Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
6 mars 2014 4 06 /03 /mars /2014 08:00

 

Dichter-Rody-Vanrijkel.jpg

 

                                      Rody Vanrijkel

 

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde’

HUGO CLAUS

And death shall have no dominion’

DYLAN THOMAS

 

Wat kan Hegel te maken hebben met De man die zijn haar kort liet knippen ?’ Johan Daisnes magisch-realistische roman was één van de vijftien zelfgekozen Nederlandstalige romans die ik aan de Vrije Universiteit Brussel voor Professor Jean Weisgerber diende te lezen tijdens één van de academiejaren 1959-1963. De gekozen boeken vormden geen onderwerp van zijn colleges, en van zijn interesse voor het magisch-realisme was ik toen niet op de hoogte. Professor Jean Weisgerber stelde me de bovenstaande vraag op het examen Nederlandse Letterkunde. Verrast had ik geen pasklaar antwoord, maar zijn bijkomende vraag bracht me op Hegels principe these, antithese, synthese, dat zich in het boek manifesteert als liefde, dood, liefde & dood (liefde tot in de dood).

 

Mijn bewondering voor Weisgerber zal nooit afnemen, alleen al omdat hij mij (ons) De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus geopenbaard heeft. Zijn tekstexegese baarde en baart blijvend, zonder terughoudenheid, mijn genegen ontzag. De beeldrijke, associatieve gedichten verlichtte hij ingenieus en stimulerend. Mijn exemplaar van Claus’ magistrale dichtbundel bulkt van annotaties aangegeven en aangedreven door Weisgerbers geïnspireerde en inspirerende cursus in de eerste licentie Germaanse Talen (1961-1962).

 

Zijn spreekritme, mooi, aangenaam, rijkgeschakeerd, was van die aard dat je tijdens zijn analyses vrij makkelijk het nodige kon opschrijven, wat noodzakelijk was, omdat een gedrukte of getypte syllabus van zijn interpretaties en argumenten, verwijzingen en instigaties, niet bestond. Onderwerpen die mijn exemplarische prof ter harte gingen, zoals het thema van de mythe, bracht hij meermaals te berde. De zoveelste herhaling (hoewel enigszins genuanceerd) deed ons meesmuilen, maar achteraf beseften we de waarde van het beklemtonende, geheugensteunende herhalen.

 

Aanknopingen bij en uitweidingen over de Cobra-schilderkunst openden een nieuwe wereld. Jaren later ontmoetten mijn vrouw en ik Dina en Jean Weisgerber in Le Duc d’Arenberg (toen een restaurant aan de Brusselse Kleine Zavel), waar originele Cobra-schilderijen hingen. Herinneringen aan de cursus van weleer werden daar met voorbeelden geïllustreerd en geschraagd. Maar in ‘t algemeen spreken heel wat Cobra-schilderijen me niet aan, ondanks Weisgerbers enthousiasme.

 

Hoe dan ook, dankzij Professor Weisgerber leerde ik, via zijn snedige ontleding van De Oostakkerse gedichten, ook de jonggestorven Welshe Engelstalige dichter Dylan Thomas kennen. Hij droeg me op een verhandeling te schrijven over de invloed van Thomas’ poëzie op Claus’ dichtbundel. Voor die opdracht ben ik hem nog altijd uiterst dankbaar, enerzijds omdat mijn toenmalige vergelijkingstocht me inwijdde in de schitterende dichtkunst van Dylan Thomas – wat een verrijking ! – en anderzijds omdat ik al vergelijkend mijn admiratie voor Claus’ bundel niet verloor, wat niet vanzelfsprekend was.

 

Mijn uitgesponnen opstel, dat ik Weisgerber en mijn medestudenten voorlas, kreeg zijn hoge waardering. Dat bleek nog duidelijker toen we op 22 februari 1962, in het raam van de Middagen van de Poëzie, te Brussel in de schouwburg van het Résidence Palace Claus’ lezing over Dylan zouden bijwonen. Onderweg zei Weisgerber me : ‘Hopelijk doet Hugo het even goed als u.’ Geheel verbluft én vooral enorm gevleid door die uitspraak keek ik met nog meer verwachting uit naar hoe Hugo Claus, ‘onze’ meesterdichter, het vaak geniale dichtwerk van Dylan Thomas zou benaderen. Maar Ivo Michiels verving de afwezige Claus, en het onderwerp van diens fel gesmaakte toespraak ben ik eigenaardig genoeg vergeten.

 

Wat in elk geval blijft, is mijn aanhoudende, onverdroten aandacht voor veel van en over Claus en veel van en over Thomas. Dat ik, met mijn vrouw, o.a. Dylans Boat House en schrijfhut, en diens graf, in het Welshe Laugharne heb bezocht, ook dat heb ik, indirect, aan Weisgerber te danken. Ook dat sommige van mijn gedichten hun inspiratie in Wales vinden, en dat één van mijn Engelstalige gedichten, Homage to Dylan Thomas, verleden jaar in South-West Wales voorgelezen werd tijdens een A Tribute to Dylan Thomas-avond. Welbeschouwd zijn al mijn gedichten tot op zekere hoogte eresaluten aan Weisgerber. Nu nog.

 

Vorig jaar schreef hij op zijn antwoordkaart : ‘ (…) Uw woorden en de fotokopie doen me met heimwee denken aan het verleden en de gelukkige jaren die ik aan de universiteit doorbracht met mijn studenten (…)’. Eén van hen was vier jaar lang mijn uitzonderlijk begaafde medestudent Jan de Roek, een door mij sterk bewonderde kameraad, die later – natuurlijk – Professor Weisgerbers assistent werd.

 

Ik prijs me gelukkig dat ik ben blijven corresponderen met de emeritus hoogleraar, die ik boven mijn brieven onverholen heb aangesproken met ‘Hooggeachte Professor Weisgerber ‘. Bijzonder hooggeacht.

 

Henri-Floris Jespers besluit zijn genereuze In memoriam (Mededelingen, nr. 221 de dato 19 december 2013, pp. 3-5) met diens publicaties.

Rody VANRIJKEL

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche