Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
21 juin 2011 2 21 /06 /juin /2011 21:17

 

Het sprookje over het Land van Ooit gaat over een ver, héél ver verleden. Het was in een tijd toen de dieren nog konden praten. Zo las Mijnheer de Uil elke avond voor uit de Fabeltjeskrant. En Bor de Wolf, Juffrouw Ooievaar, Zoef de Haas en alle andere dieren spraken nog Nederlands. Stel je voor!

 

En speciaal voor jullie, mijn ‘smsende’ kuikentjes en ook de dementerende medeklinkers bij de overheid en de media, breng ik graag in herinnering dat ‘Bozar’ ooit ‘Paleis voor Schone Kunsten/Palais des Beaux-Arts’ heette. Een Kids-ID zou men vroeger simpelweg een identiteitskaart voor kinderen hebben genoemd. Echt waar hoor. Toen waren jullie nog geen ‘kids’. Grappig, neen? Maar ja dat was in de tijd der donkere jaren, ver voor de invasie van de Angelen en de Saksen met blitse yuppies in hun zog. De wereld was nog niet besneeuwd met deze bevrijders die onze klanken helder kleurden en onze mond met soepel klinkende chewing-gum zoals ‘meetings’, ‘Vipclubs’ en ander lekkers hebben vol gepropt. Zie zo, over het erbarmelijke gekakel, iets uit de vergeetput van het ooit. Tot dusver het sprookje, lieverds. Wat word ik toch oud en met die opschuivende haargrens der jaren, zeg ik:’ Ach, o nee en wee’.

 

Van de hand van mijn dichtersvriend, Bert Bevers, verscheen enkele jaren geleden ‘Onaangepaste tijden’. Als ik een metafoor zoek voor de te hete koffie die ik soms moet ophoesten dan denk ik dikwijls aan de titel van deze bundel. Regelmatig schiet er voorwaar wat in mijn onaangepaste keelgat. Dit gebeurt wanneer ik me voor de zoveelste maal in mijn ergernis verslik.

 

Afgelopen zondag dacht ik aan “woorden oP KLiPPen KLaPPen KaPot’ uit Bezette Stad van Paul van Ostaijen. Tijdens het avondnieuws viel het woord ‘Kids-ID’ met ‘BOEM PAUKENSLAG’ van het scherm. Het rolde zomaar mijn huiskamer binnen en -hoe kan het anders- ook in het verkeerde keelgat.

 

Ik was niet zeker of dit nieuwe woord, zo vers uit een of andere snoboven nu als ‘Kids’ dan wel als ‘Kidz’ werd geschreven. Daarom ben ik aan het ‘googelen’ of ‘googlen’ geslagen. Voor de Dikke van Daele zijn beiden correct als je deze met kleine g schrijft. Het betekent volgens deze eerbiedwaardige instelling dat je zoekt naar informatie op het internet. Opgepast zegt het Amerikaanse bedrijf Google. Je mag dit alleen maar gebruiken als je ook de zoekmachine ‘Google’ gebruikt en geen andere. Zoniet dan bega je een inbreuk op het merkenrecht, aldus advocate Rose Hagan. En aldus verscheen er op basis van artikel 10 van de Community Trademark Directive in verschillende woordenboeken een addendum met de melding dat het woord googelen een geregistreerd merk betreft. Deze advocaten gespecialiseerd in het merkenrecht zijn zowat de meest creatieve geesten die men zich kan voorstellen. De fantasie van sommige Cammoristi kent geen grenzen.

 

Het zijn zo van die trekjes, die je bij Monsanto kunt vinden wanneer je even onder hun sluier kijkt. Door zijn onvermoeibare ijver om beslag te willen leggen op de genen van onze fauna en flora betoont deze humane voedselverbeteraar een uitzonderlijke interesse in ons werelderfgoed. Niet alleen voor aardappelen, maïs, soja maar ook voor het wijzigen van de genen van varkens loopt dit filantropische bedrijf zich de schoenen van de voeten.

 

biggerjes.jpg

Boer let niet alleen op je ganzen wanneer deze vos de passie preekt. Let vooral op je prijsbeer wanneer hij vreemd gaat met een loopse zeug van een andere stal. Stel dat er genetisch belaste biggetjes worden geboren, en met genen nog wel die door Monsanto werden ‘verrijkt’. Elke fijnbesnaarde merkenjurist zal met zijn heldere logica een spinnenweb rond je weven. Hij zal als een beslagen huurling heel loyaal het misbruik van de rechten van zijn broodheer bevechten. En de toegebrachte schade aan de ‘intellectuele’ eigendom kan niet anders dan met de nodige zilverlingen en exclusiviteitcontracten worden afgekocht. Zo niet dan kletsen ze je per deurwaardersexploot de handschoen voor een duel in je gezicht. Verder weet ik niet of koeien nog contractloos zullen kunnen loeien, en of geiten in alle vrijheid kunnen mekkeren. Bij de rechtmatige verklanking van de genetisch gewijzigde stembanden dient ook Sabam betrokken te worden. Je weet maar nooit dat een of andere niet aangesloten koe met dreadlocks inbreuk zal plegen. Stel dat deze per ongeluk het timbre van de Monsantostal heeft overgeërfd.

 

Men is dus gewaarschuwd. Gedraag je netjes. Zeg nooit Chiquita wanneer je bananen van een ander merk koopt. Wanneer je een Spa besteld vraag dan wel degelijk een Spa vooraleer in je glas ordinair spuitwater wordt gekwakt.

Het wordt pas een nachtmerrie als je denkt dat je een simpele balpen, Bic- allures kunt aanmeten. Ga nooit Aldiën bij Liddl en ook niet Delhaizen wanneer je gaat Carrefouren. Laat staan dat je zelfs even kunt gaan Quicken bij McDonald’s.

Heren, laat jullie niet langer pamperen, chippendaled niet meer en ontman jullie van het Durexen. Dames, Botox iets anders in al jullie lippen, Tampax niet elk maandverband.

 

Il faut-être parcimonieux de son mépris, il y a tant de nécessiteux’ schreef Chateaubriand.

Niettemin…

En nu de oogjes dicht en snaveltjes toe.

Greetz’,

Uw onaangepaste,

Frank De Vos

Partager cet article
Repost0
20 juin 2011 1 20 /06 /juin /2011 16:35

 

DeRussen!

De Europese politieke matras

Tom Lanoye heeft van twee stukken van Anton Tsjechov één gemaakt. Platonov en Ivanov in hun oervorm kunnen het gehoor beschadigen. Daarom heeft hij het kaf van het koren gescheiden. Dat soort werk is Lanoye wel vertrouwd. Collage is ook een kunst. En hij weet de juiste quotes uit andere werken te halen om de voegen te dichten. Eén ervan staat als motto vooraan in het tekstboek: ‘Als uw zonen ooit hun ontevredenheid uiten over Frankrijk, probeer dan mijn recept: vertel ze naar Rusland te gaan!’ [Markies de Custine, La Russie en 1839].

Droge regie

In de stukken van Tsjechov gebeurt er nauwelijks iets. Er worden plannen bij de vleet gesmeed. Daar blijft het bij. Er zijn belangrijker dingen in het leven. Vetes opzetten en afhandelen. Alles met de mond. En als de mond even zijn mond houdt komen de zeven hoofdzonden bovendrijven. Het is geen politiek stuk, beweerde auteur Tom Lanoye, maar goed een half uur aan de gang of je waant je een wandluis in de Europese politieke matras. Daar gaat het al lang niet meer om de acht zaligheden maar om de centen. Niet eens echte maar virtuele. De echte zijn al lang opgesoupeerd. Die mening wordt versterkt door een droge regie. Een natte had de essentie beschadigd. Regisseur Ivo van Hove heeft zich geconcentreerd op het laten gloriëren van zijn spelers. En langs een nieuwe, hogere sport op de ladder die talent heet, de boodschap van de tekst te versterken.

Allemaal Russen

Het Europese politieke toneel mag dan onderhuids in De Russen! zitten, er is nog een tweede element dat in Lanoye’s achterhoofd speelde tijdens het schrijven: De schuldige. Een politicus kan niet opdraaien voor het huidige debacle. Evenmin als de jood. Hem met de vinger wijzen zou even dodelijk zijn voor een politicus als met open rits voor de webcam te zitten. Een andere zwerver of vluchteling komt al evenmin in aanmerking. Het is geprobeerd, maar de media hebben het vakkundig verhinderd. De enige oplossing voor de politici was om de simpele, intelligente, verfijnde burger tot schuldige te bombarderen. Dat in het stuk toch de jood de kop van jut is, is een metafoor voor de simpele, verfijnde, intelligente, dus kwetsbare burger. Twee vliegen in één klap. De Russische sfeer van Tsjechov blijft aanwezig, maar speelt zich af in het hedendaags Europees politiek wereldje. Zij, Europese politici, zijn allemaal Russen. Zij zijn De Russen!

De nieuwe jood

Het verrussen van de Europese politieke cultuur heeft niet alleen Lanoye in beeld gebracht, maar ook van Ivo van Hove, scenograaf Jan Versweyveld en dramaturg Peter van Kraaij. Vooreerst is er de tijd. Hedendaags. Niet zozeer door de kostumering, maar door de motoriek. Hun personage hebben de acteurs licht opgeblazen, of enigszins onderdrukt. Net voldoende om te laten zien hoe de huidige politici zich gedragen. Het zijn ook maar mensen, maar sommige mensen zijn toch iets meer. De nieuwe edelen. Daar hoort een aparte raison d’être bij.

Vervolgens de plaats. Het dak van een woonblok, midden in een grootstad. Dat in het eerste deel een woestijn is, in het tweede deel een moeras en in het derde deel drijfzand. Waarin iedereen onomkeerbaar vast komt te zitten. De nieuwe edele is er nog steeds maar zijn karaktertrekken is hij kwijt, en zijn persoonlijkheid. Op de simpele, verfijnde, intelligente, dus kwetsbare burger na. De nieuwe jood. De tranen en de snot wegvegend ziet hij vanuit de hoogte op het slagveld neer. Het dak verbeeldt bovendien het pandemonium, het rijk van de politieke elite en hun economische en financiële acolieten.

Ten slotte de handeling. Er is geen verschil tussen liefde en haat. Trouw en verraad. Er wordt over en door elkaar heen gepraat. Niemand luistert naar iemand. Jezelf bezig horen is het mooiste wat er bestaat. Snelpraat. Vermijd pauzes. Stilte geeft de tegenstander de kans toe te slaan. Blijven praten, desnoods nachtenlang. Dat De Russen! een marathonvoorstelling is, is daarom logisch en natuurlijk.

Juiste toon

Ten bate van tempo en actie heeft het triumviraat – Van Hove, Versweyveld en Van Kraaij – geknipt in het script. Was dat niet gebeurd zou de voorstelling niet ruim vijf uur geduurd hebben maar tweemaal zo lang. Ze hebben ook geschoven met de scènes. Ten bate van de vlotheid. En die is er. Vijf uur na aanvang is de spanning tot bloedens toe opgelopen, in de zaal als op het podium. De muziek helpt een handje mee. Elektronische, gecomponeerd door Tom Holkenborg. Hij heeft de juiste toon weten te vinden voor elke scène, bij elke handeling. In de verbale tweegevechten, soms met drie, voert woeste muziek de toeschouwer mee naar de demonische wereld van het brein van de kemphanen. Waar het kwade achter de schijn gevormd wordt tot woord en daad. Om in de slotminuten te verpieteren tot één doffe noot links op het pianoklavier. Da capo, da capo. Om uiteindelijk te verdwijnen in de onmetelijke ruimte. Waarop alleen nog het krijsen van de tot beesten verworden elite volgt. Tot Platonov wordt vermoord en Ivanov zelfmoord pleegt. Stilte. Eindelijk stilte. Een stilte die geen stilte is in de ware betekenis van het woord, maar de stilte van het herdenken, in het licht van het gebeurde.

Loopgraven

Achttien acteurs. Stuk voor stuk meesters in hun vak. Het is heerlijk om te zien dat beroepsacteurs, die weten dat ze tot de crème de la crème behoren, niet op automatische piloot spelen, maar zich diep hebben ingegraven in de loopgraven van hun personage. Het eerste halfuur valt het niet zo op, maar gaandeweg stijgen zij hoger terwijl zij dalen. Zelfs Hélène Devos, die je in de eerste twee delen niet in een kleuterklas wil zien staan, ten bate van de geestelijke gezondheid van de kinderen, krijgt merg in de pijp in het derde deel.

En nu een naam gevallen is. Alle acteurs verdienden hun ruiker, maar een roos extra had er wat mij betreft voor de vrouwen bij gemogen. Het is een stuk voor vrouwen, maar tevens een meesterwerk dóór de vrouwen. Met als uitschieters Halina Reijn, Frieda Pittoors, Chris Nietvelt en, met extra Jewel in the Crown, Marieke Heebink.

De stille kracht van

En sta mij toe tot slot even persoonlijk te worden.

Ik kon en kan niet anders dan Ivanov en Platonov zien als de twee aanvoerders van de huidige politieke janboel. Rutte en Wilders in Nederland en Bart De Wever en Elio Di Rupo in België. Soms zou je willen dat wat op het toneel voorvalt, moord en zelfmoord, werkelijk gebeurt. Het mag en het kan niet, maar dromen zijn vooralsnog niet verboden. Maar als het toch zou gebeuren, zou ik willen dat het mogelijk wordt gemaakt, verbaal!, door de stille kracht van de nieuwe jood.

De Russen! is het sterkste politieke toneel dat in jaren is vertoond. Het is Russisch, Engels en Grieks. Een mix van Tsjechov, Shakespeare en Aischylos. Overgoten met een flinke scheut uit Dionysios’ kruik. Eenvoudig gezegd: een Grieks drama met een Romeinse slag.

Guido LAUWAERT

DE RUSSEN!– van Tom Lanoye – regie: Ivo van Hove – productie: Toneelgroep Amsterdam – tot 25 juni in Stadsschouwburg Amsterdam – 14 en 15 april 2012 De Singel, Antwerpen – www.toneelgroepamsterdam.nl

zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-toneel-lanoye-meets-tsjechov-56406249.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-tom-lanoye-de-russen-76724998.html

Partager cet article
Repost0
19 juin 2011 7 19 /06 /juin /2011 22:11

 

10 juni.Toon van Overstraeten overleden. Mijn vorige levens worden verder ontvolkt. Overspoeld door het verleden raadpleeg ik summier mijn chaotisch archief, neem enkele losse aantekeningen voor een in memoriam. In feite had Toon iets sfinxachtigs.

11 juni. Ik kan het niet laten de boeken van Toon ter hand te nemen. Van het een komt het ander en uiteindelijk zit ik geboeid te grasduinen in nummers van De Vlaamse Elsevier  en van (De  Nieuwe) Impact. (Dank zij Jan Scheirs kan ik nu eindelijk mijn immense collectie tijschriften moeiteloos raadplegen.) Ik laat mij verleiden tot het diagonaal herlezen van omslagverhalen die ik voor De Vlaamse Elsevier  schreef over Karel Jonckheere, Willy Vandersteen of diamant in Antwerpen; ik herlees commentaarstukken die ik op beslissende momenten in de geschiedenis van de Volksunie schreef: 'Hugo Schiltz, de nieuwe roerganger' (De Vlaamse Elsevier, 26 november 1973) en 'De terugkeer van de verbannen zoon' (De Nieuwe Impact, 15 maart 1981). qs

14 juni. Walter Soethoudt heeft altijd een enorme bewondering voor Toon van Overstraeten gehad. In zijn herinneringen, Uitgevers komen in de hemel (Meulenhoff / Manteau, 2008), noteert Soethoudt:

Toen Toon in 1985 op zoek was naar een titel voor zijn boek over 30 jaar Volksunie, suggereerde ik hem eentje door hem te wijzen op de plek waar ze waren gevestigd: het Barricadenplein. Toen het boek eenmaal was verschenen onder de titel Op de barrikaden, schreef Toon in mijn exemplaar de opdracht: 'Met dank voor het leveren van de titel, aan Walter Soethoudt'. (p. 234).

'La mémoire est un poète, n'en fais pas un historien' is een van de bekendste citaten van Paul Géraldy. Herinneringen zijn immers bijgebleven indrukken en het geheugen werkt nu eenmaal verdichtend (in alle betekenissen van het woord). Walter volgt kennelijk de raad van Géraldy: zijn memoires ontsnappen niet aan de verdichting. (Overigens, wie herinneringen publiceert doet dat zelden om zichzelf een bescheiden rol aan te meten...) In het geval van Op de barrikaden gaat het echter om een onbetwistbaar wapenfeit, waarover Walter naar eigen zeggen 'tot op vandaag zo trots is als een aap'. (Vermits de opdracht dateert van 29 januari 1985 is het echter evident dat Toon in 1984 naar een passende titel zocht...)

Walter komt de verdienste toe twee boeken van Toon van Overstraeten te hebben uitgegeven: De grote mutatie  (1976) en Daarenboven zegt zijn natte vinger hem...(1982). In dat laatste schreef Toon:

'Soethoudt, een uiterst merkwaardige uitgever, ditmaal niet zijn broek scheurend aan Toon van Overstraeten, zo hoop ik' – hiermee verwijzend naar de intekenlijst voor zijn nieuwe boek en de flop van De grote mutatie.' (Uitgevers komen in de hemel, pp. 234-235.)

17 juni. Maurits las het in memoriam Toon van Overstraeten verschenen op de blog Mededelingen (14 juni). Net terug van de begrafenis, stuurt hij een kort mailtje:

Ja,dit was iemand zoals er weinigen zijn en dit tot in zijn laatste levensdagen. Velen in de VU mochten hem niet, omdat ze niet tot aan zijn knieën raakten. En toch heeft hij nooit op 'minderen' neergekeken. Wat een werk- en levenslust, wat een talent, wat een kennis!

Ik hoef het je niet te zeggen.'

Maurits van Liedekerke (°Teralfene, 21 juli 1945) debuteerde in september 1965 in het tijdschrift Podium dat toen onder de redactie stond van Gust Gils en Remco Campert. In de herfsttijd van de Vijftigers hadden beide dichters een grote invloed op Maurits, die al eerder ingezonden had bij Vlaamse tijdschriften doch steeds beleefd afgewezen was. Gust Gils schreef hem in juli 1965:

Een van de droeve zijden van het tijdschriftredacteurschap is het moeten lezen van waardeloos werk van goedbedoelende debutanten en het moeten teleurstellen van deze laatsten. En een van de prettige dat er af en toe een aangename verrassing zoals uw inzending uit de bus komt. Als dit werkelijk uw proefstukken zijn, zie ik benieuwd uit naar uw verdere evolutie.

Zo verschenen in Podium  gedichten en verhalen van Maurits van Liedekerke, die in 1971 een eerste bundel in eigen beheer publiceerde, Als een glas water.Tien jaar later verscheen dan bij Stichting Dimensie te Den Haag de bundel Van het oog geen kwaad. In 1982 verscheen De wolk  (Sint-Niklaas, De Kleine Uitgeverij), geïllustreerd met vijf potloodtekeningen door Marc Gijsels, een gevoelig en als het ware geëtst kortverhal zonder fioritures. In Huis van gras (Antwerpen, Facet, 1987) neemt de dichter afscheid van het ouderlijke huis.

 

Ik heb het huis uit de hand gegeven

en zal voor altijd kwetsbaar zijn.

 

Ik bezit niets meer dan de kleur

van schaduw, de naam van een schip

 

Hoop Op Welvaart. Aan het bed van

een kind lieg ik elke avond verhalen.

 

Ik bouw een huis met blauwe regen

en zuigende lammetjes en een lachende schipper

 

die “Mosselen!”. Maar elke nacht

sterft onder het slagwerk van de seizoenen

 

de blinde boomgaard van mijn jeugd.

Ik heb het huis uit de hand gegeven

 

en in de kamers van mijn hart

schrijft een schaatser tekens van verraad.

 

In de poëzie van Maurits van Liedekerke zijn de beveiliging van het eigen universum en de koestering van een onvervangbaar gevoel van geborgenheid zonder meer fundamenteel. Hij koestert daarbij een intimistische heimwee naar de familie en de geboortegronden noteert:

 

Ik streel de bakstenen,de naden van de tijd.

Ik wrijf de korrels, de scharnieren kraken,

en lik de lome geur van regen op de daken.

 

Ik heb geen antwoord op de vragen

die uit de ramen staren. Ik weet niet

waarom de onrust aan de beenderen bijt.

Ik weet alleen, ik ben een schakel.

 

Vervolgens schreef Maurits een requiem voor Jan Van Liedekerke, geboren te Herzele op 16 augustus 1894 en gesneuveld te Diksmuide op 24 juli 1915. Voor een soldaat van de grote oorlog  (Aalst / Brussel, Vredeshuis / VOS Brussel, 1989) verscheen in een royale viertalige editie, geïllustreerd door Harold Van de Perre. Heinz Schillings verzorgde de Duitse vertaling, Peter Stinson de Engelse en ik nam de Franse tekst voor mijn rekening.

In het woord vooraf, 'Oorlog en vrede of De eindeloze geschiedenis van de slapeloze ruiters' onderstreept historicus en Boon-kenner Frans-Jos Verdoodt dat de stelling dat alle oorlogen vermijdbaar zijn

'klinkt als een avondlijke panfluit in een ver dal: na één of twee korte echo's valt de donkere nacht.

De rationele bestrijders van de oorlog lijken wel onmachtige slapeloze ruiters, alert doch nooit ter bestemming komend.

Misschien blijft er alleen nog een emotionele uitweg. Die van de kunstenaar en de boodschap van zijn werk [...].


AVvvl.jpgJaarvergadering van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (medio de jaren 1980). Centraal: Maurits van Liedekerke, geflankeerd door Clara Haesaert en Willie Verhegghen. Op de achtergrond, van l. naar r.: Tony Rombouts en Ludoviek Andries

 

In ZilverWerk  (Torhout, deBeer, 1992) bundelden Van Liedekerke en Willie Verhegghe een kleine selectie vroeger werk (ingeleid door Bert Decorte). Dat deden ze 'uit pure nostalgie – die goedaardige kwaal waaraan de meeste dichters in meer of mindere mate lijden'.

Over Voeten in de aarde  (Antwerpen, Contact, 1994), bij mijn weten de jongste dichtbundel van Maurits, waarin o.m. de pakkende cyclus 'In memoriam matris', schreef Yves T’Sjoen in Ons Erfdeel: 'Deze poëzie bevat een rijke plastische beeldspraak die, gegoten in pretentieloze taal, ontroerende inzichten biedt.' Het gedicht dat als motto voor de hele bundel fungeert, 'Ik lig aan het einde van de wereld', werd opgenomen in de onvolprezen bloemlezing Hotel New Flandres  (Gent, Poëziecentrum, 2008).

In het in memoriam 'Ben Cami ging, van Nod naar Eden' (Het oude land van Edigen en omliggende, jg. XXXIII, nr. 2, april-mei-juni 2005) onderstreept Van Liedekerke dat naam maken de betrachting niet was van de Kantieke Schoolmeester, die niet naast zijn schoenen liep. Hij roept 'de realistische dichter die waarnemende poëzie schrijft' op, 'de gepijnigde dichter die zijn afschuw voor oorlog en geweld uitschreeuwt', 'de berustende dichter die zich wel miskend voelt, maar er niet onder gebukt ging.

Ook Van Liedekerke is een verstilde, waarnemende dichter die grootspraak schuwt en niet te koop loopt met grootsprakerige en gezwollen gevoelens. Rijke beeldspraak, pretentieloze taal, ontroerende inzichten, inderdaad. Net als Ben Cami koos hij (niet alleen als dichter trouwens...) voor een low profile.

Maurits zoekt zelden publieke aandacht, dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Toen hij een paar dagen geleden ereburger werd van Herne, besloot Maurits zijn dankrede met een citaat naar Herman van Veen:

Alles wat ik weet, weet ik van een ander en alles wat ik laat, laat ik voor een ander. Alles wat ik heb, is alleen een naam en die heb ik van een ander.

Dat typeert hem ten voeten uit.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
16 juin 2011 4 16 /06 /juin /2011 21:23

 

Parelduiker.jpg

De Parelduiker  is een Nederlands literair-historisch tijdschrift dat in Vlaanderen nauwelijks bekend is, en dat is jammer. Het blad verschijnt vijfmaal per jaar en is een uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil i.s.m. Uitgeverij Bas Lubberhuizen. Onder het motto van Multatuli ‘een parelduiker vreest den modder niet’ doet het verslag van altijd interessante en soms spectaculaire speurtochten naar verborgen literaire schatten. Ongepubliceerde brieven en handschriften van Louis Couperus, F. Bordewijk, Geert van Oorschot en Franz Kafka komen in De Parelduiker  boven water. Onbekende episodes uit het leven van W.F. Hermans, Gerard Reve en Bob den Uyl worden ontvouwd. En ook aan (bijna) vergeten figuren blijken boeiende verhalen te kleven. De dubbelnummers, uitgebreide ‘dossiers’ inclusief een biografische schets, stellen sleutelfiguren uit de literatuurgeschiedenis centraal zoals Johan Polak, Maurice Gilliams, Willem Elsschot, Willem Kloos en André Gide.

 

De nalatenschap

 

Nummer 2 van jaargang 16 is net verschenen en bevat heel wat leerrijks. Het openingsartikel is van historica Ludy Giebels en handelt over ‘De nalatenschap van Jacob Israël de Haan.’ Een zo goed als onbekende auteur in Vlaanderen en precies daardoor een nadere beschouwing waard. Ludy Giebels vangt aan met het schetsen van de redenen waarom Jacob Israël de Haan in januari 1919 naar Palestina uitweek. Hij had een homo-erotische roman Pijpelijntjes  in 1904 gepubliceerd, wat tot een schandaal leidde en ontslag van de schrijver als onderwijzer en als redacteur van de kinderpagina van Het Volk. De heftige geloofscrisis waarin hij rond 1915 verzeilde leidde tot de emigratie naar Palestina, waar hij zich aansloot bij de religieuze partij van de zionistische organisatie.

JJdeHaan.jpgVervolgens gaat zij dieper in op zijn activiteiten aldaar. Zijn felle kritiek op het zionisme die hij als correspondent in Jeruzalem schreef in het Algemeen Handelsblad en zijn diplomatieke activiteiten voor de antizionistische orthodoxie in Jeruzalem, verenigd in de internationale Agoedat Israel, en ten slotte de moordaanslag op hem op 30 juni 1924 in Jeruzalem.

 

De omstandigheid

 

Dat de afwikkeling van de nalatenschap van een dergelijk bewogen leven niet van een leien dakje ging, laat zich raden. Haar artikel gaat overigens niet over de literaire nalatenschap, maar over de fysieke zaken: het huisraad, de papieren, de financiën. Op het eerste gezicht lijkt het niet relevant, maar tussen de lijnen door leer je een auteur kennen en de omstandigheid van de moord. ‘Het tuinhuisje in de Mamillastraat (vlak bij de Jaffapoort), waar De Haan sinds december 1920 had gewoond,’ zo schrijft Ludy Giebels, ‘en dat hij huurde van de Arabische familie Aweidah, moest in verband met het politieonderzoek worden verzegeld. In de Palestijnse verhoudingen van die tijd was het nog niet zo eenvoudig uit te maken wie de bevoegdheid daartoe had. Was het –voor de hand liggend – de politie, die toch de daders moest opsporen, of de Nederlandse consul, die de belangenbehartiger van de Nederlandse onderdanen was? In het Palestina van de mandaattijd was nog steeds – een overblijfsel uit de Ottomaanse tijd – in enkele gevallen een bijzondere positie ingeruimd voor buitenlanders. Daarom moest op aandringen van de Nederlandse legatie in Caïro de verzegeling door de lokale autoriteiten al na een paar dagen worden vervangen door het consulaire zegel. Zij gaf tevens opdracht alleen papieren uit de nalatenschap van de overledene aan de politie ter inzage te geven in aanwezigheid van iemand van het consulaat en geen originelen mee te geven. Intussen had de politie wel degelijk enige papieren met aantekeningen meegenomen, maar niet bekend is welke dat waren en of alles is teruggegeven. In het archief van De Haan bevindt zich een cahier met opschrift “Dit schrift met aantekeningen is aangetroffen in den zak van den overledene”. Maar het vervelende is dat dit schrift leeg is: blijkbaar zijn die aantekeningen eruit gescheurd. Een andere bijzonderheid is dat het donkere vlekken vertoont. De drie schoten die een eind maakten aan het leven van De Haan hadden tot groot bloedverlies geleid: volgens getuigen zou de aktetas, waarin logischerwijze het schrift zou hebben gezeten, doorweekt zijn met bloed. Pathologisch onderzoek van de vlekken geven echter geen bloed aan. Dit kleine feit intrigeert, gezien de mysteries rond de moord. Pas in de jaren zestig werd, dankzij een onderzoek van de Israëlische journalist Chaviv Chanaan, officieel erkend dat De Haan het slachtoffer was van een politieke moord, uitgevoerd door een speciaal commando van de Haganah, de zionistische zelfverdedigingsorganisatie uit die tijd.’

grafJJdeHaan.png

Mysteries rond de moord

 

Zeer gedetailleerd gaat Ludy Giebels in op de mysteries rond de moord, zonder echter achter de ware reden te komen, ‘om de eenvoudige reden dat de dader, de 21-jarige Avraham Tehomi, later de Haganah verliet en een der oprichters werd van de joodse terroristische organisatie Irgun. Hij emigreerde uiteindelijk, teleurgesteld in Israël, naar de VS. Het is overigens nog steeds niet bekend hoe ver het politieonderzoek in 1924 kwam. Al snel werd het uitbesteed aan Scotland Yard, maar de resultaten ervan zijn alsnog niet te vinden.’ Noodgedwongen moet zij zich beperken tot de afhandeling van de nalatenschap, zoals huisraad en literaire eigendommen – al dan niet van eigen hand, zijn financiële toestand, en de vriendenkring van de schrijver. Dat doet zij zeer gedetailleerd. De lezer leert de schrijver van nabij kennen. Het belangrijkste aan dergelijke artikels is dat het kan leiden tot nader onderzoek en de oorzaak van de moord ooit achterhaald wordt. Elke precaire zaak vraagt nu eenmaal een werk van jaren en tientallen verslagen.

De grote verdienste van De Parelduiker is dat het deze verslagen in de openbaarheid brengt. Want slechts de openbaarheid, al stapt hij mee in de processie van Echternach, is de weg naar de waarheid.

 

Ter afronding

 

De overige artikels van het tweede nummer van jaargang zestien gaan o.a. over de belangstelling van Jacob Israël de Haan en de kring rond Oscar Wilde, Joseph Roth en de erfenis van Marlene Dietrich, en het publiceert een onbekend interview met Hans Andreus uit 1957 voor een studentenblad, waarschijnlijk het allereerste. Halverwege het nummers staat een tot nog toe onbekende foto van Louis Couperus, waarin hij te zien is als acteur in De Koopman van Venetië. Het begeleidend kort artikel van Caroline de Westenholz leidt tot de fascinerende vraag waarmee haar artikel eindigt: ‘Was Couperus misschien eigenlijk liever acteur geworden? Heeft de druk van zijn familie ertoe geleid dat hij uiteindelijk voor de literatuur gekozen heeft?’

Opmerkelijk is ook de publicatie van een gedicht van de zo goed als onbekende Hollandse socialistische, later communistische dichter Abraham Eliazer van Collem (1858-1933).

 

Jodenbuurt


Dit is de wijk der ventende profeten,

En profetessen wiegend aan de kar,

En bonte kindren-stoet, doorwie’ schrei-star

Aanvalsgeluid wordt passig afgemeten.

Tusschen de woelig van veel roods bekreten

Heftige’ buurt-gang, – Oostersche bazar –

Het riekt er wee – zoet, er tocht stem-gewar

Van oude vrouwtjes leem, in lach versleten; –

Tusschen de kraam-klitten die uitzicht smoren

Op uitgehangen vellen en af-val; –

Tusschen gefluister van wie kijk-verloren

Uitziet naar kooper die nog komen zal,...

Gaan zij bij ochtend-vuur en avond-val

En roepen voort dat zij zijn uitverkoren.

 

De Parelduiker is telkens weer een goudmijn voor wie geen genoegen neemt met wat half onder de grond te vinden is.

Guido LAUWAERT

 

www.lubberhuizen.nlen www.vanhalewyck.be

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 21:06

-49.jpg

(Foto: Geert  Bastianen)

Dangre schrijft lyriek – geen ‘zuivere lyriek’ à la Van Ostaijen maar muzikale lyriek die herinnert aan b.v. Bijbelse poëzie (de psalmen of het Hooglied van Salomo), aan de litanieën van een Dylan Thomas of een Nic Van Bruggen, of aan de zangerige metaforiek van een Hugo Claus. Dangre ziet Claus, aan wie hij een ‘In memoriam’ wijdde onder de titel ‘De laatste zanger’ (2), als een inspiratiebron zowel op het biografische als het literaire vlak.

Voor mij blijft Claus de beste dichter die het Nederlandse taalgebied ooit gekend heeft. Het zangerige, het duistere en tegelijk vitale, het symbolische en het tegendraadse: het zit er allemaal in.” (3)

De klankrijkdom en muzikaliteit van Dangres verzen kunnen slechts bij een innerlijke (of werkelijke) declamatie tot hun volle recht komen. Dangre stelde uitdrukkelijk: “Klankspel, ritme, cadans, kortom de orale dimensie van een gedicht is fundamenteel in mijn gedichten. Een gedicht moet zingen, daar ligt de oorsprong van de poëzie. Maar dat neemt niet weg dat de gedrukte tekst primair blijft” (4).

 

Die muzikaliteit ontstaat door de syntaxis, de alliteraties of assonanties, de subtiele echo’s en klankverschuivingen of de soms erg verrassende enjambementen.

Let b.v. op het gebruik van de /ij/-, /ui/- en /i/-klanken in sargedicht ‘6’ of de alliteraties en binnenrijmen in sargedicht ‘13’ – om maar iets te noemen. Het merkwaardigste is wel dat deze klanksnufjes nagenoeg nergens geforceerd aandoen maar veeleer organisch lijken te groeien uit de lyrische ‘stroom’ van de tekst zelf.

Twee voorbeelden van verrassende enjambementen: “Dan kreun ik tegen jouw koppig licht / en doe jij zwijgend mijn lichaam uit / al zijn zachtste bochten gaan.” Of, in de context van de uitgebluste huwelijkspartners: “Wanneer wij de trap oplopen om middernacht / uit onze kleren te schudden”.

 

De superieure taalbeheersing van deze woordenfluisteraar leidt tot plezierige verbale pareltjes: omkeringen, metaforen, woordspelingen en allusies, betekenisverbanden en andere verwijzingen (historisch-cultureel, b.v. naar de klassieke Oudheid, of intertekstueel, b.v. Dante en Vergilius) waarbij abstract en concreet, synesthesieën of lichamelijkheid en taal probleemloos in elkaar overgaan. Dangre beheerst de kunst om de lezer op een erg subtiele manier op het verkeerde been te zetten, bv. met verdraaiingen van bekende zegswijzen of een onverwachte spelling die een woord doet kantelen in een ander.

 

Krabbel mij recht / en zonder rede” (zonder –n dus), vraagt hij aan Aurora: een orthografische pervertering van de gebruikelijke zegswijze die nogal verregaande implicaties heeft (ratio versus romantiek). Elders stelt hij dat het “meisje” zijn verzen “beliegt, want zij leidt almaar de tuin / van mijn poëzie om”.

In het huwelijk heerst een verstandhouding van “afgezaagde moppen en poten”, en in ‘Gratia plena’ galoppeert de dichter-hengst “richting jou, als een zee richting oud zeer”.

In de context van dat uitgebluste huwelijk lezen we deze lichte verdraaiing van een zegswijze: “op onze oude voeten / van oorlog”. De huwelijkspartners stellen vast: “al tijden dekken wij / elkaar niet meer.”

Gericht tot de muze: “hoe ik de kousenvoeten kus / waarmee je uit mijn verzen loopt”. Elders spreekt Dangre over “verleerde lippen”: wellicht ‘vergeten, niet meer gekend’, maar vooral ook ‘tot leer/leder geworden’, dus onbuigzaam, stroef, gevoelloos.

 

Sommige beelden zijn bekoorlijk: “de aubade / van je heupen” b.v., met alle prikkelende connotaties (literaire én erotische) vandien. En zo zijn er wel meer. Ik wil maar zeggen: een rijke en verrassende lyriek boordevol ironische knipoogjes die speels en organisch uit Dangres pen vloeien. Eén van de aantrekkelijkste aspecten van deze bundel is immers het feit dat deze speelse ironie als tegengewicht fungeert voor de permanent dreigende ernst en hoogdravendheid: “knip mij / in stukken met de gulden snede / tussen je benen”. In de context van de bijen: “elke steek / die ik voor jou liet vallen … tot mijn angel de jouwe is”.

In het semantisch veld ‘zee/water’: “Onvergankelijk ben jij, lieveling, / met je eb en je vloed waarvoor ik / mijn paal boven water zing”.

Denk aan de muze genaamd “Grieks Roodkapje”, dat natuurlijk in het bos de wolf (Apollo-Dangre met de lier) moet ontmoeten maar zegt: “ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend” (een verfrissende omkering van de dreiging).

Ik verwijs in dit verband andermaal naar die “korte broeken vol / muzieknoten” en die “kerfstokken” in de cyclus ‘Vivaldi’, waar vooral ook het enjambement een erg ondeugend effect oplevert.

 

De dichter bekent tegenover Aurora dat zijn lichaam uitpuilt “van haar vingers”, wat onmiddellijk herinnert aan de “roosvingerige dageraad” van Homerus. Een mooie allusie op Homerus ook in sargedicht ‘11’, waar de “heel kleine muze” vergeleken wordt met een “Trojaanse prinses” (mogelijk Cassandra, wier naam trouwens ‘mannenverleidster’ zou kunnen betekenen en die Apollo afwees, met alle gevolgen vandien). De dichter associeert zichzelf (meer dan eens) met deze Apollo (Lykeios), b.v. in: “In mijn wolfsvacht beklim ik haar, / mijn Olympus” (let ook op de dubbelzinnigheid van ‘beklimmen’), maar “zij klapt mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht” – waarbij de wolf andermaal refereert aan Apollo maar de ‘wolfsklem’ meteen ook verwijst naar de vleesetende bloem en dus naar de vagina.

 

Dangre blijkt zijn Vergilius goed te kennen, zoals ten overvloede blijkt uit de ‘Vierde aurora’, die gebaseerd is op het beeld van de muze als honingbij. Bijen werden in de Oudheid geacht inspiratie te verlenen aan het orakel van Delphi, de lippen welsprekend te maken (ze verleenden aan Pindaros de gave van de poëzie) en taal, intelligentie en wijsheid te schenken. In GeorgicaIV, 1, schrijft Vergilius over de honing als “aerii mellis caelestia dona”, wat vertaald werd als: “Het hemelse geschenk van honing, in de vlucht vergaard” (C. Van Zuylichem) of als “De overluchtse gave, de honing die van boven komt” (A. Van Wilderode). Inderdaad: “Suivant une croyance des anciens, le miel venait du ciel, des airs ou des astres, et tombait avec la rosée sur les feuilles, où les abeilles le recueillaient” (5). Die ‘rosée’ verwijst dan weer direct naar Dangres Aurora, b.v. in de eerste strofe van de ‘Vierde Aurora’.

Homeros en Vergilius openen hun onsterfelijke gezangen met de bekende apostrofen van de Muze, terwijl Lucretius zich bij de aanvang van zijn De rerum natura ” (I, 28) tot Venus richt in het volgende vers: “Quo magis aeternum da dictis, diva, leporem”– “Verleen des te meer, Godin, eeuwige bekoorlijkheid aan mijn woorden”. Een verre echo hiervan misschien bij Dangre:

 

O godin, hou nooit op en omvat / mij, rijd en berijd mij, maak mij /

wagenziek van liefde.” (mijn cursiv.)

 

Het is onmogelijk om in kort bestek alle voorbeelden exhaustief op te sommen. Ik wil alleen nog even signaleren dat de ironie beslist ook ontstaat door het klankspel, de echo’s die naar elkaar verwijzen en dan weer onverwachte betekenissen of connotaties kunnen oproepen bij een alerte lezer.

 

*

 

Poëzie (en zeker lyriek) is nagenoeg altijd een vrij weerbarstig en voor de lezer veeleisend literair genre – ook in het geval van ‘poeta doctus én faber’ Dangre, die blijk geeft van wat men in de Renaissance ‘sprezzatura’ noemde: het talent om op een schijnbaar nonchalante, onopvallende wijze zijn virtuositeit te etaleren. Savoureer deze gedichten dus met aandachtige, maar ook geamuseerde, omzichtigheid.

Anderzijds: hoe aantrekkelijk de muze ook mag zijn, af en toe blijkt ze inderdaad ietwat “vermoeiend”. Wilfried Adams zei het al: “Kuisheid is je leren beheersen in je gedichten.” Als Dangre de soms onstelpbare (over-) vloed van zijn metaforiek, zijn onmiskenbare neiging tot een zekere retorische zelfgenoegzaamheid, iets meer binnen de perken houdt, kan hij een groot dichter worden.

Luc PAY

-19.jpgLuc Pay en Y.M. Dangre (Foto: Geert Bastianen)

 

(2) Zie <mededelingen.over-blog.com>, 21 maart 2008.

(3) Interview door Jeroen Dera, <http://meandermagazine.net>, 20 februari 2010

(4) Interview door Paul Demets, De Morgen, 15 september 2010, p. 37.

(5) Annoteringen en vertaling van Georgica IVdoor M. Sommer resp. Aug. Desportes in de reeks ‘Les auteurs latins’, 1853. Volledig te downloaden op <http://gerardgreco.free.fr>.

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 20:50

 

Eind augustus 2010 verscheen Dangres roman Vulkaanvrucht, die heel wat reacties uitlokte zowel in de schrijvende als de sprekende pers.

Nauwelijks vier maanden later verscheen zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet, die – als enige Vlaamse debuut – genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.

-28.jpgY.M. Dangre (Foto: Geert Bastianen)


Thematiek


Meisje dat ik nog moet is de dubbelzinnige want elliptische titel van deze dichtbundel, die vijf cyclussen telt en die, zoals je kan verwachten van een debuterende jongeman, de liefde tot centraal thema heeft. Zijn het oden aan zijn grote liefde of elegieën voor één of ander ‘verloren’ meisje, hoe anoniem en verliteratuurd ze ook moge zijn? Zo simpel is het niet, althans niet bij een auteur als Y.M. Dangre.

 

Het “meisje dat [de dichter] nog moet” krijgt diverse namen. In de eerste cyclus‘Aurora pro nobis’ heet ze “Aurora”, in de ‘Sargedichten’ gaat het om een “heel kleine muze” of een “Grieks Roodkapje”, en in het gedicht ‘Gratia plena’ wordt ze aangesproken met “meisje dat ik nog moet”, “dat ik nog wil”, “dat ik niet mag”, “dat ik nog zal” of: “meisje in mijn midden”.

Gratia plena’ is echter wél expliciet opgedragen aan een zekere “Marie”: mogelijk een meisje/vrouw van vlees en bloed, maar gezien de titel – ‘[Wees gegroet, Maria/Marie] Vol van genade’ blijft ook deze opdracht op zijn minst dubbelzinnig.

 

Bij nader toezien gaat het in die drie cycli om een apostrofe en invocatio van de Muze: Aurora bijvoorbeeld, godin van de dageraad die de zon aankondigt. Dangre richt zich biddend tot haar en smeekt haar om haar liefde, haar gunsten, om de honing die uit haar lichaam stroomt – de hemelse dauw die, metaforisch of allegorisch, ook naar de poëzie verwijst.

 

Elke ochtend lik ik de dauw / uit je monden […] en open je wonde / tot je honing breekt en mijn lichaam / reinigt.”

 

In de cyclus ‘De sargedichten’ – de bepaling ‘sar-’ verwijst naar ‘sarren’ of ‘plagen, pesten’ – krijgt de Muze geen naam maar gaat het om een dartel, ondeugend en zelfs gevaarlijk klein meisje dat verstoppertje speelt met de dichter en ongrijpbaar blijft, onvindbaar

 

tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding.”

Met als gevolg:

Halsstarrig blijf ik roepen: kom toch / tevoorschijn om mij te openen / als een blik op jou.”

Maar helaas, zo zegt de dichter: “klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht”.

 

Deze “gekke meid”, die zich de hele tijd “vermomt […] in een vrouw”, blijkt een Grieks Roodkapje dat zegt: “Ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend.” En dan verdwijnt ze weer, deze erotisch-poëtische fee(ks), precies in de verzen die de dichter neerschreef: zij maakt zijn werk mogelijk en tegelijk onmogelijk, zij is erin aanwezig én afwezig.

 

Gratia plena’ is een lang litanie-achtig gedicht waarin Dangre opnieuw de aandacht, de aanwezigheid van de muze afsmeekt en oproept: “Luister je al, meisje dat ik nog zal” Of: “Voel mij bidden, meisje in mijn midden, / meisje smeulend in de vrieskou / van mijn zingende handen.” Maar ook zij blijft ongrijpbaar, en bij het afscheid in het slotgedicht klinkt het zo:

 

Gegroet, meisje dat ik nog moet, / meisje ooit en nooit meer hier, / veel te hijgend verwoord, paars / en ijselijk word jij weer het december / van mijn verbeelding […]”

Of: “Verdraag toch mijn zenuwtrekkend geloof / en vergeef en vraag en vul, val, wees vol / van mijn genade.”

 

Schrijven blijkt een wanhopig herhaalde beweging naar een centrum dat zich altijd aan de periferie bevindt, dat zich even toont in de schriftuur en dan weer onherroepelijk verdwijnt – net zoals de liefde zelf een eindeloze queeste is naar de ander die je uiteindelijk telkens weer ontglipt. Bed en gebed liggen erg dicht bij elkaar. Mocht er al enige anekdotisch-biografische aanleiding voor deze liefdesverzen hebben bestaan, dan verdampt ze in en door de poëticale implicaties tot een synthese met universele allures. “Te veel jonge debutanten staren zich blind op zichzelf”, gispte Dangre (1): een klip die hij zelf inderdaad in deze verzen omzeilde.

 

Opmerkelijk ten slotte lijkt me het feit dat de muze vaak gezien wordt als een kind. Zij heet “vrouw van diepten” of “godin”, inderdaad, maar ook: “Roodkapje”, “meisje”, “heel kleine muze”, “gekke meid” met “meisjesogen” die zich “vermomt in een vrouw” of “heerst met zachte kinderhand”. De ambiguïteit blijft echter, ook expliciet binnen één gedicht, gehandhaafd: “die vrouw / verstopt in een geverfde kinderhuid, / dat meisje vermomd in een voltooide bruid.” Herinnert dit niet aan de roman Vulkaanvruchtwaar het ‘verlies van de jeugd’, het ‘verval’ door de voortschrijdende ouderdom, zo prominent aanwezig is?

Ook het motief van de ‘femme fatale’ duikt hier even op: “mijn stem zal vallen / voor de kattin en de puntige vrouw / en het ‘ik zie je doodgraag’ / van haar laatste klauw” (vgl. met de “harpij” elders in de bundel).

 

Naast deze drie cycli, zowel speelse als ernstige smeekbeden aan het muzenmeisje, bevat de bundel nog twee cycli die enigszins apart staan en die de langste, breedvoerigste gedichten bevatten van de hele bundel.

 

De cyclus ‘Vivaldi’, een uitbundige lofzang aan de liefde en het leven, is opgebouwd rond de vier seizoenen van de componist. Hier geen lyrisch ‘ik’ meer tegenover een ‘jij’ maar de ruimere collectiviteit van het ‘wij’. De dichter ‘beschrijft’ hoe ‘wij’, naargelang van het seizoen, de liefde beleven en ervaren; maar tegelijk vormen deze vier seizoenen allegorieën voor de grote fasen in elk mensenleven. Bijvoorbeeld, als het zomer is:

 

In dit zomerse lied zingen wij van zon / en zaad de liefde leeg, dansen wij vrouwen / en mannen met onze korte broeken vol / muzieknoten en strekken onze kerfstokken / tot eer”.

 

Met deze vijf verzen moge voldoende aangeduid zijn hoe heerlijk dubbelzinnig Dangre zijnlyrische strijkstok hanteert. Ondanks de onafwendbare vergankelijkheid klinken deze seizoengedichten nog optimistisch, want zelfs in de winter gaat het als volgt:

 

[wij] weten al lang niets meer / dan dat wij nog snakken naar elkaars / snaren, naar het tikken, strijken, / blazen en zuigen op elkaars zonnewijzers, / want zelfs nu, ondergesneeuwd in ouderdom, / zijn wij van water en van muziek en van elkaar / de schunnigste partituren.”

Heel anders is de tonaliteit in de cyclus ‘Onze woonst, waarin Dangre de verloren vitaliteit, de uitzichtloosheid, de uitgedoofde liefde binnen het huwelijk lyrisch omcirkelt. Deze genadeloos treffende maar opnieuw erg (en misschien overdadig) beeldrijke gedichten, eveneens in de wij-vorm geschreven, getuigen van een pijnlijke gevoeligheid van een 22-jarige voor de huwelijksproblematiek en tillen zijn poëzie ook in dit opzicht hoog uit boven de al te ik-betrokken probleempjes van de doorsnee adolescentenpoëzie-op-vrijersvoeten.

 

Een voorbeeld: het echtpaar weet van het echtelijke bed dat zij

 

er toch zullen instappen op onze oude voeten / van oorlog en schimmelende wellust.”

 

Datzelfde bed wordt omschreven als

 

een slagveld van lijfgeur en paringsdans, / van vroeggestorven warmtes” waar de “trouwe nacht als een loopgraaf onder de lakens” ligt.

 

De grote boeman blijkt de tijd te zijn, de voortschrijdende ouderdom, de aftakeling, het verlies van de jeugd – een fundamenteel thema, blijkbaar, bij Dangre.

 

Wij worden oud en kinderlijk en denken / dat het went, dit stilzitten in elkaars mond, / met versleten tongen en zere knieën / wachten tot één van ons eindelijk begint te lekken en de woorden sijpelen / op het tapijt, op de verleerde lippen / die de ander niet meer wil oprapen. / Nooit meer.”

 

Structuur

 

De bundel bevat drie hoofdafdelingen, waarvan je de titels als één zin kunt lezen: “Meisje (1), wij bidden u (2): gratia plena (3)” – zin die dus als ruggengraat van de hele bundel fungeert.

Vermits afdelingen 1 en 2 elk twee cycli tellen, bestaat de bundel uit 5 cyclussen in het totaal. (Zou het al te vermetel zijn om in dat aantal ‘5’ ook de structuur van een Griekse tragedie te zien?)

De tweede afdeling vormt de kern en bestaat precies uit die twee cycli (‘Vivaldi’ en ‘Onze woonst’) die opvallen tegenover de andere drie (door het veralgemenende ‘wij’ en de ruimere, algemeen-menselijke thematiek van leven en huwelijk).

 

Maar er zijn nog andere opvallende structurele ingrepen.

De cyclus ‘Aurora pro nobis’ bevat 9 gedichten, net zoveel als er muzen zijn; de gemiddelde lengte van de gedichten bedraagt 18 verzen, waarvan slechts één ernstige afwijking te constateren valt.

De sargedichten’ bestaan eveneens uit een oneven aantal gedichten (13) met een gemiddelde lengte van 11 verzen. De cyclus ‘Vivaldi’ telt dan weer 4 gedichten met respectievelijk 21, 19, 19 en 21 verzen – wat, (on-)bewust (?), een mooi spiegelbeeld oplevert.

Gratia plena’ ten slotte bestaat uit 14 gedichten van elk 7 verzen (14 x 7), maar op elke bladzijde staan twee gedichten afgedrukt, zijnde 14 verzen. Gevolg: 14 gedichten in de cyclus én 14 verzen per bladzijde. Maar ook: 7 bladzijden met telkens 14 verzen (7 x 14, andermaal een spiegelbeeld).

De openingsgedichten (I en II) van deze cyclus beginnen elk met “Gegroet, meisje dat ik nog moet”, wat dan (gedeeltelijk) herhaald wordt in de slotgedichten XIII en XIV: “Gegroet, meisje dat ik nog moet” tegenover “Voor de laatste maal vaarwel en gegroet” (omarming door herhaling en variatie). De overige gedichtenparen van de cyclus, verdeeld over vijf bladzijden, beginnen telkens met dezelfde versregel.

 

Ook de afzonderlijke gedichten vertonen een strakke opbouw rond variërende of letterlijk herhaalde woorden of zinspatronen, ofwel rond één centraal motief of betekenisveld. In de ‘Eerste Aurora’ b.v. opent elke strofe met de naam van de godin (strofen 1 en 2 vormen elk een lange aanspreking in de vorm van een syntactische ellips, de derde is gebaseerd op een imperatief). De ‘Tweede aurora’ is opgebouwd rond het semantische veld ‘autorit’, de vierde rond het motief van de bij en haar honing. Vergelijk: sargedicht ‘2’ wentelt rond het motief van de vogel, sargedicht ‘3’ rond een tuinlabyrint, sargedicht ‘7’ rond Dante, en ga zo maar door.

 

Nog afgezien van het feit dat de getallen 5, 7, 9 en 13 symbolisch geladen zijn, versterken de herhalingen en echoënde variaties door hun retorisch en bezwerend karakter de sacrale tonaliteit van het geheel, om nog te zwijgen van de uitgesproken vormwil die uit de afzonderlijke gedichten, bepaalde cycli én de opbouw van de hele bundel spreekt.

Luc PAY

(wordt vervolgd)


(1) Interview door Ilse Dewever, Gazet van Antwerpen, 29-30 januari 2011, p. 92.

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 05:36

 

Als journalisten en schrijvers, taalgebruikers par excellence, zich niet langer de moeite getroosten correct te schrijven, hoe zou men het dan van de modale taalgebruiker kunnen verwachten? Ondertussen is er een generatie taalanalfabeten les beginnen te geven. Ze zijn gepokt en gemazeld in het schrille toontje van permanente zelfemancipatie, maar tijdens die amechtige zelfontplooiing is men even de taal vergeten. Het is de MMN-  en MTV-generatie. Zij hebben van roepen, dialect, reclametaal, leuk en gemeenzaam taalgebruik hun handelsmerk gemaakt. Hoe noemde gij trouwens? Van die dingen, ja, zouden Koot en Bie gezegd hebben. Maar zelfs taalmaniak Elsschot, geïnspireerd door het ‘Hollands’, schreef toentertijd ‘hoe de vork aan de steel zit’, en dat staat opgetekend in een geredigeerde versie van 1995. Bart Brinckman moet dus niet ongerust zijn.

Ik heb in dit essay een aantal namen genoemd van taalboosdoeners. Ze zijn exemplarisch maar even zo goed willekeurig. Wie radio of televisie aanzet, wie kranten en tijdschriften leest, wie Vlaamse auteurs of acteurs bezig hoort, kan het bij ieder van deze cultuurmensen vaststellen.  De beklijvende vraag luidt dan ook: zullen de Vlamen, een term ooit gemunt door Jeroen Brouwers, het dan nooit leren? Want de slotsom van dit alles is, dat welke Vlaming ook, geschoold of ongeschoold, doorgestudeerd of niet, academicus of journalist, een soort eigengemaakt en eigengereid Vlaams blijft praten, ook al verkeert hij in de waan keurig Nederlands te spreken. Ze zullen het dus nooit leren, vrees ik. Elke cultuurmens heeft de bedoeling ‘van’ iets te doen in plaats van ‘om iets te doen’ en Paul Goossens blijft emmeren over een ‘resolutie stemmen’. Het is er met een scherp mes ingeslepen, het gaat er nooit meer uit en zelf zullen ze het als tevreden lieden nooit merken.  Hun slijpsteen van de geest is een bot, niet ambachtelijk gemaakt mes. Het excuus dat onze elite ooit naar Amsterdam toog om daar de Gouden Eeuw mee gestalte te geven en het dus hier in Vlaanderen een plattelandsboeltje bleef, het eeuwige mekkeren over de voortdurende overheersing door andere mogendheden die ons de kans ontnam een eigen taal deftig te formeren, die drogredeneringen zijn ondertussen erg lachwekkend en een gotspe. Men kan niet blijven ‘kapitaliseren’ op zijn ongeluk. Als voorts de aimabelste onder de aimabelen, Guy van Hengel, samen met Eric van Rompuy, eigenlijk een wandelend gallicisme is, als Sarah Vankersschaever in De Standaard het blijft hebben over ‘aan 100 km/uur in de bochten’, als Bart Brinckman ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ door elkaar husselt en daardoor het tegenovergestelde zegt van wat hij eigenlijk bedoelt, als Geert Joris, de patron van boek.be het in een Franse bui  over ‘de hoge kost’ heeft, als de altijd olijke semi-macho Tom Heremans ‘doorheen’ als voorzetsel gebruikt, als Mark Platel dezelfde taalfout maakt en het onbekommerd over ‘frontpaginanieuws’ heeft, en als de Cerberussen van Radio 1, het olijke duo Peeters en Pichal, unverfroren spreken van ‘zijn eigen’, van ‘lavabo’ en ‘sacochen’, dan, tsja, dan wat? Maakt niet uit: als we het maar verstaan, dan kunnen we het ook begrijpen.

De Vlaming is taalkundig gesproken een raar wezen: hij blijft ervan uitgaan dat taal in de eerste plaats spelling is, terwijl dit onderdeel eigenlijk het minst met echte taalkunde te maken heeft; daarom ook scoort hij/zij zo goed bij taalspelletjes waarin spelling de hoofdmoot vormt en denkt de Nederlander dat de Vlaming daardoor zijn leuke taal zo goed beheerst. Zijn fixatie op dt-fouten is aandoenlijk. Niet dat dit deel van de spelling niet belangrijk zou zijn, maar haast elke geschoolde Vlaming gaat er impliciet vanuit dat wie zonder dt-fouten kan schrijven, zijn taal kent, quod non, want ondertussen worden de afgrijselijkste taalmisbaksels onbekommerd neergepend. Ik heb het bedrijfsleiders vaak horen zeggen: wéér een sollicitatiebrief vol dt-fouten ontvangen. Toen ik die epistels onder ogen kreeg, stelde ik altijd weer vast dat men andere, veel ergere ‘enormiteiten’ niet eens had opgemerkt! Een ander merkwaardig gegeven is de gedrevenheid waarmee de modale taalzuiverende mens Vlaamse woorden of archaïsmen uit de taal wil bannen. Ik heb het dan niet over woorden als het reeds bovengenoemde ‘sacoche’: die worden uit een dom soort luiheid geboren. Ik heb het dan eerder over woorden als ‘begeestering’ (een oud germanisme), ‘euveldaad’, ‘koninginnenhapje’ (typisch Vlaams), ‘goesting’, ‘als de wiedeweerga’ of  ‘houtekster’ (gewestelijk woord voor ‘Vlaamse gaai’). Met die woorden is niets mis: ze wikkelen de taal in de aura van het oude of het typische. Een ander heikel punt zijn Engelse of Franse woorden die in het Nederlands worden opgenomen. De Vlaming vindt nu eenmaal dat zulke woorden al te vaak uit snobisme ontstaan, om te epateren, of om te tonen dat men geen intellectueel van de koude grond is. Het is het typische minderwaardigheidsgevoel dat hier spreekt en dat zijn absolute tegenhanger vindt in Nederland waar allerlei exotische leenwoorden door de radical chic van de Grachtengordel  met veel aisance, con gusto en met sprezzatura in de mond genomen worden. In die zin is de woordenschat van de Nederlander automatisch rijker dan die van de timide Vlaming die al bloost als hij een moeilijk woord boven tafel brengt (en dus niet onder de pet houdt…). Ook al is de Nederlander (de Hollander) vaak een psittacist, zijn taal is die van een calvinist, van een ouderling uit de romans van Jan Siebelink. Heel wat uitdrukkingen, gezegden en archaïsmen uit de bijbel zijn immers het Hollands binnengeslopen en worden zowel door rekkelijken als preciezen zonder air d’importance gebruikt. Katholieken kennen hun bijbel niet, helaas, en dat heeft zijn uitwerking op de taal niet gemist. In die zin alleen al zijn Nederlanders en Vlamingen niet ‘cor unum et anima una’ en zal er nog veel water in de zee moeten vloeien, willen de twee talen één worden; niet één via een koude uniformiteit, maar één in de betekenis van ‘eenheid in verscheidenheid’. Maar die mag dan weer niet uit oblomovisme ontstaan, uit gemakzucht, maar uit een verstandige ‘weldoordachtheid’. De Vlaming moet creatiever met zijn taal om durven te springen. Wat de Nederlander allicht aan taalarrogantie te veel heeft, heeft de Vlaam helaas te weinig. Wie een doorsnee Nederlander of Vlaming op radio of televisie hoort spreken, zal weten wat ik bedoel. De Vlaming stapelt taalfout na taalfout op, stottert, is onverstaanbaar,  maakt geen enkele zin af, is een clichémannetje van haver tot gort, beëindigt elke half-afgemaakte zin met ‘en zo’, ‘allez’ of de dooddoener par excellence ‘meer moet dat niet zijn’, terwijl de Nederlander zijn volzinnen met radde tong produceert (ook de Gooise vrouwen met hun Gooise ‘r’) en die hier en daar lardeert met een bon mot of een andere taaltrouvaille. Wie de gasten bij Pauw en Witteman ‘beluistert’, hoort zelden taalfouten en merkt mooie en vaak kekke woorden en uitdrukkingen op die nooit in het hoofd van de Vlaming zouden opkomen. Die vindt dan ook dat ze daar bij die twee snelle jongens te vlug en vaak raar spreken, en met dat laatste bedoelen ze dan dat ze niet begrijpen wat ‘ten detrimente van’ betekent. Neen, het wordt nooit wat met die Taalunie.  

Nogmaals en uitentreuren: ik heb er begrip voor dat sommigen menen dat de bovengenoemde taalfouten onbelangrijk zijn en dat het schoolmeesterachtig is ze telkens weer op te merken, ook al zijn het de 19de- en 20ste-eeuwse schoolmeesters geweest die onze taal mooi geboetseerd hebben en aan de basis liggen van het voortbestaan van het Nederlands in Vlaanderen. Maar laten we dat vooral gaan vertellen aan de leerkrachten Nederlands, dan hoeven die zich niet meer uit te sloven om bijvoorbeeld het gebruik van ‘moest’ aan te leren / af te leren. Het blijft een merkwaardig gegeven dat mensen het materiaal waarmee ze ambachtelijk werken, niet beheersen. De Vlaming is een mens van à peu près, als het er maar wat op lijkt: daarin, zegt men, ligt zijn charme. Het is dezelfde charme die ingezet wordt door belgicisten om op een bijna triomfalistische manier het surrealisme van de Belgische levenswijze en politiek te duiden, alsof dat een pre zou zijn! Een zwaktebod, als je het mij vraagt, een geval van zelfingenomen narcisme. Laten we dat niet op onze taal overdragen.

Soms beweert iemand als Ludo Permentier in een misplaatste bui weleens dat de laatste decennia  een Belgisch-Nederlandse standaardtaal gegroeid is die haar plaats inneemt onder en tussen andere ‘subtalen’. De algemene democratisering van de maatschappij zou daartoe geleid hebben. In die visie passen we onze taal aan de situatie aan, een fenomeen dat in de socio-linguïstiek heftig bestudeerd wordt. Was het maar waar! Was het maar waar dat de Vlaming volautomatisch zou kunnen overschakelen van taalregister naar taalregister. Ik vrees echter dat de zaak anders in elkaar steekt: de Vlaming spreekt ofwel dialect ofwel een zelfgebrouwen tussentaal omdat hij de standaardtaal niet beheerst. Als zelfs in een krant als De Standaard, de krant van de goede Vlaam, zoveel taalfouten staan…. Als zelfs op de VRT zoveel ‘taalkrakkemigheden’ opgelepeld worden…. Als zelfs de teksten van de meeste Vlaamse schrijvers  doorspekt zijn met taalslordigheden… Tja, dan kan ik toch niet anders dan vaststellen dat er dan misschien wel beter geschreven wordt maar wel met oneindig veel taalfouten. In Nederland hoort men dat graag, percipieert men het als mooie folklore. Stellig als de Hollanders zijn, maken ze er onmiddellijk een pluspunt van en  spreken ze over dat mooie Vlaamse taalgebruik. Het is nog straffer: vaak nemen de Nederlanders de taalfouten over van de doorgestudeerde Vlaming. Ze merken het niet eens meer! Een nieuwe paradox, een nieuw surrealisme, zeker een nieuw geluid, maar zeker geen nieuwe lente.

Wim VAN ROOY


Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 05:02

 

De G-spot van dit land en vrouwe Fortuna.

 

Dagelijks bezoek ik café ‘Facebook’. Aan de toog luister ik graag naar de smeuïge verhalen van mijn medebezoekers.

Zo viel er deze week een leuke opmerking in mijn blonde Leffe. Het was een knaller van een quote en wel van Michaël van den Bril, mijn aartsengel bij Antwerpen- Boekenstad. Naar aanleiding van de oproep om deel te nemen aan het G-1000 project van schrijver David van Reybroeck, politicoloog Dave Sinardet en tv-coryfee Francesca van Tielen e.a, drukte Michaël zijn vurige hoop uit dat David de ’G-spot van dit land’ zou mogen vinden. Zoiets maakt mijn dag goed. Mocht ik bovendien niet zo lesbisch zijn – ik val nu eenmaal op vrouwen ( en ook op blonde Leffe’s) - dan knalde ik Michaël voor deze heerlijke boutade een voetzoeker van een kus op zijn lippen.

Mijn slechte karakter is gekend, mijn goede hart minder. Het klopt en wipt van vreugde ondanks het feit dat de paden van deze burgerinitiatieven met de mooiste bedoelingen soms erbarmelijk worden geplaveid. Niettemin kunnen deze burgers de verfrissende luis in de pels zijn die knagen aan de zelfgenoegzaamheid van onze overheid. Als DorpsDichterDoel heb ik dergelijke initiatieven met het verzet tegen de afbraakplannen van dit dorp van dichtbij kunnen meemaken. Wim Van Hees, in verband met de Lange Wapper een beslagen Ademloze, ben ik nog steeds dankbaar voor de hulp en de steun bij de organisatie van de petitieactie voor het behoud van het bedreigde polderdorp Doel.

Van David Van Reybroeck las ik Congo, een knap historisch werk, dat met de snedige snelheid van een TGV werd geschreven, een werk de historica Barbara Tuchman waardig. Hij is voorzitter van PEN-Vlaanderen. In die hoedanigheid heb ik hem als een krachtige, gedreven voorzitter mogen ervaren. Ik twijfel er niet aan dat hij ook voor dit project even bevlogen zal zijn. Mijn Facebookvriend, Dave Sinardet heb ik eenmaal ontmoet in mijn vaderland ‘Den Hopsack’, waar hij vorig jaar de problematiek rond BHV kwam uitleggen. Hij liet er zich graag BB noemen, een BV status sprak hem minder aan. Wat mij betreft is er niets mis met statussen, met geen enkele overtuiging overigens. En zoals Toon Hermans Koningin Juliana kende van op de postzegels, zo ken ik Francesca van op de televisie.

Op de keurige tweetalige site van de G-1000 kan je het manifest nalezen.

Van enkele dramatische uitspraken moest ik stevig slikken. Zo staat er in de analyse o.a. dat de democratie is verworden tot de dictatuur van verkiezingen.

Op Facebook gaat het soms zo snel dat naar aanleiding van deze laatste stelling, de dag nadien al de onderstaande foto werd gepost.

Gspot.jpg

De frustratie ombuigen in een positief project’ stelt Van Reybroeck op FB.

Of frustratie zijn oorzaak vindt in het sentimentele, een emotie is een vraag die men zich mag stellen. Op het gevaar af dat mij rechtse, conservatieve, separatistische, en zwart-geel beschilderde ezelsoren worden aangenaaid, geef ik toe dat ik deze mosterd bij Dalrymple heb gehaald. Mijn oorbeschermers trek ik dus aan. Naar aanleiding van de afgelopen Amadeus-saga rond deze verguisde Salieri wou ik nu eindelijk eens weten wat deze Brit zoal te zeggen had. Tot mijn grote schande heb ik zijn boek gelezen. Ergens schrijft Dalrymple dat sentimentaliteit soms een verwrongen realiteitswaarneming veroorzaakt en men zo zijn wensen voor werkelijkheid neemt.

De werkelijkheid is echter een en ondeelbaar. Deze is complex en heeft de vele facetogen van een vlieg. Het vergt veel intellectuele moed om door al deze ogen te willen kijken en niet door de enkelen die je bevallen. Alle feiten dus.

Over wat nu het belangrijkste is, de redding van België of de verfijning van de democratie, hult dit manifest zich in een flou artistique.

Over het bestaan van het ‘dierbare land’ in David’s droom, schreef Sinardet onlangs nog een artikel voor een Amerikaanse krant waarin hij stelt dat we in België kunnen spreken over een volledige scheiding van geesten.

Met heel veel belangstelling kijk ik nu uit naar de resultaten van die G-1000 die Fortuna, de mythische vrouw van geluk en ongeluk, per lot zal aanduiden. Deze trekking zal de juiste mensen aanduiden, dezen netjes over alle gezindheden, afkomst, taal, beroepen en opleidingsniveaus spreiden. Het zal garanderen dat zonder ook maar één heilig huisje te sparen, zonder ook maar één a priori, premisse of dogma wordt nagedacht over onze democratie, onze staatsvorm en eveneens het legitieme van deze onderneming. Ik hoop oprecht dat zij de democratie kunnen verfijnen zoals er in het manifest wordt gesteld en er geen ‘Akte van Verlaetinge’ wordt afgekondigd waarin de representatieve democratie – het beste van het slechtste, zei Churchill ooit – vervallen wordt verklaard. Fortuna zal dit initiatief behoeden voor de dictatuur van Dimarso- bureaus en het hippe fenomeen ‘televoting’ waardoor via het internet op het menu elk uur de wisselende emotie als dagschotel wordt bijgeschreven.

Ondanks al mijn scepsis sluit ik me graag aan bij de guitige wens van mijn aartsengel Michaël. Alle goeds voor deze oproep tot verfijning en ik hoop even vurig dat de ‘G-spot van dit land’ correct wordt bevingerd.

Wat ik verder nog dien te melden is dat ik een behoorlijke dyslectische afwijking vertoon. Deze morgen bakte ik nog ‘heitjes met esp’. Misschien moet ik toch maar eens een logopedist opzoeken. Of misschien wel een ornitholoog. Dan kan ik als de Poelifinario van Toon Hermans correcter leren tjirpen. Misschien kan ik dan beter meedeinen op het momentele, de ‘s’ van samenleving beter sissen, de ‘h’ van hype steviger aanblazen, en met al mijn ‘ja, maar’s’ eindelijk de kachel aansteken.

Uw thuisloze,

Frank DE VOS

Meer over dit initiatief op: http://www.g1000.org/

Partager cet article
Repost0
14 juin 2011 2 14 /06 /juin /2011 21:08

 

Ivanov meets Platonov

DeRussen-.jpgHier loopt niet één normaal persoon rond’, zegt een personage in De Russen! Dat klopt. Het nieuwste stuk van Tom Lanoye begint als een tragedie, verschuift naar een komedie, om te eindigen als een burleske. Kortom, het geheel is een groteske. Niet in de lichamelijke maar in de geestelijke zin van het woord. Lanoye gooit de egocentrische en de racistische trekjes van de huidige maatschappij op een hoop aan de hand van twee jeugdstukken van Anton Tsjechov, Platonov en Ivanov. Het merkwaardige is dat zowel de huidige politiek van Nederland en België erin wordt herkend. Als de gesteldheid van die twee landen al zo opvallen, zal het ook gelden voor de andere Westerse landen. Al de landen van de Oude Wereld zijn in hetzelfde bedje ziek. De symptomen mogen dan verschillen, de ziekte heeft dezelfde puisten en hetzelfde braaksel. Dat is het eerste oordeel die na de lezing gesteld kan worden.

Huzarenstukje

De conclusie die daaruit volgt is dat dit stuk zo snel mogelijk vertaald moet worden. Bloed & rozen was al superieur, maar De Russen! is een huzarenstukje waarvoor Lanoye een monument verdient. Bij wijze van spreken. Voorlopig is een voetstuk voldoende. Het beeld mag nog even wachten. Daar zal Tom het ongetwijfeld mee eens zijn.

De Russen! is een collagestuk. Van twee auto’s, een Chevrolet Corvair [remerber the book of Ralph Nader Unsafe at any speed  uit 1965] en een Audi, maakte hij een nieuw stuk. Een gewaagde onderneming. Voor veel toneelfanaten is Tsjechov [1860-1904] onovertrefbaar, de beste toneelauteur van de moderne tijd. Enige relativering is op zijn plaats. Niet alle toneelstukken zijn meesterwerken. Zijn eerste stuk, Platonov, wordt overal doodgezwegen. Ten onrechte maar eerlijk is eerlijk, het jeugdwerk is aardig maar de dialogen missen warmte en het stuk lijdt onder een overdaad aan op elkaar volgende zinnen die hetzelfde zeggen. Had Tsjechov een keuze gemaakt, zou het stuk een mokerslag zijn geweest. In het zesde deel van het Verzameld Werk van Tsjechov in de Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Ooorschot, Toneel, is het niet opgenomen. Ook Emmanuel Waegemans in zijn prachtboek, Geschiedenis van de Russische literatuur [sinds de tijd van Peter de Grote] uit 2003 spendeert er geen woord aan. Net zomin als aan het tweede stuk van Tsjechov, De Bosgeest, uit 1889, dat overigens ook niet is opgenomen in het V.W. van de Russische bibliotheek. Ivanov [1887] is kantje boord. Het haalt de planken maar niet het applaus. Het eerste stuk waarmee hij succes haalt is De meeuw. Niet met de oerproductie in Sint-Petersburg, maar door de enscenering in het Moskous Kunsttheater door Stanislavski.

Boorplatformen

Het siert Lanoye dat hij net deze twee stukken heeft gekozen om er één van te maken. In zowel Platonov  als Ivanov zitten namelijk alle boorplatformen die de latere stukken tot meesterwerken hebben gemaakt. Het lijkt wel of de twee jeugdwerken noodzakelijke oefeningen waren. En misschien moest het publiek ook wennen aan een nieuw feit: in Tsjchovs stukken zit nauwelijks tot geen handeling. Lanoye heeft dat [gelukkig] bewaard, het onderstreept zijn toneeltalent.

Wat ook niet onvermeld mag blijven is dat hij van iets matig, Platonov, tot iets aardigs, Ivanov, iets beters maakt. Want een briljant stuk bewerken is makkelijker dan van een draak een vlinder maken. De Russen! bezit ook een ander kenmerk van Tsjechovs stukken, de banaliteit waaruit de saaiheid van de personages ontstaat. Het ontlokt altijd dezelfde verzuchting: wegwezen! Citaat, Deel VI, 9: Platonov: Misschien moeten u en ik samen de boel ontvluchten. / Ivanov: U en ik? Zoals de kreupele de blinde helpt? - Einde citaat. Wegwezen. Naar Parijs, Moskou. Desnoods Kiev, als het maar uit de negorij is waarin ze zichzelf begraven hebben tot de nek.

Het  valse cynisme en het prozaïsche van de figuren, hun intelligentie die ze zich aanmeten maar slechts gecamoufleerde domheid is, een ander veelgelaagd trucje van Tsjechov, wordt door Lanoye versterkt door een droge, vaak onverwachte draai naar het einde toe van een claus. Ze spekken de bek van de zwarte komedie die dit stuk geworden is. Voorbeeld, het zelfmoordbriefje van Alexandra, dat wordt voorgelezen ten overstaan van de aanwezige holbewoners: ‘Beste Misja. Hou altijd evenveel van Pjotr en van Nikolai als ik deed. Overtreed geen wetten of geboden, en hou jezelf in ere. Lieve Pjotr? Mama houdt van je. Moge God je zegenen, en moge jij ooit je zondige moeder vergeven. Vaarwel. PS: de sleutel van de kast ligt onder de bloempot in de keuken.’

De verre verte

Tom Lanoye heeft aangetoond dat hij niet alleen een meesterlijk bewerker van klassieke werken is, Ten oorlog en Mama Medea zijn daar het beste bewijs van, een historisch gegeven superieur kan verhedendagen zonder de tijdgeest te verraden, zoals met Bloed & rozen, maar ook een kroniekschrijver is. Dat hij daarvoor twee stukken van Tsjechov heeft gebruikt, doet aan de kwaliteit van De Russen! niets af. Integendeel. Hij bewijst daarmee dat de tijd een stilstaande beweging is. Er is wel variatie maar geen evolutie. Lanoye toont dat meermaals aan. Soms terloops, vaak dwingend. Tsjechov dwaalt op de achtergrond, maar in de verte. In de verre verte. Voor wie Anton niet kent ziet Tom en hoort aanklachten, recht in het gezicht van de gecultiveerde bourgeoisie, die ooit links was maar nu rechts is, en Lanoye verwijt hun verraad en vlucht in zijn columns en mediaverschijningen aan te kaarten. Voorbeeld, Deel III.2: Izaak [de enige nuchtere tussen al de zelfbenoemde parvenu’s]: ‘… En als jullie niet zo zouden zwellen in jullie cultuur van zelfmedelijden en zuipen? Dan zou u al minder reden hebben om u af te reageren op iemand zoals ik.’

Tip

Toneel lezen schrikt heel wat lezers af. Zelfs boekenwurmen wagen er zich niet aan. Ten onrechte. Het beste bewijs dat toneel tegelijk spannend en ontspannend kan zijn is De Russen! Wat een vlotheid van taal [Anna Petrovna: Als hij maar kon neerkijken. Liefst in decolletés]. Droge humor op elke pagina [Platonov: Ik zal uw raad inlijsten en in mijn toilet hangen]. Een natte dweil in elke scène [Platonov: Wat bezielt ons allemaal? We zijn reddeloos, uit ons bloeit nooit iets op, tenzij wat onkruid uit een dode pens. Een volstrekt verloren volk, geen knip voor de neus waard! Niet een van ons naar wie je kijkt met enig plezier, allemaal even vulgair en vuil en slonzig.] Onverwachts een flauwe woordspeling [Anna Petrovna: In dit of in een ander leven?] Een truc waar elke auteur, van Claus tot Kloot, zich van bedient. Waarom? Om de daaropvolgende repliek, sterk op zich, toch nog extra licht te geven.

Toneel lezen is een kwestie van gewenning. Een gouden tip helpt om de actie moeiteloos te kunnen volgen. Fotokopieer de pagina ‘Dramatis Personae’, vooraan in het boek, en gebruik hem als bladwijzer. Bij twijfel is een slinkse blik voldoende om te weten welke troetelnamen horen bij de mensen die men in schijn liefheeft. Of bedriegt… in schijn. Want er wordt aan de lopende band vreemd gegaan, terwijl dat niet zo is. Maar ja, wie niet vreemd gaat, daar mankeert iets aan en wat heeft zo iemand te vertellen over het leven dat de moeite waard is?

Guido LAUWAERT

 

Tom LANOYE, De Russen!, Prometheus, 184 p., 19,95 €. ISBN 978 90 446180 51 –

Partager cet article
Repost0
14 juin 2011 2 14 /06 /juin /2011 05:55

 

TVO.jpgDonderdag 9 juni overleed in Aalst Toon van Overstraeten (°7 juni 1926), gewezen senator, journalist en politiek directeur van de VU (Volksunie). Hij was de zoon van Jozef van Overstraeten (1896-1986), voorzitter van de VTB-VAB en familienaamkundige.

De jonge Toon meldde zich in 1943 als Oostfrontvrijwilliger. In het Vlaams Legioen was

hij nauw betrokken bij de zogenaamde Rebellenclub. Na twee jaar internering (volgens de wet op de bescherming van minderjarigen werd hem een veroordeling bespaard) legde hij een vooral journalistieke bedrijvigheid aan de dag in Vlaams-nationalistische publicaties.

In 1965 werd Toon van Overstraeten hoofdredacteur van Wij, het partijweekblad van de VU, dat onder zijn leiding uitgroeide tot een volwaardig blad. In 1971 werd hij politiek directeur van de partij. Tussen 1973 en 1980 zetelde hij als ondervoorzitter van de raad van bestuur van de BRT, waarvan hij daarna vijf jaar lid van het permanent comité was.

In 1985 werd Van Overstraeten eerder toevallig, door het spel van de apparentering, voorzien in de kieswetgeving om reststemmen per provincie te groeperen, verkozen als senator voor de VU in het Franstalige arrondissement Nijvel (nu provincie Waals-Brabant) van de toen nog unitaire provincie Brabant. Door het toen gangbare dubbelmandaat mocht hij derhalve ook zetelen in de Waalse Gewestraad en de Franse Gemeenschapsraad. Toon vond die kronkel in de zeteltoewijzing meer dan amusant. In beide assemblees kon er echter niet mee gelachen worden: ze weigerden Van Overstraeten te laten zetelen en wanneer hij zich ter zitting meldde, werd de toegang hem manu militari ontzegd.

Deze affaire zorgde voor een herziening van de apparentering en het opheffen van het dubbelmandaat. (Wanneer de regels betreffende de zeteltoewijzing in het 'nadeel' vallen van de Franstalige partijen, dan worden de regels gewijzigd. Sinds 1995 zetelt een Franstalige probleemloos voor de Union des Francophones (UF) in het Vlaams Parlement.)

Toon van Overstraeten zetelde tot in 1987 in de Senaat. Aan het einde van zijn leven steunde hij de N-VA.

*

Eind de jaren zestig had ik al heel wat intrigerende verhalen over Toon van Overstraeten gehoord van Nic van Bruggen (1938-1991), maar ik ontmoette hem pas toevallig in levende lijve in de privé-club V.E.C.U., in gezelschap van Hugo Schiltz (1927-2006). Van Overstraeten feliciteerde mij uitvoerig voor mijn bijdragen over Cyriel Verschaeve en over het fascisme als “mal du siècle” in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. We schreven dus toen 1974. In De Vlaamse Elsevier, een joint-venture van Elsevier en uitgeverij Hoste (Het  Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet) had ik ook al wat gepubliceerd over aspecten van de Vlaamse collaboratie. Met Lou de Clerck (later woordvoerder van Wilfried Martens en vervolgens hoofdredacteur van Gazet van Antwerpen) had ik in 1973 een onthullend omslagartikel geschreven over Schiltz als “nieuwe roerganger” van de VU.

Als politiek directeur van de partij werkte Van Overstraeten nauw samen met Hugo. Hij was een voorstander van het Egmontpact, het grote communautair akkoord dat de meerderheidspartijen van de regering Tindemans II (een coalitie van CVP, PSC, BSP-PSB, Volksunie en FDF) in 1977 sloten, maar dat door de val van de regering nooit werd uitgevoerd.

In 1980 begon ik geregeld te publiceren in het weekblad Wij, waar ook gereputeerde journalisten incognito aan meewerken. Dit is lang geen geheim meer. Naar aanleiding van de “zaak Siegfried Bracke” meldde Maurits van Liedekerke (°1945) eind januari in Knack:

Als gewezen hoofdredacteur van Wij zou ik een lijstje met een dozijn namen kunnen voorleggen van journalisten (van de openbare omroep, van De Standaard, Humo, en andere…) die onder schuilnaam aan dit weekblad hebben meegewerkt. Omdat aan elk van deze journalisten de verzekering werd gegeven, ook al was het maar mondeling, dat over hun / haar medewerking nooit zou gerept worden doen we dat nu ook niet.

Dat was destijds usance. Onder die voorwaarde werkte ik eind de jaren 70 tot begin de jaren 80 aan het Franstalige satirische weekblad Pan o.l.v. graaf Dumonceau de Bergendael. Als redactiesecretaris en later hoofdredacteur van Impact (vervolgens De Nieuwe Impact) kan ik, net als Maurits van Liedekerke, zo'n lijstje van befaamde medewerkers voorleggen dat wel enige verbazing kan verwekken...

*

In 1982 gaf Walter Soethoudt een bundeling van over twintig jaar verspreide politieke cursiefjes van dio Genes (pseudoniem van Toon van Overstraeten) uit: Daarenboven zegt zijn natte vinger hem… Toon vroeg mij het boek in te leiden. Ik schreef een cultuurhistorisch essay, “Van pamflet tot politiek cursief: voetnoten en bedenkingen”, waarin ik ook even focuste op zijn werk en het bewuste onderscheid tussen de pennenvruchten van TVO en dio Genes.

Mensen-Dingen.jpgFilip de Pillecyn, Mensen en dingen, Brussel, Vlaams-Nationale Standpunten, 1983,, 95 p. Met een ten geleide van Henri-Floris Jespers

Toon wilde hulde brengen aan Filip de Pillecyn (1891-1962), die van 1958 tot aan zijn ziekte in 1960 onder het pseudoniem Cit meewerkte aan De Volksunie (het latere weekblad Wij), en stelde dus een bloemlezing samen, Mensen en Dingen(de titel van De Pillecyns rubriek) en vroeg mij een ten geleide te schrijven.

VU30.jpgIn 1984 verscheen Van Overstraetens Op de barrikaden. Het verhaal van de Vlaamse Natie in wording. Dit royale boekdeel, uitgegeven ter gelegenheid van dertig jaar VU, blijft tot op heden een onmisbaar maar veelal geheel ten onrechte geïgnoreerd encyclopedisch naslagwerk. Het gaat uiteraard in eerste instantie om de historiografie van de Vlaams-nationale partij, maar dan wel doelbewust gesitueerd in een bredere, verhelderende context.

*

Onder het pseudoniem Anto Vano (een anagram van zijn bijnaam aan het Oostfront, Tovanov) publiceerde Van Overstraeten in 1976 een science fiction-persiflage, deels satirische sleutelroman, De grote mutatie.

Wat gebeurt er als België plots dé wereld-grootmacht wordt? Hoe spartelen de politici? Wat met het vorstenhuis en met de communautaire problemen? Dit divertimento kreeg destijds de aandacht niet die het vandaag wellicht meer dan ooit verdient...

Vano.jpgToon van Overstraeten kon zowel uitgebalanceerde partijgebonden hoofdartikels schrijven als een onblusbare Uilenspiegelachtige verve laten botvieren in pamflettaire cursiefjes. De hoofdartikelschrijver, vermoeid en verveeld door het eindeloze politieke steekspel was soms aan amechtig zwijgen toe: van dio Genes kreeg hij dan zuurstof toegediend. In het oerwoud van het obligate politieke commentaar vormden de bijdragen getekend dio Genes een open plek, een lusthof, een tuin van geneugten waarin Toon van Overstraeten voorbijwandelde, lichtvoetig doch met stoute schoenen.

Wanneer hij iemand oren aannaaide dan deed hij dat nooit uit misprijzen, wel vanuit een gevoel van gekwetste medemenselijkheid. Bij hem was spotlust een vorm van zelfrelativering, ook wanneer hij de pen hanteerde als een stilet.

*

Van Overstraeten trad nooit op de voorgrond. Ik heb hem er altijd van verdacht zich wellustig te vermeien in de rol van grijze eminentie. Binnen de VU was zijn politieke invloed groot, maar voor niet-ingewijden onzichtbaar. Ver van het voetlicht droeg hij als doorgewinterde apparatsjik in beslissende mate bij tot de pragmatische koers van de partij die door Schiltz belichaamd werd. Het vers dat Racine door grootvizier Acomat laat uitspreken was Toon echt op het lijf geschreven: “Nourri dans le sérail, j'en connais les détours”...

*

Toon was een schrijfbeest. Hij kon dan de indruk wekken een overtuigde aanhanger te zijn van de lof der luiheid, maar was in feite een onvermoeibare, creatieve workaholic. Ik heb hem onder meer meegemaakt tijdens de voorbereiding van kiescampagnes. Aan de ontwerpen van de beste professionals bracht hij ter plekke met de losse pols die toegevoegde waarde toe die net het verschil uitmaken.

*

Het woord 'vriendschap' wordt al te vaak misbruikt. Ik koester de herinnering aan een man van wie ik veel heb geleerd en met wie ik jarenlang verbonden was door een gevoel van wederzijdse waardering.

Henri-Floris JESPERS

 

Anto VANO, De grote mutatie, Antwerpen, Walter Soethoudt, 1976, 94 p.

Toon VAN OVERSTRAETEN, Daarenboven zegt zijn natte vinger hem..., Antwerpen, Soethoudt, 1982. Met een woord vooraf van Henri-Floris Jespers.

Toon VAN OVERSTRAETEN, Op de barrikaden, Het verhaal van de Vlaamse Natie in wording, Brussel, Vlaams Nationaal Studiecentrum, 1984, 391 p.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche