Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
27 décembre 2010 1 27 /12 /décembre /2010 05:08

 

Eerstdaags verwacht ik de jongste aflevering in de bus van de Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode, waarin ik een eerste bijdrage publiceer over de documentaire varianteneditie van De moerbeitoppen ruischten, “de definitieve ontvoogding van de Wilderodestudie”.

 

DDKbeatrijs.jpg

Antwerpen 2009 Beatrijs van Craenenbroeck ontfutselt mij een belofte

in het Letterenhuis

Ik kan moeilijk neen zeggen. Bij de uitreiking van De Diamanten Kogel 2009 wist Beatrijs van Craenenbroeck mij dus zonder veel moeite de belofte te ontfutselen een bijdrage te schrijven voor deNieuwsbrief IVA. Belofte maakt schuld, en ik ben haar dankbaar, want daardoor ging ik opnieuw de confrontatie aan met een oeuvre dat mij sinds zowat de tweede helft van de jaren tachtig op ambigue wijze (en om meerdere, uiteenlopende redenen) wist te boeien. Dat resulteerde in een memorabele avond ten huize Van Craenenbroeck in Schoten en in een eerste bijdrage dat in september verscheen: “De weldaad van de schemering”. (Nieuwsbrief IVA, 15de jg., nr. 2, pp. 9-17).

SchotenAugustus.jpg

Schoten 2010: van l. naar r.: Pruts Lantsoght, HFJ, Beatrijs van Craenenbroeck,

Frank Ivo van Damme, Hugo Goris (foto:Joke van den Brandt)

 

Uiteraard hadden de lezers van de Nieuwsbriefde primeur, maar nu de nieuwe aflevering in aantocht is, heb ik er geen moeite mee hierna een ingekorte versie van mijn bijdrage hier te publiceren.

*

De samenstellers van de ophefmakende anthologie Hotel New Flandres, de eerste bloemlezers in decennia die andere dan louter subjectieve criteria hanteerden, verklaren uitdrukkelijk dat ze zich genoodzaakt zagen

de beeldvorming rond bepaalde oeuvres te corrigeren. Modes, machtsposities, fixaties van critici, beperkingen van de media etc., hebben ervoor gezorgd dat sommige oeuvres jarenlang zijn genegeerd, terwijl de publieke zichtbaarheid van andere oeuvres niet overeenstemt met hun veeleer bescheiden of relatieve rol in de ontwikkeling van de Vlaamse poëzie. [1]

Tot de oeuvres die genegeerd werden, rekenen ze dat van Anton van Wilderode. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk juist. Van Wilderode was “bij katholieke lezers de populairste levende Vlaamse dichter”, aldus Gaston Durnez anno 1982. [2] Hij werd allerminst miskend: hij kreeg o.m. de prijs van de Vlaamse provincies, de Staatsprijs en een ere-doctoraat van de KUL. In de dominante kritiek kreeg hij echter zelden de aandacht die zijn oeuvre onmiskenbaar verdient. Ik aarzel niet dit toe te schrijven aan het feit , primo dat hij priester was en, secundo dat hij geëngageerde teksten schreef voor de Ijzerbedevaart; wat maakte dat hij in bepaalde literaire kringen bewust geïgnoreerd werd.

*

De aandacht van de ten onrechte zo omstreden bloemlezers van Hotel New Flandres ging prioritair naar 'paradigmadichters' (bijv. Paul van Ostaijen, Hugo Claus en Herman de Coninck).

Dichters die we vijf sterren toekennen zijn de dichters die een nieuw paradigma in de poëzie hebben geïnstalleerd. We noemen ze dan ook 'paradigmadichters'. Bepaalde teksten uit hun oeuvre hebben bijgedragen tot veranderde opvattingen over poëzie en kunnen worden beschouwd als innovaties van het poëtische systeem. [3]

De 'oeuvredichters' constitueren de tweede categorie.

Dit is misschien wel de belangrijkste categorie uit de hele bloemlezing. Viersterrendichters zijn typische oeuvredichters. Tijdens hun loopbaan hebben ze diverse bundels van bovengemiddelde kwaliteit gepubliceerd. Ze hebben met andere woorden een kwalitatief hoogstaand oeuvre uitgebouwd dat doorgaans op zichzelf staat. Hun werk ontwikkelt zich los van modes of stijlen […], waardoor het een zekere autonomie krijgt. […] Soms verwerft hun oeuvre pas een zekere autonomie wanneer het paradigma waartoe ze aanvankelijk behoorden van de voorgrond is verdreven. [4]

Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters onderstrepen dat het werk van 'oeuvredichters' als een Anton van Wilderode, Christine D'haen of Stefaan Hertmans, vergeleken bij dat van paradigmadichters als Jotie T'Hooft en Herman de Coninck, “uiteindelijk complexer, rijker en overallinteressanter is.” [5]

Zo is het werk van Van Wilderode, Hertmans, Willy Roggeman, Spinoy, D'haen, Van de Kerckhove, e.a. van groter belang voor de ontwikkeling van de poëzie dan het bekendere werk van Lanoye, Van Vliet of Moeyaert. [6]

Wat Van Wilderode betreft, wijzen de bloemlezers daarbij expliciet op het belang van bundels als De overoever (1981) en De Vlinderboom (1985). [7]

*

In het (versluierd) programmatische titelgedicht 'De Vlinderboom', dat als ouverture fungeert, staat het fundamentele thema van de bundel aangegeven: dwarrelen, zweven, vliegen, opstijgen, de hemelvaart – het “ascensionele” thema dat ook als vliegtocht en vleugelspanning [8] in vele culturen vertolkt wordt.

Rond de vlinderboom,

Van overal een zweven, een doodstil

verzamelen van vleugels en petalen

die samen wiegelen en ademhalen

op de beweging van eenzelfde wil. (p. 7)

Zweven, vleugels, ademhalen...

In de christelijke symboliek is de vlinder symbool van Adam en van de ziel. [9] In het oud Grieks betekent ψυχη (psychè) zowel (gedesincarneerde) ziel als vlinder. Symbolisch staat de vlinder voor de ziel (de adem) en haar onsterfelijkheid, maar ook voor het efemere, onbestendige, voorbijgaande karakter der dingen, en uiteindelijk ook voor lichtzinnigheid en onstandvastigheid (fladderen, vlinderen...).

Ingeleid door het titelgedicht, telt de bundel 96 gedichten van drie vierregelige strofen in vijfvoetige jamben met omarmend rijm (de eerste regel rijmt op de vierde, de tweede op de derde). De jambe (uit twee lettergrepen bestaande versvoet waarvan de tweede de klemtoon heeft) is de meest gebruikte versvoet in de Nederlandse dichtkunst (en in de Engelse overigens) omdat hij het sterkst in onze spreektaal verankerd ligt. Vandaar ook de veelvuldig voorkomende hypercatalectische jamben (met een extra lettergreep aan het eind, wanneer het slotwoord een meervoudsvorm, een verleden tijd of meervoudige werkwoordstijd is).

Keizer Karel (°1500 in het Prinsenhof in Gent) deed in 1556 afstand van zijn troon en vertrok vanuit Vlissingen naar het klooster van San Jerónimo de Yuste, in Estramadura, waar hij tot aan zijn dood op 21 september 1558 verbleef. In 1984 deed Anton van Wilderode de reis van Carolus Quintus over. In De Vlinderboom brengt de dichter een historisch gedocumenteerd, poëtisch reisverslag. Summiere aantekeningen en een minimaal notenapparaat helpen de lezer die niet meteen vertrouwd is met leven en werken van keizer Karel op weg.

De bundel bestaat uit drie bewegingen: 'De weg naar Yuste' (het reisverhaal), 'De weg weleer' (het levensverhaal), 'De weg weldra' (het stervensverhaal).

In 'Carlos in Yuste', het eerste gedicht van de eerste beweging identificeert de dichter zich met de figuur van de keizer.

Ik zit achter de tralies van het raam

met niets dan wachten, op wat overbleef

uit zoveel as van opgebrande dromen,

de vogel feniks in een nis van bomen

die mij doet zien en horen dat ik leef.

 

De arend van voordien, agaat en git

die goedgespierd over het dal planeerde

zijn buit beloerde vastgreep en verteerde, –

de arend bidt. (p. 11)

De Vlinderboom is immers ook een meditatie over de macht en het menselijk tekort, waarbij o.m. het vanitas-motief en mineur de toon aangeeft. Een bepaalde vorm van 'Unheimlichkeit', van exil-achtige onbehuisdheid klinkt door de hele bundel: “Ik woonde nooit en nergens” (p. 29); “met niets dan namen is mijn nacht gevuld” (p. 40); “Als mij de nacht bereikt ben ik alleen” (p. 31); “De man die ik niet ben en nooit kan zijn / hangt weerloos in een webbe van legenden” (p. 12)

Op de rand van een mystiek gevoel ervaart de vroegoude keizer scherp de volheid van de alledaagse ogenblikken. De beroesde aandacht van de adelaar keert ontnuchterd terug tot de kleine dingen. Le Cardinal d'Espagne van Henry de Montherlant, maar dan zonder de intellectuele hoogmoed. [10] Niet het aedificabo ut destruam, gewoonweg het langzaam verglijden naar een onthechting die het kleinste voorval in het naaktste licht situeert, waarbij elk beeld zich zowat aandient als een transparant schilderij van Morandi en elk gevoel de eerste ochtend en de laatste dag moduleert. “In ruil de stilte die ik langzaam leer”. (p. 27)

In de tweede beweging, 'De weg weleer', blikt de ik-figuur terug op een verleden dat almaar reëler wordt, tastbaar aanwezig als het ware:

Al wat mij toekomt uit de keldermond

van mijn verleden wil ik niet vergeten,

wordt werkelijker dan de dag van heden

en vloeit als licht de kamer in en rond.( p. 43)

Mensen en oorden geven aanleiding tot ik-betrokken of onthechte mijmering: vader Filips (de Schone), leermeester Adriaan Florensz. Boeyens, echtgenote Isabella van Portugal, moeder Johanna van Castilië, de Waanzinnige, zoon Filips II, bastaard Jerónimo, beter bekend als Don Juan van Oostenrijk; de huwelijksreis, de geboorte van Filips te Valladolid, de pralerige ontvangst door admiraal Doria te Genua, de bestraffing van Gent in februari 1540, de abdicatie op 15 oktober 1555 in de Brusselse Koudenberg (ook behandeld door Michielde Swaen in De Zedighe dood van Keizer Karel of Mort Morale)... Daarbij legt Van Wilderode de verrukkelijke, sensuele vergankelijkheid van het ogenblik weelderig en trefzeker vast, zoals bijv. in de vijf Granada-gedichten.

De gedichten over de brutale bestraffing van de rebellie van de geboortestad Gent moduleren de zo onmodieuze thema's van staatsraison en eenzaamheid van de macht: “Macht heeft de bijsmaak van bitter kruid.” De moedergedichten brengen een weliswaar stereotiep maar niettemin aangrijpend beeld van Johanna de Waanzinnige. In de pupillen van Filips II, die zijn vader “nooit meer recht in het gezicht” kijkt, draait “de stille bewolkte hemel [... ] met veel meer vlokken duisternis dan licht”. De vermoeide persoonlijkheid van de door plichtbesef geplaagde en verstijfde Habsburger komt wellicht het sterkst aan bod aan het gedicht “Koudenberg (4)”:

...een vroegoud man die door het glas

waarop de najaarszon zat zat te kijken

en op geen ander wezen wil gelijken

dan op de knaap die hij veel vroeger was. (p. 70)

De derde beweging, 'De weg weldra', verwijst naar “een land verder”, naar een “voortdurend smaller leefgebied”. Verinnerlijking en verdieping. Dagelijkse dingen, een laatste vertederde maar reeds transparante band met de natuur, soms wat weemoed, de blik gericht op de overoever – dat alles neigt reeds naar de dood die door de dichter benaderd wordt als

één amper ogenblik

(de leeggedronken beker valt aan scherven)

of een langdurig langzaam henesterven

(de wortelstok geleidelijk losgewrikt).

 

Zal het des nachts zijn zonder ander licht

dan wat de maan laat in de kleine ruiten,

misschien een morgen als het dag wordt buiten

of binst de weldaad van de schemering?

 

Zal het najaar zijn in grijs en rood,

verrukkelijk een lentedag vol vlinders

of als het koud wordt en wanhopig bitter?

En dan de dood, denk ik, en dan de dood. (p. 109)

*

De ontdekking, in 1990, van het paleis van Karel V te Yuste betekende voor de dichter en essayist Marc Quaghebeur (°1947, gedelegeerd-bestuurder van het AML, Archives & Musée de la Littérature te Brussel) een ware schok. Zijn belangstelling voor de keizer en de XVIdeeeuw werd erdoor verhevigd, wat uitmondde in een aantal publicaties. [11] In de novelle La nuitde Yuste[12]komen zowel een onbestemde verteller als de keizer zelf aan het woord.

Net als De Vlinderboom bestaat de novelle La nuit de Yuste uit drie bewegingen ('La nuit de Yuste'; 'Si loin, l'Escaut' en 'Les grandes eaux'). Net als bij Van Wilderode kan ze gelezen worden als een reis-, levens- en stervensverhaal. In beide boeken overschouwt de keizer zijn leven en mediteert hij over tijd, macht en vergankelijkheid, waarbij het vanitas-motief centraal staat. Er zijn nog meer raakpunten.

Het thematische parallellisme tussen beide boeken ligt trouwens voor de hand: beide schrijvers nemen immers de concrete levensloop van Carolus Quintus als uitgangspunt van hun pregnante literaire evocatie.

Romancier, toneelschrijver en criticus Jacques De Decker (°1945) stipt aan:

Quaghebeur saisit l'empereur dans sa dernière demeure, dans la résidence de Yuste où il finit ses jours. Personne, jusqu'à présent, et cette négligence laisse pantois, n'avait pensé à approcher le personnage de cette manière. Elle fournit pourtant la clé d'une personnalité qui fascine Quaghebeur, auteur de textes savants à son propos, et qui ici use des instruments de l'intuition poétique pour arriver à ses fins. [13]

Dat Jacques De Decker stomverbaasd was dat voor Quaghebeur niemand er ooit aan dacht Carolus Quintus te benaderen vanuit die laatste jaren van in Yuste, vond ik destijds symptomatisch. De Decker, vast secretaris van de Académie royale de Langue et de Littérature françaises, is een van de weinige Franstalige critici die goed vertrouwd is met de Vlaamse letteren. Maar ook hij was kennelijk het slachtoffer, tot mijn verbazing, van de door (de betoelagende instellingen en) de media opgedrongen (bewust of door onwetendheid vervalste) canon. Geen Van Wilderode dus wel bijvoorbeeld Hilde Ketteleer in de bloemlezing van Francis Dannemark, Ici on parle flamand & français. Une fameuse collection de poèmes belges, (Bordeaux, Le Castor Astral, 2005).

*

De Spaanse vertaling van La nuit de Yuste werd bezorgd door Patricia Pareja Ríos en Yolanda San-Roman (Universidad de Las Palmas de Gran Canaria).

Cette courte nouvelle, écrite entre la prose et la poésie, apparaît sous forme de monologue celui d'un vieil homme au crépuscule de sa vie: l'Empereur remémore en une nuit toute son existence, dans un flux rompu de phrases courtes qui se réduisent parfois à un seul mot, à un silence.

Flux et reflux, expansion ou contraction du texte qui balance entre une vie qui s'achève – mort imminente – et une naissance intérieure, re-naissance accomplie à la fin de l'œuvre.

C'est à ce jeu stylistique constant, entre digressions et élisions, entre constructions et déconstructions, que nous nous sommes attelées.[14]

De zelfprojectie en (gedeeltelijke) vereenzelviging van Van Wilderode met Carolus wordt vertolkt in een klassiek, gebonden discours in de eerste persoon, terwijl de empathie van Quaghebeur met de keizer tot uitdrukking komt middels alle poëticale procédé's van de gelaagde (post-)moderne retoriek.

*

Frans Terrie wijst op tal van “autobiografische trekjes” in De Vlinderboom, waardoor het geheel iets krijgt “van een afrekening met de macht, omdat de hoofdfiguur de voosheid ervan gaat doorzien en meteen voor ons […] een menselijker gelaat krijgt.” Hij wijst op het orgelpunt van het gedicht 'Kerstdag 1557': “de 'ik' wil met de stoet opstappen van zij 'die enkel moed bezitten en geen macht'.”

Alleen maar moed... en men kan denken aan Marnix Gijsens “Joachim van Babylon”, die aan het einde van z'n menselijke wedervaren, zijn lezer deze les ten beste geeft: “...zoek het kostbaarste kruid dat groeit op deze aarde: moed. Waar gij het ook vinden moogt, pluk het.” Maar bij een dichter als Anton van Wilderode mogen we toch nog eerder denken aan de mattheaanse zaligspreking: “Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten”. En die zachtmoedigheid is een woord met een breed spectrum van betekenissen, gaande van deemoed tot moed om te vertrouwen op het zachte geweld van de liefde. [15]

Niet alleen Mattheüs 5 : 5, ook het geheel van de mattheaanse zaligsprekingen is van toepassing op het engagement van de dichter Van Wilderode. Als schrijver van teksten voor de IJzerbedevaart revindiceerde hij impliciet de kwalificatie van geëngageerde dichter. In De Standaard (11 april 1975) formuleerde Van Wilderode een retorische maar niet minder scherpzinnige vraag die aandacht verdient en niets aan actualiteit ingeboet heeft:

Waarom spreekt men alleen over 'gelegenheidspoëzie' als het Vlaamse teksten betreft en over 'geëngageerde' poëzie wanneer het gaat over Vietnam, Chili en Cuba, zelfs ter gelegenheid van manifestaties als Poëzie in het Paleis of Nacht van de poëzie?

Het diep gewortelde engagement van Van Wilderode is doortrokken van die stille maar sterke zachtmoedigheid waar Frans Terrie op wees en heeft vormelijk niets te maken met de martiale cadans en de holle luidruchtigheid van de meeste strijdgedichten. Dat verwaarloosde aspect van zijn dichterschap verdient trouwens een grondig onderzoek.

Misschien is het hier in dat verband de gelegenheid om even in herinnering te brengen dat Anton van Wilderode, samen met Louis Paul Boon, André Demedts, Marnix Gijsen, Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gerard Walschap en Albert Westerlinck, in 1976 de Verklaring van de Acht ondertekende, waarin werd opgeroepen om de taalgrens en de afbakening van Brussel-19 als definitief te beschouwen. De 'Acht' traden daarbij in het voetspoor van Herman Teirlinck en Stijn Streuvels, die in 1959 een Publieke verklaring aflegden, waarin gesteld werd:

Laat iedere Belg vrij uitgaan door het land en zich vestigen waar hij wil. Hij verlieze echter nooit uit het oog dat hij een onschendbaar taalgebied is binnengetreden, waar hij hoe dan ook geen voorrechten voor eigen taal heeft te doen gelden.

Er mag onder geen voorwendsel worden getornd aan het heilig recht voor beide taalgemeenschappen om de volstrekte onaantastbaarheid op te eisen van beider geboortegrond.

Met deze alarmkreet hebben ondergetekenden hun geweten laten spreken.[16]

*

Anton van Wilderode is niet alleen een virtuoos vakman, maar ook een begenadigde dichter die de ogenschijnlijke sereniteit van een beheerst classicisme als vanzelfsprekend weet te verbinden met de meest subjectieve ervaring die hij echter in haar universaliteit weet te vatten. Het oeuvre, aan geen mode schatplichtig, dat hij in de loop der jaren geruisloos opbouwde, is uit de Nederlandse poëzie niet meer weg te denken. Hij behoort daarbij tot de dichters die hun hoogste creatieve vlucht op rijpere leeftijd hebben ontplooid.

Buiten de filosofische dimensie (de eenzaamheid, de geworpenheid, de schuld die door loutering opgeheven worden, de herwaardering van de eenvoudige dingen des levens en het scherpe bewustzijn van hun verankering in een metafysische dimensie) die Van Wilderode uitermate ligt en in zijn oeuvre ruimschoots aan bod komt, geeft hij in De Vlinderboom ook uiting aan zijn kritische fascinatie door de machtsuitoefening en het goede gezag.

De aandachtige lezer zal merken dat in De Vlinderboom het engagement van Anton van Wilderode als het ware geëpureerd en discreet aan bod komt, op een tegelijk onthullende en verhullende wijze, minder herkenbaar, tijds- en plaatsgebonden dan in de voortreffelijke strijdteksten die hij schreef, maar daarom nog niet minder pregnant.

Tussen klassieke onthechting en lyrische bewogenheid waart het spook van de overwonnen melancholie in de eens te meer voortreffelijke en suggestieve verzen van DeVlinderboom.

Henri-Floris JESPERS

(1) Dirk VAN BASTELAERE, Erwin JANS en Patrick PEETERS, Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005, Gent, Poëziecentrum, 2008, p. 16.

(2) Gaston DURNEZ, Vlaamse schrijvers. Vijfentwintig portretten, Antwerpen / Amsterdam, Manteau, 1982.

(3) VAN BASTELAERE, E. JANS en P. PEETERS, op. cit., p. 17.

(4) Ib., pp. 19-20.

(5) Ib., p. 21.

(6) Ib., p. 16.

(7) Ib., p. 27.

(8) Cf. Gilbert DURAND, Les structures anthropologiques de l'imaginaire, Paris, Presses Universitaires de France, 1963.

(9) Dom Bruno VAN HAVERE O.S.B., Het zinnebeeld in de kristelijke kunst, Dendermonde, St. Pieters en Paulus' Abdij, 1935, p. 8.

(10) Henry DE MONTHERLANT, Le Cardinal d'Espagne, Paris, Gallimard, 1960.

(11) Zie o.m. Marc QUAGHEBEUR and Catherine LABIO, 'The Sixteenth Century: A Decisive Myth', in :Yale French Studies, No. 102 , Belgian Memories, Yale University Press, 2002, pp. 115-141; Marc QUAGHEBEUR, 'Le XVIe siècle: un mythe fondateur de la Belgique', in:Textyles, no 28, La Belgique avant la Belgique, Bruxelles, Le Cri, 2005, pp. 30-45.

(12) Marc QUAGHEBEUR, La nuit de Yuste, Bruxelles, Le Cormier, 2000. Tien jaar eerder verscheen al een fragment: 'La nuit de Yuste',in L'Année nouvelle, Bruxelles, les Éperonniers, 1990, pp. 227-230.

(13) Jacques DE DECKER, 'Schmitz, Quaghebeur, Brogniet: voix royales', in: Le Soir, 14 février 2001.

(14) Patricia PAREJA RÍOS & Yolanda SAN-ROMAN, 'La nuit de Yuste', in: IV Coloquio de la Asociación de Profesores de Francés de la Universidad Española. Traducción e Interpretación, pp. 697-704.

(15) E.H. Frans TERRIE, 'Kerstdag 1557', in: Nieuwsbrief IVA, Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode, 14e jaargang, nr. 3, december 2009, januari, februari, maart 2010, pp. 15.

(16) Volledige tekst in: Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, nr. 113-114, 26 maart 2008. Zie ook: http://mededelingen.over-blog.com/article-18125553.html

Partager cet article
Repost0

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche