Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
14 janvier 2010 4 14 /01 /janvier /2010 04:30

Clipboard01.jpg

Herman J. Claeys, Dolle Mol, 18 december 2009 (tekening: Robin de Salle)

 

Gisteren werd in het Crematorium van Antwerpen afscheid genomen van HJC (zie de blog van gisteren). Als tweede spreker kwam Jeroen Kuypers (alias Max Moragie) aan het woord.

 

Geachte aanwezigen,


Het is misschien een vreemde opmerking om mee te beginnen, maar ik doe het toch: Herman J. Claeys was een man die eigenlijk alleen maar vrienden had. Wat vreemd is voor een levenslange provo. Iedereen verzamelt in zijn leven wel enkele vijanden. Je kan zo eenzaam niet zijn en je leven in volslagen afzondering en vergetelheid in een home slijten of je kan er donder op zeggen dat er in ieder geval ergens iemand rondloopt die je hartstochtelijk haat. Niet in het geval van Herman. Ook al was je het niet met hem eens, ook al vond je sommige van zijn acties en publicaties maar zo-zo, je kon volgens mij geen hekel hebben aan, zelfs geen uitgesproken antipathie koesteren voor, deze beminnelijke en ontwapenende man. En wie dat toch heeft raad ik dringend een diepgaand onderzoek door de psychiater aan.

Dat wil niet zeggen dat Herman heel zijn leven met altijd maar méér mensen even intens is omgegaan. Wat dat betreft leefde hij volgens het principe van de schuivende panelen: vrienden en vriendinnen uit de zestiger en zeventiger jaren – Herman sprak zelf graag van ‘medestrijders’– maakten plaats voor vrienden en vriendinnen uit de tachtiger en negentiger jaren en zelf nog latere. Sommigen omdat ze vroeg stierven (bijvoorbeeld Jan Emiel Daele), anderen omdat ze nieuwe wegen insloegen (bijvoorbeeld de ‘Bokkers’ en andere literaire hemelbestormers). Politiek en kunst bleven echter de grote constanten in zijn grote vriendenkring. Ik denk ook dat ik niet overdrijf als ik zeg dat Herman op iedereen met wie hij enkele jaren of langer aan een stuk optrok een diepe indruk maakte, misschien zelfs een onuitwisbare. Als dat niet zo was geweest waren herinneringen aan hem niet zo veelvuldig en uitgebreid opgedoken in de vele memoires van generatiegenoten die vanaf de negentiger jaren het licht zagen.


Dat laatste is uiteindelijk ook de enige troost voor een man als Herman als hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. Hij geloofde niet in een leven na de dood. “De dood is simpelweg het einde van een leven,” zei hij onlangs nog. Maar dat betekent niet dat je leven na je dood ook direct helemaal voorbij is. Als de dood iemand uit zijn omgeving plukt blijft die omgeving zelf nog lange tijd intact. En in Hermans geval bestaat die omgeving deels uit bedrukt papier en deels uit mensen. Veel van de teksten die hij eerst aan het papier toevertrouwde vertrouwde hij nadien immers toe aan zijn toehoorders. Zolang ze blijven gelezen en voorgedragen, zolang ze blijven onthouden en dus innerlijk gehoord, blijven ze levend. Dat is het typische aan de dood van een performing poet – zijn nalatenschap is meer dan die van een uitsluitend schrijvend dichter aan het levende brein van zijn publiek gebonden..


Toen ik onlangs Hermans debuutroman ‘Het Geluid’ herlas viel me op hoe profetisch dit boek is. Herman voorzag in dit symbolische verhaal de hele op- en vooral neergang van de provobeweging waar hij zelf een van de initiators van was. Maar, je kunt deze roman ook op een niet-politieke, filosofische wijze lezen.


Even een kort resumé: in ‘Het Geluid’ begint een groepje artistieke mensen ieder voor zich een geluid te horen. Voor sommigen is het een irriterend geluid, dat verhindert te schilderen of te schrijven, voor anderen een erotisch geluid, dat je onder water omzwachteld en streelt als een minnaar. Voor weer anderen is het simpelweg ‘hun’ volstrekt persoonlijke geluid. Wat het ook is, en waar het ook vandaan komt, het stimuleert de creativiteit en de levenslust, want ook degenen die zich er aanvankelijk door gestoord voelden ontdekken zijn kracht en gaan het schilderen en beschrijven.

Overal in de stad beginnen mensen het geluid te horen. Enkelen gaan er zozeer in op dat ze stoppen met ademen, om het geluid vooral niet te onderbreken, en er dus in stikken. Anderen houden het geheim, omdat leger, kerk en kapitaal het bestaan van het geluid eerst ontkennen en het vervolgens als subversief kwalificeren. Op den duur komt er een beweging voor de erkenning van het geluid, de sonistische beweging. Maar sono of sonisme zijn ook de inkapseling en de verstening van het geluid. Eigenlijk hebben ze niets meer met het oorspronkelijke of werkelijke geluid te maken. Er zijn dan ook politici die beweren het te horen en er in realiteit doof voor zijn. Dat kan niet anders dan eindigen in een geweldige geluidloze knal..


Het Geluid’ – een politieke parabel, een roman als ‘Animal Farm’ . Zo kun je het lezen. Maar als het niet in definities vast te leggen geluid een symbool of een synoniem is voor vitaliteit, voor creativiteit, voor het levensprincipe zelf wellicht, kun je het boek ook breder interpreteren. Mij viel bij herlezing op dat het geluid ook voldoet aan een omschrijving van duizenden jaren geleden: “Het Tao kan niet gehoord worden. Wat gehoord wordt is niet het Tao. Het Tao kan niet gezien worden. Wat gezien wordt is niet het Tao. Over het Tao kan niets gezegd worden. Wat benoemd wordt is niet het Tao.” Het zijn woorden uit de Tao Te King, dat hoofdwerk uit het Chinese Taoïsme. Daarom overleeft het geluid in de gelijknamige roman enkel in de hoofden en oren van de personages die het van meet af aan niet hebben willen definiëren en beperken, het voor zichzelf hebben gehouden of hooguit met de mensen om wie ze geven de belevenis ervan hebben gedeeld. In dat opzicht is de roman een pleidooi voor een zo waarachtig en intens mogelijk beleefd bestaan. Wie onwaarachtig leeft, vol corruptie en machtsmisbruik, riskeert slechts de ‘verstening’ – niet toevallig een thema in de tweede roman van Herman J. Claeys, ‘Steen’.


Herman als reïncarnatie van een klassieke Chinees wijsgeer, Lao Tse. Lao J. Claeys – geef toe, de klank heeft wel wat. Ik vermoed dat hij er zelf hooguit om gelachen zou kunnen hebben, want Herman ‘was niet zo in de oosterse mysteriën’. Maar het aan het boeddhisme verwante Taoïsme is geen godsdienst, dus de antiklerikaal in hem zou er wel vrede mee hebben gevonden. En daarbij: Herman heeft zelf een leven geleid dat je toch zeker als waarachtig mag kenmerken, vrij van welke corruptie of welk machtsmisbruik dan ook. Ik wil niet beweren dat het in alle opzichten even voorbeeldig is geweest – hij had zeker zijn liederlijke momenten en stijlelementen – maar daar heeft hij hooguit zelf last van gehad. Zoals gezegd: vijanden had hij niet, vrienden des te meer.


Herman J. Claeys had een groot volume van wat met het geluid bedoeld was. Hij hoort het nu waarschijnlijk niet meer, maar wij kunnen het nog wel opvangen: in zijn gedichten, in zijn romans en in de impressies die hij op onze geheugens heeft gemaakt. Dood, in de zin van geluidloos, ben je pas als niemand nog aan je denkt, als aan de hand van je foto wordt gevraagd: ‘Wie is dat in hemelsnaam?’, als je boeken de papiermolen in gaan. Ik hoop, en ik denk, dat het nog lang zal duren eer Herman J. Claeys definitief ‘verstomt’ en ‘ongehoord’ wordt. Ook en niet in de plaats voor onszelf. Want zolang je als sterveling verbonden blijft met het vitale geluid en dus elan van een dergelijke waarachtige gestorvene wordt je eigen geluid alleen maar versterkt.

(wordt vervolgd)

 

Het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie was vertegenwoordigd door Kris Kenis, Jean Emile Driessens, Dirk Maeyens en Henri-Floris Jespers.

(Zie eveneens de blogs van gisteren, van 8 en 6 januari; 29, 20, 17, 16, 15, 12 en 11 december. )

http://www.hermanjclaeys.nl

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche