Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
16 janvier 2012 1 16 /01 /janvier /2012 10:56

 

ZL_10_4.JPG

Merkwaardig hoe vaak ik tegen de jaarwisseling in diverse tijdschriften geconfronteerd werd met mensen en thema's die mij nauw aan het hart liggen... Na Boelvaar Poef, Zuurvrij, Poëziekrant en Gierik & NVT (zie vorige blogs), komt nu Zacht Lawijd aan de beurt.

*

In de jongste aflevering worden de brieven (1914-1915) gepubliceerd van Floris Jespers (1889-1965) aan Roosje van Lelyveld (1896-1979 – andere bronnen vermelden 1976 of 1978 als jaar van overlijden, maar ik vertrouw op de annotatie in Zacht Lawijd). De inleiders stellen dat Roosje 'tijdens een cruciale periode in Jespers' leven wel degelijk een soort muze voor hem geweest' is.

Het bestaan van die brieven werd begin oktober 2008 terloops publiek gemaakt in M (het maanblad van de NRC), waarin Lien Heyting een lang artikel wijdde aan het poëziealbum van Roosje van Lelyveld, geëxposeerd in het Singer museum (1) in het Noord-Hollandse Laren. (Cf. Mededelingen, nr. 128, 6 november 2008, pp. 13-15.)

Ik vroeg destijds om fotokopie van die brieven (die onder het copyright van de erven Jespers vallen), maar daar was blijkbaar de toenmalige eigenaar (van het corpus mechanicum...) niet toe bereid, zo werd mij vriendelijk meegedeeld door het Singer museum. Let it be...

Het album van Roosje, telg uit een rijke patriciërsfamilie, is een prachtig en uniek kunst- en literairhistorisch object, dat jaren in familiebezit is geweest maar in 2007 'opdook'. Het bevat tekeningen, composities en gedichten van de 'fine fleur' uit Nederlandse kunstenaarskringen in de jaren 1900-1920, nationale beroemdheden en uit de merkwaardige kunstenaarskolonie Laren. Het is in facsimile uitgegeven, met een uitgebreid voorwoord van Heyting (over de kunstenaars) en Sander Brink (over de schrijvers).

*

Terug naar Zacht Lawijd. Toen Sjoerd van Faassen, hoofd collecties van het Letterkundig Museum te Den Haag, mij meldde dat hij bezig was met de editie van de brieven van Jespers aan Roosje, was ik zonder meer gerustgesteld. De brieven (1914-1915) zijn inderdaad belangwekkend, werpen niet alleen een verhelderend licht op de stemming in het pas bezette Antwerpen, maar ook op de psychologie van Jespers.

De voortreffelijke inleiding van Sjoerd van Faassen en Lien Heyting situeert niet alleen Floris Jespers en Roosje van Lelyveld, maar roept ook het bijzondere klimaat op van de kunstenaarskolonie in Laren, in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, het 'Montparnasse van Nederland', een 'vrijgevochten land van artiesten, filosofen, theosofen, vegetariërs, socialisten en zo meer', wereldhervormers en excentriekelingen die in scherp contrast stonden met de armoedige toestand van de autochtone Larense bevolking. (Roosje leefde wel aan 'de goudkust' van Laren, in Huize Roze-Hoeve.)

Maaike van Domselaer-Middelkoop, de vrouw van de componist Jakob van Domselaer (1890-1960), die in een korte periode onder invloed van Mondriaan en Van Doesburg muziekstukken componeerde, herinnerde zich later hoe de invloed van de kolonisten nog jarenlang 'als het ware tastbaar was' in Laren:

Behalve veel schilders en andere 'artiesten' was er een categorie mensen die 'ergens aan deden': theosofen, vegetariërs, mannen met lange haren, vrouwen die in reformkleding en op blote voeten in sandalen liepen, en lieden die een soort bezigheid maakten van 'alleen-maar-onmaatschappelijk-zijn'. Hoe je er ook rondliep, opvallen deed je nooit; het werd nooit 'gek' gevonden, je kon er volstrekt onopgemerkt leven en dat gaaf een heel speciaal, vrij gevoel.

Nihil novi sub sole...

*

Aan de hand van die enkele brieven komen de inleiders tot de conclusie dat Roosje van Lelyveld in een cruciale periode van Jespers' leven 'wel degelijk een soort muze voor hem geweest' is.

Het kortstondige verblijf in het najaar van 1914 van de dan vijfentwintigjarige Floris Jespers in Blaricum was lang genoeg, aldus de inleiders, om 'betoverd te raken door de charmes van de kort daarvoor achttien jaar geworden Roosje van Lelyveld, die in het aanpalende Laren woont'. In een van zijn brieven herinnert hij zich Roosje:

op de groote lange ateliersofa uzelf, met donker kleed, en geribd velouren, vaal garancekleurig lijfje, de handen zaamgevouwen op de overeengelegde knieën en de haren als groote juffer opgedaan, in druk gesprek over schilders. Dien avond was voor mij heerlijk, veel te gauw voorbij.

Het is duidelijk, aldus de inleiders, dat Floris tijdens zijn verblijf 'als een blok gevallen is voor Roosje'.

Hoewel hij Roosje na zijn terugkeer naar Antwerpen nog een enkele keer gezien heeft, is er geen reactie bekend van Roosje op Jespers' verwoede pogingen hun contact te continueren. In zijn laatste brief schrijft hij bijna smekend:

Denk je soms wel eens op ons. Voor mij blijven dat eeuwige herinneringen. Mag ik je vragen soms eens te schrijven, wat mij verschrikkelijk veel genoegen zou doen? Wil je?

*

Meer over de telkens opnieuw verrassende lezenswaardigheid van het tijdschrift Lacht Lawijd in de volgende aflevering.

Zacht Lawijd is een uitgave van de gelijknamige vzw in samenwerking met het Letterenhuis (Antwerpen) en het Letterkundig Museum (Den Haag). De kernredactie bestaat uit Manu van der Aa, Sjoerd van Faassen, Jan Stuyck en Geert Swaenepoel (redactiesecretaris). De uitgave van ZL wordt mede mogelijk gemaakt door een subsidie van het Vlaams Fonds voor de Letteren.

Henri-Floris JESPERS

 

Zacht Lawijd, jg. X, nr. 4 [december 2011], 87 p., ill.

Abonnement voor een jaargang (4 nrs.): 30 €. Opgave van abonnementen bij de administratie:

België:

Garant Uitgevers, Somersstraat 13-15, B-2018 Antwerpen. E: uitgeverij@garant.be.

Nederland:

 

 

info@letterkundigmuseum.nl

Partager cet article
Repost0

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche