histoire

Vendredi 18 juillet 2014 5 18 /07 /Juil /2014 02:51

 

Baden-Powell

Het hangt als een klok in de toren dat het scoutisme voor velen méér betekend heeft dan het dragen van een korte broek en het zingen, rondom een laaiend kampvuur, van "Als de jungle zich hult in het duister, Flauw verlicht bij schijnsel der maan, Sta dan stil, spits je oren en luister, Sluipend zie je de wolven dan gaan".

Voor sommigen blijkt het een ladder te zijn geweest om naar de volwassenheid te klimmen en een bron van wilskracht om door te stomen naar hogere regionen. Hoe verklaar je anders dat de volgende personen het waargemaakt hebben? Toch wel dankzij Robert Stephenson Smyth Baden-Powell (1857-1941) en zijn vrouw, Olave St Clair Baden-Powell (1889-1977), zeker. En uiteraard ook een beetje dankzij hun talenten.

In België: Guido Depraetere, Hergé, Guy Verhofstadt, Jean-Luc Dehaene, Leo Tindemans, Marc Sleen, Marc Van Peel, Maurits Coppieters, Jacques Brel, Mieke Vogels, Paul Jambers, Vincent Kompany, Willy Vandersteen, Wim Opbrouck…

In Nederland: Albert Heijn, Harry Mulisch, Jan Peter Balkenende, Michel van der Plas, Tessa de Loo, Wim de Bie, Youp van 't Hek…

In de U.S.A.: Barack Obama, Bill Clinton, Bill Gates, Debbie Reynolds, Harrison Ford, Henry Fonda, Hillary Clinton, James Stewart, John Kennedy, John Glenn, Madeleine Albright, Mary Tyler Moore, Nancy Reagan, Neil Armstrong, Richard Dean Anderson, Ronald Reagan, Steve Fossett, Michael J. Fox, Steven Spielberg, Michael Bloomberg, Michael Moore, George W. Bush, Richard Gere, Jim Morrison…

In Groot-Brittannië: Cliff Richard, David Attenborough, David Beckham, Emma Thompson, Joanne K. Rowling, Kate Moss, Keith Richards, Paul McCartney, Tony Blair…

En elders in de wereld Jacques Chirac, Georges Brassens, Leonard Cohen, Valéry Giscard d'Estaing, Vaclav Havel, enz.

Duitsland en Italië zijn de enige West-Europese landen waar je zo goed als geen ex-scouts met een belangrijke maatschappelijke functie aantreft. Scouting was nochtans erg populair bij onze oosterburen, tot Hitler aan de macht kwam (1933) en de jongens gedwongen werden lid te worden van de Hitler Jugend, de meisjes van de Bund Deutscher Mädel. In Italië had het fascistische regime van Mussolini de scoutingverenigingen al ontbonden in 1927-1928.

Ook in de koningshuizen is het scoutisme altijd erg in trek geweest. Het is algemeen geweten dat koning Boudewijn als Zachte Poot van jongs af een welpenpetje heeft gedragen. En dat hij in volle oorlogstijd (1943) naar de verkenners is overgegaan en de naam Loyale Eland kreeg. Ook zijn zus Joséphine Charlotte en zijn broer Albert waren ooit lid van de scouts. Hoewel Boudewijn na zijn installatie als verkenner nooit meer in scoutsuniform gezien is, bleef hij in feite zijn hele verdere leven een Loyale Eland met onwrikbare principes, die de zwakken door dik en dun verdedigde – kijk maar naar zijn halsstarrige houding in verband met de abortuskwestie. Toen hij koning werd, doopte hij zijn jacht overrigens “De Eland”.

De lokroep van de roedel is door Albert van vader op zonen overgedragen, want ook Filip en Laurent hebben ooit het Geheim Saluut gebracht (rechterarm recht omhoog tegen het lichaam, hand bij de schouder, met drie vingers omhoog en met pink en duim omlaag) en gezworen: "Ik beloof" – al of niet "met de hulp van God" – "mijn best te doen een goede scout te zijn, iedereen te helpen waar ik kan en me te houden aan de scoutingwet. Ik wil samen met anderen het goede zoeken en bevorderen. Jullie kunnen op me rekenen."

En Laurent – of is het toch Claire geweest? – heeft de lijn voortgetrokken, want sinds 2012 zijn hun kinderen, Louise, Nicolas en Aymeric, lid van de ultraconservatieve, streng religieuze en disciplinaire Europascouts in Nossegem. En om het rijtje van de Coburgs te vervolledigen vermelden we nog dat ook tante Joséphine Charlotte en grootnonkel prins Karel in hun jeugd bij de scouts waren.

Ook het huis van Oranje-Nassau is scoutsminded. In navolging van koningin Juliana hadden ook haar kinderen, koningin Beatrix en de prinsessen Christina, Irene en Margriet, de dure belofte gedaan om tot hun laatste ademsnik "het goede te zoeken en bevorderen". Ja, zelfs hun papa Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter, Prins van Lippe-Biesterfeld, had ooit met de vingers in de lucht gestaan. – Wat hem evenwel niet belette om ten onrechte 1 miljoen D-Mark via het Nederlands-Duitse Wiedergutmachungsverdrag voor oorlogsslachtoffers te doen versluizen naar zijn bankrekening, alsmede resp. 1,1 miljoen en 750 000 US-dollar smeergeld van de Amerikaanse vliegtuigfabrikanten Northrop en Lockheed in zijn prinselijke zak te steken.

Andere scouts met koninklijk bloed waren: de Engelse koningin Elizabeth II en prinses Margaret, de Deense koningin Margaretha II en de prinsessen Benedikte en Ingrid, en de Zweedse koningen Gustav Adolf VI en Carl Gustav XVI. En in Luxemburg hebben we ook nog de echtgenoot van Joséphine Charlotte: groothertog Jan I.

Kwik,Kwak

En toch zijn dat niet de allerbekendste en trouwste scouts! Zonder enige twijfel komt die eer toe aan… de neefjes van Donald Duck: Kwik, Kwek en Kwak.

Al sinds 17 oktober 1937, de dag dat ze bij hun oom werden gedropt door hun moedereend, Dumbella, die daarna niks meer van zich liet horen, zijn ze lid van de Jonge Woudlopers en lossen op een echte scoutingmanier de problemen van oompje Donald op als die zich weer eens in de soep heeft gewerkt. Scouts helpen toch waar ze kunnen, nietwaar?

Frans DEPEUTER

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 14 juillet 2014 1 14 /07 /Juil /2014 05:38

 

De ordening van mijn foto-archief vordert traag maar zorgvuldig en gestaag. Hier werden al af en toe foto's uit de uit de oude doos gepubliceerd. Dat werd duidelijk door de lezers op prijs gesteld... Hier dus nog eens een eerder toevallige reeks, wel chronologisch geordend. Ik heb nog heel veel in petto, be sure!

 

(1977) Kasteel van Ham te Steenokkerzeel..

.

RENIERsteenokkerzeel77.jpg

Ivo Raes, Renier van der Velden pp (1910-1993), Henri-Floris Jespers pp  en “Suske”, de vriendin van Renier (Gabriela Truyen, maar zo kende niemand haar; + 21 november 2007).

Steenokkerzeel77twee.jpg

Henri-Floris Jespers pp, Grace van den Broeck (1911-1996, moeder van Hugues C. Pernath) en minister van Cultuur Rika de Backer (1923-2002)

Steenokkerzeel77drie.jpgDichteres prof. dr. Annie Reniers en dr. Michel Oukhow pp (1926-1997). Onzichtbaar (rechts): prof. dr. Paul Hadermann

Yvettesteenokkerzeel77.jpg

Yvette Burssens (1922-1995) en ambassadeur Karel Coeckx (1924-2002)


(1979) VECU, Antwerpen


VECUmara.jpg

Nic van Bruggen pp  (1938-1991), Jetty Roels, Walter Beckers pp, Pol (1920-1998) en Maria Mara, VECU-voorzitter Gustave “Staf” Breugelmans (1930-2007)

 

(1980) Tentoonstelling Mark Verstockt (1930-2014) in VECU, 20 oktober 1980.

 

VerstocktVECU.jpgAdé

Op zijn onnavolgbare wijze leidde prof. dr. Georges Adé pp (1936-1992) de tentoonstelling in. Die merkwaardige tekst verscheen in VECU-Express (jg. IV, nr. 4, februari 1981): “De phaenomenologie van Verstockt, of hoe het bestaan meetkundig geestiger kan worden”...

 

ConradSasson.jpg

Op 29 oktober hield de befaamde filmcriticus Selim Sasson (1929-2002) een lezing in VECU. Hij werd ingeleid door Patrick Conrad pp, die niet naliet te benadrukken dat de populaire en deskundige tv-vedette de eerste en uiteindelijk, ja, een van de zeldzame Belgische critici was, ik citeer letterlijk: “à défendre – non sans courage et ténacité – mon film Slachtvee, face à l'incompréhension et l'intolérance de nombreux de ses confrères flamands”...

ConradVaderZoon.jpg

Jean-Pierre Conrad (1920-1983), Patrick Conrad pp, Selim Sasson (1929-2002) en Robbe de Hert

 

Alles wordt zorgvuldig bewaard in mijn persoonlijke archief. Het staat echter iedereen vrij foto's te “delen”, mits vermelding, uit hoffelijkheid, van “privé-collectie Henri-Floris Jespers”.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 6 juillet 2014 7 06 /07 /Juil /2014 20:00

 

2jongeVlamingen

Op 18 juni werd in Vooruit te Gent het boek Twee jonge Vlamingen in Den Grooten Oorlog van Herman Balthazar en Nico Van Campenhout voorgesteld. Ruim 300 mensen waren aanwezig. Een zeer succesvolle avond, naar verluidt ook voor Paul Luyten van boekhandel Walry en stichter van Confituur, de belangenclub van de onafhankelijke boekhandels. De twee auteurs werden aan een literair verhoor over het boek en hun verhouding tot de twee jonge Vlamingen onderworpen door Marc Reynebeau, wat hem wel ligt, in tegenstelling tot het schrijven van columns voor De Standaard. Ze zijn van oppervlakkig niveau en etaleren meer ijdelheid dan kennis over de behandelende onderwerpen.

Alvorens de twee auteurs naast Marc Reynebeau plaatsnamen, hield Stefan Hertmans een inleiding. Dat was pas klasse. In zoverre dat wij haar hebben opgevraagd. Door allerlei redenen heeft het even geduurd, maar uiteindelijk belandde ze in mijn mailbox met de mededeling dat zowel hijzelf, als de twee auteurs geen bezwaar hadden tegen publicatie. Prachtig. Met de publicatie wordt die niet alleen openbaar, maar ook in de geschiedenis van de literatuur opgenomen. Genoeg gepraat. Ziehier de inleiding.

Guido LAUWAERT

*

Dames en Heren,

Ik heb twee decennia in het Patershol gewoond, in het huis waar de bekende Gentse historicus Adriaan Verhulst opgroeide. Verhulst schreef later zijn memoires, onder de weinig aan de verbeelding overlatende titel: Zoon van een foute Vlaming. In dat huis vergaderden namelijk, tijdens de tweede Wereldoorlog, op het gelijkvloers, enkele nazi-officieren met zijn vader bij de haard, waar een buste van Hitler prijkte. Op de eerste etage verbleef geregeld een jongedame die stiekem voor het verzet werkte en schreef.

De fysieke, haast intieme nabijheid van deze twee voor ons zo onverzoenlijke politieke strekkingen heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken. Het tekent ook een realiteit waar we ons in retrospectief al te vaak aan onttrekken: hoe verwarrend dicht bij elkaar de tegengestelde stromingen van collaboratie en sociaal bewustzijn soms kwamen in de dagelijkse realiteit.

In het belangwekkende boek dat hier vanavond wordt voorgesteld, kan men lezen waar de wortels lagen van deze verwarrende werkelijkheid. In de dagboeken van de jonge Gust Balthazar, zowel als in die van de jonge Leo Picard, kan men lezen hoe het Vlaams activisme, zelfs bij progressief georiënteerde jongelui, van bij zijn aanvang gevoelig was voor de sirenenzang van het zogenaamde Pan-Germanisme: de droom dat Vlaanderen met Duitsland, Nederland en zelfs de Scandinavische landen in een soort grote Germaanse landenbond zou worden opgenomen.

Terwijl eenvoudige infanteristen zoals mijn grootvader op gevaar van leven en dood strijden achter de IJzer tegen de moordende machine die de Duitsers op het haast weerloze België hebben losgelaten, terwijl het geheugen van de Vlaamse literatuur nota bene reeds in de eerste oorlogsdagen werd platgebrand met de misdaad op de Leuvense universiteitsbibliotheek, schrijft Leo Picard doodgemoedereerd dat Vlaanderen nu eindelijk bevrijd wordt door het Germaanse broedervolk. Het zijn haast schokkende dingen om te lezen, wanneer men niet in gedachten houdt dat hier jonge, nog onervaren jongens spreken die naïefweg droomden van een Vlaanderen dat eindelijk verlost zou zijn van de Franstalige vernederingen en onderdrukking in de Belgische context. Een situatie die zij moeiteloos konden duiden in het kader van een sociale strijd om meer rechten voor de werkende Vlaming. Flamingantisme, bij velen zelfs tot en met sympathie voor de funeste Flamenpolitik  van de Duitsers – die doelbewust de Vlaamse actoren tegen elkaar opzette, bijvoorbeeld in de periode van de Von Bissing-universiteit – kon moeiteloos hand in hand gaan met vurig sociaal engagement. Waar voor ons de scheidslijn tussen links en rechts in de decennia na de Tweede Wereldoorlog duidelijk liep langs lijnen van progressief internationaal socialisme versus een conservatief nationalistisch discours, was die situatie volstrekt anders voor de Vlaams activisten, de Antwerpse dichter Paul Van Ostaijen bijvoorbeeld inbegrepen. Het betekent dat we omzichtig moeten omspringen met waardeoordelen en moeten proberen te begrijpen dat zelfs onze huidige politieke situatie – denken we aan de manifesten van de Gravensteengroep hier in Gent - hier en daar nog sporen vertoont van een denken dat dwars door de geijkte clichés heen probeert te lopen – met wisselend succes, overigens.

Op die manier voelt ook de briljante jongsocialist Gust Balthazar zich al snel geklemd tussen twee polen: enerzijds een duidelijk flamingantische inspiratie, die hem ertoe drijft tijdens zijn krijgsgevangenschap de spil te worden van de Vlaamse Beweging in het kamp, omdat ook hij lijdt onder de vernederingen van de hogere Franstalige militaire leiding in België. Anderzijds beseft Balthazar al snel dat een te radicale Vlaamse Beweging zich schuldig maakt aan destructieve collaboratie met de vijand.

De evolutie in zijn denken is zelfs in het krijgsgevangenkamp reeds zeer duidelijk. Bij een bezoek van Borms en een aantal Vlaams-activisten zegt hij: “Ik ben passief en mijn overtuiging is oprecht. Ik heb eerbied voor alle mensen die niet denken zoals ik. Gij handelt uit liefde tot het land en het volk, ik ook. Hoe zouden we dus aan elkaar geen eerbied verschuldigd zijn! Het is voor mij geen reden u te veroordelen, omdat mijn regering u veroordeelt. Ik begrijp uw strijd, maar sta niet in uw rangen’. Een vorm van hoffelijkheid die we heden te dage node moeten missen op de sociale media.

Op die manier geprangd tussen twee polen, ontwikkelt Balthazar, net als Leo Picard later, een geheel eigen visie waarin Vlaams bewustzijn binnen een pragmatische ideologische context moet worden benaderd om het te laten sporen met strijden voor sociale rechtvaardigheid.

De combinatie van deze beide grootheden is tot op de dag van vandaag een heikele aangelegenheid gebleven. Aan hun Vlaams bewustzijn zijn ze trouw aan een vorm van nationalisme verschuldigd, aan hun sociaal bewustzijn trouw aan het internationalisme van de arbeidersbeweging. Hoe moet men internationale solidariteit – proletariërs aller landen, verenigt u! – koppelen aan een op louter Vlaamse rechten gebaseerde nationalistische politiek? Welke solidariteit krijgt de voorrang wanneer puntje bij paaltje komt? De kreet van Jean Jaurès, dat men geen Franse arbeiders tegen Duitse arbeiders moet laten vechten omdat het eerst en vooral om een klassenstrijd moet gaan, vindt in de links-flamingantische boegbeelden een van haar meest pijnlijke, want verscheurende varianten. Van sociaal bewogen figuren als August Balthazar weet men hoezeer solidariteit met de werkende klasse zijn hele politieke loopbaan zou gaan beheersen, zelfs in en door de strijd om de Gentse coöperatieven en het failliet van de Bank van de Arbeid, maar in de dagboeken leest men nog geen bekommernis voor, om maar iets te zeggen, de lotgenoten in de Waalse steenkoolbekkens, nochtans broeders in de socialistische strijd. De afkeer van de Franstalige bourgeoisie in Vlaanderen verhinderde vooralsnog een bekommernis voor bijvoorbeeld het anderstalige proletariaat dat in dezelfde staatstructuur om zijn rechten vocht. Later, in het kader van de BWP en de Belgische politiek, wordt Balthazar uiteraard wel de grote pragmatische politicus die zich van dergelijke anomalieën bewust is, en schrijft Picard op zeer genuanceerde wijze over sociale strijd en Vlaams bewustzijn. Toch eindigen beiden hun leven zoals ze het begonnen zijn: tussen twee stoelen in, en vandaar ook opzij geschoven door andere actualiteiten.

Deze schizofrenie aan de flamingante progressieve zijde, ontstaan tijdens de periode van het activisme, tekent tot op vandaag de debatten over de betekenis van engagement en emancipatie in Vlaamse en internationale context – denken we maar aan het recente, enigszins pijnlijke debat tussen Abou Jahjah en Peter de Roover in DeStandaard van vorige week.

De dagboeken van de beide jongelingen Balthazar en Picard, neergeschreven in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog, getuigen van intense pogingen om deze problematiek door te denken in een context die hun niet altijd de kans gaf zich grondig te informeren.

Zo kan men zich verbazen over het haast volledig ontbreken van reflecties over de internationale context die tot de brutalisering van de Belgische integriteit van het grondgebied had geleid. Ergens vermeldt Picard dat de Entente ons in de armen van Euraziatische barbarij heeft gedreven (hij bedoelt het bondgenootschap tussen Rusland, Engeland en Frankrijk), en mijmert Balthazar dat we ons door en door bewust moeten zijn van “ons niets-zijn in gans de tegenwoordige wereldgebeurtenis”, of verzucht hij dat we het juk van de decadente Franse cultuur moeten afgooien, maar de Servische kwestie, het afbrokkelen van het Midden-Europees machtsevenwicht van de Habsburgse dynastie, de problematische Duitse machtsconcentratie, en juist de nationalistische absurditeiten die tot de patstelling tussen de Triple Entente en de Triple Alliantie hebben geleid - het blijft onuitgesproken voor deze bevlogen jonge Vlaamsnationalisten.

Net omwille van de historische beperking die hun visies noodgedwongen nog moest domineren voor zij de grote, betekenisvolle figuren werden die zij in zich hadden, zijn de hier gepresenteerde en gewetensvol gedocumenteerde dagboeken van aangrijpende waarde. De historische nuancering werkt hierdoor ook als een vorm van rehabilitatie. Ik feliciteer graag Herman Balthazar en Nico Van Campenhout met deze acribische en betekenisvolle uitgave, die volgens mij haar plaats verdient in de rij publicaties die ons historisch bewustzijn kunnen verfijnen en verder documenteren. Het is dit historisch bewustzijn dat we nodig hebben, om elkaar vandaag de dag ook beter, serener en genuanceerder te leren debatteren.

Stefan HERTMANS

Zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-twee-jonge-vlamingen-in-de-grooten-oorlog-123882770.html

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 6 juillet 2014 7 06 /07 /Juil /2014 05:38

 

Kopie-van-Rochtus_Verdoodt.jpg

Onder professoren: Dirk Rochtus en Frans-Jos Verdoodt

Op 6 augustus aanstaande beëindigt prof. dr. Frans-Jos Verdoodt (°1939) zijn functie als voorzitter van het ADVN. Hij wordt opgevolgd door prof. dr. Dirk Rochtus (°1961) (KULeuven, campus Antwerpen). Verdoodt was een van de oprichters van het ADVN en gedurende dertig jaar afgevaardigd bestuurder en later ook voorzitter van het centrum. Het ADVN werd opgericht in 1984 als één van de privaatrechtelijke archiefcentra in Vlaanderen. Sindsdien groeide het uit tot het centrum voor erfgoed en onderzoek over het Vlaams-nationalisme en de Vlaamse beweging in hun brede en internationale context. Daartoe behoren o.a. de andere nationale bewegingen in Europa, de theorievorming omtrent nationalisme en thema’s zoals natie en identiteit. Het ADVN publiceert daarover driemaandelijks in de ADVN-Mededelingen  en in Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is een landelijk cultureel-archiefcentrum dat werd opgericht in 1984. Vanuit een open maatschappelijke geest en gesteund op een wetenschappelijke methodologie verzamelt, bewaart en beheert het ADVN het erfgoed omtrent de Vlaamse beweging en het stelt dat erfgoed open voor alle geïnteresseerden.

Het verzamel- en studieterrein plaatst het erfgoed in zijn brede historische en thematische context, waartoe de nationale bewegingen als maatschappelijk-filosofisch verschijnsel behoren.

Het heeft daarbij ook aandacht voor de thema’s die ermee verbonden of ervan afgeleid zijn zoals culturele identiteit, natievorming en migratieprocessen.

Over die onderwerpen verzamelt, bewaart, beheert en ontsluit het ADVN historische en actuele bronnen zoals brieven, verslagen van vergaderingen, notities, scripten, foto’s, affiches, films, vlaggen, museale voorwerpen, geluidsopnamen, boeken, brochures, kranten, tijdschriften, knipsels en pamfletten.

In de leeszaal van het ADVN worden de bronnen ter beschikking gesteld voor onderzoek.

Het ADVN voert ook zelf wetenschappelijk onderzoek uit en maakt de resultaten daarvan bekend langs colloquia, tentoonstellingen, lezingen, publicaties en andere publieksgerichte realisaties. Een belangrijke rol bij de stimulering van het onderzoek spelen de tijdschriften ADVN-Mededelingen  en Wetenschappelijke tijdingen  (Wt).

Het ADVN is medebeheerder van Archiefbank Vlaanderen en de ODIS-databank over intermediaire structuren in Vlaanderen. In het NISE-netwerk coördineert het ADVN een internationaal netwerk van erfgoed- en onderzoekscentra voor de vergelijkende studie van de nationale bewegingen in Europa.

*

Frans-Jos Verdoodt heeft het ADVN opgericht in maart 1984 als een wetenschappelijk project. In tegenstelling tot de katholieke, liberale en socialistische bewegingen, beschikte het Vlaams-nationalisme – en bij uitbreiding de Vlaamse beweging – over geen specifiek archief- en onderzoekscentrum met wetenschappelijke aspiraties.

Verdoodt heeft die leemte niet alleen opgevuld, hij verruimde ook systematisch de focus van zijn instelling: van het Vlaams-nationalisme naar de breedst mogelijke Vlaamse beweging, van de Vlaamse beweging naar de nationale bewegingen over geheel Europa, van een Vlaams onthaalcentrum voor archief en documentatie naar een wetenschappelijk onderzoekscentrum met een internationale dimensie, van een neutrale onthaalinstelling voor archieven naar een uitvalsbasis voor culturele publiekswerking en een forum voor nieuwe historiografische publicaties. Ook de afgeleide aspecten van de Vlaamse beweging kwamen ruim aan bod, bijvoorbeeld de theorievorming rondom natie en identiteit, de repercussie van emigratie- en immigratiebewegingen op de natievorming en de geschiedenis van de Vlaamse migranten in de wereld.

Parallel met zijn ADVN-opdracht, bouwde Verdoodt in Vlaanderen en Nederland een academische loopbaan uit, als docent en publicist. Dat tweevoudig engagement van archiefdirecteur en docent stelde hem onder meer in staat om – naast het ADVN – het tijdschrift Wetenschappelijke tijdingen voor de geschiedenis van de Vlaamse beweging  te redigeren en om te vormen van een strijdend medium tot een puur wetenschappelijke publicatie. Daarnaast bleef Verdoodt een loopbaan lang actief in de literaire sector, als dichter, als essayist en als voorzitter van een aantal literaire prijzen.

Verdoodt was ook de historicus die in 2000 op de IJzerbedevaart in Diksmuide het Historisch pardon  uitsprak over de collaboratie van een groot deel van de Vlaamse beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In datzelfde kader bouwde hij de Voorwaartsgroep  uit, een brede groep van progressieve, vooral linkse intellectuelen die pleitten voor een genuanceerde visie op de problematiek van collaboratie, verzet en repressie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Verdoodt is vandaag eveneens actief in de Gravensteengroep, een burgerinitiatief van progressieve kunstenaars, journalisten, filosofen en historici die kritisch reflecteren op de politiek in Vlaanderen.

*

Dirk Rochtus doceert internationale politiek, Europese politiek en Duitse geschiedenis aan de KULeuven (o.a. masteropleiding journalistiek). Hij is ook senior fellow van het Zentrum für Europäische Integrationsforschung (ZEI) van de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn.

Hij publiceerde over Turkije, over Duitsland en over de theorie van het nationalisme en het federalisme. Over al die materies houdt hij regelmatig voordrachten en gastcolleges in binnen- en buitenland en publiceert hij opiniestukken in De Standaard, De Morgen, en op www.deredactie.be  en www.knack.be. Van zijn hand verschenen ook de boeken Turbulent Turkije  (2011) en Dominant Duitsland  (2013).

Rochtus is lid van de adviesraad van de Emiel Verhaeren Stichting, lid van de Expertencommissie Overheidscommunicatie in het Vlaams Parlement en bestuurder van het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (VLEVA). Als gewezen extern adviseur van de Raad van Europa lichtte hij, tijdens verschillende in Rusland georganiseerde conferenties over federalisme, Russische ambtenaren in over de werking van het Vlaams Buitenlands Beleid. Hij ontving, net als wijlen Jan Hoet, het Bundesverdienstkreuz, de hoogste civiele onderscheiding van de Bondsrepubliek Duitsland.

Net als Verdoodt, kan Rochtus een ruime bibliografie voorleggen omtrent zijn diverse specialismen en belangstellingsthema’s.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 16 juin 2014 1 16 /06 /Juin /2014 19:59

 

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---085.jpeg

Naar aanleiding van het herdenkingsjaar 2014, organiseert het Vredescentrum maandelijks een lezing over Antwerpen tijdens WO I. In de mooie zaal van het Sint Bernarduscentrum (het voormalige bisschoppelijk paleis) kwamen gisteren onder ruime belangstelling prof. dr. Dirk Rochtus en Henri-Floris Jespers aan het woord.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---033.jpeg

Dirk Rochtus schetste de context waarin de Duitse visie over ‘Kultur und Zivilisation’ en de ‘Ideen von 1914’ zich ontwikkelden en hoe zich dat alles vertaalde in het beleid van de Duitse overheid tegenover Vlaanderen.

HFJduo5.jpeg

Henri-Floris Jespers ging in op het culturele leven in de lamgelegde metropool, waarbij hij zich beperkte tot schilderkunst, toneel en literatuur.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---097.jpeg

Tot slot werd onder moderatorschap van prof. dr. Annick Schramme overgegaan tot de dialoog met het bijzonder aandachtige publiek. Ook daarbij werd door beide sprekers een aantal cliché's en misvattingen doorgeprikt.

Antwerpen-14-18-Duo-lezing-HFJ-ROCHTUS---094.jpeg

Onder de aanwezigen: prof. em. dr. Christian Berg, René Broens, Sven Christhansson, Mieke De Loof, Rina Stevenin, Patricia Van Goel Dejean, Guy van Turnhout Hellemans en Sylvain Wagenaar.

Fotoreportage: © Jan Scheirs.

 

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 13 juin 2014 5 13 /06 /Juin /2014 05:48

Naar aanleiding van het herdenkingsjaar 2014, laat het Vredescentrum maandelijks een gerenommeerd spreker aan het woord over Antwerpen tijdens WO I. Na een reeks van succesvolle lezingen komen op zondag 15 juni prof. dr. Dirk Rochtus en Henri- Floris Jespers aan het woord. Zij vertellen over kunst en cultuur in de bezette stad.

Ook in het Antwerpen van 1914 tot 1918 bloeiden kunst en cultuur. Denken we maar aan grote namen als Paul van Ostaijen en de gebroeders Oscar en Floris Jespers.

PVOflorisoscar

Paul van Ostaijen, Floris en Oscar Jespers (Atelier Floris Jespers, Oude-God, 1918)

De Duitse bezetter oefende invloed uit op het culturele leven van de havenstad waar al vanaf de 19de eeuw een grote Duitse aanwezigheid bestond.

Dirk Rochtus schetst de context waarin de Duitse visie over ‘Kultur und Zivilisation’ en de ‘Ideen von 1914’ zich ontwikkelden en hoe zich dat alles vertaalde in het beleid van de Duitse overheid tegenover Vlaanderen. Henri-Floris Jespers gaat in op het leven en werken van grote namen uit de kunstwereld.

Zondag 15 juni 2014 om 11u, Bernarduscentrum, Lombardenvest 23, 2000 Antwerpen. Toegang: 5 €.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Jeudi 12 juin 2014 4 12 /06 /Juin /2014 04:54

 

2jongeVlamingen.jpg

Twee auteurs, beiden historicus, hebben een boek geschreven als aanvulling op de geschiedenis vóór, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, maar ook als moreel verslag van twee Vlamingen die politiek actief zouden worden: Leo Picard en August Balthazar.

De eerste is een geleerde burgerzoon en de tweede een autodidact, afkomstig uit een arbeidersgezin. Ze hebben los van elkaar een oorlogsdagboek bijgehouden, en dat was de aanleiding de aanloop naar hun volwassenvorming uit te spitten. Het geeft tevens een mooi beeld van de evolutie van hun carrière. Wie de betekenis van prominente figuren uit onze Vlaamse geschiedenis, binnen de Belgische, en langs de internationale scheert, moet beginnen bij het beginnende begin.

Em. Prof. Dr. Herman Balthazar [Gent, 1938], heeft zich toegespitst op een voorouder, August Balthazar [1893-1952]. De Lokerse stadsarchivaris Nico Van Campenhout, studeerde geschiedenis aan de KULeuven, waar em. Prof. Dr. Lode Wils en wijlen em. Prof. Dr. Reginald De Schrijver zijn voornaamste leermeesters waren. Hij verdiepte zich in Leo Picard. Van Campenhout is een groot kenner van de politieke en socio-culturele geschiedenis van België en in het bijzonder van de Vlaamse Beweging.

De twee dagboeken’, volgens beide auteurs in het voorwoord, ‘… zijn subjectieve egodocumenten.
Wat logisch is. Elke auteur van welke vorm van literatuur ook, vertelt zijn verhaal op zijn manier. Het is niet enkel logisch maar ook leerzaam. Het subjectieve schetst het karakter en de geestelijke vormgeving van de auteur. Het mooiste voorbeeld is het dagboek van Anne Frank. Dat het zoveel succes kent, komt door een totaal gebrek aan objectiviteit. De geschiedenis wordt verteld vanuit een eigen concept en visie.

De twee dagboeken, aanleiding tot dit boek, werken tevens versterkend op het verhaal van Herman Balthazar en Nico Van Campenhout, die, hoewel historici dat trachten te bestrijden, toch ook subjectief zijn. Wat weer aanleiding geeft op nieuwe visies, omgezet in artikels en boeken. En zo blijven we bezig. De waarheid wordt nooit achterhaald, simpelweg omdat die nu eenmaal niet bestaat. Achter elke geschiedenis schuilen meerdere geschiedenissen. Anders gezegd: Een historicus is een literaire speleoloog. Via de individuele wereld onderzoekt hij de aarde van de gemeenschap, op kleine zowel als op grote schaal, maar ook op de kruisbestuivingen tussen het culturele heelal en de politieke planeet. Wat ook fraai is, en daar zullen beide historici het [hoogstwaarschijnlijk] met me eens zijn, is dat elk historisch werk uitnodigt op verder speurwerk. De geschiedenis kent geen einde, zolang de aarde en dus de wereld bestaat. Het heden bestaat dankzij het verleden én de toekomst.

Dat is wat beide heren voor ogen heeft gestaan, en waarom ze de dagboeken laten volgen op de wordingsgeschiedenis van hun twee helden. En kijk, door die opstelling ga je de twee aspecten van dit boek beter begrijpen. De portrettering van August Balthazar en Leo Picard verscherpen de dagelijkse verslagen, en de dagboeken versterken de positie en de visie van de twee historici. Een derde, bijzonder aangenaam, aspect is dat er een nieuw tipje gelicht wordt van de evolutie van het socialistisch gedachtengoed, de BSP intern en extern.

Ik kan mij bovendien niet van het gevoel ontdoen dat zowel Herman Balthazar als Nico Van Campenhout een wijsvinger hebben opgestoken. Ze hebben twee figuren gekozen met karakter en wijsheid, die ze via hun maatschappelijk engagement wisten uit te werken ten bate van de minder bedeelden. Zij hebben hun broden en vissen vermenigvuldigt en ze op alle tafels gezet. Neem en eet, gij allen, wie of wat gij ook zijt. Een zeer subjectieve gedachte, maar allerminst een negatieve, gezien het gebrek aan leiders met ballen in de huidige socialistische beweging.

De presentatie van het boek is op woensdag 18 juni om 19u30 in de Balzaal van Kunstencentrum Vooruit, Gent. Iedereen is welkom. Bevestiging van uw komst via boekhandel@walry.be is niet verplicht maar aangewezen, wil je na afloop van de plechtigheden niet verwezen wordt naar de bodem van de fles en met een vinger de schotel mag aflikken.
Van plechtigheden gesproken. De inleiding gebeurt door Stefan Hertmans, gevolgd door een bondig gesprek van Marc Reynebeau met de twee historici.

Guido LAUWAERT

 

Twee jonge Vlamingen in den Grooten Oorlog – Herman Balthazar & Nico Van Campenhout – Uitgeverij Lannoo – EAN 9789401411486 – 24,99 euro

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Mercredi 11 juin 2014 3 11 /06 /Juin /2014 20:03

 

verbeken.jpg

Sinds een aantal jaren is café Rood-Wit (Generaal Drubbelstraat 42 te 2600 Berchem) een echt cultureel centrum geworden, waar je, dank zij de vzw De Boog, allerhande literaire manifestaties kan meemaken. Gisteren was Pascal Verbeken uitgenodigd om Wallonië in de kijker te zetten via een buitengewoon boeiende documentaire, 'La Terre promise' (RTBF& VRT-Canvas). De film is in de eerste plaats een eerbetoon aan August De Winne die in 1902 met het boek Arm Vlaanderen de aandacht trok. Voor Pascal Verbeke was dit een revelatie en algauw de aanleiding om de toestanden die De Winne aanklaagde te vergelijken met wat er sindsdien in Vlaanderen en Wallonië is gebeurd.

Om te beginnen las hij enkele fragmenten voor uit De Winnes boek waarin de ellendige levensomstandigheden van wevers in Zele werden beschreven; wat er in de lucifersindustrie in Geraardsbergen aan de hand was, dàt tart al evenzeer de verbeelding. Voor Verbeken was dit alles een doorslaggevende reden om in die streek op onderzoek te gaan en met de laatste, al zeer oude getuigen te spreken – met Vlamingen die naar Wallonië waren uitgeweken om er o.a. te gaan werken in de Borinage: een 500.000 sukkelaars meestal met een groot gezin en een katholieke achtergrond. In de diepste mijn van Europa zouden velen van hen langzaam maar zeker sterven door de nefaste invloed op hun longen van al het stof dat ze in het steenkoolbekken dag in dag uit inademden.

De reactie van hun Waalse collega's was niet bepaald positief; ook de pastoors lieten van zich horen, bevreesd als die waren voor de invloed van het opkomende socialisme. Voeg daarbij de Waalse bezorgdheid om een volkomen Franstalige Wallonië te behouden, en de sfeer waarin de Vlamingen moesten leven tekent zich duidelijk af. Hun kinderen werden door henzelf onder druk gezet om Frans te leren, wat hen mogelijk een grotere kans zou kunnen geven om later een minder miserabel leven te leiden.

Ook Gaston Durnez, die in De Standaard verslag uitbracht over het wel en wee van de Vlamingen, kwam in beeld.

Na de uitzending vormde de manier waarop de meeste Vlamingen zich ondanks alles assimileerden een thema waarbij het publiek werd betrokken. De Vlaamse migratie komt inderdaad op een uitzondering neer, toch als men hiermee de mentaliteit van hedendaagse migranten vergelijkt die juist hun eigen cultuur in stand proberen te houden.

*

Het volgende project van Pascal Verbeken handelt over Miavoye, waar Paul van Ostaijen overleed. (Meer over dit project in Mededelingen nr. 229-230, 28 april 2014, p. 16 – ook online te lezen: http://mededelingen.over-blog.com/article-paul-van-ostaijen-nieuwe-druk-van-bezette-stad-123442454.html )

Miavoye, een bedevaart naar Paul van Ostaijen, verschijnt 15 oktober bij De Bezige Bij Antwerpen.

Zie: http://republiekmoscou.wordpress.com/

Lucienne STASSAERT

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 6 juin 2014 5 06 /06 /Juin /2014 02:12

 

ADVN.jpg

Zo luidt de titel van de voordracht die Ine Van inthout op vrijdag 20 juni  houdt in het ADVN te Antwerpen.

De meeste studies over het thema 'België en het Derde Rijk' onderzoeken de periode van de Tweede Wereldoorlog vanuit Belgisch perspectief. Ze bestuderen de militaire operaties, de impact van de bezetting op het politieke, economische, culturele en dagdagelijkse leven, de verschillende vormen van collaboratie en verzet, de deportaties.

In het lopende onderzoek van Ine Van linthout wordt de focus verschoven naar het Derde Rijk tijdens de twaalf jaar van zijn bestaan (1933-1945). Centraal staat de vraag wat er in nazi-Duitsland achter de schermen van de ministeries, in de propagandarichtlijnen en in het publieke discours over België werd gezegd. Er wordt gekeken naar de correspondentie, notities en verslagen van politieke instanties. Er wordt onderzocht met welke directieven, aanbevelingen en censuurmaatregelen gepoogd werd het discours over België te reguleren. Ten slotte wordt nagegaan wat de Duitse bevolking daadwerkelijk over België te lezen, te horen en te zien kreeg in de vorm van boeken, pers- en radioberichten, films, tentoonstellingen en andere activiteiten. De lezing licht enkele cases uit het reeds gevonden materiaal.

Ine Van linthout is Germaniste van opleiding. Ze doctoreerde aan de Berlijnse Humboldtuniversiteit en de Universiteit Antwerpen over de rol van het boekmedium voor de nazi-propagandapolitiek. Haar dissertatie verscheen in 2011 bij de Gruyter. Momenteel is ze onder meer als postdoc-onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de Ugent.

*

De voordracht vindt plaats op 20 juni in de leeszaalvan het ADVN (Lange Leemstraat 26, 2018 Antwerpen) en start om 14u30. Nadien is er een facultatieve rondleiding in het ADVN.

Bent u geïnteresseerd? Inschrijven kan langs publiekswerking@advn.be.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 21 avril 2014 1 21 /04 /Avr /2014 12:22

 

JosChabert.jpg

Voor de goede orde. Dit verhaal speelt zich af toen er nog geen sprake was van gewesten en deelregeringen. De macht van het land zat nog volledig in de Wetstraat.

Op 13 februari 1973 zat Jos Chabert zich in te werken. Hij nam een dossier van een krimpende berg, keek het in en legde het daarop op een groeiende berg. Hij was drie weken minister, en dan nog wel van het aartsmoeilijke departement van Cultuur. Altijd klagers, bedelaars en als je ze wat toestopte kon er geen woord van dank af. Nooit was het genoeg. Na de zoveelste zucht bij het sluiten van een dossier stormde plots zijn kabinetschef binnen. ‘Meneer de minister’, zei Johan Fleerackers. ‘We zitten met een probleem, een groot probleem.’

De minister keek op. Johan was normaal de rust zelve. Een staatsgreep? Een kathedraal in brand? Zo erg was het nu ook weer niet, maar erg was het wel. ‘De burgemeester van de Vorst, eigenaar van Vorst-Nationaal, heeft de Nacht van de Poëzie verboden?’ – ‘Nacht van de Poëzie, Nacht van de Poëzie, wat is dat voor iets? Heb ik daar een dossier over?’ – De minister had er geen dossier over. Het was een initiatief dat in geen enkel straatje paste. Een mix van poëzie, spektakel, muziek, dans. En dan die organisator. Die was voor geen rede vatbaar. Financieel en administratief ongrijpbaar.

Goed. Zeer goed zou ik denken,’ zei de minister. ‘Dan is er geen probleem Johan. Want wat hebben wij met die man en zijn nacht te maken?’ – ‘U heeft gelijk, meneer de minister. Die man is geen gevaar voor ons beleid, maar de burgemeester van Vorst heeft de Nacht verboden.’ De minister begreep meteen dat door die zet het probleem in de politieke hoek zat. Hij dacht even na, liet zijn pen tussen de vingers van beide handen rollen. ‘Wat stel jij voor Johan?’ – ‘Wel, meneer de minister, die burgemeester, een zekere Jacques Lepaffe, is een FDF-er. Niet zozeer hij maar zijn partij is een stoorzender in de Wetstraat. Uit goede bron heb ik vernomen dat jonge Vlaamse Brusselaars, politici in de kinderschoenen, een ouder partijlid aan het opvrijen zijn om te interpelleren in de Kamer. Een Vlaamse manifestatie verbieden is een kaakslag voor Vlaanderen. Herinner u de uitspraak van Lode Craeybeckx uit 1954: ‘Wij laten Brussel niet los.’ Er was al rumoer maar die uitspraak was het begin van de politieke taalstrijd.’

En van wie mogen die kinderschoenen dan wel zijn?’ vroeg de minister. – ‘Eric van Lerberghe van de CVP, Annemie Neyts van de PVV, Ivo Goris van de Volksunie en Jari Demeulemeester van de BSP. Ze zitten in het bestuur van de Vlaams-Brusselse Jeugdclub, en die organisator heeft bij de club onderdak en steun gevonden. Het dreigt een financieel fiasco te worden, en daarom dat ze alle politieke registers opentrekken.’ De minister nam een slok van zijn inmiddels koude koffie en trok een grijns. ‘Wat stel jij voor, Johan’. – ‘Het is al zover dat de Vlaamse kranten dreigen uit te pakken met klaagzangen over het onrecht dat de Vlamingen is aangedaan. Daarenboven is het jonge weekblad Knack sponsor en ik heb zonet de hoofdredacteur aan de lijn gehad, die me vroeg wat het ministerie van Cultuur van plan is.’ – ‘Frans Verleyen,’ murmelde de minister. ‘Een beminnelijk maar gehaaid man. – ‘Vooral een gecultiveerd man. Kunst en politiek staan bij hem voorop. Hij zingt liever Schubert dan het Belgisch volkslied.’

Laten we het kabinet verlaten en ons te velde begeven. De uren en dagen daarop is er dagelijks in de Kamer geïnterpelleerd, alle Vlaamse media stortten zich op de zaak. Nog even en een nieuwe Stomme van Portici was in de maak. Maar deze keer niet met een Muntsmaak maar met een Vorstzuur. Achter de schermen werden allerlei sporten beoefend om een compromis te vinden, maar de burgemeester hield het been stijf, geen Vlaamse Nacht in mijn Franse gemeente. Nochtans had hij het huurcontract een paar maanden voordien gesigneerd. Zoals dat echter gaat met politici van het derde knoopsgat, bladerde hij de signataire door en zette zijn naamkrabbel onder alles, zonder te lezen wat hij had gefiatteerd. Een foto van het contract verscheen in de media. En dan nog wel vooraan in het journaal of op de voorpagina’s. Hij had geen been om op te staan, maar had nog wel een grote mond.

De oplossing is uiteindelijk gevonden door de inschakeling van de vice-gouverneur van Brabant, Leo Cappuyns, de beslissing niet te vernietigen maar bezwaar in te dienen. De burgemeester kon daartegen in beroep gaan, de maandag daarop. De 1ste Nacht van de Poëzie op zaterdag 17 februari 1973 kon doorgaan. In de straten rond Vorst-Nationaal stonden flink gevulde rijkwachtwagens; een kleedkamer was overbezet met BOB-ers. Even voor aanvang daagde Johan Fleerackers op. ‘We hebben de zaak kunnen oplossen en de minister en ik wensen u een succesvolle nacht. Slechts één verzoek. Laat er de politiek buiten.’ – ‘Niet ik, meneer Fleerackers, heb er een politieke zaak van gemaakt. U en de minister kunnen gerust zijn. Poëzie… daar gaat het om, en de dichters zijn wijs genoeg om in hun winkel te blijven.’

Wat er zich afspeelde in het bureau van de minister is een literaire reconstructie. Niet naar de werkelijkheid. Maar hij is geschreven uit grote eerbied voor Jos Chabert. Mijn literaire spielerei is een ruiker gele rozen.

Na het gebeuren rond de eerste NvdP heb ik slechts terloops contact gehad met Jos Chabert. Maar zijn hele leven lang heb ik hem ervaren als een keurige, gecultiveerde man. Op welke ministerpost ook, altijd was hij een handig diplomaat. Hij paradeerde niet, zocht niet het podium op om er baat bij te halen. En wat hij tevens niet had: een air om je groter voor te doen dan je bent. Hij benaderde iedereen op gelijke hoogte. Hij was een zuiver Christelijk mens, met de grootste eerbied voor andersdenkenden.
Om wie en wat hij was zal ik dinsdag aanstaande op zijn uitvaart zijn. Al zal ik achteraan zitten in de Sint-Michielskathedraal, ik zal dicht bij hem zijn. Want hij was terecht een Minister van Staat. En als hij werkelijk in de hemel gelooft, dan wens ik hem een plaats in de naaste kring van God. Dit is geen vaarwel, meneer Chabert, maar een adieu. A-Dieu.

Guido LAUWAERT

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires

Pages

Créer un Blog

Recherche

Calendrier

Juillet 2014
L M M J V S D
  1 2 3 4 5 6
7 8 9 10 11 12 13
14 15 16 17 18 19 20
21 22 23 24 25 26 27
28 29 30 31      
<< < > >>

Présentation

Créer un blog gratuit sur over-blog.com - Contact - C.G.U. - Rémunération en droits d'auteur - Signaler un abus - Articles les plus commentés