Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 20:50

 

Eind augustus 2010 verscheen Dangres roman Vulkaanvrucht, die heel wat reacties uitlokte zowel in de schrijvende als de sprekende pers.

Nauwelijks vier maanden later verscheen zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet, die – als enige Vlaamse debuut – genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.

-28.jpgY.M. Dangre (Foto: Geert Bastianen)


Thematiek


Meisje dat ik nog moet is de dubbelzinnige want elliptische titel van deze dichtbundel, die vijf cyclussen telt en die, zoals je kan verwachten van een debuterende jongeman, de liefde tot centraal thema heeft. Zijn het oden aan zijn grote liefde of elegieën voor één of ander ‘verloren’ meisje, hoe anoniem en verliteratuurd ze ook moge zijn? Zo simpel is het niet, althans niet bij een auteur als Y.M. Dangre.

 

Het “meisje dat [de dichter] nog moet” krijgt diverse namen. In de eerste cyclus‘Aurora pro nobis’ heet ze “Aurora”, in de ‘Sargedichten’ gaat het om een “heel kleine muze” of een “Grieks Roodkapje”, en in het gedicht ‘Gratia plena’ wordt ze aangesproken met “meisje dat ik nog moet”, “dat ik nog wil”, “dat ik niet mag”, “dat ik nog zal” of: “meisje in mijn midden”.

Gratia plena’ is echter wél expliciet opgedragen aan een zekere “Marie”: mogelijk een meisje/vrouw van vlees en bloed, maar gezien de titel – ‘[Wees gegroet, Maria/Marie] Vol van genade’ blijft ook deze opdracht op zijn minst dubbelzinnig.

 

Bij nader toezien gaat het in die drie cycli om een apostrofe en invocatio van de Muze: Aurora bijvoorbeeld, godin van de dageraad die de zon aankondigt. Dangre richt zich biddend tot haar en smeekt haar om haar liefde, haar gunsten, om de honing die uit haar lichaam stroomt – de hemelse dauw die, metaforisch of allegorisch, ook naar de poëzie verwijst.

 

Elke ochtend lik ik de dauw / uit je monden […] en open je wonde / tot je honing breekt en mijn lichaam / reinigt.”

 

In de cyclus ‘De sargedichten’ – de bepaling ‘sar-’ verwijst naar ‘sarren’ of ‘plagen, pesten’ – krijgt de Muze geen naam maar gaat het om een dartel, ondeugend en zelfs gevaarlijk klein meisje dat verstoppertje speelt met de dichter en ongrijpbaar blijft, onvindbaar

 

tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding.”

Met als gevolg:

Halsstarrig blijf ik roepen: kom toch / tevoorschijn om mij te openen / als een blik op jou.”

Maar helaas, zo zegt de dichter: “klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht”.

 

Deze “gekke meid”, die zich de hele tijd “vermomt […] in een vrouw”, blijkt een Grieks Roodkapje dat zegt: “Ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend.” En dan verdwijnt ze weer, deze erotisch-poëtische fee(ks), precies in de verzen die de dichter neerschreef: zij maakt zijn werk mogelijk en tegelijk onmogelijk, zij is erin aanwezig én afwezig.

 

Gratia plena’ is een lang litanie-achtig gedicht waarin Dangre opnieuw de aandacht, de aanwezigheid van de muze afsmeekt en oproept: “Luister je al, meisje dat ik nog zal” Of: “Voel mij bidden, meisje in mijn midden, / meisje smeulend in de vrieskou / van mijn zingende handen.” Maar ook zij blijft ongrijpbaar, en bij het afscheid in het slotgedicht klinkt het zo:

 

Gegroet, meisje dat ik nog moet, / meisje ooit en nooit meer hier, / veel te hijgend verwoord, paars / en ijselijk word jij weer het december / van mijn verbeelding […]”

Of: “Verdraag toch mijn zenuwtrekkend geloof / en vergeef en vraag en vul, val, wees vol / van mijn genade.”

 

Schrijven blijkt een wanhopig herhaalde beweging naar een centrum dat zich altijd aan de periferie bevindt, dat zich even toont in de schriftuur en dan weer onherroepelijk verdwijnt – net zoals de liefde zelf een eindeloze queeste is naar de ander die je uiteindelijk telkens weer ontglipt. Bed en gebed liggen erg dicht bij elkaar. Mocht er al enige anekdotisch-biografische aanleiding voor deze liefdesverzen hebben bestaan, dan verdampt ze in en door de poëticale implicaties tot een synthese met universele allures. “Te veel jonge debutanten staren zich blind op zichzelf”, gispte Dangre (1): een klip die hij zelf inderdaad in deze verzen omzeilde.

 

Opmerkelijk ten slotte lijkt me het feit dat de muze vaak gezien wordt als een kind. Zij heet “vrouw van diepten” of “godin”, inderdaad, maar ook: “Roodkapje”, “meisje”, “heel kleine muze”, “gekke meid” met “meisjesogen” die zich “vermomt in een vrouw” of “heerst met zachte kinderhand”. De ambiguïteit blijft echter, ook expliciet binnen één gedicht, gehandhaafd: “die vrouw / verstopt in een geverfde kinderhuid, / dat meisje vermomd in een voltooide bruid.” Herinnert dit niet aan de roman Vulkaanvruchtwaar het ‘verlies van de jeugd’, het ‘verval’ door de voortschrijdende ouderdom, zo prominent aanwezig is?

Ook het motief van de ‘femme fatale’ duikt hier even op: “mijn stem zal vallen / voor de kattin en de puntige vrouw / en het ‘ik zie je doodgraag’ / van haar laatste klauw” (vgl. met de “harpij” elders in de bundel).

 

Naast deze drie cycli, zowel speelse als ernstige smeekbeden aan het muzenmeisje, bevat de bundel nog twee cycli die enigszins apart staan en die de langste, breedvoerigste gedichten bevatten van de hele bundel.

 

De cyclus ‘Vivaldi’, een uitbundige lofzang aan de liefde en het leven, is opgebouwd rond de vier seizoenen van de componist. Hier geen lyrisch ‘ik’ meer tegenover een ‘jij’ maar de ruimere collectiviteit van het ‘wij’. De dichter ‘beschrijft’ hoe ‘wij’, naargelang van het seizoen, de liefde beleven en ervaren; maar tegelijk vormen deze vier seizoenen allegorieën voor de grote fasen in elk mensenleven. Bijvoorbeeld, als het zomer is:

 

In dit zomerse lied zingen wij van zon / en zaad de liefde leeg, dansen wij vrouwen / en mannen met onze korte broeken vol / muzieknoten en strekken onze kerfstokken / tot eer”.

 

Met deze vijf verzen moge voldoende aangeduid zijn hoe heerlijk dubbelzinnig Dangre zijnlyrische strijkstok hanteert. Ondanks de onafwendbare vergankelijkheid klinken deze seizoengedichten nog optimistisch, want zelfs in de winter gaat het als volgt:

 

[wij] weten al lang niets meer / dan dat wij nog snakken naar elkaars / snaren, naar het tikken, strijken, / blazen en zuigen op elkaars zonnewijzers, / want zelfs nu, ondergesneeuwd in ouderdom, / zijn wij van water en van muziek en van elkaar / de schunnigste partituren.”

Heel anders is de tonaliteit in de cyclus ‘Onze woonst, waarin Dangre de verloren vitaliteit, de uitzichtloosheid, de uitgedoofde liefde binnen het huwelijk lyrisch omcirkelt. Deze genadeloos treffende maar opnieuw erg (en misschien overdadig) beeldrijke gedichten, eveneens in de wij-vorm geschreven, getuigen van een pijnlijke gevoeligheid van een 22-jarige voor de huwelijksproblematiek en tillen zijn poëzie ook in dit opzicht hoog uit boven de al te ik-betrokken probleempjes van de doorsnee adolescentenpoëzie-op-vrijersvoeten.

 

Een voorbeeld: het echtpaar weet van het echtelijke bed dat zij

 

er toch zullen instappen op onze oude voeten / van oorlog en schimmelende wellust.”

 

Datzelfde bed wordt omschreven als

 

een slagveld van lijfgeur en paringsdans, / van vroeggestorven warmtes” waar de “trouwe nacht als een loopgraaf onder de lakens” ligt.

 

De grote boeman blijkt de tijd te zijn, de voortschrijdende ouderdom, de aftakeling, het verlies van de jeugd – een fundamenteel thema, blijkbaar, bij Dangre.

 

Wij worden oud en kinderlijk en denken / dat het went, dit stilzitten in elkaars mond, / met versleten tongen en zere knieën / wachten tot één van ons eindelijk begint te lekken en de woorden sijpelen / op het tapijt, op de verleerde lippen / die de ander niet meer wil oprapen. / Nooit meer.”

 

Structuur

 

De bundel bevat drie hoofdafdelingen, waarvan je de titels als één zin kunt lezen: “Meisje (1), wij bidden u (2): gratia plena (3)” – zin die dus als ruggengraat van de hele bundel fungeert.

Vermits afdelingen 1 en 2 elk twee cycli tellen, bestaat de bundel uit 5 cyclussen in het totaal. (Zou het al te vermetel zijn om in dat aantal ‘5’ ook de structuur van een Griekse tragedie te zien?)

De tweede afdeling vormt de kern en bestaat precies uit die twee cycli (‘Vivaldi’ en ‘Onze woonst’) die opvallen tegenover de andere drie (door het veralgemenende ‘wij’ en de ruimere, algemeen-menselijke thematiek van leven en huwelijk).

 

Maar er zijn nog andere opvallende structurele ingrepen.

De cyclus ‘Aurora pro nobis’ bevat 9 gedichten, net zoveel als er muzen zijn; de gemiddelde lengte van de gedichten bedraagt 18 verzen, waarvan slechts één ernstige afwijking te constateren valt.

De sargedichten’ bestaan eveneens uit een oneven aantal gedichten (13) met een gemiddelde lengte van 11 verzen. De cyclus ‘Vivaldi’ telt dan weer 4 gedichten met respectievelijk 21, 19, 19 en 21 verzen – wat, (on-)bewust (?), een mooi spiegelbeeld oplevert.

Gratia plena’ ten slotte bestaat uit 14 gedichten van elk 7 verzen (14 x 7), maar op elke bladzijde staan twee gedichten afgedrukt, zijnde 14 verzen. Gevolg: 14 gedichten in de cyclus én 14 verzen per bladzijde. Maar ook: 7 bladzijden met telkens 14 verzen (7 x 14, andermaal een spiegelbeeld).

De openingsgedichten (I en II) van deze cyclus beginnen elk met “Gegroet, meisje dat ik nog moet”, wat dan (gedeeltelijk) herhaald wordt in de slotgedichten XIII en XIV: “Gegroet, meisje dat ik nog moet” tegenover “Voor de laatste maal vaarwel en gegroet” (omarming door herhaling en variatie). De overige gedichtenparen van de cyclus, verdeeld over vijf bladzijden, beginnen telkens met dezelfde versregel.

 

Ook de afzonderlijke gedichten vertonen een strakke opbouw rond variërende of letterlijk herhaalde woorden of zinspatronen, ofwel rond één centraal motief of betekenisveld. In de ‘Eerste Aurora’ b.v. opent elke strofe met de naam van de godin (strofen 1 en 2 vormen elk een lange aanspreking in de vorm van een syntactische ellips, de derde is gebaseerd op een imperatief). De ‘Tweede aurora’ is opgebouwd rond het semantische veld ‘autorit’, de vierde rond het motief van de bij en haar honing. Vergelijk: sargedicht ‘2’ wentelt rond het motief van de vogel, sargedicht ‘3’ rond een tuinlabyrint, sargedicht ‘7’ rond Dante, en ga zo maar door.

 

Nog afgezien van het feit dat de getallen 5, 7, 9 en 13 symbolisch geladen zijn, versterken de herhalingen en echoënde variaties door hun retorisch en bezwerend karakter de sacrale tonaliteit van het geheel, om nog te zwijgen van de uitgesproken vormwil die uit de afzonderlijke gedichten, bepaalde cycli én de opbouw van de hele bundel spreekt.

Luc PAY

(wordt vervolgd)


(1) Interview door Ilse Dewever, Gazet van Antwerpen, 29-30 januari 2011, p. 92.

Partager cet article
Repost0

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche