Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
11 novembre 2009 3 11 /11 /novembre /2009 08:22

Paul Snoek over Hugues C. Pernath

Kanttekeningen bij een ongepubliceerd In memoriam (II)

[De hierna volgende, in de tekst cursief gedrukte en becommentarieerde citaten, zijn alle ontleend aan het In memoriam , dat aldus vrijwel integraal opgenomen is.]

Naast werk van Dan van Severen en Guy Vandenbranden bezat hij ook representatieve schilderijen van René Guiette, vooral uit diens zen-periode, en enkele werken van Jan Vanriet, die hij trouwens bij een aantal bevriende verzamelaars introduceerde. Vanriet schilderde overigens een treffend geënsceneerd portret van Pernath. Ook hier hebben we te maken met de collectie van een liefhebber, waarbij de persoonlijke band met de persoonlijkheid van de kunstenaar even doorslaggevend was als het werk zelf.

Hij schilderde ook zoals de meeste moderne dichters uit die tijd en we hebben in 1963 samen met Gaston Burssens eens in Celbeton tentoongesteld. Zijn schilderwerk was al even somber als zijn gedichten. Hij hield er zelf niet van.

Die gemeenschappelijke tentoonstelling werd geopend op 3 februari 1962 en liep tot eind februari. Tijdens de vernissage kwamen de drie exposanten aan het woord. Burssens stelde eerst 'pertinente' vragen aan Snoek en Pernath, waarna hij uit het werk van Snoek las. Vervolgens las Snoek uit Pernath en Pernath uit Burssens.

Hugues heeft mondjesmaat geschilderd, beschouwde zich ook niet als plastisch kunstenaar en verkocht af en toe een werk aan een of andere vermogende relatie van het slag dat hij blijkbaar moeiteloos kon aantrekken en dat wat graag rond hem graviteerde. Hij schilderde zonder enige innerlijke noodzaak en even onhandig als hij manuscripten vervaardigde die hij aan Herwig Leus sleet of aan enkele kapitaalkrachtige leden van zijn beperkte maar trouwe hofhouding die bereid waren hun oprechte persoonlijke waardering en genegenheid in klinkende munt om te zetten. Ik vond zijn rode en groene doeken, veelal van groot formaat, vrij inspiratieloos: willen en uiteindelijk toch niet kunnen. Hij praatte gelukkig nooit over zijn schilderwerk, vroeg ook niet om een oordeel en stelde zelden ten toon (waarbij hij dan ook handig genoeg was om te weten wie hij uitnodigde…). Hij maakte het ons gemakkelijk, hoffelijk als hij was.

*

Verwijzend naar Hugues’ woningen, stipt Snoek aan:

Hij woonde op de tweede verdieping van een oud herenhuis in de Eikenstraat onder het atelier van Antoon Marstboom, dat hij na diens dood als bibliotheek en werkkamer heeft ingericht. Later woonde hij in een donkere flat waar hij boeken en platen opeenstapelde.

Marstboom heeft op dat atelier nauwelijks nog gewerkt, maar hij ontving er gastvrij. Hij las Pernath, in wie hij heel vlug een belangrijk dichter zag, en Hugues voerde gesprekken met de man die lang voor alle anderen Dan van Severen had ontdekt en krachtig verdedigd.

*

Het verdere portret van Pernath door Snoek blijft al even conventioneel en wordt ontsierd door versleten gemeenplaatsen.

Hij was bijna maniakaal bezig met zijn uiterlijk en kleding. Ik heb hem op een zomerdag in 1959 eens vijf hemden weten aan- en uittrekken, steeds vroeg hij aan zijn vrienden of zijn das goed zat, hij was elegant maar nooit verwijfd. Fijn gekleed was hij steeds uiterst tevreden en soms goed gehumeurd, wat niet altijd het geval was. Hij was moeilijk voor zichzelf, dus ook voor zijn vrouwen en vrienden. Hij heeft veel bemind, maar, ik kan me vergissen, hij werd nog meer bemind door de anderen, hoewel hij zich daar nooit rekenschap van heeft gegeven en veelal de indruk gaf dat men te weinig van hem hield. Hij was verliefd op de eenzaamheid. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik zijn slechtste beste vriend was en op zijn begrafenis hebben anderen met wie hij intiem was mij bevestigd hetzelfde te hebben aangevoeld. Jonckheere zei zelfs dat vrienden hebben het ergste is wat je kan overkomen.

Die laatste uitspraak moet eens grondig getoetst worden aan de verhouding van de oude vos tot Pernath, van de Arktoespraak over de perikelen van het ontslag bij Ontwikkeling tot de grafrede…

Vele jaren waren Pernath en ik bijna onafscheidelijk. […] Ik zag hem voor het eerst in Lier in 1954 toen ik hem ergens moest afhalen om naar de stichtingsvergadering van Gard Sivik te gaan. Hij was toen beroepsonderofficier bij de transmissietroepen te Mechelen waar ik hem later in 1957, toen ik daar mijn legerdienst was begonnen, bijna dagelijks zag. Toen ik twee maanden later naar Duitsland werd overgeplaatst kwamen wij overeen elkaar poëtische brieven te schrijven, die in 1961 onder de titel Soldatenbrieven door De Bezige Bij werden uitgegeven. We hadden deze uitgave te danken aan Jan Walravens die een zeer lange inleiding schreef zodat het boekje toch genoeg volume kreeg om gedrukt te worden. Een bestseller is het nooit geweest.

Snoek werd begin juli 1954 onder de wapens geroepen. De eerste zogenaamde soldatenbrief werd geschreven op 12 juli, en voor Pauls vertrek naar Duitsland, begin augustus, werden minstens tien brieven geschreven. Het epistolaire verkeer ging aan het slabakken na Snoeks vertrek. Het ging duidelijk om een literair project waarvan Hugues de motor was. (3) De Soldatenbrieven werden eerst ter publicatie in het Nieuw Vlaams Tijdschrift aangeboden, maar de redactie ging daar niet op in. Handige Snoek zou zich dan ontpoppen als de drijvende kracht achter de publicatie van het boek, waarbij hij eens te meer Jan Walravens voor zijn plannen wist te winnen. Het werd misschien geen bestseller, maar tussen juli 1961 en 30 juni 1962 werden toch maar 2.546 exemplaren verkocht. Zo’n oplage had Snoek nog nooit gehaald.

Dat was hij kennelijk in 1976 vergeten.

*

We hebben dikwijls samen voorgelezen uit eigen werk. In 'Taptoe' te Brussel, in Den Haag en Tilburg ter gelegenheid van een toernee dat de Belgische Ambassade in Nederland had georganiseerd maar dat wegens onze baldadige kritiek op de Vlaamse literatuur, we dronken ons altijd eerst moed in, vroegtijdig werd afgelast. Onze mooiste avond organiseerden wij in het thans ingestorte bordeel The Cristal Palace in de Gorterstraat. Dat was een ware happening en we kregen als ereloon van de homofiele baas honderdzestig frank als commissie op wat er gedronken was. En iedereen was dronken. Ook dan kon Pernath zijn eigen gedichten niet voorlezen. Hij sprak meestal stil in een Antwerps Nederlands zijn verzen uit, articuleerde slecht en niemand begreep er wat van. Ik geloof dat hij het opzettelijk deed. Hij vond voorlezen trouwens een ellendige karwei.

In Snoeks geheugen nam dat optreden gaandeweg mythische dimensies aan. In Een hondsdolle tijd zou hij schrijven: “Pernath en ik vonden deze morbide ruimte de ideale plaats om een poëzieavond te organiseren, om iets onverwachts te doen plaatsvinden waar niemand dat zou verwachten. Totaal absurd, schokkend en nieuw”. Wanneer hij nogmaals onderstreept: “Niemand voor ons had er ooit aan durven denken zo iets te ondernemen”, dan klinkt dat ronduit lachwekkend. De opkomst was eerder gering, maar in de berookte ruimte van die travestietentent riep de aanwezigheid van Gaston Burssens en zijn oude kompaan Floris Jespers spoken uit het verleden op.

Kon Pernath zijn eigen gedichten niet voorlezen? Een crooner als Snoek velt daar uiteraard een definitief oordeel over. Hugues’ stijl van lezen hield gelijke tred met de ontbolstering van zijn lyriek: terwijl hij aanvankelijk inderdaad stil en slecht articulerend sprak, vertoonde hij vanaf Mijn gegeven woord (1967) de neiging om afgemeten en luid te lezen, waarbij hij wel vaak verkeerde klemtonen legde. De juiste toonhoogte vond hij zelden, en dat hield natuurlijk verband met zijn doofheid. “Hij was niet in staat om een gedicht op een vlotte wijze voor te lezen: zijn teksten kwamen altijd verhakkeld over, half gestameld, half onuitgesproken, altijd gekwetst en nooit lachwekkend”, getuigde Freddy de Vree in Kunst & Cultuur.. Hem horen voorlezen was echter een zeldzaam pakkende ervaring, in niets te vergelijken met de allesvervlakkende professionele zoetgevooisdheid van de meeste 'bevoegde' voordrachtkunstenaars of, God beware, -kunstenaressen.

Dat voorlezen voor hem meer dan een karwei was, staat zonder meer vast. Maar niet uitgenodigd worden deel te nemen aan een of andere literaire manifestatie was een nog scherpere beproeving van Pernaths inflatoir eergevoel.

Toen hij in het begin van de jaren zestig het leger verliet werd hij boekhandelaar bij Ontwikkeling. Het was in die tijd dat zijn verzameling boeken razend snel groeide. Hij was zeer belezen maar zeer veel heeft hij in feite niet geschreven.

Snoek kan het niet laten langs zijn neus weg hatelijkheden te debiteren. Toen Pernath per 1 oktober 1960 met pensioen het leger verliet “wegens ongeval”, ging hij inderdaad in de boekhandel van Ontwikkeling aan de slag, waar hij geen 8.000 F per maand verdiende. Uitgeverij Ontwikkeling was een van de parels aan de kroon van de socialistische zuil.

Tegenover het innuendo van Paul betreffende de herkomst van Hugues’ bibliotheek, staat het ondubbelzinnige getuigenis van Roger Binnemans, destijds Hugues’ collega:

Hugues, de boekhouder, houdt nauwgezet ieders rekening bij en sommeert, desnoods in het volle ‘Café des Arts’, luidkeels de achterblijvers. (Hij zelf overigens zal, ook nadat hij bij Ontwikkeling eruit wordt gegooid, met maniakale nauwgezetheid zijn peperdure Joyciana, Terrain Vague, Evergreen Review of Transition tot de laatste frank betalen.)

Zeer belezen? Niet veel geschreven? Om der waarheid wille verdient een en ander de zin voor nuances die Snoek nu eenmaal geheel vreemd was.

Henri-Floris JESPERS

(slot volgt)

 

(3) Henri-Floris JESPERS, 'Pernath en Snoek, Siamese tweelingen?' In: Deus ex Machina, jg. XIX, 1995, nr. 72, pp. 3-15.

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche