Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
1 juillet 2014 2 01 /07 /juillet /2014 10:48

 

LEOVROMAN-768x576_c.jpg

Leo Vroman

(Gouda, 10 april 1915 – Fort Worth, 22 februari 2014)

Op zaterdag 22 februari 2014 zat ik achter mijn computer te werken. Ik kon het niet laten af en toe te checken of er nog nieuws was op de website van de Volkskrant of NRC-Handelsblad. Ja hoor, om 17.18.u. was breaking news verschenen: “Dichter Leo Vroman (98) overleden”. Ik las verder: “In zijn woonplaats Fort Worth in Texas is de dichter en bioloog Leo Vroman (98) overleden. Hij stond bekend om de spontane, pratende toon in zijn gedichten, die werden geroemd om de humor en herkenbaarheid. Criticus Kees Fens noemde hem ooit de ‘vlakbijste’ dichter van Nederland.”

Leo dood. Ik zou hem op 9 april aan de Sorbonne behandelen in mijn poëziecollege, één dag voor zijn negenennegentigste verjaardag, en ik zou dan tegen mijn studenten zeggen: “Leo Vroman is een van onze grootste dichters, en hij schrijft nog steeds.” Ik had gehoopt dat hij wel honderd zou worden, maar zijn eeuwfeest heeft hij niet gehaald. Hij wordt overleefd door zijn vrouw Tineke (die ook al 93 is) en zijn twee dochters en hun familie.

De eerste keer dat ik Leo Vroman ontmoette was op een zonovergoten zondagmiddag in Rotterdam. Dat was tijdens het Rotterdamse festival Poetry International, waar wereldberoemde dichters als Pablo Neruda, Joseph Brodsky en Czeslaw Milosz zijn opgetreden. Dat festival vond in juni plaats, in concertgebouw De Doelen, maar het begon altijd op een zondag in het Rotterdamse centrale park, ‘Het Park’. Dan was het voor iedereen gratis toegankelijk en heette het Poetry in the Park. Het was de zomer van 1981 en ik was al enkele jaren docent Nederlands in het plaatsje Ann Arbor, aan de University of Michigan. We zouden in het jaar 1981-82 voor het eerst een Nederlandse writer-in-residence krijgen en die schrijver was Bert Schierbeek (1918-1996), een van de Vijftigers. Ik had Bert al in 1980 ontmoet, toen hij betrokken was bij het Creative writing program in Iowa City. Hij was naar Ann Arbor gekomen en had een pleidooi gehouden voor het instellen van een Nederlands gastschrijverschap. We slaagden er in om de financiën rond te krijgen en hij zou zelf de eerste gastschrijver worden.

Omdat ik al enkele jaren in Michigan woonde, was ik nog niet zo bekend met de Nederlandse literaire scene, maar Bert stelde mij in Het Park voor aan diverse schrijvers. Bob den Uyl (1930-1992) gedroeg zich net zo humoristisch als hij schreef; Kees Buddingh’ (1918-1985), die evenals ik in Dordrecht was geboren, vond het niet erg dat ik geen ander onderwerp vond om over te praten dan over de plaatselijke voetbalclub DFC, waar hij een groot fan van was, terwijl ik eigenlijk meer van wielrennen hield dan van voetbal, maar waar praat je in godsnaam over met zo’n nationaal bekende schrijver? En toen kwam Leo Vroman aanlopen, die magere man met zijn lange neus, die je uit duizenden zou herkennen, een van onze grootste dichters, maar hij woonde in New York, dus als hij in Nederland kwam, was dat heel bijzonder. Bert stelde me aan hem voor en Leo reageerde heel innemend. Ik moest hem tutoyeren, want hij had een hekel aan de aanspreekvorm ‘u’. Hij zei: laten we een stukje wandelen. Dus wij wandelden langs de tenten die in het park waren opgezet en in elke tent was er iets poëtisch te genieten. Het viel me op, dat Leo een licht Amerikaans accent had, na al die jaren in dat land – hij woonde er sinds 1947. Ik weet niet meer waarover we het hadden, maar hij zal me hebben gevraagd naar mijn ervaringen in Ann Arbor, en na een tijdje kwamen we terug bij Bert.

Toen Bert in september 1981 naar Ann Arbor kwam voor zijn gastschrijverschap, dat een heel jaar duurde, waren we het er over eens dat we Leo Vroman moesten uitnodigen. Leo vond dat leuk en kwam in november uit New York overgevlogen. Bert Schierbeek had een geweldige slee van een auto, een Lincoln Continental (a real gas guzzler) die we het ‘schierschip’ noemden. Met die auto haalden we Leo af van het Detroit Metropolitan Airport. Leo en ik zakten prinsheerlijk weg in de kussens van de auto, en onderweg zei hij dat ik in mijn officiële aankondiging van zijn optreden zijn laatste twee gedichtenbundels niet had vermeld. Leo was toen 66 en het grootste deel van zijn al zeer bekende en bekroonde poëtische oeuvre moest nog worden geschreven: na zijn pensionering kreeg hij daar alle tijd voor. Niettemin is hij nog tot halverwege de jaren negentig ook doorgegaan met zijn wetenschappelijke onderzoek, dat was gericht op de eigenschappen van het bloed. Telkens kreeg hij weer een grant voor een nieuw onderzoeksvoorstel.

Het optreden van Leo in Ann Arbor werd een groot succes. Zelf ging ik in augustus 1982 doceren aan de Universitas Indonesia in Jakarta, en toen mijn collega’s en ik in 1987 een groot congres organiseerden, hebben we ook Leo Vroman en zijn vrouw Tineke uitgenodigd. Ik had al die jaren contact met hen gehouden en had ze uitgenodigd om bij mij in mijn ruime huis in Jakarta te logeren. Voor Leo was dit de eerste keer dat hij terugkeerde in de stad waar hij als Jood, vluchtend voor de nazi’s, in 1940 was terechtgekomen. Na de Japanse invasie was hij in 1942 door de Japanners geïnterneerd en uiteindelijk naar Japan getransporteerd, maar hij heeft het overleefd. Vanuit Azië is hij in 1945 meteen naar New York gegaan, waar hij een baan kon krijgen, en daar zag hij in 1947, na zeven jaar, zijn verloofde Tineke Sanders terug, met wie hij enkele dagen na haar aankomst is het huwelijk is getreden.

Ik ging samen met Leo en Tineke op bezoek bij de Indische dichter G.J. (Han) Resink (1911-1997), die in een klein paviljoen woonde in dezelfde wijk als ik. Leo vertelde over de eekhoorn die hij als huisdier had gehouden toen hij, na zijn vlucht uit Nederland, in Jakarta (toen: Batavia) woonde in Gang Scott. “En hij leeft nog”, zei Leo. “Is dat beest zo oud geworden?” vroeg Han, uiterst verbaasd. “Ja, in mijn hoofd”, zei Leo.

Na het congres hielden we een literaire avond met Nederlandse en Indonesische schrijvers in het Erasmus Huis te Jakarta. Toen we thuiskwamen, zei Leo dat hij zich niet zo lekker voelde, maar hij was blij dat hij zonder mankeren zijn bijdrage had geleverd. Die nacht is hij erg ziek geworden, misschien een late echo van de dysenterie die hem in 1945 in Japan bijna het leven had gekost. Mijn bedienden hebben hem midden in de nacht geholpen en ’s ochtends vroeg klopte Tineke op mijn slaapkamerdeur. Ik kwam tevoorschijn en keek wat verdwaasd toen Tineke haar verhaal afstak, waarop ze zei: “Misschien moet ik jou eerst wakker laten worden.” Ik bracht Leo die ochtend naar mijn Italiaanse arts Visioli, en met wat medicamenten knapte hij snel op. Maar dat alles in het leven materiaal kan zijn voor poëzie, bleek toen ik Leo’s lange gedicht ‘Vlucht 800’ las, over de explosie van een Amerikaans vliegtuig dat in 1997 in zee was gestort. Alle 230 inzittenden kwamen om. Een van de strofen bevatte een herinnering aan die nacht in Jakarta, Jalan Sawo nr. 8: “Ikzelf, een keer bewusteloos, piste/ eens tussen de lakens, zegt men,/ ging zelfs mijn gang en scheet/ in mijn afwezigheid en miste/ de bijbehorende verlegenheid/ toen ik eindelijk ontwaakte/ in mijn schoongemaakte bed.// Gebroken zijn is heerlijker dan broos./ Totaal vergaan is grootser dan bederven,// en zo, uit hun beschamend sterven,/ stijgen de doden eeuwig schaamteloos.”

Dit gedicht laat zien hoe nieuwsgierig Leo Vroman was naar het mysterie van de dood en hoe geobsedeerd hij – als bioloog en biochemicus – was door fysiologische processen. Bij ons afscheid in Jakarta – de taxi stond al klaar – zei Leo: “Nu moeten we maar gaan, anders veranderen we in palmbomen.”

Leo Vroman had een originele speelse geest en was in het alledaagse leven bijzonder gericht op de communicatie met mensen. Hij hield ervan hen uit traditionele clichématige denkpatronen te halen. In een van de artikelen die ik na zijn overlijden over hem las, stond dat hij bij het verlaten van een winkel de bekende Amerikaanse afscheidsgroet “Have a good day” had gevarieerd met: “Have a good life. A day is not enough.” Ik herinner me ook hoe we een keer in de stationsrestauratie van Amsterdam gingen zitten, waar toen nog aan tafel bediend werd. Wat zouden we drinken? Leo vroeg de serveerster: “Hoe is het tomatensap dit jaar?”

*

Enige tijd geleden zei Leo in een interview: “Als ik ooit een interessante kwaal krijg, dan kan ik daar best een gedicht over maken. Maar verder, ik kijk vrij vriendelijk aan tegen de dood. Ik ben er ook erg nieuwsgierig naar. Doodgaan is een belangrijke fysiologische gebeurtenis.”

Leo Vroman leeft, in ons hoofd en ons hart.

Kees SNOEK

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche