histoire

Mardi 12 août 2014 2 12 /08 /Août /2014 23:30

 

AlbertCestius.jpg

Albert Szukalski (†), Cimitero acatolico, Rome, 1979. Op de achtergrond: de piramide van Cestius

Jageneau.jpg

Marieken van Damme, Lambert Jageneau (†) en Daan Anthuenis, Antwerpen, Boekenbeurs 1981

HESPEL.jpg

Kasteel III Koningen, Beernem, begin jaren 80.

Van l. naar r.:

eerst rij: Jan Vercammen (†), gravin Hélène d'Hespel (†), Marcel Coole (†)

tweede rij: Luc Decorte

derde rij: Henri-Floris Jespers, Fernand Auwera en Renaat Ramon

vierde rij: Fernand Bonneure en Herman Vos (†)

EemansHFJ.jpg

In gesprek met Marc. Eemans (), Antwerpen, 1994

*

Coda

La tristesse est une visite plus sereine qu'on ne croit.” (Roger Nimier)

MetPierre.jpg

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Samedi 9 août 2014 6 09 /08 /Août /2014 20:18

 

Licentieverhandeling.JPG

De licentiaatsverhandeling

Emeritus prof. dr. Theo Venckeleer, romanist en mediëvist, is een specialist wat betreft de historische linguïstiek en de lexicologie van het Frans, waarin hij argumenten vindt voor de mentaliteitsgeschiedenis. Hij werd op 11 april 1936 in Berchem geboren maar conceptus intra muros Antverpienses is hij dus een rasechte Antwerpenaar. Aan het Stedelijk Onderwijs van Antwerpen volgde hij de lagere school; humaniora doorliep hij aan het Koninklijk Atheneum van Berchem. Van 1953 tot 1957 studeerde hij Romaanse filologie aan de R.U.G waar hij afstudeerde met de licentiaatsverhandeling over het bewuste ‘Le Manuscrit ( Vaudois) A.6.10 de la Bibliothèque de Trinity College à Dublin’. Venckeleer was dit boekje van 13 op 9 cm op het spoor gekomen in het kader van een oefening waar hij op een publicatie van Mario Esposito was gestoten. (1) Deze had het document aan de Waldenzen toegeschreven. Theo Venckeleer analyseerde het manuscript op basis van een microfilm die de bibliothecaris van het Trinity College hem had toegezonden. Zijn thesis werd in artikelvorm in 1960 in de Revue Belge de Philologie et d’Histoire  opgenomen. (2) Voor zijn artikel ontving hij felicitaties van Antoine Dondaine O.P. die in 1939 het Liber de duobus principiis, een van de zeldzame Kathaarse teksten, had ontdekt.

Tot 1965 gaf hij les aan het Atheneum van Lier en Antwerpen. In het kader van de verdere uitbouw van de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren door de UFSIA werd hij als assistent van prof. Renson in 1965 door de rector, pater Dhanis S.J. Aangetrokken. Het artikel dat in 1960 in de Revue Belge de Philologie et d’Histoire verscheen, was de Jezuïeten niet ontgaan. In 1974 doctoreerde Venckeleer te Straatsburg op het proefschrift Rollant Li Proz, Contribution à l’histoire de quelque qualifications lauditives en français du moyen âge.

La-these-d-Etat.JPG

In 1975 wordt hij docent aan de UFSIA, in 1978 docent aan de UIA, hoogleraar in 1980 en vanaf 1985 gewoon hoogleraar tot zijn emeritaat in 2001. Samen met professor Messelaar van de K.U.L verzorgde hij een complete herziening van het Wolters Woordenboek Nederlands-Frans / Frans Nederlands.'Pour la petite histoire'nog even verklappen dat hij door de vereniging Als Catars  (3)  in 2012 tot Ridder in de orde van Bélibaste werd geslagen (4).

Met een begeesterd iemand zoals prof. Venckeleer over het Katharisme een boom opzetten, is zoals de soep in een plat bord uitscheppen. Deze blijft overlopen. Een koel glas Picpoul de Pinet  heeft ons gesprek gedurende drie uur begeleid. Heel vernieuwend voor mij is zijn visie dat ons denken té Cartesiaansis. Wij hebben nood aan organigrammen, aan kapstokken om alle gegevens die op ons toestromen op te hangen. Wij lijden aan etiketteringsdrang. Vandaar ook dat uit deze nood mijn vraag is onstaan i.v.m. de vele citaten uit het Oude Testament in de glosa. Niets is eenduidig en misschien is deze glosa van een andere oorsprong dan uit de Midi. De bron kan mogelijk afkomstig zijn van de kerk van Concorezzo in Lombardije waar de gelovigen Paterini  werden genoemd. Er waren dus ook Katharen en dan vooral dezen uit de absoluut dualistische hoek, die het O.T. wel kenden maar deze heel selectief gebruikten. Zo verwierpen zij de historische boeken van het O.T. maar behielden wel de Psalmen. Bij dezen neem ik me voor dat ik ooit alle citaten uit het bewuste manuscript op een rijtje zet. (U ziet, Descartes blijft me achtervolgen…) We zien ook dat zij in een latere fase tijdens de vervolgingen in hun verdediging de syllogismen van de Dominicanen aan wie de Inquisitie was toevertrouwd, overnemen.

Clio, mijn liefhebbende muze van de geschiedenis vertelt soms een verhaal van recuperatie. In het onderzoek naar de Albingenzen worden gemakkelijkheidshalve alle ketters op een hoop gegooid. Zo worden steevast de eerste (gekende) brandstapels die vanaf het jaar 1022 worden aangestoken (Orléans, het Rijnland, Luik) bij het Katharisme betrokken. Ook daar had ik moeite mee. Over hun geloof is weinig bekend en wat mij betreft is de enige overeenkomst de Apostolische armoede van de eerste Christenen dat zij met de Katharen en ook Waldenzen deelden. Het ongenoegen over de decadente Roomse kerk, ondanks de Gregoriaanse hervormingen, kristalliseerde zich wellicht rond de lagere clerus.

Het dogmatische monster blijft tot op vandaag het verhaal van de mens cyclisch en cynisch inkleuren. Het blijft gonzen van vervolgingen van dissidenten, anders denkenden, van zij die afwijken, van diegenen die moeten vernietigd worden. Om de woorden van Theo Venckeleer te gebruiken: 'Ketters waren sociale wratten die uit de samenleving dienden weggesneden'.

'De ketterij is een zonde waardoor men verdient niet alleen van de kerk — door de banvloek — maar ook van de wereld te worden uitgesloten. Wanneer de ketter in zijn dwaling volhardt, is de Kerk genoodzaakt alle poging tot redding te staken en moet zij het heil der overige mensen indachtig zijn en hem door een banvonnis uit haar schoot verwijderen. Al het andere laat zij aan de wereldlijke rechter over, wiens taak het is hem door de dood van deze aarde te verbannen.'

Met deze woorden van Thomas van Aquino, “Doctor Angelicus” met het predicaat ‘Heilige’, sluit ik af.

Frank DE VOS

 

  1. M. Esposito, « Sur quelques Manuscrits de l’ancienne Littérature religieuse des Vaudois du Piémont », Revue d’Histoire Ecclésiastique, XLVI (1951).

  2. Revue Belge de Philologie et d’Histoire, t. 38, 1960, p. 815-834 en t. 39, 1961, p.759-793

  3. Deze vereniging is te ontsluiten op: http://www.katharen.be/

  4. Guillaume Bélibaste is de laatste gekende 'Parfait' die in 1321 op de brandstapel in Villerouge-Termenès levend werd verbrand.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 8 août 2014 5 08 /08 /Août /2014 22:20

 

T.Venckeleer.JPG

Em. prof. dr.Teo Venckeleer

Mijn interesse voor de Kathaarse dissidentie in de Languedoc zal wel nooit slijten. Noem het gerust een chronische aandoening. Ook die zachte weemoed naar mijn vergane Leuvense studentenjaren, doordrenkt van het verleden, blijft mijn ziel zalven. Als ik de gelegenheid heb om iemand nog eens met ‘Professor’ aan te spreken, kan ik het niet laten om nadien O Jerum, jerum, jerum. O quae mutatio rerum te neuriën. Dit was het geval na mijn telefoontje met emeritus prof. dr. Theo Venckeleer die ik contacteerde i.v.m. met zijn publicatie van een Kathaars manuscript in 1960.

Onlangs neusde ik nogmaals in Le vrai visage du Catharisme van Anne Brenon (1). In haar bibliografie omschrijft zij dit bewuste manuscript (foutief zoals zal blijken) als Le Rituel Occitan de Dublin.

*

In mijn enthousiasme over de Languedoc, mijn prille ontdekking van de kruistochten tegen de Albigenzen in dit beloofde land (2), en met de nodige jeugdige overmoed gaf ik over dit onderwerp begin de jaren negentig de eerste maal een summiere causerie voor een gezelschap van de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen (FVG) te Wilrijk. In dit kader ontving ik het artikel van Theo Venckeleer 'Un receuil cathare: le manuscrit A.6.10 de Dublin' dat in 1960 in de Revue belge de Philologie et d’Histoire verscheen (3). Het betreft een manuscript dat in het Trinity College te Dublin wordt bewaard en tot voor Venckeleers publicatie aan de Waldenzen werd toegeschreven. Na zijn onderzoek bleek het een Kathaars geschrift. Het kan onmogelijk van Waldenzische oorsprong zijn wegens het feit dat dezen doopten met water in tegenstelling tot de Katharen die enkel het consolamentum of een spirituele doop toedienden. Ook omdat – typisch Kathaars – er sprake is van een panem nostrum supersubstantialem Daarom is dit manuscript een zeldzame en ook cruciale bron omdat het rechtstreeks van een Kathaarse hand afkomstig is. Tot voor zijn publicatie waren er maar drie bekend. (4) In La Religion des Cathares onderkent niemand minder dan Jean Duvernoy het belang van deze tekst: ‘Ces œuvres furent éditées par T. Venckeleer…ce recueil est de la plus haute importance, et n’a pas retenu jusqu’ici l’attention qu’il méritait’ (5)


Een rituaal dat geen rituaal is


Het manuscript bestaat uit drie delen. A is een apologie: 'Nos volem recontar alcun testemoni de las sanctas scrituras per donar entendre e conoiser la gleisa de Dio'.(6) B een glose, een verklaring bij het Pater noster en C handelt over de Heilige Kerk, de Gleisa de Dio. Er is geen terminus ante quem voor de datering van dit document beschikbaar. Venckeleer situeert A het in het eerste kwart van 13e eeuw, de periode waarin de kruistochten in volle hevigheid toeslaan. B kan nog later zijn geschreven, wanneer de systematische vervolging door de Inquisitie zich over het hele Zuid-Franse gebied blijvend zal uitstreken. Verklaart dit de de felle, verbeten toon van de auteur die de vervolgingen aanklaagt van die gleisa malignant romana, de kwaadaardige Romeinse kerk: 'Aquesta Gleisa sufre las persagacions e tribulacions e martiris per lo nom de Christ….Nota en cal maniera tota aquestas parolas de Christ son contrarias de a-la gleisa maligna romana' en 'Mas de contra aquestas cosas la gleisa malignant romana di e aferma que hom deo jurar, e di que Dio jure e l’angel’. (7)

Ritueel-van-Lyon.jpg

Dit staat in schril contrast met de zachte toon in het Occitaans Kathaars Rituaal (Lyon) dat hierdoor vroeger moet geschreven zijn, omdat de Katharen in de voorafgaande periode hun geloofzonder vijandigheid konden beleven. (8)

In tegenstelling tot A en C waar uitsluitend naar het Nieuwe Testament wordt verwezen, wordt in B overvloedig uit het Oude Testament geciteerd. En dat terwijl het Katharisme zich uitsluitend op het Nieuwe Testament beriep en het oude verwierp als zijnde van de Demiurg, de slechte God die men Satan noemt – Et Deum malitiam vocabunt Satanam. Dit was althans wat ik in de literatuur over dit onderwerp en zeker in de ritualen had gelezen. (Bij René Nelli, Jean Duvernoy of Michel Roquebert.). Verder is er niets over een rituaal of voorschriften te lezen. Met A en C, maar vooral met B wist ik dus geen blijf en na twee decennia werd het tijd voor een gesprek met prof.Venckeleer, die me blijgezind ontving.

Frank DE VOS

(slot morgen)

 

(1) Anne Brenonn, Le vrai visage du Catharisme,Éditions Loubatières, 343 p. ISBN 2-82266-106-0

(2) http://mededelingen.over-blog.com/article-katharen-van-ketters-naar-anders-denkenden-119825223.html

(3) Revue Belge de Philologie et d’Histoire, t.38, 1960, p.815-834en t.39, 1961, p.759-793

http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/rbph_0035-0818_1960_num_38_3_2328

http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/rbph_0035-0818_1961_num_39_3_2375#

(4) De rechtstreekse Kathaarse bronnen zijn nu: het Liber de duobus principiis toegeschreven aan Jean de Lugio, een anoniem traktaat waaruit in Liber contra Manicheos door Durand de Huesca wordt geciteerd, een Latijns ritueel, en het Nieuw Testament in het Provençaals gevolgd door een Kathaars ritueel van Lyon dat lange tijd eveneens aan de Waldenzen werd toegeschreven.

(5) Jean Duvernoy, La Religion des Cathares, Bibliothèque historique Privat p.405 ISBN 2-7089-2325-0

(6) ‘Wij willen een getuigenis afleggen over de heilige schriften om de kerk van god te begrijpen en te kennen’

(7) ’Deze kerk lijdt onder de vervolgingen en de beproevingen en het martelaarschap in de naam van Christus…Noteer op welke wijze al die woorden van Christus in tegenstelling zijn aan de vervloekte kerk van Rome’ en ‘Te meer daar tegenover deze zaken de vervloekte kerk van Rome zegt en stelt dat men moet zweren, en dat God heeft gezworen en de engel’

(8) Odon de Saint-Blanquat over Rituel cathare. Introduction, texte critique, traduction et notes,Christine THOUZELLIER. Paris, Éditions du Cerf, 1977. In-8°, 344 pages. (Sources chrétiennes, 236. )in deRevue Belge de Philologie et d’Histoire, t 137, 1979, p. 166-168 http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/bec_0373-6237_1979_num_137_1_450158_t1_0166_0000_2

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Jeudi 7 août 2014 4 07 /08 /Août /2014 21:44

 

Deutschland1.jpg

Vond in een antiquariaat Die Fahrt der Deutschland, geschreven door Paul König die kapitein was van het untersee-Frachtschiffes Deutschland. Mooie uitgave, met op de omslag nog het zelfklevertje van de boekhandel waar iemand het destijds kocht: G.A. v. Halem - Bremen. Dat bedrijf had een speciale boekenleverdienst voor de mannen aan het front: de Bücher-Feldpost. In Die Fahrt der Deutschland steekt zelfs nog een originele folder! Die zat decennialang tussen de bladzijden 104 en 105. Verscheen in de reeks Kriegsbücher van Verlag Ullstein & Co. in Berlijn. Een populaire serie klaarblijkelijk, want dit is een exemplaar uit het 151ste tot 180ste duizendtal. In juni 1916, een maand later zou mijn vader het levenslicht zien, trok de Deutschland er voor de eerste keer op uit.

Deutschland2.jpg

Toen de U-Boot die zomer arriveerde in Baltimore was het de eerste onderzeeër die de Atlantische Oceaan had doorkruist. Bij terugkeer in Bremerhaven werden de voorbereidingen voor de tweede reis al getroffen, wederom om geld, medicijnen en post te vervoeren tussen Duitsland en de Verenigde Staten van Noord-Amerika. In oktober werd koers gezet naar New London, Connecticut. Na terugkomst in Wesermünde was het reeds gedaan met het handelskarakter van het schip. De Deutschland werd, nadat Amerika aan de Groote Oorlog mee was gaan doen, omgebouwd tot oorlogsschip. In februari 1917 werd de Deutschland in Wilhelmshaven omgedoopt tot SM U 155 van de Kaiserlichen Marine. De duikboot bleef tot 13 november 1918 (dus tot twee dagen na Wapenstilstand) actief. In die anderhalf jaar kelderde hij 42 schepen. In 1922 werd het schip afgebroken. Maar dat wist Paul König toen zijn boek verscheen allemaal nog niet....

Bert BEVERS

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 3 août 2014 7 03 /08 /Août /2014 23:10

 

Tekening-MDD_-Cartoon-Drie-koninginnen-Bert-Bevers.jpeg

Even staan babbelen met een van onze buurtgenoten, een Koerd. Sympathieke kerel. Ik complimenteerde hem met zijn werkelijk bijzonder goede Nederlands. Bijna verbaasd zei hij “Dank u, maar ik woon hier al bijna vier jaar”. Waarop ik hem lachend vertelde dat er in België niet minder dan drié koninginnen zijn die hier toch ook al een tijdje rondhangen maar nog steeds geen fatsoenlijk Nederlands uit hun mond krijgen....

Bert BEVERS

 

Tekening: Jan SCHEIRS

(geïnspireerd door Katherine Tate language translator...)

http://youtu.be/INOL2zVv7mw

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 18 juillet 2014 5 18 /07 /Juil /2014 02:51

 

Baden-Powell

Het hangt als een klok in de toren dat het scoutisme voor velen méér betekend heeft dan het dragen van een korte broek en het zingen, rondom een laaiend kampvuur, van "Als de jungle zich hult in het duister, Flauw verlicht bij schijnsel der maan, Sta dan stil, spits je oren en luister, Sluipend zie je de wolven dan gaan".

Voor sommigen blijkt het een ladder te zijn geweest om naar de volwassenheid te klimmen en een bron van wilskracht om door te stomen naar hogere regionen. Hoe verklaar je anders dat de volgende personen het waargemaakt hebben? Toch wel dankzij Robert Stephenson Smyth Baden-Powell (1857-1941) en zijn vrouw, Olave St Clair Baden-Powell (1889-1977), zeker. En uiteraard ook een beetje dankzij hun talenten.

In België: Guido Depraetere, Hergé, Guy Verhofstadt, Jean-Luc Dehaene, Leo Tindemans, Marc Sleen, Marc Van Peel, Maurits Coppieters, Jacques Brel, Mieke Vogels, Paul Jambers, Vincent Kompany, Willy Vandersteen, Wim Opbrouck…

In Nederland: Albert Heijn, Harry Mulisch, Jan Peter Balkenende, Michel van der Plas, Tessa de Loo, Wim de Bie, Youp van 't Hek…

In de U.S.A.: Barack Obama, Bill Clinton, Bill Gates, Debbie Reynolds, Harrison Ford, Henry Fonda, Hillary Clinton, James Stewart, John Kennedy, John Glenn, Madeleine Albright, Mary Tyler Moore, Nancy Reagan, Neil Armstrong, Richard Dean Anderson, Ronald Reagan, Steve Fossett, Michael J. Fox, Steven Spielberg, Michael Bloomberg, Michael Moore, George W. Bush, Richard Gere, Jim Morrison…

In Groot-Brittannië: Cliff Richard, David Attenborough, David Beckham, Emma Thompson, Joanne K. Rowling, Kate Moss, Keith Richards, Paul McCartney, Tony Blair…

En elders in de wereld Jacques Chirac, Georges Brassens, Leonard Cohen, Valéry Giscard d'Estaing, Vaclav Havel, enz.

Duitsland en Italië zijn de enige West-Europese landen waar je zo goed als geen ex-scouts met een belangrijke maatschappelijke functie aantreft. Scouting was nochtans erg populair bij onze oosterburen, tot Hitler aan de macht kwam (1933) en de jongens gedwongen werden lid te worden van de Hitler Jugend, de meisjes van de Bund Deutscher Mädel. In Italië had het fascistische regime van Mussolini de scoutingverenigingen al ontbonden in 1927-1928.

Ook in de koningshuizen is het scoutisme altijd erg in trek geweest. Het is algemeen geweten dat koning Boudewijn als Zachte Poot van jongs af een welpenpetje heeft gedragen. En dat hij in volle oorlogstijd (1943) naar de verkenners is overgegaan en de naam Loyale Eland kreeg. Ook zijn zus Joséphine Charlotte en zijn broer Albert waren ooit lid van de scouts. Hoewel Boudewijn na zijn installatie als verkenner nooit meer in scoutsuniform gezien is, bleef hij in feite zijn hele verdere leven een Loyale Eland met onwrikbare principes, die de zwakken door dik en dun verdedigde – kijk maar naar zijn halsstarrige houding in verband met de abortuskwestie. Toen hij koning werd, doopte hij zijn jacht overrigens “De Eland”.

De lokroep van de roedel is door Albert van vader op zonen overgedragen, want ook Filip en Laurent hebben ooit het Geheim Saluut gebracht (rechterarm recht omhoog tegen het lichaam, hand bij de schouder, met drie vingers omhoog en met pink en duim omlaag) en gezworen: "Ik beloof" – al of niet "met de hulp van God" – "mijn best te doen een goede scout te zijn, iedereen te helpen waar ik kan en me te houden aan de scoutingwet. Ik wil samen met anderen het goede zoeken en bevorderen. Jullie kunnen op me rekenen."

En Laurent – of is het toch Claire geweest? – heeft de lijn voortgetrokken, want sinds 2012 zijn hun kinderen, Louise, Nicolas en Aymeric, lid van de ultraconservatieve, streng religieuze en disciplinaire Europascouts in Nossegem. En om het rijtje van de Coburgs te vervolledigen vermelden we nog dat ook tante Joséphine Charlotte en grootnonkel prins Karel in hun jeugd bij de scouts waren.

Ook het huis van Oranje-Nassau is scoutsminded. In navolging van koningin Juliana hadden ook haar kinderen, koningin Beatrix en de prinsessen Christina, Irene en Margriet, de dure belofte gedaan om tot hun laatste ademsnik "het goede te zoeken en bevorderen". Ja, zelfs hun papa Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter, Prins van Lippe-Biesterfeld, had ooit met de vingers in de lucht gestaan. – Wat hem evenwel niet belette om ten onrechte 1 miljoen D-Mark via het Nederlands-Duitse Wiedergutmachungsverdrag voor oorlogsslachtoffers te doen versluizen naar zijn bankrekening, alsmede resp. 1,1 miljoen en 750 000 US-dollar smeergeld van de Amerikaanse vliegtuigfabrikanten Northrop en Lockheed in zijn prinselijke zak te steken.

Andere scouts met koninklijk bloed waren: de Engelse koningin Elizabeth II en prinses Margaret, de Deense koningin Margaretha II en de prinsessen Benedikte en Ingrid, en de Zweedse koningen Gustav Adolf VI en Carl Gustav XVI. En in Luxemburg hebben we ook nog de echtgenoot van Joséphine Charlotte: groothertog Jan I.

Kwik,Kwak

En toch zijn dat niet de allerbekendste en trouwste scouts! Zonder enige twijfel komt die eer toe aan… de neefjes van Donald Duck: Kwik, Kwek en Kwak.

Al sinds 17 oktober 1937, de dag dat ze bij hun oom werden gedropt door hun moedereend, Dumbella, die daarna niks meer van zich liet horen, zijn ze lid van de Jonge Woudlopers en lossen op een echte scoutingmanier de problemen van oompje Donald op als die zich weer eens in de soep heeft gewerkt. Scouts helpen toch waar ze kunnen, nietwaar?

Frans DEPEUTER

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 14 juillet 2014 1 14 /07 /Juil /2014 05:38

 

De ordening van mijn foto-archief vordert traag maar zorgvuldig en gestaag. Hier werden al af en toe foto's uit de uit de oude doos gepubliceerd. Dat werd duidelijk door de lezers op prijs gesteld... Hier dus nog eens een eerder toevallige reeks, wel chronologisch geordend. Ik heb nog heel veel in petto, be sure!

 

(1977) Kasteel van Ham te Steenokkerzeel..

.

RENIERsteenokkerzeel77.jpg

Ivo Raes, Renier van der Velden pp (1910-1993), Henri-Floris Jespers pp  en “Suske”, de vriendin van Renier (Gabriela Truyen, maar zo kende niemand haar; + 21 november 2007).

Steenokkerzeel77twee.jpg

Henri-Floris Jespers pp, Grace van den Broeck (1911-1996, moeder van Hugues C. Pernath) en minister van Cultuur Rika de Backer (1923-2002)

Steenokkerzeel77drie.jpgDichteres prof. dr. Annie Reniers en dr. Michel Oukhow pp (1926-1997). Onzichtbaar (rechts): prof. dr. Paul Hadermann

Yvettesteenokkerzeel77.jpg

Yvette Burssens (1922-1995) en ambassadeur Karel Coeckx (1924-2002)


(1979) VECU, Antwerpen


VECUmara.jpg

Nic van Bruggen pp  (1938-1991), Jetty Roels, Walter Beckers pp, Pol (1920-1998) en Maria Mara, VECU-voorzitter Gustave “Staf” Breugelmans (1930-2007)

 

(1980) Tentoonstelling Mark Verstockt (1930-2014) in VECU, 20 oktober 1980.

 

VerstocktVECU.jpgAdé

Op zijn onnavolgbare wijze leidde prof. dr. Georges Adé pp (1936-1992) de tentoonstelling in. Die merkwaardige tekst verscheen in VECU-Express (jg. IV, nr. 4, februari 1981): “De phaenomenologie van Verstockt, of hoe het bestaan meetkundig geestiger kan worden”...

 

ConradSasson.jpg

Op 29 oktober hield de befaamde filmcriticus Selim Sasson (1929-2002) een lezing in VECU. Hij werd ingeleid door Patrick Conrad pp, die niet naliet te benadrukken dat de populaire en deskundige tv-vedette de eerste en uiteindelijk, ja, een van de zeldzame Belgische critici was, ik citeer letterlijk: “à défendre – non sans courage et ténacité – mon film Slachtvee, face à l'incompréhension et l'intolérance de nombreux de ses confrères flamands”...

ConradVaderZoon.jpg

Jean-Pierre Conrad (1920-1983), Patrick Conrad pp, Selim Sasson (1929-2002) en Robbe de Hert

 

Alles wordt zorgvuldig bewaard in mijn persoonlijke archief. Het staat echter iedereen vrij foto's te “delen”, mits vermelding, uit hoffelijkheid, van “privé-collectie Henri-Floris Jespers”.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 6 juillet 2014 7 06 /07 /Juil /2014 20:00

 

2jongeVlamingen

Op 18 juni werd in Vooruit te Gent het boek Twee jonge Vlamingen in Den Grooten Oorlog van Herman Balthazar en Nico Van Campenhout voorgesteld. Ruim 300 mensen waren aanwezig. Een zeer succesvolle avond, naar verluidt ook voor Paul Luyten van boekhandel Walry en stichter van Confituur, de belangenclub van de onafhankelijke boekhandels. De twee auteurs werden aan een literair verhoor over het boek en hun verhouding tot de twee jonge Vlamingen onderworpen door Marc Reynebeau, wat hem wel ligt, in tegenstelling tot het schrijven van columns voor De Standaard. Ze zijn van oppervlakkig niveau en etaleren meer ijdelheid dan kennis over de behandelende onderwerpen.

Alvorens de twee auteurs naast Marc Reynebeau plaatsnamen, hield Stefan Hertmans een inleiding. Dat was pas klasse. In zoverre dat wij haar hebben opgevraagd. Door allerlei redenen heeft het even geduurd, maar uiteindelijk belandde ze in mijn mailbox met de mededeling dat zowel hijzelf, als de twee auteurs geen bezwaar hadden tegen publicatie. Prachtig. Met de publicatie wordt die niet alleen openbaar, maar ook in de geschiedenis van de literatuur opgenomen. Genoeg gepraat. Ziehier de inleiding.

Guido LAUWAERT

*

Dames en Heren,

Ik heb twee decennia in het Patershol gewoond, in het huis waar de bekende Gentse historicus Adriaan Verhulst opgroeide. Verhulst schreef later zijn memoires, onder de weinig aan de verbeelding overlatende titel: Zoon van een foute Vlaming. In dat huis vergaderden namelijk, tijdens de tweede Wereldoorlog, op het gelijkvloers, enkele nazi-officieren met zijn vader bij de haard, waar een buste van Hitler prijkte. Op de eerste etage verbleef geregeld een jongedame die stiekem voor het verzet werkte en schreef.

De fysieke, haast intieme nabijheid van deze twee voor ons zo onverzoenlijke politieke strekkingen heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken. Het tekent ook een realiteit waar we ons in retrospectief al te vaak aan onttrekken: hoe verwarrend dicht bij elkaar de tegengestelde stromingen van collaboratie en sociaal bewustzijn soms kwamen in de dagelijkse realiteit.

In het belangwekkende boek dat hier vanavond wordt voorgesteld, kan men lezen waar de wortels lagen van deze verwarrende werkelijkheid. In de dagboeken van de jonge Gust Balthazar, zowel als in die van de jonge Leo Picard, kan men lezen hoe het Vlaams activisme, zelfs bij progressief georiënteerde jongelui, van bij zijn aanvang gevoelig was voor de sirenenzang van het zogenaamde Pan-Germanisme: de droom dat Vlaanderen met Duitsland, Nederland en zelfs de Scandinavische landen in een soort grote Germaanse landenbond zou worden opgenomen.

Terwijl eenvoudige infanteristen zoals mijn grootvader op gevaar van leven en dood strijden achter de IJzer tegen de moordende machine die de Duitsers op het haast weerloze België hebben losgelaten, terwijl het geheugen van de Vlaamse literatuur nota bene reeds in de eerste oorlogsdagen werd platgebrand met de misdaad op de Leuvense universiteitsbibliotheek, schrijft Leo Picard doodgemoedereerd dat Vlaanderen nu eindelijk bevrijd wordt door het Germaanse broedervolk. Het zijn haast schokkende dingen om te lezen, wanneer men niet in gedachten houdt dat hier jonge, nog onervaren jongens spreken die naïefweg droomden van een Vlaanderen dat eindelijk verlost zou zijn van de Franstalige vernederingen en onderdrukking in de Belgische context. Een situatie die zij moeiteloos konden duiden in het kader van een sociale strijd om meer rechten voor de werkende Vlaming. Flamingantisme, bij velen zelfs tot en met sympathie voor de funeste Flamenpolitik  van de Duitsers – die doelbewust de Vlaamse actoren tegen elkaar opzette, bijvoorbeeld in de periode van de Von Bissing-universiteit – kon moeiteloos hand in hand gaan met vurig sociaal engagement. Waar voor ons de scheidslijn tussen links en rechts in de decennia na de Tweede Wereldoorlog duidelijk liep langs lijnen van progressief internationaal socialisme versus een conservatief nationalistisch discours, was die situatie volstrekt anders voor de Vlaams activisten, de Antwerpse dichter Paul Van Ostaijen bijvoorbeeld inbegrepen. Het betekent dat we omzichtig moeten omspringen met waardeoordelen en moeten proberen te begrijpen dat zelfs onze huidige politieke situatie – denken we aan de manifesten van de Gravensteengroep hier in Gent - hier en daar nog sporen vertoont van een denken dat dwars door de geijkte clichés heen probeert te lopen – met wisselend succes, overigens.

Op die manier voelt ook de briljante jongsocialist Gust Balthazar zich al snel geklemd tussen twee polen: enerzijds een duidelijk flamingantische inspiratie, die hem ertoe drijft tijdens zijn krijgsgevangenschap de spil te worden van de Vlaamse Beweging in het kamp, omdat ook hij lijdt onder de vernederingen van de hogere Franstalige militaire leiding in België. Anderzijds beseft Balthazar al snel dat een te radicale Vlaamse Beweging zich schuldig maakt aan destructieve collaboratie met de vijand.

De evolutie in zijn denken is zelfs in het krijgsgevangenkamp reeds zeer duidelijk. Bij een bezoek van Borms en een aantal Vlaams-activisten zegt hij: “Ik ben passief en mijn overtuiging is oprecht. Ik heb eerbied voor alle mensen die niet denken zoals ik. Gij handelt uit liefde tot het land en het volk, ik ook. Hoe zouden we dus aan elkaar geen eerbied verschuldigd zijn! Het is voor mij geen reden u te veroordelen, omdat mijn regering u veroordeelt. Ik begrijp uw strijd, maar sta niet in uw rangen’. Een vorm van hoffelijkheid die we heden te dage node moeten missen op de sociale media.

Op die manier geprangd tussen twee polen, ontwikkelt Balthazar, net als Leo Picard later, een geheel eigen visie waarin Vlaams bewustzijn binnen een pragmatische ideologische context moet worden benaderd om het te laten sporen met strijden voor sociale rechtvaardigheid.

De combinatie van deze beide grootheden is tot op de dag van vandaag een heikele aangelegenheid gebleven. Aan hun Vlaams bewustzijn zijn ze trouw aan een vorm van nationalisme verschuldigd, aan hun sociaal bewustzijn trouw aan het internationalisme van de arbeidersbeweging. Hoe moet men internationale solidariteit – proletariërs aller landen, verenigt u! – koppelen aan een op louter Vlaamse rechten gebaseerde nationalistische politiek? Welke solidariteit krijgt de voorrang wanneer puntje bij paaltje komt? De kreet van Jean Jaurès, dat men geen Franse arbeiders tegen Duitse arbeiders moet laten vechten omdat het eerst en vooral om een klassenstrijd moet gaan, vindt in de links-flamingantische boegbeelden een van haar meest pijnlijke, want verscheurende varianten. Van sociaal bewogen figuren als August Balthazar weet men hoezeer solidariteit met de werkende klasse zijn hele politieke loopbaan zou gaan beheersen, zelfs in en door de strijd om de Gentse coöperatieven en het failliet van de Bank van de Arbeid, maar in de dagboeken leest men nog geen bekommernis voor, om maar iets te zeggen, de lotgenoten in de Waalse steenkoolbekkens, nochtans broeders in de socialistische strijd. De afkeer van de Franstalige bourgeoisie in Vlaanderen verhinderde vooralsnog een bekommernis voor bijvoorbeeld het anderstalige proletariaat dat in dezelfde staatstructuur om zijn rechten vocht. Later, in het kader van de BWP en de Belgische politiek, wordt Balthazar uiteraard wel de grote pragmatische politicus die zich van dergelijke anomalieën bewust is, en schrijft Picard op zeer genuanceerde wijze over sociale strijd en Vlaams bewustzijn. Toch eindigen beiden hun leven zoals ze het begonnen zijn: tussen twee stoelen in, en vandaar ook opzij geschoven door andere actualiteiten.

Deze schizofrenie aan de flamingante progressieve zijde, ontstaan tijdens de periode van het activisme, tekent tot op vandaag de debatten over de betekenis van engagement en emancipatie in Vlaamse en internationale context – denken we maar aan het recente, enigszins pijnlijke debat tussen Abou Jahjah en Peter de Roover in DeStandaard van vorige week.

De dagboeken van de beide jongelingen Balthazar en Picard, neergeschreven in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog, getuigen van intense pogingen om deze problematiek door te denken in een context die hun niet altijd de kans gaf zich grondig te informeren.

Zo kan men zich verbazen over het haast volledig ontbreken van reflecties over de internationale context die tot de brutalisering van de Belgische integriteit van het grondgebied had geleid. Ergens vermeldt Picard dat de Entente ons in de armen van Euraziatische barbarij heeft gedreven (hij bedoelt het bondgenootschap tussen Rusland, Engeland en Frankrijk), en mijmert Balthazar dat we ons door en door bewust moeten zijn van “ons niets-zijn in gans de tegenwoordige wereldgebeurtenis”, of verzucht hij dat we het juk van de decadente Franse cultuur moeten afgooien, maar de Servische kwestie, het afbrokkelen van het Midden-Europees machtsevenwicht van de Habsburgse dynastie, de problematische Duitse machtsconcentratie, en juist de nationalistische absurditeiten die tot de patstelling tussen de Triple Entente en de Triple Alliantie hebben geleid - het blijft onuitgesproken voor deze bevlogen jonge Vlaamsnationalisten.

Net omwille van de historische beperking die hun visies noodgedwongen nog moest domineren voor zij de grote, betekenisvolle figuren werden die zij in zich hadden, zijn de hier gepresenteerde en gewetensvol gedocumenteerde dagboeken van aangrijpende waarde. De historische nuancering werkt hierdoor ook als een vorm van rehabilitatie. Ik feliciteer graag Herman Balthazar en Nico Van Campenhout met deze acribische en betekenisvolle uitgave, die volgens mij haar plaats verdient in de rij publicaties die ons historisch bewustzijn kunnen verfijnen en verder documenteren. Het is dit historisch bewustzijn dat we nodig hebben, om elkaar vandaag de dag ook beter, serener en genuanceerder te leren debatteren.

Stefan HERTMANS

Zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-twee-jonge-vlamingen-in-de-grooten-oorlog-123882770.html

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 6 juillet 2014 7 06 /07 /Juil /2014 05:38

 

Kopie-van-Rochtus_Verdoodt.jpg

Onder professoren: Dirk Rochtus en Frans-Jos Verdoodt

Op 6 augustus aanstaande beëindigt prof. dr. Frans-Jos Verdoodt (°1939) zijn functie als voorzitter van het ADVN. Hij wordt opgevolgd door prof. dr. Dirk Rochtus (°1961) (KULeuven, campus Antwerpen). Verdoodt was een van de oprichters van het ADVN en gedurende dertig jaar afgevaardigd bestuurder en later ook voorzitter van het centrum. Het ADVN werd opgericht in 1984 als één van de privaatrechtelijke archiefcentra in Vlaanderen. Sindsdien groeide het uit tot het centrum voor erfgoed en onderzoek over het Vlaams-nationalisme en de Vlaamse beweging in hun brede en internationale context. Daartoe behoren o.a. de andere nationale bewegingen in Europa, de theorievorming omtrent nationalisme en thema’s zoals natie en identiteit. Het ADVN publiceert daarover driemaandelijks in de ADVN-Mededelingen  en in Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is een landelijk cultureel-archiefcentrum dat werd opgericht in 1984. Vanuit een open maatschappelijke geest en gesteund op een wetenschappelijke methodologie verzamelt, bewaart en beheert het ADVN het erfgoed omtrent de Vlaamse beweging en het stelt dat erfgoed open voor alle geïnteresseerden.

Het verzamel- en studieterrein plaatst het erfgoed in zijn brede historische en thematische context, waartoe de nationale bewegingen als maatschappelijk-filosofisch verschijnsel behoren.

Het heeft daarbij ook aandacht voor de thema’s die ermee verbonden of ervan afgeleid zijn zoals culturele identiteit, natievorming en migratieprocessen.

Over die onderwerpen verzamelt, bewaart, beheert en ontsluit het ADVN historische en actuele bronnen zoals brieven, verslagen van vergaderingen, notities, scripten, foto’s, affiches, films, vlaggen, museale voorwerpen, geluidsopnamen, boeken, brochures, kranten, tijdschriften, knipsels en pamfletten.

In de leeszaal van het ADVN worden de bronnen ter beschikking gesteld voor onderzoek.

Het ADVN voert ook zelf wetenschappelijk onderzoek uit en maakt de resultaten daarvan bekend langs colloquia, tentoonstellingen, lezingen, publicaties en andere publieksgerichte realisaties. Een belangrijke rol bij de stimulering van het onderzoek spelen de tijdschriften ADVN-Mededelingen  en Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is medebeheerder van Archiefbank Vlaanderen en de ODIS-databank over intermediaire structuren in Vlaanderen. In het NISE-netwerk coördineert het ADVN een internationaal netwerk van erfgoed- en onderzoekscentra voor de vergelijkende studie van de nationale bewegingen in Europa.

*

Frans-Jos Verdoodt heeft het ADVN opgericht in maart 1984 als een wetenschappelijk project. In tegenstelling tot de katholieke, liberale en socialistische bewegingen, beschikte het Vlaams-nationalisme – en bij uitbreiding de Vlaamse beweging – over geen specifiek archief- en onderzoekscentrum met wetenschappelijke aspiraties.

Verdoodt heeft die leemte niet alleen opgevuld, hij verruimde ook systematisch de focus van zijn instelling: van het Vlaams-nationalisme naar de breedst mogelijke Vlaamse beweging, van de Vlaamse beweging naar de nationale bewegingen over geheel Europa, van een Vlaams onthaalcentrum voor archief en documentatie naar een wetenschappelijk onderzoekscentrum met een internationale dimensie, van een neutrale onthaalinstelling voor archieven naar een uitvalsbasis voor culturele publiekswerking en een forum voor nieuwe historiografische publicaties. Ook de afgeleide aspecten van de Vlaamse beweging kwamen ruim aan bod, bijvoorbeeld de theorievorming rondom natie en identiteit, de repercussie van emigratie- en immigratiebewegingen op de natievorming en de geschiedenis van de Vlaamse migranten in de wereld.

Parallel met zijn ADVN-opdracht, bouwde Verdoodt in Vlaanderen en Nederland een academische loopbaan uit, als docent en publicist. Dat tweevoudig engagement van archiefdirecteur en docent stelde hem onder meer in staat om – naast het ADVN – het tijdschrift Wetenschappelijke tijdingen voor de geschiedenis van de Vlaamse beweging  te redigeren en om te vormen van een strijdend medium tot een puur wetenschappelijke publicatie. Daarnaast bleef Verdoodt een loopbaan lang actief in de literaire sector, als dichter, als essayist en als voorzitter van een aantal literaire prijzen.

Verdoodt was ook de historicus die in 2000 op de IJzerbedevaart in Diksmuide het Historisch pardon  uitsprak over de collaboratie van een groot deel van de Vlaamse beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In datzelfde kader bouwde hij de Voorwaartsgroep  uit, een brede groep van progressieve, vooral linkse intellectuelen die pleitten voor een genuanceerde visie op de problematiek van collaboratie, verzet en repressie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Verdoodt is vandaag eveneens actief in de Gravensteengroep, een burgerinitiatief van progressieve kunstenaars, journalisten, filosofen en historici die kritisch reflecteren op de politiek in Vlaanderen.

*

Dirk Rochtus doceert internationale politiek, Europese politiek en Duitse geschiedenis aan de KULeuven (o.a. masteropleiding journalistiek). Hij is ook senior fellow van het Zentrum für Europäische Integrationsforschung (ZEI) van de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn.

Hij publiceerde over Turkije, over Duitsland en over de theorie van het nationalisme en het federalisme. Over al die materies houdt hij regelmatig voordrachten en gastcolleges in binnen- en buitenland en publiceert hij opiniestukken in De Standaard, De Morgen, en op www.deredactie.be  en www.knack.be. Van zijn hand verschenen ook de boeken Turbulent Turkije  (2011) en Dominant Duitsland  (2013).

Rochtus is lid van de adviesraad van de Emiel Verhaeren Stichting, lid van de Expertencommissie Overheidscommunicatie in het Vlaams Parlement en bestuurder van het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (VLEVA). Als gewezen extern adviseur van de Raad van Europa lichtte hij, tijdens verschillende in Rusland georganiseerde conferenties over federalisme, Russische ambtenaren in over de werking van het Vlaams Buitenlands Beleid. Hij ontving, net als wijlen Jan Hoet, het Bundesverdienstkreuz, de hoogste civiele onderscheiding van de Bondsrepubliek Duitsland.

Net als Verdoodt, kan Rochtus een ruime bibliografie voorleggen omtrent zijn diverse specialismen en belangstellingsthema’s.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 16 juin 2014 1 16 /06 /Juin /2014 19:59

 

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---085.jpeg

Naar aanleiding van het herdenkingsjaar 2014, organiseert het Vredescentrum maandelijks een lezing over Antwerpen tijdens WO I. In de mooie zaal van het Sint Bernarduscentrum (het voormalige bisschoppelijk paleis) kwamen gisteren onder ruime belangstelling prof. dr. Dirk Rochtus en Henri-Floris Jespers aan het woord.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---033.jpeg

Dirk Rochtus schetste de context waarin de Duitse visie over ‘Kultur und Zivilisation’ en de ‘Ideen von 1914’ zich ontwikkelden en hoe zich dat alles vertaalde in het beleid van de Duitse overheid tegenover Vlaanderen.

HFJduo5.jpeg

Henri-Floris Jespers ging in op het culturele leven in de lamgelegde metropool, waarbij hij zich beperkte tot schilderkunst, toneel en literatuur.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---097.jpeg

Tot slot werd onder moderatorschap van prof. dr. Annick Schramme overgegaan tot de dialoog met het bijzonder aandachtige publiek. Ook daarbij werd door beide sprekers een aantal cliché's en misvattingen doorgeprikt.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---094.jpeg

Onder de aanwezigen: prof. em. dr. Christian Berg, René Broens, Sven Christhansson, Mieke De Loof, Rina Stevenin, Patricia Van Goel Dejean, Guy van Turnhout Hellemans en Sylvain Wagenaar.

Fotoreportage: © Jan Scheirs.

 

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires

Pages

Créer un Blog

Recherche

Calendrier

Août 2014
L M M J V S D
        1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 31
             
<< < > >>

Présentation

Créer un blog gratuit sur over-blog.com - Contact - C.G.U. - Rémunération en droits d'auteur - Signaler un abus - Articles les plus commentés