Quantcast

histoire de la littérature

Lundi 20 mai 2013 1 20 /05 /Mai /2013 23:29

 

2013--17mei-026.jpg

Letterenhuis, 15 mei, van l. naar r.: Boris Rousseeuw, Maarten van Steenbergen (Lannoo), Ludo Simons en Jo Gisekin, ererector UFSIA Jean van Houtte, Lieven Sercu (Lannoo) en Kevin Absillis

Toen de bejubbelde Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen (Lannoo, twee delen, 1984 en 1987) van Ludo Simons verscheen, was in Vlaanderen voordien nauwelijks opzoekingswerk gedaan over dit thema.

In de inleiding van het eerste deel stelde Ludo Simons vast:

Het klinkt bijna ongeloofwaardig dat niemand tot nu toe de rol van het boek in de geschiedenis van de Vlaamse emancipatie als zodanig het bestuderen waard heeft geacht, al herhalen alle elkaar opvolgende geschiedschrijvers dat de Vlaamse Beweging gedurende vele decennia een in hoofdzaak literaire beweging is geweest en al beklemtonen alle historici van de Vlaamse letteren, van de weeromstuit, dat het werk van de eerste generaties van Vlaamse letterkundigen alleen begrepen kan worden wanneer men het plaatst tegen de achtergrond van de Vlaamse Beweging van hun tijd.

*

Onder zeer ruime belangstelling werd donderdag 15 mei in het Letterenhuis te Antwerpen Het boek in Vlaanderen sinds 1800.  Een cultuurgeschiedenis  voorgesteld, een volledig herwerkte en uitgebreide uitgave van Ludo Simons' eerdere publicaties.

Een cultuurgeschiedenis? Inderdaad, omdat in Vlaanderen, meer dan in andere landen, het boek nauw verbonden is met diverse maatschappelijke stromingen. Simons beschrijft ook hoe het boek in de laatste halve eeuw onderworpen werd aan marktstrategieën die het 'product' een wezenlijke mutatie deden ondergaan.

In zijn epiloog is Simons optimistisch over de toekomst: 'Het boek heeft alle innovaties van de industriële revolutie doorstaan n is vitaler dan ooit. Het boek bedoel ik dan dat verdient boek genoemd te worden'.

2013--17mei-034.jpg Kevin Absillis licht het boek toe

Het zal niemand die vertrouwd is met de legendarische zin voor humor en ironie van de erudiete Ludo Simons verwonderen dat dit lijvige naslagwerk ook gekruid is met tal van weetjes en anekdotes, wat het ook tot een boeiend leesbaar boek maakt.

2013--17mei-056.jpgLudo Simons tekent het exemplaar van Joke van den Brandt

Prof. dr. Ludo Simons (Turnhout 1939) is emeritus hoogleraar Boek- en bibliotheekwetenschap aan de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven en lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.
Hij was conservator van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven - het huidige Letterenhuis - te Antwerpen, directeur van de Antwerpse Stadsbibliotheek - de huidige Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience - en hoofdbibliothecaris van de Universiteit Antwerpen. Hij promoveerde in de Germaanse filologie bij Albert Westerlinck en schreef een aantal boeken over literatuur- en cultuurgeschiedenis.

*

Tussen het aandachtige publiek: o.m. Manu van der Aa, prof. Herwig Arts S.J., Arnold Eloy, Willem Van der Eyken, Tony Rombouts, Jean-Pierre Rondas, Leentje Saey, Marc Somers en Jo Vermeulen.

2013--17mei-068.jpgAnn Renard, directeur van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en componist

Wilfried Westerlinck

 

Ludo SIMONS, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een culturgeschiedenis, Tielt, Lannoo, 2013, 640 p., geb. met stofomslag, 49,99 €. ISBN 978 90 209 8374 6

 

Foto's: Frank Ivo Van Damme

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 20 mai 2013 1 20 /05 /Mai /2013 07:17

 

FetesGalantes.jpg

Eergisteren reikte de onvolprezen Demian mij een mooi exemplaar van Fêtes galantes ('Fantasie-stukken in Rococo-stijl') van Paul Kenis, met eigenhandige opdracht aan André de Ridder, gedateerd 8 maart 1925, 'als blijk van oude trouwe vriendschap en van hartelijke waardeering'. Het boek verscheen anno 1924 in de Keur-serie van L.J. Janssens & Zonen te Antwerpen.

Ik ben geen verzamelaar, maar zo'n exemplaar kan ik niet laten liggen.

OpdrachtKenis.jpg

Mijn waardering voor het oeuvre van de veelzijdige en razend erudiete André de Ridder (1888-1961), groeide met de jaren. Aan die vriend van grootvader koester ik warme herinneringen die ik hier en elders al publiceerde.

André de Ridder was o.m. een van de peetvaders van het Vlaams expressionisme en compagnon van Paul-Gustave van Hecke, die recent eindelijk de aandacht kreeg die hij verdient, dank zij de vorsing van Nele Bernheim en het onvolprezen literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd. Nu is het popelend wachten op de biografie van Manu van der Aa, een kolfje naar zijn hand. Wanneer krijgt nu ook De Ridder eindelijk wat hem toekomt?

De Ridder werd trefzeker door Paul Kenis onder de aandacht van de lezers van Den Gulden Winckel gebracht (XIX, nr. 6, 15 juni 1920, pp. 81-85; XIX, nr. 7, 15 juli 1920, pp. 97-99) en De Ridder herdacht uitvoerig zijn vriend Kenis in De Vlaamsche Gids van oktober 1934.

DeRIdderKenis.jpg

Mijn aandacht voor Paul Kenis (1885-1934) werd in de tweede helft van de jaren zestig aangewakkerd door zijn kameraadschappelijke epistolaire relatie met Paul van Ostaijen (in 1995 publiceerde ik in Deus Ex Machina aantekeningen bij brieven van Kenis aan Van Ostaijen). Een groot deel van het scherpzinnige kritische en essayistische werk van Kenis is verspreid over een rist tijdschriften en bleef jammer genoeg ongebundeld. Zal ik het nog mogen meemaken dat iemand daar werk van maakt? Ik vrees van niet. Soit.

KenisLetterkunde.jpg

Wat er ook van zij, Paul Kenis' verhelderend naslagwerk Een overzicht van de Vlaamsche letterkunde, na Van Nu & Straks (1930) hou ik binnen handbereik.

*

Twee vraagjes aan het adres van de erudieten onder mijn lezers.

In 1934 publiceerde het magazine De stad Antwerpen (nr. 24, 24 augustus 1934, p. 755) een volle pagina in memoriam Paul Kenis, met foto, ondertekend 'Scaldis'. Weet iemand wie achter dit pseudoniem schuilging?

Ik beschik slechts over summiere informatie over Marcel Schippers, essayist en directeur van uitgeverij 't Lantaarntje. Kan iemand mij meer vertellen?

*

Ondertussen heb ik Tango assassino van Patrick Conrad en Hugo Claus. Een hommage van Marc Didden gelezen – waarover later meer.

Henri-Floris JESPERS

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 26 avril 2013 5 26 /04 /Avr /2013 06:40

 

Vysotski.jpg

75 jaar na zijn geboorte beluisterde ik opnieuw twee haast legendarische liederen van Vladimir Vysotsky (1938-1980). Bij wijze van hommage aan de onvergetelijke Russische dichter, zanger en acteur volgen hier twee liederen, geschreven in een donker, benauwend tijdperk.

Ten eerste een opname uit de prille jaren 70, Спасите наши души, een niet zo eenvoudig te vertalen lied met rimbaldiaanse accenten en reminiscenties .Beluisteren op:


http://www.youtube.com/watch?v=oXl5ixBtjpY


Save our souls

We are diving
in neutral waters.
We can laugh at the weather
all year long,
but if they spotted us
the radars would howl
our misfortune:
(chorus)
Save our souls!
smothering drives us crazy.
Save our souls,
hurry and get us!
You there on dry land, hear us,
our SOS gets weaker and weaker
terror splits our souls
in half!
And the tension builds up,
but there is no way to go forward!
be it port
be it starboard
be it straight ahead,
a horned death
prevents us from moving!
(chorus)
But we're here by our own free will
this is our world, after all!
Have we gone mad or something,
wandering into a minefield?!
No time to panic now!
We will run aground!
said the commander.
(chorus)
We will surface at dawn,
orders are orders,
better die in daylight
than in a bleak light!
Our course is not plotted,
we have nothing, nothing!...
Please remember us!
(chorus)
Now we went up,
but there is no way out!
Full speed ahead toward the docks,
nerves taut as ropes.
This is the end of all misery,
all ends and beginnigs.
We are throwing ourselves on the docks
instead of torpedoes!
(chorus)

*

Ten tweede, een late, Engels ondertitelde opname van Охота на волков, (Wolvenjacht). Beluisteren op:

http://www.youtube.com/watch?v=ROmlFJamIuY

*

Wie niet geheel aan geheugenverlies lijdt en nog enig historisch inzicht heeft, zal wel beseffen hoeveel moed er nodig was om destijds dergelijke teksten te schrijven. (Tussen haakjes: ik heb leden van de Nomenklatura gekend die er prat op gingen dat ze dergelijke (illegale) opnames koesterden...).

*

Gij, die dit leest, herdenkt Vissotsky, de grote.

Henri-Floris JESPERS

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Vendredi 12 avril 2013 5 12 /04 /Avr /2013 04:28

 

Bert-Bevers-en-Frans-Mink--1973.jpg

Bert Bevers en Frans Mink, 1973.

Ouder worden brengt meer herinneringen met zich mee. Soms zijn die scherp, dikwijls ook vaag. Ik weet nog precies waar en wanneer ik mijn oude vriend Frans Mink ontmoette. Maar daar bestaan geen foto’s van. We stonden mee aan de wieg van de poëzie-uitgeverij WEL (waarbij onder meer Chrétien Breukers – al wil hij om redenen die mij onbekend bleven van zijn eerste bundel niets meer weten –, Jan Kostwinder, Johanna Kruit, Victor Vroomkoning en Rogi Wieg debuteerden), en trokken destijds veel met elkaar op. Op 22 februari overleed Frans tot ons, en veler, verdriet op slechts 63-jarige leeftijd. Tijdens zijn uitvaart werden er foto’s geprojecteerd. Daaronder was er een waarvan ik me absoluut niéts kon herinneren. Ik sta te biljarten (allez: ik sta te doen alsof ik van die edele sport iets begrijp), en Frans slaat mijn stoot gade. We roken allebei boven de biljarttafel, hetgeen eigenlijk een gotspe is (niet het roken an sich, maar zulks boven een biljart doen). Het bizarre is dat ik me er absoluut geen beeld van kan vormen (terwijl ik toch over een bovenmodaal geheugen beschik) wáár deze opname is gemaakt, laat staan door wie. Wat het jaartal betreft ben ik redelijk zeker: 1973. Maar wat de locatie aangaat tast ik in het duister. Waar bevond zich deze kroeg? Ik betwijfel of het in mijn geboortestad Bergen op Zoom was. Niet dat ik daar nou alle cafés wist, maar ik herken niets van het decor. Zelfs de barjuffrouw en de mannen aan de toog niet. De opname moet, afgaande op de versiering rechts bovenaan in beeld, rond Kerstmis zijn gemaakt. De consumptie van Underberg was destijds, afgaande op het rijtje flesjes links, nog erg in zwang. Was het in Tholen (waar Frans toen woonde), in Breda (waar hij in die jaren op de Kunstacademie zat), in Tilburg (waar ik studeerde) of elders (waar we wel eens kwamen om uit eigen werk voor te lezen)? Ik weet het gewoon niet meer, en dju – wat nog veel erger is – ik kan het hem niet meer vragen….

Bert BEVERS

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 24 mars 2013 7 24 /03 /Mars /2013 02:24

 

VerhaerenServaes.jpg

In een vorige aflevering (II) vroeg ik hier aandacht voor het boek van August Hans den Boef & Sjoerd van Faassen over De Stijl, Het Overzicht en De Driehoek, zopas verschenen bij Garant, de uitgever van o.m. het vaker hier gesignaleerde literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd, een absolute must voor elke literatuurliefhebber. Dat geldt trouwens ook voor de reeks 'Literatuur in veelvoud'. Ik denk hier bijv. aan nr. 17 ( Lut Misssinne & Hans Vandevoorde (Red.), Gerard Walschap. Regionalist of Europeeër? (1922-1940), 2007) of nr. 19 (Kevin Absillis & Katrien Jacobs (Red.), Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging 1950-1960, 2007); en het zou van valse bescheidenheid getuigen indien ik hier nr. 21 niet zou vermelden (Jos van Cann & Henri-Floris Jespers (Red.), Thriller versus roman, 2008).

*

Door mijn omgang met Marie Gevers (1883-1975) en Paul Neuhuys (1897-1984) heb ik altijd al belangstelling gehad voor het werk van Emile Verhaeren (1855-1916), bij leven een markante figuur van de literatuur in Europa. Stéphane Mallarmé, André Gide en Filippo Tommaso Marinetti hebben hun waardering uitgedrukt voor “le poète flamand”. In het Duitse taalgebied werd Stefan Zweig zijn vaandeldrager en biograaf. Ai Quing, de vader van de beroemde kunstenaar-dissident Ai Weiwei, publiceerde in 1932 een keuze uit zijn poëzie.

Nu heb ik het monumentale boek van Paul Servaes (°1935) Emile Verhaeren. Vlaams dichter voor Europa uitgelezen, een méér dan klassieke, gestroomlijnde biografie. Enerzijds worden leven en werk van Verhaeren breed gesitueerd in hun historische en sociologische context, anderzijds gaat auteur Paul Servaes (Sint-Amands 1935) uiterst gedetailleerd en erudiet te werk. Het strekt de auteur tot lof dat hij daarbij opiniërende stellingen zorgvuldig mijdt en louter beschrijvend te werk gaat. De auctoriële bescheidenheid en intellectuele discipline die hij aan de dag legt, maakt van zijn levenswerk een voortaan onmisbaar, objectief dossier.

De link tussen de Belgisch-Nederlandse netwerken in het modernistische interbellum en Verhaeren? De invloed van Verhaeren op de historische avant-garde (vooral op de futuristen), treffend in kaart gebracht door o.m. Dada-kenner Michel Décaudin (Sorbonne) en door Jean Cocteau-specialist David Gullentops (Vrije Universiteit Brussel).

Henri-Floris JESPERS

(wordt straks vervolgd)


Paul SERVAES, Emile Verhaeren. Vlaams dichter voor Europa, Antwerpen, EPO, 2012, 1074 p. 49.50 €. ISBN 9789491297403 · 2012.

 

Zie ook de voortreffelijke blog van Bert Bevers:

www.deboekhouding.blogspot.com

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Jeudi 14 mars 2013 4 14 /03 /Mars /2013 18:06

 

FeiningerCover.jpg

De publicaties van het Paul van Ostaijen Genootschap staan onder redactie van Matthijs de Ridder. Gisteren werd in Galerie De Zwarte Panter te Antwerpen het vijfde deel voorgesteld van de exclusieve meerjarenreeks omtrent de correspondentie van Van Ostaijen: Jedes messen der Menschen ist komparativ. De correspondentie tussen Paul van Ostaijen en Lyonel Feininger.

 

Dat PvO correspondeerde met de Duits-Amerikaanse schilder Lyonel Feininger (1871-1956) is al enkele jaren bekend. Het Letterenhuis te Antwerpen bewaart immers tien brieven van Feininger aan PvO. Matthijs de Ridder onderstreept terecht dat deze brieven tot dusver weinig werden gebruikt of geciteerd omdat alleen Feiningers kant van de correspondentie was overgeleverd en een sterk vermoeden bestond dat de belangrijkste brieven ontbraken. In 2012 werden vijf tot dusver onbekende brieven van de hand van PvO gelokaliseerd in het Lyonel Feiningerarchief van Houghton Library, onderdeel van Harvard University, Boston, MA.

De vijftien brieven verschijnen nu voor het eerst in hun volledigheid. Ze vormen niet alleen een verhelderende aanvulling op Van Ostaijens kunstopvattingen en zijn falende pogingen om een openbare rol te spelen in de Berlijnse kunstscène, maar bevatten bovendien een uitgebreide samenvatting van zijn verloren gegane correspondentie met Theo van Doesburg.

In een volgende aflevering van het ts. Mededelingen volgt een gedetailleerde recensie van deze voor het Van Ostaijen-onderzoek belangrijke publicatie.


Waren o.m. aanwezig: An Blommaert, Leen Van Dijck, Jean Emile Driessens, Kris Humbeeck, Matthijs de Ridder, Dirk Rochtus (docent Duitse cultuurgeschiedenis KUL), Dirk Rochtus (voorzitter PvO-Genootschap), Luc Rochtus, Chris Van Vliet, Frank De Vos en Jan Scheirs

HFJ

 

Jedes messen der Menschen ist komparativ. De correspondentie tussen Paul van Ostaijen en Lyonel Feininger. Bezorgd door Matthijs DE RIDDER en An BLOMMAERT, Antwerpen, Paul van Ostaijen Genootschap, 2013, 48 p., 10 €

 

2--PVO-13-maart-2013---2.jpg

Chris Van Vliet verwelkomt

DirkRochtussr.jpg

Dirk Rochtus leidt in

MatthijsFeininger.jpg

Matthijs de Ridder geeft toelichting

DikRjr

Uitgeleide door Dirk Rochtus, voorzitter van het PvO-Genootschap

 

Vorige deeluitgaven omtrent de correspondentie van PvO, zie:

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-matthijs-de-ridder-en-van-ostaijens-gebruiksaanwijzing-der-lyriek-111116678.html

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-correspondentie-paul-van-ostaijen-wies-moens-51720476.html

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-paul-van-ostaijen-in-de-zwarte-panter-84316286.html

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-brieven-over-paul-van-ostaijen-100003950.html

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Mercredi 6 février 2013 3 06 /02 /Fév /2013 12:05

ZLpege.jpg

De voorbije weken heb ik hier enkele berichten geplaatst over Wetenschappelijke Tijdingen en Zuurvrij, twee tijdschriften die je dankzij (met goed besteed) overheidsgeld voor een prikje in de bus krijgt. Gisteren ontving ik de jongste aflevering van Zacht Lawijd – nog zo'n tijdschrift dat ik gretig lees. Ik heb hier dan ook vaker de aandacht getrokken op dat tijdschrift dat mij nooit ontgoochelt (het volstaat “Zacht Lawijd” in te tikken in de rubriek “recherche”, kolom rechts, om een volledig overzicht te krijgen).

De vorige aflevering werd hier gesignaleerd op 23 november 2012:

http://mededelingen.over-blog.com/article-boeiend-als-steeds-zacht-lawijd-112740153.html

Tot mijn verbazing stel ik nu vast dat ik mijn lezers niet attendeerde op de merkwaardige aflevering (jg. 11, nr. 2, april-mei-juni 2012) gewijd aan de journalist, schrijver, modeontwerper, galeriehouder en kunstpromotor Paul-Gustave van Hecke (1887-1967), lange tijd een al te onderbelichte figuur. Onder meer in Floris Jespers en de Gay Twenties (Antwerpen, The Private Press, 1989) en verspreide bijdragen wees ik op zijn (ook internationale) rol als culturele animator. Afgezien van de onuitgegeven licentiaatsverhandeling van Bart De Volder (sterk ingekort verschenen in het Kultureel Jaarboek Provincie Oost-Vlaanderen, 1989, nieuwe reeks 31) was destijds (buiten de primaire bronnen) weinig van of over Pégé te lezen. In Les Avant-gardes littéraire en Belgique (dir.: Jean Weisgerber, Bruxelles, Labor, 1991) kwam hij – zij het zijdelings – min of meer aan bod. Dankzij de hernieuwde belangstelling voor de historische avant-garde kwam er dan eindelijk een kentering. Nele Bernheim beet zich vast in het succesverhaal van het modehuis Norine en de rol van Pégé, en Manu van der Aa besloot de biografie te schrijven van de duizendpoot Van Hecke – een hachelijke onderneming.

In ZL tekent Manu van der Aa voor de levensschets van Pégé. Nele Bernheim schetst de rol van Van Hecke als “éminence grise” achter Couture Norine, “la Coco Chanel du Nord”. Onder de wat wufte titel 'Les choses en vogue' handelt An Paenhuysen over de mondaine Van Hecke die graag Parijs in Brussel speelde maar tevens de verhouding tussen centrum en periferie kon omdraaien. Provincie en internationale avant-garde hoefden elkaar niet uit te sluiten. “Het spektakel van Parijs” kwam (naast de mythe van Berlijn en het provinciale kosmopolitisme) reeds uitvoerige aan bod in haar boeiende studie De nieuwe wereld. De wonderjaren van de Belgische avant-garde [1918-1939] (Meulenhoff/Manteau, 2010). José Boyens, experte op het vlak van leven en werk van Oscar Jespers, belicht de relaties van Pégé, Van Ostaijen, Oscar Jespers en André de Ridder. Johan Vanhecke focust zich op Johan Daisne en Pégé. Hans Renders & Sjoerd van Faassen belichten de verhouding van het tijdschrift Variétés tot het surrealisme. Peter J.H. Pauwels heeft het over “de stille weerwraak van P.-G. Van Hecke in het casino van Knokke”. (Naar mijn inzicht is hier geen sprake van “stille weerwraak” maar wel van ultieme vernedering.) Ik nam de receptie van Pégé's poëzie voor mijn rekening.

Het themanummer Van Hecke (291 p., rijkelijk geïllustreerd) werd samengesteld door Manu van der Aa, Sjoerd van Faassen, Hans Renders & Marc Somers. Het portret van Pégé en Nono dat de cover siert was een revelatie: een bijzonder, atypisch werk (1920) van Leon Spilliaert.

Van Hecke is nu voorgoed uit de vergetelheid gehaald. Dat is niet het lot van zijn even veelzijdige kompaan (en tijdelijke vennoot) André de Ridder (1888-1961), aan wie Pégé veel te danken had en die op velerlei gebied een innoverende en beslissende rol speelde.

*

In het jongste nummer van ZL maak ik dankzij Gert Selles kennis met de mij onbekende dichteres Nanda Sandbergen (1889-1979) en de soms vileine, vrouwonvriendelijke reacties op haar werk. Joris van Parys (een exacte tijdgenoot) schreef de biografie van Masereel (1995) en Buysse (2007) en werkt momenteel aan een levensverhaal van Raymond Brulez waar ik naar uitkijk. In ZL focust hij op Brulez en de befaamde Sinte Katharina Drukkerij (waarover de onvolprezen Andries van den Abeele publiceerde). De omzwerving van het gedicht 'Van op de hooge Brug' van Richard Minne wordt grondig gereconstrueerd door Yves T'Sjoen. In 'Europese uitgeefambities in het Derde Rijk' gaat de aandacht van Hans Renders naar de nazi-uitgeverijen in de afzonderlijke bezette landen die rechtstreeks vanuit de Duitse instanties in Berlijn werden bestierd. De aanwezigheid van Else Lasker-Schüler in de Vlaamse expressionistische literatuur wordt geschetst door Stefan van den Bossche.

Henri-Floris JESPERS

ZLXI4.jpg

Zacht Lawijd, literair-historisch tijdschrift,jg. XI, nr. 4 [oktober-november-december 2012], 119 p., ill. Los nummer: 9 €.

Abonnement voor een jaargang (4 nrs.): 30 €. Opgave van abonnementen bij de administratie:

België: Garant Uitgevers, Somersstraat 13-15, B-2018 Antwerpen. E: uitgeverij@garant.be

Nederland: info@letterkundigmuseum.nl

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Lundi 4 février 2013 1 04 /02 /Fév /2013 05:26

 

ToussaintVB.jpg

Fernand Victor Toussaint van Boelaere (1875-1947) heeft mij altijd geboeid, meer wellicht als personage dan als schrijver, al kon ik zijn distante stijl en de onderhuidse tragiek van zijn proza wel waarderen. Hij was een heer van stand, betrokken bij Van Nu en Straks en de stichting van de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, waarvan hij een tijdlang secretaris was) en van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, jarenlang correspondent van het Algemeen Handelsblad, voorzitter van de Vlaamse PEN-Club, bestuurslid van de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde, directeur van het Beknopt Verslag van de Senaat, directeur-generaal bij het Ministerie van Justitie ….

Vanaf de tweede helft van de jaren zestig verwierf ik, telkens de gelegenheid zich aanbood, exemplaren van zijn talrijke publicaties (waar destijds nauwelijks belangstelling voor bestond), waaronder enkele benijdenswaardige edities, al dan niet met eigenhandige opdracht. Eind vorige eeuw stond ik die collectie af aan een belangstellende vriend bibliofiel. Ik ben geen verzamelaar en had qua aankoop van boeken andere prioriteiten. Jammer genoeg, maar wanneer je niet over krachtige financiële middelen beschikt, moet je soms noodgedwongen een offer brengen om recente wetenschappelijke publicaties te kunnen verwerven (ik beschouw nl. mijn bibliotheek in eerste instantie als een werkinstrument).

ToussaintBIB.jpg

Wel bewaarde ik zorgvuldig de catalogus van de openbare veiling van Toussaint van Boelaeres indrukwekkende bibliotheek, een tuimeldruk uit: 414 kavels Nederlandse en Vlaamse boeken (en manuscripten), en 408 kavels “écrivain de langue française).

*

Voor zijn ('vermeende?) rol tijdens de repressie werd de 'goudsmid van de Vlaamse letteren' vaak opgevoerd als 'grootinquisiteur', vooral dan als belager van Felix Timmermans (een campagne die door sommigen als 'maniakaal' in het daglicht werd gesteld). Door Gaston Durnez werd hij in dat verband getypeerd als 'wraakengel', als iemand die “in de nadagen van zijn artistieke roem [...] nog altijd een eersterangsrol wilde spelen.” Over Toussaint vernam ik heel wat in mijn gesprekken met Bert Decorte, Maurice Gilliams en (vooral) Karel Jonckheere (die mij 't een en 't ander onthulde dat ik, zolang ik die 'revelaties' niet objectief kan documenteren, vooralsnog liever niét openbaar maak – het klassieke probleem met 'vertrouwelijke' mondelinge getuigenissen ).

Zuurvrij23-copie-1.jpg

Terug naar Zuurvrij. In de jongste aflevering publiceert David de Gier een scherpzinnig en evenwichtig opstel over Van Boelaeres “controversiële zoektocht naar de waarheid”: 'De drift! De woede, die drang tot weten' (pp. 48-57). De Gier noteert dat Toussaint al in de dertig jaren waarschuwde voor “het gevaar van de nazi's”. Over de uitzuivering citeert hij Toussaint zelf, die in De Faun schreef : “Mijn standpunt op dat gebied is zeer eenvoudig: ik wil weten. Ik heb den indruk dat de zaak psychologisch en historisch van belang is.”

Welke schrijvers werden door Toussaint geviseerd tijdens de repressie (ik citeer De Gier) ?

Grote namen. Ernest Claes, Felix Timmermans, Maurice Roelants, Filip de Pillecyn. Hadden deze mannen ook daadwerkelijk gecollaboreerd? De definities lopen uiteen, maar vanuit de afstand van de tijd bekeken, ja. Een ja met kanttekeningen. […] Kort samengevat hadden de door Toussaint genoemde schrijvers vrijwillig geprofiteerd van de nazi-ideologie en -oppressie of zelfs aan de verspreiding of instandhouding ervan bijgedragen. (p. 53)

Toussaint spaarde ook bevriende auteurs niet, maar hield paradoxaal genoeg sommige mensen die niet van volledig onbesproken gedrag waren de hand boven het hoofd, zoals Gerard Walschap. (p. 55)

Er valt Toussaint van alles te verwijten”, maar zijn pogingen “om de waarheid aan het licht te brengen [...] komen voort uit zijn verlangen naar rechtvaardigheid, en getuigen van veel moed”, aldus De Gier.

*

In dat verband wil ik hier wijzen op de studie van Matthijs de Ridder, 'De gebaarde Toussaint van Boelaere: over Toussaints Vlaamse strijd voor een zuivere literatuur en de worsteling van Golfslag met de erfenis van het incivisme en Vlaams-idealisme' (opgenomen in: Elke Brems / Tom Sintobin, De goudsmid en de klein-inquisiteur. Essays over F.V. Toussaint van Boelaere, gevolgd door een geannoteerde uitgave van Het gesprek in Tractoria, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2008).

*

Het kan in dit signalement niet de bedoeling zijn om grondiger in te gaan op een problematiek die met de nodige zin voor nuances benaderd moet worden. De lectuur van Zuurvrij heeft er mij alvast toe gebracht twee bijdragen van Toussaint in het Nederlandse tijdschrift Apollo te herlezen. Ze verdienen alleszins een grondige evaluatie en historische situering: 'De Vlaamsche literatuur onder de bezetting' (tweede jg., 1947, pp. 41-49; 139-152) en zijn kroniek 'Bij het heengaan van Felix Timmermans', waarin hij kernachtig de puntjes op de i zet (ib., pp. 114-117).

Zowel Karel Jonckheere (cf Tom Sintobin, 'Karel Jonckheere, Fernand Victor Toussaint van Boelaere, Karel van de Woestijne. Over de rol van trivialiteit in de literatuurgeschiedenis', in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, jg. 2008, pp. 409-435) als Hubert Lampo (cf Jan Lampo, 'Hubert Lampo: schrijven in oorlogstijd', in: Gierik & NVT, jg. 29, nr. 110, pp. 45-57) hebben veel te danken gehad aan Toussaint.

De verfijnde estheet Toussaint van Boelaere, die qua mentaliteit nog stevig wortelde in de negentiende eeuw (die zoals u bekend tot 1914 strekte), was alleszins een schrandere criticus. In zijn bovengenoemd overzicht van de Vlaamse literatuur in bezettingstijd (1947) sprak hij zijn waardering uit voor (in alfabetische volgorde) Piet van Aken (de 'inquisiteur' nam het hem blijkbaar niet kwalijk meegewerkt te hebben aan het collaborerende  Westland...), Louis Paul Boon, Johan Daisne en Hubert Lampo.

*

Zuurvrij, het fraai vormgegeven en geïllustreerde berichtenblad van het AMVC / Letterenhuis, verschijnt nu al meer dan tien jaar, steevast gevuld met boeiende verhalen over de Vlaamse (en Nederlandse) literatuur. 'Berichtenblad? Niks van. Gewoon een onmisbaar tijdschrift.

Zoals enkele andere, die hier later aan bod komen....

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

 

Met ingang van het volgende nummer (24) begint er een nieuwe abonnementsperiode. Als u Zuurvrij de komende twee jaar (vier nummers) niet wil missen, volstaat het 20 € te storten op rekening BE90733008313132 van Musea en Erfgoed Antwerpen, Grote Markt 1, BE 2000 Antwerpen, met vermelding van uw naam, leveringsadres en 'Zuurvrij 2013-2014'.

De redactie bestaat uit: Leen van Dijck, Diane 's Heeren, Jan Robert, Jan Stuyck en Johan Vanhecke.

 

Eerdere berichten over de jongste aflevering van Zuurvrij:

http://mededelingen.over-blog.com/article-zuurvrij-23-i-jan-lampo-over-jet-jorssen-114764941.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-zuurvrij-ii-henri-floris-jespers-over-jet-jorssen-114772547.html

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Dimanche 27 janvier 2013 7 27 /01 /Jan /2013 01:42

 

JetJorssenenKareldeCat.jpg

Jet  Jorssen en Karel de Cat in hun tuin te Kapellen (1970)

De publicatie van wat nu volgt is het rechtstreekse gevolg van de lezing van Jan Lampo's bijdrage in Zuurvrij  over de trilogie van Jet Jorssen (zie vorige blog).

Na het overlijden van Jet Jorssen (30 mei1919 – 27 juli 1990) werd door enkele vrienden het Jet Jorssen Genootschap gesticht om via een jaarboek en een prijs van aanvankelijk 150.000 BF (later 4.000 €), haar naam en gedachtegoed levendig te houden. De Kempense auteur Willy De Bleser (auteur van een monografie over Jet Jorssen) was er voorzitter van. Haar weduwnaar (en bij mijn weten sponsor van het Genootschap) Karel De Cat secretaris. Na het overlijden van Karel De Cat (14 februari 1920-22 november 2005) werd besloten het Genootschap te ontbinden.

In het Jaarboek 2005 ging Frans van Campenhout gedetailleerd in op Jet Jorssens oorlogsjaren (De Vlaamse Jeugd, Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, Kinderlandverschickung, Diets Opvoedkundige Beweging (later: Volks Opvoedkundige Beweging), DeVlag…) en op de repressie (zowel Jet Jorssen als haar man werden efficiënt bijgestaan door mr. Carlos de Baeck, vriend van Maurice Gilliams, die ook de verdediging voerde van Jef de Belder).

In diezelfde aflevering (pp. 11-16) publiceerde ik herinneringen aan mijn omgang met Jet die, scripsit Karel de Cat, opvallen door “de onbevangen en eerlijke weergave van een jarenlange vriendschap. Het is een getuigenis uit eerste hand en bevat gegevens die nog niet aan bod kwamen in onze Jaarboeken. Daarom is dit artikel zo belangrijk.” (Die memoires verschenen ook in Mededelingen van het C.D.R. , nr. 50, pp. 9-15).

De 85-jarige Karel de Cat schuwde de moeite niet bij mij thuis op de koffie te komen om mij te overtuigen die herinneringen aan het papier toe te vertrouwen. Het werd een hartelijk gesprek, maar ik maakte hem duidelijk dat ik hete hangijzers niet uit de weg zou gaan en dat de principiële en kritiekloze verdediging door dik en dun van het Grote Gelijk van de collaboratie iets was dat mij bij de nuchter denkende Jet Jorssen steeds bevreemd heeft. Hij verzekerde mij dat ik carte blanche kreeg. Ik heb daar sereen en hoffelijk gebruik van gemaakt.

De lezing van Jan Lampo's bijdragen over de “slechte vrienden” van Jet Jorssen (zie: janlampo.com/) en de wederwaardigheden van haar trilogie (in Zuurvrij) hebben mij aangezet die memoires uit 2005 ongewijzigd hier online te plaatsen. ■


Enkele maten voor Jet Jorssen

Na een vergadering van de provinciale commissie voor letterkunde vroeg collega Jan Vorsselmans of ik iets wilde schrijven voor een van de komende jaarboeken van het Jet Jorssen Genootschap: tijdens mijn (al te lang) voorzitterschap van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen had ik Jet toch geregeld meegemaakt?

Ik had en heb de beste herinnering aan Jet, een innemende persoonlijkheid en kameraadschappelijk bestuurslid, en aarzelde dus geen moment. Gaandeweg rijpte echter het inzicht dat het per slot van rekening weinig zin heeft een aantal beschouwingen aaneen te rijgen over het wel en wee van het verenigingsleven of over hoe gewetensvol en objectief Jet haar bestuursmandaat uitoefende. Dank zij Fred Germonprez beschikten we destijds over een vergaderzaaltje in het gebouw van Sabam. Dat was ruwweg in de tweede helft van de jaren tachtig. Na de maandelijkse bestuursvergadering gingen we dan steevast op een steenworp van de Aarlenstraat nakaarten in een taverne die vooral bezocht werd door pendelaars. Zonder dat hartelijke en stimulerende, vaak uren uitdijende samenzijn zou het trouwens maar een saaie (en vaak frustrerende) bedoening zijn geweest.

Was het niet Heinrich Böll die me tijdens een congres van de PEN-Club in Dublin met veel ironische overtuiging zei dat het maar best was meteen naar de bar te gaan?

*

Toen ik Jet leerde kennen had ik haar trilogie gelezen (Och, Siemeniskinderen, 1974; Wat nu, Sinjoor?, 1975; En toch, Brabo, 1976). Elke kunstenaar heeft het recht beoordeeld te worden op zijn beste werk, en zij was dus in mijn ogen een volwaardige literaire présence. Ze had vanzelf een plaats in mijn bibliotheek gevonden, naast De vierde wijk gevolgd door Achter de frontlijn, het beste boek van Eugenie Boeye. Veel over haar wist ik evenwel niet, op een korte aantekening na in de inderdaad erg kronkelende maar onvolprezen gedenkschriften van Ger. Schmook, een ware “Fundgrube”:

Een oorlog, een wereldoorlog is een wreed ding, nog meer wanneer hij de ideologische waarden aanvreet en wanneer men de intrinsieke betekenis van de eigen mensen op gouden schaaltjes gaat willen afwegen. (…) Er zijn verliezen geleden, zware tol betaald, beroving van persoonlijke vrijheid en goederen heeft diep gekwetst. Verschillende van de hier gestelde problemen leven voort in de bladzijden – reeds enkele honderden – die Jet Jorssen er in haar werken aan wijdde: uit het ‘zonnige’, jolige en mededeelzame kind hebben de omstandigheden (en daarna niet het minst het feit, dat haar man, Karel de Cat, in het heerlijkste onzer heidelandschappen, onverhoeds door een vrachtwagen in de rug aangereden werd, zodat haar schattig enig Elsje onder het zware wiel terecht kwam) een ernstige vrouw geteeld met vele metafysische complexen. De aard van haar positief karakter – een vaderlijke gave – deed haar door een vredebrengende evangelische omzwaai opgaan in de sociale activiteiten van de ‘Bond zonder naam’.” (1)

*

Reeds in de jaren zestig had ik heel wat contacten gehad met (al dan niet belangrijke) actoren uit de (vooral culturele) collaboratie.

Met de beminnelijke en belezen Geo van Tichelen, de broer van jeugdschrijver Hendrik van Tichelen, ging ik geregeld koffie drinken in Mazarin, een deftig koffiehuis aan de Frankrijklei, op een steenworp van de Nationale Bank (thans een filiale van de Kredietbank), waar ook Michel Oukhow stamgast was. Na mijn polemiek met Gerrit Borgers had hij me kopieën bezorgd van de brieven die hij vanuit Berlijn van Paul van Ostaijen had gekregen. Onze gesprekken gingen over zijn jeugdvriend, die hem een gedicht opgedragen had, over de roemrijke Vlaamsche Bond van het Koninklijk Atheneum te Antwerpen, waarvan hij voorzitter was geweest, en over de invloed van Duitse tijdschriften als Die Aktion en Die Weisse Blätter op de activistische generatie. Ik wist wel dat hij na de oorlog jaren in de gevangenis had gezeten, dat vader na zijn vrijlating hem nog wat vertaalwerk had bezorgd, maar dat hij tijdens de bezetting hoofdredacteur was geweest van Belgapress vernam ik pas in 1973. (2) Geo was toen drie jaar dood.

De rol van Ward Hermans in de collaboratie leek me onderschat, en dat hoorde hij uiteraard graag zeggen. Zo hebben we een tijdlang gecorrespondeerd en zag ik hem af en toe in het Blazoen, in de buurt van het Atheneum.

Toen ik Pol le Roy begin de jaren zestig in “Le petit rouge” ontmoette, een artistiek trefpunt in Brussel, kende ik hem al als dichter en vooral als de alerte poëzierecensent van De Periscoop. In die legendarische Brusselse kroeg maakte ik ook kennis met Marc. Eemans en Aubin Pasque. Ze minimaliseerden hun daadwerkelijke betrokkenheid bij de Nieuwe Orde: Eemans had gezeten omdat hij om den brode kunstkritieken in kranten gepubliceerd had, Pasque zweeg als een graf, en Pol le Roy, die ik ook als medewerker van De Tafelronde kende, was mogelijk nog discreter over zijn verleden dan Pasque. Hij vertelde graag dat op het bureau van Joris van Severen een foto van André Breton prijkte. Wanneer je Pol hoorde praten, was zijn collaboratie een louter lyrische aangelegenheid. Het zou nog jaren duren eer ik te weten kwam dat hij lid was geweest van de Landsleiding, de Vlaamse marionettenregering in Duitse ballingschap, waar nog zoveel fraais over te vertellen valt.

In de tweede helft van de jaren zestig was de (nieuwe) heksenjacht nog niet ontketend. Pol le Roy kon probleemloos publiceren bij een uitgeverij als Phantomas, die in het brede vaarwater opereerde van het (linkse, Belgische) surrealisme en van wat in de literatuurgeschiedenis geboekstaafd staat als “la Belgique sauvage”. En toen hem in 1970 een huldealbum werd aangeboden, leverden ook experimentele en “progressieve” dichters als Lionel Deflo, Ben Klein, Willem M. Roggeman, Willy Spillebeen, Jan van der Hoeven, Marcel van Maele, Gerd Segers en Bert Verm een bijdrage. (3) Vandaag zou iemand als Pol le Roy taboe zijn, punt. In het postmoderne tijdperk werden de ideologieën doodverklaard en hun tegenstellingen afgevoerd ten bate van een zichzelf bestendigend en bevestigend anoniem systeem van perverse politieke correctheid. Zo verdween langzaamaan de verdraagzaamheid, tot er niets meer over was.

Ook de vaak zo zachtmoedige dichter Bert Peleman had er een handje van zijn rol te bagatelliseren en met de wind mee te draaien. Na bij de mobilisatie een liedboek samengesteld te hebben voor het Belgisch leger, schreef hij het Oostfronterslied “Het Vlaamsch Legioen” en strijdliederen als “Zet nu aan de grauwe motoren”. Tijdens zijn proces pleitte hij domheid als verzachtende omstandigheid. Vanuit de cel stuurde hij bezonken gedichten naar zijn krijgsauditeur. Ik heb dat altijd nogal sneu gevonden, maar heldhaftigheid mag je van niemand eisen. Terwijl een aantal zwarten zich witwasten door rood te worden, werd Peleman almaar roomser. Hij was joviaal maar erg zelfbewust in de omgang (al kon je soms ook iets van schuwheid in zijn houding ontwaren), en ik herinner me een gedenkwaardig luchtige woordenwisseling tussen Louis Paul Boon en hem, tijdens een banket van de VVL onder voorzitterschap van Bernard Kemp.

De rondborstige, erudiete en strijdvaardige Jan d’Haese, ook al stamgast in “Le petit rouge”, wond er geen doekjes om: ja, hij was Kriegsberichter geweest, en dan?

Ik had trouwens twee Oostfronters in mijn kennissenkring: de minzame Toon van den Eynde en de onverwoestbare Toon van Overstraeten. Nostalgie was hen vreemd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Marc. Eemans waren ze niet mentaal gecontamineerd of aangetast door de nazistische ideologie. Ze voelden zich al bij al goed in hun vel, hun verwerkt verleden was wat het was.

*

Na die niet altijd even boeiende maandelijkse bestuursvergaderingen van de VVL gingen we dus, zoals gezegd, meestal nog wat nakaarten in een café dicht bij het Sabam-gebouw.Hoe het in zijn werk was gegaan, herinner ik me niet, maar de televisie-uitzendingen van Maurice de Wilde over collaboratie, die jaren voordien zoveel stof hadden doen opwaaien, waren een tijdlang het recurrente thema van breed uitgesponnen discussies waar, buiten Jet en ik, ook Clara Haesaert, Jacques van Baelen en Tony Rombouts zich allerminst onbetuigd lieten.

Jet vond die uitzendingen eenzijdig en kon zich daar behoorlijk over opwinden. Ik was het met haar grondig oneens. Naar mijn gevoel hadden ze in hoge mate bijgedragen tot de nuancering van de destijds gangbare gemeenplaatsen over de collaboratie. Maurice de Wilde was natuurlijk niet de eerste om de bereidheid tot collaboratie van een groot deel van het Belgisch establishment vast te stellen en in de verf te zetten, maar nooit eerder was die zo breed uitgesmeerd voor het groot publiek, laat staan op de staatszender. Het clichématige “Belgische” beeld dat de collaboratie diende gesitueerd te worden in de Vlaams-nationalistische, en dus bij uitbreiding vooral katholieke en bijgevolg rechtse hoek, werd met een groter impact dan ooit door De Wilde doorbroken. Per slot van rekening bleef hij trouwens vrij gematigd tegenover het Vlaams-nationalisme (een aantal jaren voordien was hij trouwens gepolst om namens de Volksunie in de senaat gaan zetelen).

De echte kritiek zou pas later geleverd worden, wanneer een generatie jongere historici vanuit een veelal “zwarte” familiale achtergrond, genadeloos, haarscherp en onweerlegbaar zullen aantonen dat de historiografische Vlaamse beeldvorming over het recente verleden niet alleen verdoezelend, maar tevens op heel wat punten zoniet vlakaf leugenachtig dan toch erg vergoelijkend was. Het destijds klassieke beeld dat je aan de ene kant het VNV had, in wezen een democratische partij (zij het aangetast door de autoritaire trekjes die nu eenmaal links en rechts het merkteken waren van het tijdsgewricht) en aan de andere kant de ideologen van de De.Vlag, kortom, enerzijds de naïeve Vlaams-nationalisten die het goed meenden en anderzijds de boze nationaal-socialisten die, op zoek naar een nieuw vaderland, voor annexatie bij het Germaanse Rijk pleitten, werd deskundig aan gruizelementen geslagen.

*

In onze gesprekken over Maurice de Wilde ontpopte de beminnelijke Jet Jorssen zich als een waarachtige passionaria. Door haar onwrikbare rechtlijnigheid ging ze zo gaandeweg in mijn ogen alle dubbelzinnigheden, paradoxen en misverstanden belichamen, eigen aan en voortspruitend uit de problematiek van collaboratie en de repressie. Maar aan Jet Jorssen wist je wat je had. Haar rotsvaste inzichten stak ze niet onder stoelen of banken. Tot besluit van Vlucht en repressie (1987) kwam ze tot een slotconclusie die eerder een geloofsbelijdenis is:

De grote schuldige van de collaboratie is de Staat België. Niet wij zijn "fout" geweest, toen wij tweemaal - in W.O. I en W.O. II - ons lot in eigen handen wilden nemen, met hulp van de Duitsers. Hun militaire nederlaag betekende evenwel de totale mislukking van onze toekomstplannen voor Vlaanderen. Tweemaal hebben wij onze kans gewaagd, tweemaal hebben we verloren. De hoofdschuldige is en blijft de unitaire staat België die mee in stand gehouden wordt door de beschamende toegeeflijkheid, laksheid en stelselmatige capitulatie van Vlaamse politici van allerlei strekking, meer bekommerd om de belangen van de partij, het Belgisch establishment en hun eigen carrière, dan om het welzijn en het lot van Vlaanderen. En het Vlaamse volk, met een haast onbegrijpelijk gebrek aan fierheid en weerbaarheid, laat zich doen, al maakt het de meerderheid van de Belgische bevolking uit. Bovendien heeft, vooral de "gewone man in de straat", niet veel interesse voor de Vlaamse Beweging en staat soms onverschillig en zelfs vijandig tegenover de strijd van de Vlaams-nationalisten. Gewoon door onwetendheid en verkeerde voorlichting. Er wordt immers, in de scholen bijvoorbeeld, zelden of nooit iets positiefs verteld over de Vlaamse ontvoogdingsstrijd.

Nog iets willen wij tot slot onderstrepen: de strijd van de Vlaams-nationalisten is praktisch altijd geweldloos geweest. Ze hebben steeds slagen gekregen, nooit gegeven. Toen echter tijdens de oorlog terreuracties werden gevoerd door gewapende weerstanders en partizanen, zijn sommigen onder de collaborateurs éénmaal afgeweken van deze stelregel. Ze hebben zich en hun familie verdedigd door een tegenterreur. En wat is gebleken? Eens te meer werden alleen zij, de verliezers, na de oorlog hiervoor ter verantwoording geroepen, vervolgd en zwaar gestraft, meestal met de dood. Zij, die met sluipmoorden en gewelddaden begonnen waren, gingen vrijuit en werden als helden geëerd. Ook dat is een aspect van de onrechtvaardige en in zijn geheel verwerpelijke repressie geweest.”

Die principiële en kritiekloze verdediging door dik en dun van het Grote Gelijk van de collaboratie is iets wat me bij de nuchter denkende Jet steeds bevreemd heeft.

*

Dichter en kunstkenner Lambert Jageneau (1925-1984), ooit getypeerd als “Kuifje in het Derde Rijk”(4), was een gemeenschappelijke vriend. Jet nam het avontuurlijke verhaal van zijn excentrieke familie – met Lamberts moeder als hoofdpersonage - als uitgangspunt voor een sleutelroman, Ballingschap (1986), die ik destijds in De VOSrecenseerde. Eens te meer wist ze, aan de hand van haar toevertrouwde verhalen, een goed gecomponeerde roman te schrijven, waarin een complex verhaal en dito problematiek bevattelijke verwerkt worden. De creatieve werkwijze van Jet werd me achteraf des te duidelijker, wanneer ik zelf een verhalend essay over Lambert Jageneau schreef.(5)

*

Toen de ongecensureerde uitgave van het oorlogsdagboek van Cyriel Verschaeve verscheen, werd Manu Ruys door het Jozef Lotensfonds uitgenodigd het boek voor te stellen tijdens de jaarlijkse algemene vergadering in de abdij van Steenbrugge. Na lezing van dit wel onthutsend en bij wijlen schokkend document, zag Ruys daarvan af: zijn beeld van Verschaeve was voorgoed aangetast door wat hij nu te verwerken kreeg. Op voorstel van mijn diep betreurde vriend pater Emiel Pil heb ik dan dat lijvig boek toegelicht en gesitueerd binnen het klimaat van romantisch pan-germanisme waarin het wereldbeeld van Verschaeve zo diep wortelde. Het viel me toen op dat de abt van Steenbrugge en historicus Albert de Jonghe veel hardere woorden spraken en een scherper oordeel velden dan ik ooit had durven doen in dat ingetogen gezelschap.

Ik had daar nog graag met Jet over gesproken, maar kort daarop overleed ze.

*

Achteraf sta ik nu wat onwennig tegenover de onwrikbare rechtlijnigheid waarmee Jet de hele problematiek van de collaboratie hardnekkig eenzijdig belichtte. Getekend door oorlog en repressie heeft ze tegelijk willen getuigen en overtuigen. Als geëngageerde schrijfster heeft ze m.i. bewust gekozen voor een eenvoudige, eenduidige voorstelling van zaken. Geen politiek getouwtrek tussen de verschillende fracties van de collaboratie (en hun zelfgeproclameerde leiders) in haar boeken, geen (al dan niet haalbare) poging tot genuanceerde weergave van een complexe realiteit. Het was er haar gewoon om te doen een menselijke getuigenis te brengen (en dan nog wel vanuit het perspectief van de “kleine man”) en haar overtuiging te belijden. Problematiseren zou immers de kracht van haar vertoog schaden. Die bewuste egelstelling vloeit voort uit een onvoorwaardelijke solidariteit, over alle tegenstellingen heen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Bovendien: het Hogere Doel weegt altijd zwaarder dan de praktische bezwaren.

Die idealistische geestesgesteldheid werd door Geert Buelens treffend aan kritisch onderzoek onderworpen in zijn merkwaardige lezing in de KVS te Brussel, in december vorig jaar. De geschiedenis van het activisme en van de collaboratie “biedt een heel gedifferentieerd verhaal”, betoogt Buelens, een verhaal

van fanatieke Vlamingen, nuchtere Vlamingen, idealistische Vlamingen, pragmatische Vlamingen, opportunistische Vlamingen, gewilde Vlamingen, ongewilde Vlamingen, separatistische Vlamingen, Belgicistische Vlamingen, democratische Vlamingen, fascistoïde Vlamingen, linkse Vlamingen en rechtse Vlamingen – alles behalve een natuurlijke eenheidsstam dus, die geboren is om te collaboreren of eensgezind ervan droomt de Franstalige gemeenschap uit de bestaande staatsstructuur te schoppen.

Dat kluwen van idealisme, verblinding, verlichting en onenigheid - dat is Vlaanderen, dat zijn de Vlamingen, dat is ons kruis, dat is onze eigen geschiedenis.”

*

We hebben alle tijd van de wereld, tot het te laat is. Ik had al destijds zo vaak zoveel met Jet willen bespreken. Het mocht niet zijn. Ons gesprek is niet voltooid, zet zich voort. Ik suggereer hier enkele bedenkingen, die ogenschijnlijk haaks staan op wat haar diepste overtuiging was, omdat ik weet dat ze dat op prijs zou hebben gesteld. Eerlijkheid en openhartigheid voerde ze hoog in het vaandel, en haar rechtlijnigheid stond nooit begrip uit voor standpunten en overtuigingen die niet de hare waren. Met een knipoog naar Walschap, met wie ze in de jaren 1950-1951 druk correspondeerde, kan Jet best bestempeld worden als een mens van goede wil. Recht voor de raap, zoals in haar beste proza.

*

Een paar zonder meer aanstootgevende uitspraken van Jet Jorssen in haar autobiografische kroniek Vlucht en repressie (Merksem, Were di, 1987) heb ik destijds uit schroom bewust (maar achteraf bekeken ten onrechte) met de mantel der liefde bedekt. Van een andere pijnlijke contradictie maakte ik al evenmin gewag. Je leest hierboven hoe Jet Jorssen stond tegenover België, en dan merk je dat ze in alle geautoriseerde biografische nota's met trots vermeldt dat ze ridder is in de Orde van Leopold II (1971) en in de Kroonorde (1984)....

 

(1) Ger SCHMOOK, Stap voor stap langs kronkelwegen, Antwerpen/Amsterdam, De Nederlandsche Boekhandel, 1976, p. 391.

(2) Els DE BENS, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944), Antwerpen/ Utecht, De Nederlandsche Boekhandel, 1973..

(3) Neer VANTINA (samenst.), Prometheus geboeid, Brecht, Uitgeverij De Roerdomp, 1970..

(4) Guido LAUWAERT, 'Vlaamse Helden. Kuifje in het Derde Rijk', in: Het Parool, 27 augustus 1994.

(5)  Henri-Floris JESPERS, Artis amore, Antwerpen, The Private Press, 1994.

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 1 commentaires
Samedi 26 janvier 2013 6 26 /01 /Jan /2013 19:16

 

Zuurvrij23.jpg

Met aandacht volg ik de bijzonder aanbevelenswaardige blog van Jan Lampo. Woensdag 23 januari las ik zijn bijdrage over “De slechte vrienden van Jet Jorssen”. Donderdag viel dan Zuurvrij in de bus. Net zoals bij de ontvangst van de jongste aflevering van Wetenschappelijke tijdingen mijn aandacht prioritair ging naar de bijdrage van Armand van Nimmen over Duysan en Van Ostaijen, las ik nu eerst Jan Lampo's onthullende studie over “De lotgevallen van een trilogie. Het archief van Jet Jorssen en Och, Siemeniskinderen!”.

Met belangstelling nam ik aldus kennis van Jorssens' perikelen met uitgevers. Haar trilogie is m.i. haar beste werk en de historie van de uitgave is zonder boeiend, ook in een bredere context. Jan Lampo typeert Jorssen gevat als “een eigenzinnige schrijfster die nooit twijfelde aan haar gelijk, en op het voorbestaan van het extreemrechtse gedachtegoed in Vlaanderen”.

Ik heb de beste herinneringen aan Jet. In 2005 schreef ik mijn herinneringen aan die merkwaardige vrouw (verschenen in de rubriek 'Memoires' van de Mededelingen van het C.D.R. , nr. 50, pp. 9-15). Ze verschenen niet online. Dat gebeurt nu wel straks in mijn volgende post (met enig toegevoegd commentaar).

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires

Pages

Créer un Blog

Recherche

Calendrier

Mai 2013
L M M J V S D
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
<< < > >>

Présentation

Créer un blog gratuit sur over-blog.com - Contact - C.G.U. - Rémunération en droits d'auteur - Signaler un abus - Articles les plus commentés