Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
23 août 2011 2 23 /08 /août /2011 03:42

In het cc 't Schaliken te Herentals werd zaterdag de Nestorprijs 2011 uitgereikt. Voor het 'nestoraat' van 2011 viel de keuze op Louis Verbeeck en de folkgroep De Elegasten. Hierna volgt alvast de laudatio van Louis Verbeeck door Gaston Durnez.

Nestor-en-An-43-117.jpgLouis Verbeeck (foto: Frank-Ivo van Damme)

 Er is iets vreemds aan de gang met Louis Verbeeck. Telkens als ik in een gezelschap zijn naam noem, treft het mij dat niemand kwaad over hem spreekt! Zelfs niet in zijn afwezigheid.

Ja, als je de naam van Louis Verbeeck laat vallen, beginnen onmiddellijk drie, vier mensen tegelijk hem blijgezind te citeren, terwijl de anderen al op voorhand lachen. Krijg IK dan per toeval het woord, dan vertel ik graag een anekdote uit de Jaren Stillekes.

In die tijd trokken wij met enkele lustige televisie- en radiogezellen van de ene uithoek van Vlaanderen naar de andere wereldstad. Het was de tijd dat er nog feestelijk geïmproviseerd mocht worden. Wij mochten nog zorgeloos de amateurs uithangen, de lief-hebbers. Zo begaven wij ons meer dan eens naar de Koningin der Badsteden, naar Oostende, op initiatief van een vereniging met de bemoedigende naam De Vlaamse Club Kust. Met zulke naam was het niet verwonderlijk, dat de Club telkens het Kursaal tot de nok kon vullen. En op een mooie avond zat daar weer ons Panel klaar voor steekspelletjes met woorden, die grotendeels onvoorbereid waren, drijvend op de vondsten van het ogenblik. De panelleider stelde de onmogelijkste vragen en de panelleden moesten daar op antwoorden. Zo kreeg Louis Verbeeck deze vraag voorgeschoteld : “Louis, je bent je tuin aan ’t beren. Met andere woorden: je bent aal aan ’t voeren. Béér dus. Onverwacht stopt voor je tuin een sjieke zwarte auto met een driekleur op het dak en een gouden kroontje op de voordeur. Uit die auto stapt Zijne Majesteit de Koning en hij komt naar jou toe. Jij staat daar in je geurige beerkostuum. Wat zeg je tegen de Koning ?” Louis Verbeeck verpinkte niet, zijn antwoord viel zonder aarzelen : “Sire, dit land kunt U niet ontberen !”

Vrienden, dit is een van de beste illustraties van het talent waarmee Louis door Onze Lieve Heer werd gezegend. Hij kan goed Taal voeren. Een talent dat zijn sporen naliet in alles wat hij de jongste tachtig jaar heeft geschreven, gedeclameerd, gezongen en aan microfoon en aan de tapkast verteld, - de tapkast: het podium van de echte stand-up comedians.

Louis vertelt zelf graag hoe dat talent zich al vroeg heeft geopenbaard, alree in  zijn publiciteitsjaren, zegt hij, en vooral in de studentenbond. Hij had het in zich, het kwam er vanzelf uit. Hij kon rijmen en dichten zonder ons op te lichten. Het is telkens weer alsof hijzelf verrast wordt door de woorden. Zij vloeien uit zijn pen alsof hij er niets kan aan doen. Het is niet Louis die met woorden speelt, het zijn de woorden die met Louis spelen. Ze amuseren zich kostelijk, die woorden. En ze zijn sentimenteel zonder daar verlegen om te zijn. Het gebeurt ook wel dat zijn woorden zich serieus en ingetogen opstellen, maar spoedig glijden zij van de regel en schuiven uit. En geregeld vinden zij zelf nieuwe woorden en uitdrukkingen uit. Was hun geliefde Louis niet de eerste die handelde over Hovaardigheidsbekleders ? Een woord dat alle valse plechtigheid zal blijven ondermijnen.

Gaston-Durnez.jpg

Gaston Durnez

Ooit mocht ik, lang geleden, Louis Verbeeck  interviewen voor de jonge Vlaamse televisie. Het gebeurde in een Literair Programma en ik stelde dus Serieuze Vragen. Bijvoorbeeld de ergste vraag die je een humorist kunt stellen :” Humor, wat is dat ?” Louis antwoordde prompt :” Humor, da’s iets waar ik kan mee lachen”.

Louis had geen geleerde woorden nodig, hij schreef nooit een verhandeling over “de Stamboom en de Ondergrond van de Humor”. Hij wàs gewoon zelf humor.

Voor mij was hij meteen hèt voorbeeld van “studentikoze humor”. Louis was en bleef lange jaren de lachende student. Als ik dat woord uitspreek, denk ik aan de legendarische studentenavonden van zijn jeugdige germanistenjaren in Leuven, avonden die ik, schuchtere academische leek, met verbazing en een beetje jaloezie bijwoonde. Ik zie Louis nog op een ton klimmen, een lege bierton, uiteraard, in Leuven (of was het in Löwenbrau ?) en, overschakelend op het Alte Germanisch, sagen wir Louis, mit grosse Träne in die Augen, und der Bibber in seine Stimme,  das unsterbliche Gedicht vortragen uber das wanheupige Schweintjen (ich citiere):

 

      Und triestig sprach das Farken:

     Wit mussen immer warken,

     Van ’s morgens fruug bis nach den Noen,

    Wit haben viel zu viel zu toen !

O zalige en jongensachtige dwaasheid uit de tijd dat wij in Vlaanderen bezig waren de zogenaamde Kleinkunst  te ontdekken !


Ik denk dat het Broeder Max was, de goede schilder, die mij de eerste verzen van Louis liet lezen, waarna ik spoedig aan Jef Burm belde :” Jef, als je nog eens een sterk nummer nodig hebt, en IK  ben niet beschikbaar, bel dan eens naar die Louis Verbeeck van Omroep Limburg”. Jef dééd dat. Binnen de kortste keren was Louis de vruchtbaarste en de vrolijkste van ons allemaal.

Die tijd van Toen…Het was een vreemde tijd, zeer ver en exotisch voor de jonge mensen van nu. De televisie zag de wereld nog in zwart-wit. Alleen het bestuur en de redactie waren gekleurd, rood blauw en vooral geel. En het was een magere tijd, zonder kookprogramma’s. Goossens was nog een naam voor de Grote Baas, niet voor een kwaaie Chef-Kok. Iedereen probeerde nog ABN te praten, behalve de courreurs en de Antwerpenaren. Miel Cools begon te zingen over het achtervolgen en vangen van witte vlinders, wat toen nog niet door GAIA was verboden. Boer Bavo keek nog niet naar porno op zijn porneo. Vrijen was nog een kuis woord. En bij het woord Commune dachten de katholieken nog aan de communiebank.

Het was de tijd toen wij de Vlaamse Leeuw wilden leren lachen, dat goede oude beest. Wij vonden dat men hem moest herdopen in Reinaert de Vos. Wij begonnen de wijze oude Vlaamse spreuken aan te passen. Louis Verbeeck vatte de sociale verhoudingen samen in: ”Wie een put graaft voor een ander is een werkman”.  Tegenwoordig denkt men : “Wie een put graaft voor een ander, is een Pool”.

En het was de tijd dat wij op de televisie nog naar Nederland keken, ja, OPkeken. Nu zijn wij, op 72 kanalen, internationale zappers. Wij kijken niet meer op naar het Noorden, wij raken het Noorden kwijt. Wij zappen en zappen maar, wij zijn zaplappen geworden. De wereld is één zapperij. En wie niet zapt, twittert. En wie niet twittert, Es Em Est. En wie daar niet bij oplet, staat in Story !

Alleen Louis Verbeeck schrijft nog elke dag met een pen, een vulpen, op gewoon wit papier. En niemand kan dat zo vlug als hij. Tot nog toe heeft hij, naar schatting, eigenhandig tienduizend en zeven cursiefjes geschreven en zo’n vijfhonderd en zes liedjes en andere verzen. Uit die Himalaya van volgeschreven papieren heeft hij meer dan zestig boeken samengesteld en laten drukken en nog verkocht ook. Als je de titels van die boeken op een rij zet, merk je dat zij het literaire levensprogramma van Louis vertolken. Het begon indertijd met Vergulde Ramenassen. Ramenassen, lieve mensen ! Is er nu één groente meer ondichterlijk dan de ramenassen ? Ja, schorseneren, misschien. Of raapkolen. (Alhoewel… “Ik heb de witte raapkolen lief…” Is dat geen vers van Frederik van Eeden?) Louis pakte de doodgewone ramenassen beet, deed er een gouden zilverpapiertje rond en het waren ineens feestgroenten waar wij moesten om lachen en waar nog poëzie in zat ook.

 

Ooit heb ik  een gedicht geschreven met alleen de titels uit Louis zijn bundels  (de titel van het gedicht is van mij: Verzilverde checks):


     Een droom met heel veel groen

     In het land van de glimlach.

 

    Allemaal engelen, groot en klein,

    Harten is troef.

    Lodewijk de Beduimelde,

   Soeur Marie Claire de la Lune !

  Zat… in de zon.   (Zat ?...)

  Gewenste intimiteiten.

 

  En toen lachte Abraham.

  Lachen mag van God.

  Met een strohoed in de regen.

 

Ik lees dat en ik voel mij zo’n beetje voorloper van de nieuw-realistische poëzie voor wie Herman de Coninck was.

De laatste regel vat de kern van Louis’ humor in enkele woorden samen. Een mens mag nog zo’n zonnetje zijn in huis, als hij buiten komt, loopt hij vaak door de plassende regen. En het wil ook wel eens binnenregenen. Maar Louis leent ons een grote strohoed en daaronder bleef het, wonderlijk genoeg, lente. In onze herinnering is dat een lente die al onze winters verlicht.

Humor, vrienden, is vaak een plezante, draaglijke manier om triestig te zijn. Of een manier om te vluchten terwijl je thuis blijft. Of een manier om naar het verleden te kijken vanuit de wereld van nu. En om dan een heel kort versje te maken dat schijnbaar grappig is:

 Ach,

 Bach !

 Och,

 Van

 Gogh

 Toch !

 Wist u, vrienden, dat de naam Bach het Duits is voor Verbeeck ?

                                                       

Louis Verbeeck heeft vaak de wereld van gisteren opgeroepen, gisteren, toen ook de stad nog een dorp was. Vaak citeert hij de naam van zijn vriend  Minus van Looi, de kleermaker uit Tessenderlo die een goede en populaire heimatschrijver was, een man die kon vertellen zoals alleen de mensen van gisteren vertellen konden. Als de mensen van Tessenderlo Minus zijn fiets tegen de gevel van een café zagen staan, trok iedereen daar binnen, want dan stond Minus aan de toog en vertelde, vertèlde, tegen honderd per uur. Als Louis gaat fietsen, parkeert hij ook heel graag tegen een café. Op zijn beurt heeft hij zijn heimat tot leven gebracht. Zijn jeugd in de tijd dat Tessenderlo met twee o’s werd geschreven en, zoals hij zegt, dus langer duurde, was voor hem een dankbare inspiratiebron, -  geen omzien in wrok, geen bron voor vulgaire schimppartijen op ons volk van gisteren. Tessenderlo heeft er hem mooi voor beloond. Hij is er, geloof ik, al drie keer ereburger geworden, hij kreeg er zijn eigen wandeling en fietsroute, zijn eigen rustbank, ik geloof zijn eigen bier, en iedere keer als Frans Aldelhof er goesting voor heeft (en Frans heeft altijd goesting) organiseerde hij daar in Looi een huldezitting voor Louis, waarvoor men speciaal een reusachtige hal heeft moeten bouwen. Als ik ’s avonds of ’s nachts over de Boudewijnsnelweg rijd en ik zie al dat enorme licht blinken rond Tessenderlo, dan denk ik : Louis wordt weer eens gevierd ! En dan ben ik content.

Louis heeft tal van liedjes geschreven en gezongen die doorgedrongen zijn tot ons volksbezit. Geestige romantiek als De Soldaat van Napoleon de Grote, die de oorlog grondig beu was, of Soeur Marie-Claire de la Lune  die droomde van een kleinkind dat zij in de Hemel wel zal gekregen hebben, of koldereske liedjes als Lodewijk de Beduimelde,  wiens nar zo goed tuimelde. En vooral ook poëtische liedjes die je kan acteren, zoals De kleine Harlekijn.

Op de begrafenis van Jef Burm, in de voorbije droevige winter, liet men in een volle kerk de stem van Jef weerklinken en zij zong over de Harlekijn. Het was zijn ontroerende lijflied geworden. Wij zagen Jef weer met de ogen van onze herinnering aan een koordje dansen en beloven : Ik zal lachen wanneer je blij bent, ik zal huilen met je verdriet… Het was ook alsof Burm postuum een hulde bracht aan zijn grote tekstdichter.

                                                               *

Goede vrienden,

Een professor in literatuur is bezig, aan de hand van liedjes een soort geschiedenis van Vlaanderen in de jongste decennia te schrijven. Hij publiceerde al enkele voorbeelden in de krant, wat mij de bedenking ingaf, dat er tegenwoordig wel veel wordt gezongen en lawaai gemaakt rond liedjes, maar dat er in dit genre nog zo weinig ècht wordt geschreven. Vroeger, toen wij veel jonger waren, was er meer taal in de liedjes. Nu hoor ik vaak vooral uitroepen, brokstukken, kreten en vloeken. Wij leven tegenwoordig in een geluidscultuur, waarin het allemaal minder taalgericht is geworden. En wie kan nog een verhaal  vertellen in een “nummer”, opgebouwd uit banaliteiten ?

Ik had dit al opgeschreven, toen ik in Knack een opmerkelijk interview met mijn vereerde streekgenoot Willem Vermandere las. Mij trof wat hij zei over de chansonnier. “Die behoort tot een ras dat aan het uitsterven is”.  Vermandere had pas nog naar Georges Brassens geluisterd: “Die wonderbare alchemie van een gitaar, een contrabas en een stem. Jaren na zijn dood begrijp je nog precies wat hij bedoelde. Maar wat hoor je nog van onze nieuwe generatie zangers en zangeressen ? Kreten, gemurmel. Waar is de zeggingskracht van het woord ?”

Mooi gezegd van Willem.

Beste Louis, de mensen die u vandaag de Hemel in prijzen, wensen vurig dat gij nog lang op de aarde zult blijven om verder aan onze levenskroniek te schrijven en voor ons te zingen, als Nestor van het goede, lenige, vrolijke, weemoedige, dansende Vlaamse Woord. Ik denk dat gij enorm veel hebt bijgedragen, om de Vlaamse Leeuw te leren lachen. Help ons er voor te zorgen, dat hij het lachen niet verleert.
Louis, dit land kan u niet ontberen !

Gaston DURNEZ

Zie ook de blog van 21 augustus, alsmede

http://mededelingen.over-blog.com/article-nestorprijs-2011-oud-maar-niet-out-81151205.html

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-nestorprijs-de-elegasten-81151490.html

Partager cet article
Repost0

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche