's, St Martin's Theatre, Ye Olde Cheshire Cheese en Rules. Even conventioneel, maar wel boeiender gaat Tristan Salvin even in op enkele Engelse schrijvers die Londen tot een literaire mythe hebben verheven. Hij staat ook stil bij enkele 'Froggies' die iets met Londen hadden. Alexandre Fillon brengt het verslag van een bezoek aan William Boyd in Chelsea. In een uitvoerig gesprek met Julien Bisson onderstreept Hanif Kureishi: 'On ne s'inquiète pour son identité que si on l'estime menacée'.

Wie Londen en de Engelse literatuur al was het maar oppervlakkig kent, zal alleszins niet voor verrassingen komen te staan. Dat belet niet dat Lire, zichzelf getrouw, alleszins een good readblijft.

VaesLabyrinthe.jpgJorge Luis Borges typeerde Londen als een gebroken labyrint, een labyrint in scherven. Na mijn eerste bezoek aan Londen, in 1963, verscheen het beklijvende boek van Guy Vaes (°1927), Londres ou Le labyrinthe brisé, dat ik recenseerde in Le Courrier d'Anvers('Guy Vaes ou les mystères de Londres', 30 januari 1964). In 1970 stelde ik het bijzondere nummer van De Tafelrondeover Guy Vaes samen waar, naast bijdragen van o.m. Julio Cortázar, Hubert Lampo, Luc Norin en Pascal Pia, een opstel van Paul de Vree over Vaes als fotograaf opgenomen werd. In 1978 verscheen dan Vaes' in alle opzichten gedenkwaardig fotoboek Les cimetières deLondres.

LondresVAES-copie-1.jpgDe burgerlijke praal en pracht der Londense begraafplaatsen mag niet afgewezen worden met dooddoeners van slecht allooi. Het gaat in de eerste plaats om een teken van verrukkelijke opstandigheid tegen het meedogenloze voortschrijden van de tijd. De sfeer van heimelijkheid warmee thans de dood wordt omhuld is duidelijk verbonden met het uiteindelijke gebrek aan respect voor de menselijke persoon en waardigheid. Vaker dan ooit sterft mensen alléén, in de anonimiteit van ziekenhuizen en homes, tussen de koele glinstering van chroom en het bittere eerste smaken van een narcose.

*

Sinds ik doordrongen ben van Guy Vaes' beklijvende boeken over Londen, weet ik dat de stad een metafoor is, en dat begraafplaatsen best ervaren worden als metaforen van de stad.

'There is in London all that life can afford', juist, de dood incluis. De stad niet alleen als dwingende metafoor, maar ook als verdroomde necropool.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche