Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
10 novembre 2009 2 10 /11 /novembre /2009 08:07

Paul Snoek en Henri-Floris Jespers

Kanttekeningen bij een ongepubliceerd In memoriam

Het is steeds interessant iemands verschijning van dichterbij te beschouwen. Ze verbeeldt immers degene die hij zich voorneemt te zijn in het oog van de anderen. Dit betekent dat ze moet voldoen aan zijn smaak. Maar de richting waarin iemands smaak gaat kan ook al niet toevallig zijn. Ze moet in overeenstemming zijn met een bewust ideaal. Het pseudoniem dat H.C. Pernath zich gekozen heeft, is reeds revelerend. Zowel de Franse voornaam, die een edelman niet zou misstaan, en de onnodige maar decoratieve C, alsook de vreemde th die een niet-Vlaamse maar toch moeilijk in een taal onder te brengen naam afsluit, wijzen op een zorg voor distinctie. […] Ik neem aan dat het pseudoniem […] niet uit de lucht gegrepen is en voor de dichter een ondubbelzinnig teken met inhoud. Maar dit doet niets af aan het feit dat de schuilnaam als uiterlijke verschijning geheel past bij de man die “zorg draagt voor de plooien in zijn broek”.

Aldus René Gysen (1927-1969) in het Nieuw Vlaams Tijdschrift (XIII, 1959, nr. 5, pp. 561-562).

*

In de door mij samengestelde aflevering van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (XXIX, 1976, nr. 5-7) gewijd aan Pernath viel destijds Paul Snoek op door zijn afwezigheid. Toch heeft hij in de herfst van 1975 aan een in memoriam-artikel gewerkt. Diende hij het in een vlaag van moedwil niet in? Haalde hij de deadline niet? Vond hij zijn tekst niet publicatierijp – of beantwoordde hij zo weinig aan onze verwachtingen dat we ons genoopt zagen hem te weigeren? Ik weet het niet meer. Maar uit de lectuur van het slordige typoscript met enkele handgeschreven correcties en toevoegingen blijkt voldoende dat we te maken hebben met een spontaan en soms raak neergeschreven werkstuk, dat echter opnieuw onder handen genomen diende te worden. Wellicht zegt dit document meer over Snoek dan dat het een verhelderend laat staan nieuw licht werpt op Pernaths werk en persoonlijkheid.

Het typoscript van Snoeks in memoriam kon ik destijds inkijken en kopiëren dank zij de bereidwilligheid van Pink Poet Robert Lowet de Wotrenge.

De hierna volgende, in de tekst cursief gedrukte en becommentarieerde citaten, zijn alle ontleend aan dat onuitgegeven artikel, dat aldus vrijwel integraal opgenomen is.


*

Snoek stelt dat Pernath zijn pseudoniem ontleende aan Athanasius Pernath, “een figuur” uit Der Golem (1915) van Gustav Meyrink (1868-1932). Had Snoek die roman gelezen? Vermoedelijk niet: Pernath is namelijk het hoofdpersonage van het boek. Wanneer hij per ongeluk de hoed van een onbekende met de zijne verwisselt en opzet, daalt hij af naar “de kamer zonder zichtbare ingang”, het rijk van het onderbewuste. De initiaal “I” in de hoed wijst op initium, initiatie of begin, of op Ibbur, “bevruchting van de ziel”. Het bewustzijn van de hoofdpersoon ontwaakt.

Hij moet de Golem als dubbelganger in het gelaat zien, en hem daardoor overwinnen. Pas dan beschikt hij, die inmiddels Pernath is geworden, dat wil zeggen, bij wie de persoonsverwisseling is doorgebroken, over de vrije wil, kan hij werkelijk bewust en wakker handelen. (1)

Is dat niet geheel van toepassing op Hugo Wouters die Pernath werd?

Hugues heeft echter bij herhaling formeel geloochend dat hij zijn pseudoniem aan Meyrink ontleende. Hierover bestaan talrijke getuigenissen.

Aan René Gysen liet hij weten: “ ‘Pernath’ zelf heeft een welbepaalde oorsprong die weinigen kennen, het is een originele naam.”

Op mijn vraag of hij wellicht een soort magische verwantschap had met de Athanasius Pernath uit Der Golem bleek dit jammer genoeg niet het geval te zijn”, noteerde Raymond Brulez  (1895-1972) in 1961.

Ik kan persoonlijk getuigen dat hij dat ook tegenover mij ten stelligste ontkende, waarbij hij er bij herhaling op zinspeelde dat 'Pernath' een veel concretere betekenis heeft.

*

Feit is dat Pernaths vader dweepte met Der Golem, waarvan de eerste Nederlands vertaling reeds in 1916 van de pers kwam. Het boek kende meteen een overdonderend succes, mede door de goedkope pocketuitgave die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front gretig gelezen werd. In 1917 waren er al 145.000 exemplaren van verkocht, en begin de jaren dertig was dit aantal al opgelopen tot een kwart miljoen. Bovendien verscheen het in haast alle wereldtalen, Japans incluis. In de jaren vijftig was het boek echter zo goed als in de vergetelheid geraakt, en door Pernath en zijn generatiegenoten kon het wel ten onrechte beschouwd worden als een van die zogenaamd marginale werken die slechts door een uitgelezen kring lezers gekoesterd worden. Pernath kon wel eens verrast zijn geweest door het feit dat zijn pseudoniem voor sommigen zonder meer transparant was. Was wat hij een geheim waande, voorbehouden aan zeldzame ingewijden (en hij was gesteld op geheimdoenerij), toch gemeengoed bij echt erudiete vrienden? Nam hij daarom zijn toevlucht tot een loochenende egelstelling? Rekening houdend met Hugues’ tweede natuur, nl. de versluiering, is het niet denkbeeldig, jusqu’à preuve du contraire, dat hij wel degelijk zijn schrijversnaam aan Meyrink ontleende.

Snoek schrijft verder:

Hij verengelste zijn echte voornaam Hugo en voegde er ter verfraaiing nog een C aan toe. Omdat hij overleden is kan ik hem niet meer vragen wat of die C betekende. […] Hij was zeer trots op zijn schrijversnaam en hij heeft die ook altijd met veel waardigheid gedragen.

Tegenover René Gysen had Pernath uitdrukkelijk gesteld: “Wat ik bedoelde met ‘C’ was nodig en niet decoratief.” Patrick Conrad schrijft dat Hugues “de ietwat plechtige, door Pernaths vader soms gebruikte verfransing van Hugo was”, terwijl de letter C verwijst naar de voornaam Charles, “een dubbele hommage aan zijn vader en aan Charles Baudelaire”.(2) Dit werd mij bevestigd door Charles Wouters, die er trouwens niet aan twijfelde dat Hugues zijn deknaam aan Meyrink dankte.

*

Het wekt geen verwondering dat, na zijn korte beschouwing over Hugues’ pseudoniem, Snoek meteen aansluit met een voor de hand liggende verwijzing: In Antwerpen was hij met Maurice Gilliams zonder twijfel de meest bekende dichter.”

De oudere dandy, die zich graag met wandelstok of muts liet vereeuwigen in Oscar Wilde- of Pierre Brasseur-uitmonstering, deelde niet alleen een maniakale zorg voor vestimentaire verschijning met Pernath, maar bouwde net als de jongere dichter zijn hypnotisch proza rond de “lederen initiaal der stilte”. De oudere diva kon meewarig en bijzonder plastisch de meest vernietigende uitspraken over Snoeks poëzie formuleren, maar in Pernath herkende hij een gelijkgestemde.

Pernath leefde als een typisch stadsdichter, zegt Snoek verder. Mooie landschappen, natuur, dieren, en kinderen lieten hem koud. Reizen interesseerde hem niet, hij heeft nooit een auto bezeten want hij kon er geen besturen en zwemmen kon hij ook niet.

Pernath had inderdaad genoeg aan het eigen zwarte licht om de sierlijke glooiing van een landschap op het netvlies gerust te kunnen missen, en de innerlijke reis is al zo weemoedig-avontuurlijk en ontgoochelend genoeg om hem immuun te maken voor aan het haastige vee dierbare verlokkingen. Hij was het met Laurence Sterne eens: “A man should know something of his own country, too, before he goes abroad.”

Lieten dieren hem koud? Wie zich zo nadrukkelijk als hij met een kat in de arm laat fotograferen, kan geen onverschillige zijn – hoogstens een discrete.

De technisch onderlegde Snoek was een fervente verzamelaar, net als zijn vader die een indrukwekkende collectie mineralen opgebouwd had. Hij was bezeten door de drang alle mogelijkheden van zijn collectiegebied (zakhorloges, partijlidkaarten of wat dan ook...) geheel uit te putten. Hij getuigt over Pernath:

Hij was een verwoed verzamelaar van boeken, liefst dure kunstboeken, schilderijen van Dan van Severen en constructivisten, oude katrollen en in 1959 deed hij een verzameling oude zakhorloges weg die de mijne met een paar mooie exemplaren heeft verrijkt.

Verwoed verzamelaar van dure kunstboeken? Neen, dat is het wat perfide oordeel van iemand die in zijn leven nauwelijks plaats kon maken voor boeken. Pernath, die de smaak van zijn vader te pakken gekregen had, had behoefte aan boeken, niet aan status bevestigende kijk- of salontafelboeken, niet eens aan collector’s items, maar aan boeken als objets-témoins. Hij bezat ook wel waardevolle boeken, maar dat was een onvermijdelijk gevolg van zijn intense belangstelling voor o.m. de Franse surrealisten, wier minder canonieke werken destijds slechts in beperkte oplagen circuleerden. Je moest er wel wat voor over hebben. Hugues beschikte over een consistente film- en theaterbibliotheek (Artaud, Brecht, Beckett), was verslingerd op het monumentale dagboek van Samuel Pepys – en op goede thrillers. Kortom, zijn bibliotheek was die van een verlichte amateur. Alleen wat James Joyce betreft, gedroeg hij zich als een collectioneur – althans wat de secundaire literatuur betreft. Het mooie ensemble dat hij bijeengebracht had, werd na zijn dood verworven door Pink Poet Georges Adé.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)


(1) Frans SMIT, Gustav Meyrink. Het leven van een esoterisch auteur en geestelijk zoeker, Deventer, Ankh-Hermes, 1986, p. 76.

(2) Patrick CONRAD, Hugues C. Pernath, Antwerpen/ Amsterdam, De Nederlandsche Boekhandel, 1976, pp. 16-17.


Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche