Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
7 août 2011 7 07 /08 /août /2011 02:41

 

mont-ventoux.jpg

Ook wie de Mont Ventoux (1912 meter) voor de 51ste maal beklimt, loopt het voor vertrek (le départ!) dun door de broek, langs welke kant men hem ook aanvalt: langs Bédouin/Bedouin, of langs Malaucène. Bedouin zonder accent is Provençaals Frans, of wat ik Mistrals en Occitaaans Frans wil noemen, en Bédouin mét accent imperialistisch Frans Frans, so to speak. Maar bij de moeizame beklimming van de Mons Ventosus sta je daar niet zo bij stil, ook al denderen de mooie verzen van Mirèio of van Lou tresor du Félibrige dan misschien wel door je half-bewusteloze brein, althans: van de grijze cellen van de meer intellectueel ingevoerde coureur, genre Jan Kal, Peter Winnen of Tim Krabbé. Ik laat de kant langs Sault buiten beschouwing want dat is de ‘beklimming’ voor jeanettencoureurs met een ‘triple’, ik bedoel: zo’n mannetje (en vandaag meer en meer vrouwtjes met hun sexy outfit) dat met een 32X28 amechtig naar boven sleft. De Ventoux: geen berg zo mythisch, zo winderig, zo vol van het Sublieme. Waarschijnlijk daarom alleen al beklom Petrarca hem, al was dat dan per pedes apostolorum of sul cavallo di San Francesco.

Al weken van tevoren wordt je lichaam gegeseld door een strak aangespannen touw waarvan de rafelranden je krokodillenbrein maar ook je hypothalamus prikken en teisteren. Elk zenuweinde staat scherp en soms lijkt het erop alsof al je zenuwen bloot liggen. Kortom: de Ventoux laat je op gespannen voet staan met heel je omgeving. Die begrijpt niet wat er met je Sitz im Leben en je aangeboren joculatorschap aan het gebeuren is. Mystici als Meister Eckhart, Juan de la Cruz en Theresa van Avila zouden het begrepen hebben omdat ze wisten dat alleen hard (klimmers)labeur en tellurisch gewroet je tot grote hoogten en tot je ‘innerlijke burcht’ voert – letterlijk en figuurlijk. Ook het lichamelijke aspect zou deze zoekers naar de definitieve unio mystica hebben toegelachen, het diepe verlangen het dagelijkse te overstijgen, het extatische visioen een goddelijk coureur te zijn. Van perigeum naar apogeum: tijdens dit proces, dat op de top van de Ventoux zijn toppunt bereikt, vloeien visioen van de verbeelding en visioen van het verstand (Francisco de Osuna) organisch samen. De connoisseur par excellence, Herman Chevrolet (nomen et omen!), schreef het al herhaaldelijk: renners zijn, in tegenstelling tot de barbiepoppen en modemannekes die voetballers zijn, geen normale mensen, maar dat zijn mystici ook niet. Likte Theresa - om dichter bij god te komen - niet de slijmen, de rochels en de fluimen op van haar zieke medezusters? En doet de coureur dat ook niet als hij in het zog van de betere klimmer of de forçat de la route diens snot op een of andere manier verduwt? En zei een van de broers Pélissier, steengoede coureurs, niet dat er een dag zou komen dat de organisatoren van de Tour van de France lood in het maillot van de coureur zouden steken omdat ze vinden dat God de mens te licht heeft geschapen? Met meer lood dichter bij God. Zowel de mystica als de coureur: beiden hebben ze een brandend hart.

Je bereidt je voor, voor de elfendertigste keer, om de vreesaanjagende berg te overwinnen, maar het blijft kankeren en ‘reuren’: de Ventoux oefent als baldadige kwant zijn schrikbewind con gusto uit. Le Ventoux, c’est le mal, vrij naar Proudhon. Je eet nog wat evenwichtiger, niet te veel, maar ook niet te weinig, iets tussen de vele taartjes van Roger de Vlaeminck en de lichte havervlokjes van Rasmussen in. Je traint veel maar ook weer niet te veel, een evenwichtsoefening die nooit lukt. En dan, na maanden en weken, breekt de dag ervoor aan, een dag vol lijfelijke winderigheid, onzekerheid (ja, ook na 50 maal), onaanspreekbaarheid, kinnesinne wegens de formidabele tijden die vrienden hebben neergezet, humeurigheid, angst voor de weergoden (je bent immers geen homo anemoskepès!) en de zoveelste lectuur van het magistrale, maar ook verlammende boek ‘De renner’ van Tim Krabbé. Die ultieme voorbereidingsdag echter wil men vlug vergeten want er gebeurt tegelijk niets en vanalles, de mystiek is ver weg, het is eerder de mythe van Sisyphus die heerst en de hyperkinesie van de verdoolde. De dag van de beklimming begint al tijdens de nacht: gewoel, freudiaanse dromen van lekke bidons, afgebroken guidons, versleten trapassen, vette vliegen die naar je zweetdruppels verlangen en continue bandbreuken. Je staat op en je lichaam lijkt wel een oud karkas, krachteloos, eetlustloos. Je sleept je voort want de voorbereidingen zijn dan wel achter de rug, maar het failliet zit in het kleinste detail. Zal ik dat plastic flesje krachtvoeding ook nog meezeulen? Bouwde ik genoeg eiwitten, mineralen en aminozuren op? Welk isotoon drankje neem ik mee? Zet ik 7,5 of 8 kg spanning in de bandjes, zet ik om me te beschermen tegen de loden hitte een petje onder de helm, doe ik armstukken aan, neem ik een regenjasje mee tegen de kou op de top van deze killer en voor de helse afdaling, neem ik twee grote of twee kleine drinkbusjes mee? Freek de Jonge zei het ooit: allemaal vragen, weg ermee! Dat vormt dan ook de basisattitude voor de beklimming: je bent de incarnatie van een oxymoron geworden, van oblomovistische spanning. Je rijdt om half zeven (ja, ’s morgens) vanaf de uitvalsbasis, het naturistenkamp Bélezy, traag en met een kleine versnelling (42X18) een vijftigtal kilometertjes. Je kippevelt nog tijdens dat opwarmertje want het is nog fris, de zenuwen maken je maag tot een wazig bassin maar de stilte van de natuur geef je een opkikker van jewelste en brengt je in de pre-mystieke mood. Dan begeef je je, indachtig de snelste tijd die ooit naar de top van de Mont Ventoux gehaald werd, naar het vertrekpunt in Bedouin, een kleine witte streep waarachter al honderdduizenden voor jou gestaan hebben, ieder met een idee-fixe en met slappe spieren (nieuwsoortig zeugma!). De Ventoux temmen is het hoogst bereikbare in het leven dat we lijden. Wie van mystiek heeft gehoord (weinig coureurs, helaas), lijdt dubbel. Hij weet dat hij op zijn moeder zal roepen, een bepaalde kadans zal hem in een vreemdsoortig ritme brengen, hij zal zich afvragen welke zin dit allemaal heeft, maar zoals Camus zal hij zijn roeping vinden in het zinvol maken van het absoluut zinledige. De renner is dan ook filosoof geworden, een aanwinst voor de zieltogende postmoderne mensheid.

De eerste kilometers lopen soepel en verschaffen je de illusie dat het allemaal nog wel meevalt. Even voorbij het exquise restaurant Le Mas des Vignes (geen bankcontact, geen cheques, cash betalen) realiseer je je dat je liever van het mooie uitzicht zou genieten vanop het terras van die genereuze eettent, maar het is te laat: je bent na een scherpe bocht Dantes limbo of voorgeborchte binnengedraaid, nu moet je alle hoop laten varen, niet meer omkijken (Euridike!) en gewoon op automatische piloot voortsjezen. Na wat heftig klimwerk kom je in Dantes obscure woud, de hel van de Ventoux, het klauterwerk in het bos, een diabolische plaats waar ik Laurent Jalabert met glazige ogen op de racefiets tien kilometer per uur zag wandelen. Ik rij daar met dezelfde snelheid, maar ik heb geen tweehonderd kilometer achter de rug zoals de bolletjestrui in 2001 en 2002. Ik ben heel even beschaamd dat ik mij met Laurent durf te vergelijken maar een wijle later ben ik wel weer trots: een oude knar van 63 die tegen dezelfde snelheid rijdt als een doorgewinterd klimmer…. Die gedachte maakt echter vlug plaats voor een bepaalde ritmiek die de gedachten mantra-iseert. Steeds hetzelfde wijsje komt in je op en al vlug begrijp je dat het die wat diffuse mantra is die je op de been houdt, want eigenlijk is dit waanzin, ook al rijdt dokter Toon Claes van Sparta de Ventoux vijfmaal in één dag: u leest het goed. Toen ik dertig was, zowat nel mezzo del cammin van mijn eigen vita, deed ik het tweemaal in één dag (voor de liefhebbers: 1.24 min en 1.26 min.), maar vandaag bij het niet meer lengen van mijn dagen, ben ik met één beklimming best tevree.

Het gezwoeg in de hel, op de flanken van wat een paar kilometer verderop de kale berg wordt, duurt zowat een uur, de danteske incontinentia, de onbeheersbaarheid der driften, wordt als vanzelf stilgelegd want je energie is nu alleen bezig met overleven. De kilometerpaaltjes tikken langzaam weg: nooit hebben cijfers zoveel betekenis gehad, en dan is in the state of mind waarin je bent gesukkeld een zekere kabbalistische mystiek nooit ver weg, al beklimmen Joden de Mont Ventoux niet, althans: niet bij mijn weten. Dan, aan Chalet Reynard (à votre disposition en toutes saisons), op een hoogte van 1440 meter, doemt de louteringsberg op, de kale winderige vlakte die ons van alle zonden verlost en waar het memoriaal van de door en door gedopeerde Tom Simpson staat. Als in een ceremonieel gebaar gooi ik een mueslireep op de vele parafernalia die er respectvol neergekeild werden door wielertoeristen die zich net als ik realiseren dat je de Tour de France niet op spek en eieren rijdt en dat heel het gedoe rond doping neerkomt op exorcisme van de koude grond en op een postmoderne inquisitie, want over de toenemende commercialisering bijvoorbeeld hoor je nooit een wielerbobo. Passons – dat is hier wel het woord. Nog wat gemier tegen een strot wind die op deze Louteringsberg altijd waait en die zich soms tot een kleine of grote mistral metamorfoseert. Het lijkt er tijdens de laatste 6 kilometer op alsof je de top van de Ventoux met zijn majestueuze weerstation met de hand kunt betasten: dat loutert inderdaad, maar naarmate de kilometers vorderen groeit ook de frustratie want precies het laatste stuk doet vermoeden dat je nooit het apogeum, de top van dit monster zult bereiken. Je kilometertellertje geeft zestien km/uur aan. Je denkt aan de tijd dat je hier meer dan 20km/uur haalde, maar je weet: “Mijn leven is als fietsen op de Ventoux met tegenwind” (vrij naar Kees Kraakman). Zodra je echter het laatste erg steile stukje voor de finish opdraait, daalt de mystiek in je neer en weet je: dit is het paradijs, niets is ermee te vergelijken. Het is natuur- en materialistische mystiek in één die van het iele wezen dat je in wezen bent, dat pascaliaanse rietstengeltje, een sterke unerschütterliche Nietzscheaanse mens maakt, een uitgebalanceerd en ataraktisch wezen vol equanimitas, niet klein te krijgen door de postmoderne depressiemaatschappij. Aan al die creaturen die hologig, gedeprimeerd, endorfinevrij en cocaïnevol rondlopen, zuchtend, kliemend en klagend onder de terreur van de markt van welzijn en geluk, zou je willen zeggen: beklim de dionysische reus die deze berg is, stijg op naar zijn ijle hoogten, hervind het leven, maar vergeet niet zoals Hans Castorp in Thomas Manns filosofische roman ‘De Toverberg’ terug te keren naar de aarde, naar een hervonden evenwicht.

Ik bespaar u de afdaling: het is altijd een uitermate apocalyptische rit, een gevaar sui generis, even zwaar als de beklimming was, met haarspeldbochten en auto’s die je niet voorbij kunnen rijden omdat je zelf met tachtig kilometer per uur door iets klieft wat onbenoembaar is. Het sjezen en rauzen brengen je in een andere dimensie waarbij het begrip ‘gevaar’ een nieuwe betekenis krijgt. Beneden in het dorp wacht de verlossing. Je drinkt er een echte Franse espresso en je kijkt met verwondering terug op het onbenoembare. De krampachtigheid waarmee bij een lange afdaling iedereen op de racefiets zit, vloeit uit je lijf, en je weet: domme, racefietsloze vakanties laat ik aan schlemielen, intellectuelen, mentaal ziekelijken en postmoderne politiek correcten over. Die leven immers ook in de wolken, die van hun ivoren toren, de locus van de ignorans, waar de libido sciendi zich beperkt tot wat ze al weten. Daar rotzooien ze maar wat an, weliswaar door god en van geen mens gestoord (vrij naar wijlen Albert Westerlinck), maar altijd ontevreden, pissig, feitenresistent en gefrustreerd omdat alle karavanen aan hen voorbijtrekken. Ik wil ze zeggen: koop een racekarretje, sjees en raus de Ventoux op en voel je vrij.

Wim VAN ROOY

Partager cet article
Repost0

commentaires

W

Ik vrees dat de taal waarin dit gezwoeg is gesteld, volledig voorbijgaat aan de doordeweekse wielerliefhebber, ik denk dat het tegelijk een Tourmalet, Aubisque en Mount Everest blijkt te zijn.
Trouwens erg van genoten, maar dat doe ik ook met de wielergedichten van Willie Verhegghe.


Répondre

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche