Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
26 février 2014 3 26 /02 /février /2014 18:00

 

pairon_kinderspelen_cover.jpg

"Natura artis magistra" luidt het motto van een bekende dierentuin. Door de eeuwen heen leverden kunstenaars inderdaad vaak "a strife with Nature, to out-doo the life" (1), terwijl sommigen het adagium juist omdraaiden: "It is none the less true that Life imitates art far more than Art imitates life" (2). En daarmee zijn we beland bij de nog steeds actuele discussie rond 'creatio versus mimesis' (3).

 

Dat dispuutis misschien niet zo relevant in de context van De Kinderspelen , Marc Pairons eerste roman, die verscheen op 20 november 2013 ter gelegenheid van de Internationale Dag van de Rechten van het Kind. Hoewel: een liefdesversje van de hoofdfiguur van de roman gaat zo: "Uit mijn woorden / ontpoppen vlinders, / naar levend model" (p. 48); en iets verder luidt het: "De glasheldere waarheid is onnoemelijk veel sterker dan de vlucht voor die werkelijkheid" (51). Al zijn beide romancitaten wellicht niet uitdrukkelijk of niet bewust bedoeld als stellingname in het hoger genoemde debat, toch vormen ze een mogelijke aanwijzing voor het feit dat de ongebreidelde fantasie in het boek refereert aan de werkelijkheid. Het bevat trouwens ook enkele expliciete verwijzingen naar de extra-literaire context: het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, brasserie Den Artist, en uiteraard het schilderij van Bruegel (dat voluit voor- en achterkaft siert en een hoofdrol speelt in het boek). Iets meer verdoken zijn knipoogjes als "It takes a whole village to raise a child" (p. 61), wat (ondanks de licht gewijzigde vorm) verwijst naar een boek van Hillary Clinton die zelf deze titel ontleende aan een aantal zegswijzen (opnieuw in licht gewijzigde vorm) uit de Afrikaanse cultuur; of de naam van een kruidenier in de stad (Antwerpen dus), ene "Achim Abdu Mohammad Ibn Khaldun" (p. 84), die mij ondubbelzinnig (maar toch lichtjes ironisch?) lijkt te verwijzen naar de naam van de 14de-eeuwse Arabische filosoof en wetenschapper. Daarnaast zijn er nog enkele autobiografische toespelingen, waarover later meer.

 

Hoe ook, Pairon transformeert de hoger genoemde tegenpolen – 'creatio'/'ars' versus 'mimesis'/'natura' – tot een nieuwe stelling: "Amor naturae magister". DeKinderspelen is inderdaad een ode aan de liefde – een totale en onvoorwaardelijke "mildheid" die wijsheid genereert (p. 129) – tussen man (vader Paboel) en vrouw (moeder Droezel) en tussen ouders en kinderen, waarbij de intensiteit van hun onderlinge liefde de natuur vitaliseert en stimuleert, terwijl 'natuur-lijkheid' op haar beurt het fundament vormt van een mateloze, onverwoestbare liefde die zelfs de grenzen van de dood overstijgt en overwint.

 

Paboel en Droezelzonderen zich af van de maatschappelijke werkelijkheid in een 'locus amoenus', een 'lieflijk oord' waar ze leven volgens de cycliciteit van de natuur en een danig overvloedig kroost groot brengen. In die wel erg bijzondere enclave is het alleen "Moeder Natuur die de scepter zwaait" (p. 9). Zelfs de tijd staat er stil: "Vadertje Tijd is niet meer van deze tijd, want de Natuur is nu de Moeder van de Tijd" (p. 129), en:"Hun eventueel tijdsbesef betrof hooguit voldongen wetten van de natuur" (p. 7 en 77). Er wordt overigens ook alleen seizoensvoedsel gegeten (p. 132) – want "voor wie haar wetten naleeft, is moeder natuur inschikkelijk" (p. 172) – en de vigerende economische (monetaire) geplogenheden worden resoluut vervangen door ruilhandel om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Immers: "in elke waardebepaling zit een persoonlijk element" (153).

 

De symbiose tussen de personages en de natuur krijgt ronduit sprookjesachtige allures. Niet alleen de tijd wordt in dit aardse paradijsje stopgezet, maar er doen zich nog andere verschijnselen voor. De kruinen van de majestueuze kastanjebomen buigen zich elk jaar tijdens één bepaalde nacht nederig tot bijna tegen de grond "om het oogsten te vergemakkelijken zodat ook de kleinste kinderen de opbrengsten van hartstocht moeiteloos kunnen verzamelen" (p. 30 en133); in het familiale utopia heerst een uitzonderlijk microklimaat en de aarde getuigt er van een ongeziene vruchtbaarheid ("kruiwagengrote courgettes" of "metershoge selderie"), terwijl ook de kippen als "echte struise vogels" gigantische scharreleieren leggen (p. 189). Afrikaanse lelies overwoekeren het dak zodat het leek alsof "de hemel erop was neergestreken" (p. 54). Op het landgoed, dat "treffende gelijkenissen [vertoont] met het Weense familiedomein van de Bruegels" (p. 68), bloeien orchideeën waarvan Paboel zelfs muiltjes maakt voor zijn Droezel. Ruzie maken is er onbekend (p. 54) en dagelijks huilen de bewoners hagelstenen van blijdschap (p. 150). Ook de moedervlekken bij de kinderen blijken over magische krachten te beschikken (p. 162-163).

Na hun overlijden worden Paboel en Droezel herenigd in een gemeenschappelijke kist, waar ze opnieuw geheugenspelletjes spelen en zelfs een schattig-ondeugende conversatie houden: "Nu kunnen we vrijen zonder vlees en zoenen zonder lippen" (p. 221).

 

Pairon lijkt hier dus, net zoals b.v. in sprookjes, de wetten te volgen van de 'pathetic fallacy', of moet ik veeleer spreken van een 'objective correlative'? Inderdaad, ook wanneer Paboel en Droezel oud worden en hun domein moeten verlaten om in "de koele havenstad" (p. 46) – de jachtige, lawaaierige en onpersoonlijke "diamantstad" (p. 79) – hun intrek te nemen, dalen plotseling de temperatuur en de luchtvochtigheid (p. 56) en brandt het huis af doordat het vuur van hun hartstocht onbewaakt achterbleef (p. 56). Het hele paradijs is zelfs gewoon onzichtbaar geworden, want Paboel "had uiteindelijk toch het pittoreske landschap en de laatste kleurrijke regenboog met zich meegenomen" (p. 120). In zijn (tragische en gruwelijke) jeugd woont Paboel dan weer in de "Treurwilgenlaan", waar bovendien giftige rododendrons groeien, geen zonlicht doordringt en geen windje te bespeuren valt (p. 60-61).

 

Rarevogels zijn het, die hoofdfiguren, zeker de "wereldvreemde stamvader" (p. 8) Paboel, die in zijn jeugd misbruikt is door zijn stiefvader en daar een diep trauma aan heeft overgehouden en nachtmerries vol dreigende zwarte weduwen. Een reproductie van Bruegels Kinderspelen betekende destijds echter zijn redding: "Gelukkigerwijs ... kreeg hij als prille tiener een foto onder ogen uit het familiealbum van de Bruegels. [...] dat kroostrijke gezin was overduidelijk vervuld van liefde, kinderen die vragen, worden daar nooit overgeslagen! Die Bruegeltjes mochten altijd spelen" (p. 23). "Mijnheer Bruegel" wordt dan ook de meest geschikte plaatsvervanger "voor al wie een tweede jeugd verdient, zoals elk kind van de rekening" (126).Die tweede jeugd vindt hij samen met (en dank zij) zijn geliefde in de splendid isolation van hun domein, waar ze samen zo'n twintigtal nakomelingen, de "Spelende Kinderen" (p. 7) verwekken: "Hij hoopte dat een kroostrijke omgeving de bittere smart over zijn onterende jeugdjaren gaandeweg zou verzachten" (p. 19). Immers: "Kinderliefde is de echo van het beminnen" (p. 12). Of: "Wie op zoek is naar de zin van het bestaan, moet er kindergeluk voor over hebben" (p. 15), en vooral: "Wie uitgelaten kon spelen in het volle licht, is gesterkt om de smart van het duister te trotseren" (p. 17).

 

De incest-tragedie motiveert meteen ook de ruilhandel: Paboels moeder, die weigerde de gruwel onder ogen te zien, is getrouwd voor het geld, "bloedgeld, de afkoopsom voor misdadig gedrag" (p. 98). Ook later weigert Paboel furieus de toelage die zijn kinderen bijeen gespaard hebben met het oog op de oude dag van hun ouders: "Op het hoofd van kinderliefde staat geen prijs", fulmineert Paboel, en: "De eerste betekenis van fortuin is geluk" (p. 108). De "genadeloze" kloktijd, de kalender, wordt eveneens terwille van de kinderen buitenspel gezet "doordat ze geen enkele emotionele gebeurtenis aan hun aandacht laten voorbijgaan, want [...] emotionele verwaarlozing [is] nooit meer in te halen" (128).

 

In dat beschermende isolement houdt Paboel er een heel eigenzinnig en compromisloos wereldbeeld op na. Hij ontkent b.v. dat de aarde rond is en schrijft brieven naar zijn idool en voorbeeld "Mijnheer Pieter Bruegel" op het adres "Kunsthistorisch Museum, Wenen, Oostenrijk". Echte schilderijen beschouwt hij, in tegenstelling tot zijn reproductie van Kinderspelen, als waardeloze "geverniste fotowerken" (p. 81) en van Bruegels doek zelf levert hij merkwaardige interpretaties (p. 126). In het levensonderhoud van zijn gezin voorziet hij uitsluitend via de reeds vermelde ruilhandel, en wel met zijn "Crème d'Amour", een afrodisiacum gemaakt van kastanjepuree. En wie zijn filosofie of bepaalde opvattingen in twijfel trekt, krijgt als antwoord: "Op geen enkele stafkaart is de gulden middenweg terug te vinden (p. 109). Zijn gul rondgestrooide wijsheden leveren hem het epitheton 'de Jonge' op, in contrast met dat van zijn gekoesterde schilder. Hij negeert de toenemende dementie van zijn Droezel compleet, en schrijft andermaal een brief aan Bruegel om te vernemen hoe het tij te keren (p. 39 en 42). Als Droezel uiteindelijk toch overlijdt, bewaart hij nog een jaar lang haar gebalsemde lijk tot ook hij bezwijkt aan de totale dementie en de angstdromen uit zijn jeugd hem opnieuw beginnen te teisteren.

 

Paboels tweede, levenslange (en zelfs nog langer...) steunpilaar is Droezel, speelse geliefde, trouwe levensgezellin en genereus barende moeder van "spelende kinderen". Het is precies haar "invloed [die] ook langzamerhand de woede over de ingrijpende lotgevallen van zijn jeugd [verzachtte] (p. 24). Zij wordt omschreven als de "Moeder van de Goede Raad" (p. 25) en als Paboels "geestelijke gids" (p. 88) want: "Een liefdeloze jeugd is een gevaarlijk labyrint, voor wie op eigen kracht de uitweg niet meer vindt" (p. 23). Ze steunt hem vanuit en met de overtuiging: "Een litteken mag slechts een knoop zijn in de zakdoek van blijdschap" (p. 62). Paboel wordt dan ook al snel omschreven als "hij die met de Mond van Vrouw Spreekt " (p. 25). Droezel leert hem dat "gemoed en hartstocht het sprookje zichtbaar [maken] (p. 173), dat "de waardevolste ingrediënten van het leven niets kosten (p. 173) en dat alleen "goedheid en tevredenheid welvaart en voedsel" (p. 191) kunnen betekenen.

 

Pairons DeKinderspelen is in eerste instantie een lofzang op het kind, of liever: een pleidooi voor de bescherming van het kind, voor hun recht op geborgenheid en uitgelaten spelen. Paboel stelt dan ook (heel) terecht: "Je kunt pas van een succesvol leven spreken wanneer je kinderen volmaakt gelukkig zijn" (p. 13). In de veilige wereld van het domein krijgen de kinderen privé-onderricht en mogen ze naar hartelust ravotten, want "wie uitgelaten kon spelen in het volle licht, is gesterkt om de smart van het duister te trotseren" (p. 17). Zoals een nevenfiguur het zelf stelt, is dit een verhaal over de "eeuwigheidswaarde van kinderliefde" (p. 224).

Opmerkelijk is het feit dat het kinderparadijs ingericht wordt in een voormalig bejaardentehuis, en dat zowel Paboel als Droezel naar het einde toe, als gevolg van hun dementie, nog meer kinderlijke trekken beginnen te vertonen dan ze tevoren al hadden. Cirkels worden nu eenmaal altijd onherroepelijk gesloten.

 

Ik vermeldde reeds even de aanwezigheid van opvallende autobiografische elementen. Er is sprake van een "heidereservaat" (p. 46), in de buurt waarvan de auteur inderdaad een aantal jeugdjaren doorbracht; Paboel vertelt aan één van zijn dochters dat hij zijn middelbare studies niet heeft kunnen afmaken (p. 108), wat je in elke biografische schets van Pairon kunt terugvinden; de roman bevat fragmenten uit vroegere publicaties van de auteur, b.v. het gedichtje voor Paboels overleden zuigeling Dolores (p. 51), dat ook voorkomt in Minnedichter zkt muze (2012, p. 49), waarin trouwens ook reeds de "vlinders naar levend model" en een "zwarte weduwe" opduiken (p. 11 en 32); het "Dag- en Nachtboek" van de stamvader (p. 51) wordt, onder dezelfde titel, vermeld als dat van de auteur zelf in Top 50 intiemste liefdesverzen (2009, op de ongenummerde pagina 62).

portretfoto-pairon.jpg

Pairon werd ooit de meest gelezen, de best verkopende dichter in Vlaanderen genoemd (ik las ergens het duizelingwekkende getal van 60.000 exemplaren) en hij ontpopte zich warempel zelfs tot stand-upcomedian. Hij schrikt er ook niet voor terug om in een secundaire school tijdens de drukke gekte van een 'Gedichtendag' een klas in te stappen, er gedichten voor te lezen en met de jonge snaken over poëzie te debatteren. Ja, Pairon schrijft erg toegankelijke poëzie boordevol geestige knipoogjes en schalkse oneliners. 'Light verse' zou je het kunnen noemen, maar wie daar een denigrerende connotatie aan wil verbinden doet er goed aan – b.v.! – de dubbelbundel Litanie(met Nic van Bruggen, 2009) aandachtig te lezen. Of de hier besproken roman.

 

DeKinderspelen is een poëtisch en tegelijk erg guitig boek, soms navrant, vaak vertederend, over de hele lijn ontroerend. Als allegorie van het authentieke geluk bevat het boek heel wat thema's: liefde, ouderschap, kinderliefde, familiale geborgenheid, dementie, de waarde van (kinderlijke) naïviteit en onschuld, de rijkdom van de natuur en van eenvoud, jeugd en ouderdom, aanvaarding van verdriet en verlies – naast overduidelijke kritiek op sociaal isolement en egocentrisme, materialisme, het jachtige (stads-) leven en, blijkbaar toch het fundament en uitgangspunt van het hele boek: kritiek op dat onbegrijpelijke en weerzinwekkende fenomeen incest of kindermisbruik. Die thematische lagen vloeien echter allemaal zo organisch in elkaar over in een meeslepende, consequente en feilloze stijl dat het lastig wordt om ze in een analyse allemaal wat overzichtelijk uit elkaar te halen.

 

Een parabel, een exempel, een (cultuur-) sprookje, een utopie? Ja. Dus een boek met een boodschap? Natuurlijk, maar dan wars van prekerigheid, (h)eerlijk gedreven en gedragen door een betoverende, sprookjesachtige fantasie, hilarische gedachtekronkels, verrassende woordspelingen en grappige aforismen – waarop de auteur een onvervalst patent blijkt te hebben.

 

Conclusie: een over de hele lijn hartstochtelijk hoopgevende en hartverwarmend overtuigende roman.

 

Luc PAY

 

 

Marc Pairon, De Kinderspelen, Stichting Charles Catteau, 2013. 233 p., 14,50 €.

 

(1) Ben Jonson, 'To the reader' in Shakespeares First folio (1623), over het portret van de bard door graveur Martin Droeshout.

(2) Oscar Wilde, in The decay of lying.

(3) Zie, bijvoorbeeld, het uitstekende en erg heldere dossier rond dit thema in Nieuw Vlaams Tijdschrift , 28/8, oktober 1975, p. 693 - 751 (diverse auteurs).

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche