Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
25 juin 2012 1 25 /06 /juin /2012 17:41

 

905-claus-het-lied-van-de-moordenaar.jpg

Het is nu al jaren een kwaadwillige gemeenplaats geworden: Hubert Lampo was Hugo Claus vijandig gezind... Tijdens de lezing die hij gisteren in het Letterenhuis-AMVC hield, vertelde Jan Lampo een pittige anekdote i.v.m. het oordeel van Walschap over Het lied van de moordenaar  van Claus: 'infantiel stuk', 'papschoolkunst' … (zie de post van Frank De Vos).

*

Toen Claus-kenner Paul Claes de Nijhoff-prijs kreeg, verklaarde hij in een interview met het Leuvense studentenblad Vetodat hij geen ander Vlaamse schrijver dan Claus kent die door de kritiek 'zo totaal in de grond is geboord. 95 % van de krantenkritieken over Claus, vooral in de katholieke pers, zijn fnuikend. (1)

Van 1952 tot 1964 schreef Lampo geregeld over Claus in de socialistische Antwerpen krant Volksgazet. Ik heb die bijdragen doorgenomen en daar een dossier over gepubliceerd (cf. Mededelingen van het CDR, nr. 84, december 2006, pp. 7-17). Daaruit blijkt onweerlegbaar dat Lampo zijn collega allerminst vijandig gezind was. Integendeel, hij nam hem meer dan eens in bescherming. Dat was bijvoorbeeld het geval met Het Lied van de moordenaar. De publicatie van Een bruid in de morgen en van Het Lied van de moordenaar in 1957 was voor Lampo de aanleiding om een even scherpzinnige als evenwichtige beschouwing te publiceren, waarin hij o.m. afrekent met de (vooral Antwerpse) toneelcritici die het stuk in de grond boorden. Ziehier de tekst van dit merkwaardige krantenartikel.

 

Herhaaldelijk reeds stonden wij stil bij het werk van Hugo Claus, die men sinds de publicatie van zijn op negentienjarige leeftijd geschreven roman De Metsiers als HET WONDERKIND der Vlaamse en zelfs der Nederlandse letteren in het algemeen is gaan beschouwen. Vaak moesten wij, om onze lezers van zijn elkaar vrij snel opvolgende werken op de hoogte te houden, bepaalde remmingen overwinnen. Wij voelen weinig voor het wonderkindprincipe. En zo wij er anderzijds niet genoeg de nadruk op konden leggen, dat er desnoods op een spectaculaire wijze méér belangstelling voor de literatuur gevraagd moet worden, houden wij nog minder van bepaalde publicitaire stunts, die in verband met Claus’ verschijning in onze letteren herhaaldelijk aan de dag traden. Laat me er onmiddellijk aan toevoegen, dat ik nog steeds geloof, dat Claus daar zelf niet altijd aan doen kan. Hij is in de laatste vier, vijf jaar nu eenmaal het idool geworden van alle teen-agers, die er van dromen op een minimum aan inspanningen literaire roem te oogsten. En steeds kon hij rekenen op de steun van ouderen, wie het er om te doen is minder het publiek, doch stellig zichzelf ervan te overtuigen, dat zij nog volkomen “bij” zijn. Terwijl tegelijkertijd ook beslist lofwaardige vaderlijke gevoelens in dergelijke gevallen een rol spelen. Maar hoe men het ook draaie of kere, Claus is er in geslaagd, en dat is bij ons wel een literair unicum, een beroemd man te worden, niet alleen in Gent, Deinze en omstreken, doch in het ganse Nederlandse taalgebied. Men hoeft er niet boos op hem voor te worden als sommige jongens zich aan hem zoeken op te trekken, tamelijk akelige reportages over hem schrijven, ieder woord van “de Meester” acteren, of hij het orakel van Delphi zelve ware en glunderen van trots als ze hem bij de voornaam mogen noemen. En nog minder heeft men het recht, dunkt mij, hiervoor de waarde van ZIJN WERK TE MINIMALISEREN.

Want ook dàt is wel eens gebeurd, vooral dan na de creatie door het Nationaal Toneel van zijn Lied van de moordenaar, waarvan gelijktijdig (met Een bruid in de morgen) een keurige uitgave is verschenen, die de firma Ontwikkeling tot eer strekt. Bij die creatie heeft de critiek zich op hem geworpen met een heftigheid, die stellig niet tot de principiële gewoonten van vooral de Antwerpse pers behoort. Ik heb destijds mijn best gedaan om die houding tot op een zekere hoogte zoniet te verontschuldigen dan toch te begrijpen. Wie in normale omstandigheden een schrijver beoordeelt, betrekt hierbij meestal de achtergrond, waarop zich zijn figuur aftekent, nl. de literaire antecedenten waarop hij aanspraak maken kan. Een nieuw boek van Gijsen, Elsschot of Walschap leest en beoordeelt men met in het achterhoofd de herinnering aan hun vroegere geschriften en gaat hierbij misschien de objectiviteit enigermate teloor, - ieder van hen kàn een mislukt boek schrijven -, anderzijds behoedt het de criticus voor dooddoeners die laatstgenoemde, niet wetende met wié hij precies te doen heeft, onsterfelijk belachelijk kunnen maken. Toen de recensies over de Vlaamse opvoering van Het lied van de moordenaarverschenen, is Hugo Claus min of meer van een soortgelijke toestand het slachtoffer geworden. Mijn collega-toneelrecensenten zullen het mij ten goede houden, zo ik de mening te kennen geef, dat de meerderheid onder hen hoegenaamd niet op de hoogte is van onze jongste Vlaamse letterkunde. Blijkens bepaalde uitlatingen heb ik zelfs de indruk, dat er onder hen een zekere animositeit tegen de literatuur bestaat. En zij hebben zich voor mijn gevoel op Het lied van de moordenaargeworpen in de geest van: laten we die schrijvertjes, die zich ook met theater menen te moeten bemoeien, nou maar eens mores leren! Misschien is het mijn slecht karakter, dat mij hier parten speelt, doch ik acht het nog altijd een bezwarende omstandigheid, dat de meesten onder hen zélf toneel schrijven en de negen tienden onder deze meerderheid het niet verder dan rudimentaire probeersels hebben gebracht. Nog steeds neem ik het hun kwalijk, dat zij zich niet de moeite hebben getroost, zich van tevoren in HET FENOMEEN CLAUS als romancier, novellist en dichter te verdiepen om dan, met de nodige kennis van zaken, via de vroeger met succes opgevoerde Bruid in de morgen het curieuze verschijnsel dat Het liedvan de moordenaarheet, met de nodige eerlijkheid en de ten opzichte van een werk van eigen bodem gebruikelijke goede intenties onder de loupe te nemen. Maar enfin, dat zijn allemaal vijgen na Pasen… […]

Het lied van de moordenaar is […] de lyrisch getinte ontwikkeling van een noodlotstragedie, waarin – en dat kan men dan desnoods “niet toneelmatig” noemen – de schoonheid van het woord en de dichterlijke vlucht een vooraanstaande rol werden toegewezen. […]

Door welk belangrijk facet in de boeiende persoonlijkheid van Hugo Claus is het nu, dat hij, die werkelijk belangstelling voor onze letteren en ons toneel aan de dag legt, hier onmiddellijk getroffen wordt? Tot dusver werd m.i. het werk van Claus hoofdzakelijk door een internationalistische inslag gekenmerkt. De Metsiers droeg hinderlijke sporen van de Amerikaanse roman, vooral die van Erskine Caldwell. De Hondsdagen en ook De koele minnaarwerden voor een behoorlijk part geconditioneerd door Franse invloeden, wat tot op een zekere hoogte ook nog het geval was met Een bruid in de morgen, ofschoon – men begrijpe ons niet verkeerd – in al deze werken het inderdaad uitzonderlijk talent van de jonge schrijver bij de genade Gods toch steeds weer de bovenhand behield. Alleen kon men zich gehinderd gevoelen door het onbevredigend want niet volkomen bevestigend antwoord op de vraag of Claus er reeds in geslaagd was DE HYPOTHEEK VAN DE MODEVERSCHIJNSELEN die zijn vrij sensationeel debuut als piepjong beginneling mede in de hand gewerkt hadden, af te lossen. Welnu voor de eerste maal is zulks m.i. op overtuigende wijze gebeurd in Het lied van demoordenaar: dit stuk is niet meer geschreven door een vroegrijpe knaap met Marlon Brando-haren, doch door een stevige vent, die er na de onontbeerlijke leerjaren in geslaagd is de volstrekt eigen mogelijkheden op het spoor te komen en bronnen aan te boren, die hij van niemand anders in concessie heeft. […]

Nog spreekt uit het tragische Lied van de moordenaar de obsederende gedachte, dat het leven onmogelijk is en met het leven ook de liefde. Doch deze tol aan een miserabilistische en eenzijdig gerichte tijdsgeest is men bereid te betalen bij de hernieuwde kennismaking met een stuk, waarin geen knutselaar, geen dilettant, doch tegelijk een rasecht schrijver en een rasecht dichter aan het woord zijn…. (2)

*

In datzelfde perspectief publiceerde ik hier op dinsdag 23 december 2008 'Kevin Absillis, Hubert Lampo en De Metsiers': http://mededelingen.over-blog.com/article-26066690.html

Wie in de kolom rechts in de rubriek “recherche” Hubert Lampo intikt, krijgt een volledig overzicht van alle hier gepubliceerde bijdragen over Hubert Lampo.

Henri-Floris JESPERS

  1. www.veto.student.kuleuven.ac.be/jg23/veto2301/claes.htm

  2. Hubert LAMPO, De Toneeluitgaven van Hugo Claus, in: Volksgazet, 21 november 1957

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche