Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
29 décembre 2009 2 29 /12 /décembre /2009 18:25

Herman J. Claeys is vandaag overleden. Jeroen Kuypers bezint zich over Claeys' literaire erfenis.

Het engagement als harnas

Tijdens de afscheidsavond voor Herman J. Claeys merkte Henri- Floris Jespers op dat Claeys zijn rol van luis in de pels van het establishment nooit met zoveel verve had kunnen vervullen als hij van meet af aan had gekozen voor een conventionele literaire carrière. Claeys zou dan toch meer zijn ingekapseld in de letterkundige en maatschappelijke instituties. Op de vraag of wij – het literair publiek – daardoor wellicht belangwekkende boeken hebben gemist antwoordde Jespers bevestigend. Jespers leek die prijs acceptabel te vinden. Ik ben geneigd te zeggen dat ze te hoog is.

Een revolutionair in smoking

Als Herman J. Claeys ons ergens in de komende weken of maanden komt te ontvallen vervoegt hij een rijtje van illustere, recentelijk overleden figuren die de jaren zestig artistiek mede vorm hebben gegeven. Simon Vinkenoog en Marcel van Maele behoorden net als hij tot die vooroorlogse generatie die dertigers waren toen ze zich enthousiast in de contestatie wierpen. Herman deed dat uit een goed-burgerlijke startpositie: hij werkte als leraar aan de cadettenschool van Brussel en woonde samen met de dochter van een protestantse geestelijke. Kerk en Leger broederlijk verenigd, enkel het Kapitaal ontbrak. Hij brak echter wel meer radicaal met zijn verleden dan de twee anderen, voor zover er bij hen überhaupt sprake was van een breuk. Vinkenoog was al een redelijk succesvolle carrière als zelfstandig auteur begonnen; Van Maele was zijn volwassen leven al zwervend over de wereld gestart en zette die zwerftochten in feite simpelweg voort op kleinere schaal in Brussel en Amsterdam. In de vijfenveertig jaar nadien is Herman in feite altijd aan de overkant van de maatschappelijke Rubicon gebleven, al ging er één pontje varen. Toen hij in de jaren tachtig als lexicograaf voor instanties als Van Dale en Onze Taal aan de slag ging veranderde hij alsnog in de eminente linguïst waarvoor hij door zijn studie was voorbestemd. Ik kan me zelfs herinneren dat hij een keer naar een bedrijfsfeest van woordenboekuitgever Wolters in Groningen ging – in een smoking. Iemand had Herman zo moeten fotograferen. Hij zou zichzelf niet hebben herkend.

5e Meridiaanreeks

Wie de literaire en para-literaire activiteiten van Herman J. Claeys uit de jaren zestig en zeventig onder de loep neemt valt op hoe divers en succesvol ze waren. Hij opende een café, dat eerst uitgroeide tot een fenomeen en later tot een stuk erfgoed, De Dolle Mol. Hij opende een bookshop, De Freepress, en was als zodanig instrumenteel in de popularisering van een brede waaier van (destijds) alternatieve lectuur, waaronder politieke strips. Hij was een van de grote gangmakers van het protest tegen de oorlog in Vietnam. Al deze activiteiten waren gericht op het bewerkstellingen van een mentaliteitsverandering en – wie weet – uiteindelijk een socialistische revolutie. Van die politiek-maatschappelijke revolutie kwam niet veel in huis, maar door op letterkundig vlak de krachten te bundelen met andere jonge Turken, als Julien Weverbergh en Herwig Leus, slaagde hij er wel in veel beroering te brengen in de Vlaamse literaire wereld, onder andere met zijn boek Wat is Links?, een bundeling interviews met Noord- en Zuid-Nederlandse auteurs die eerder in het weekblad Links waren verschenen. De belangrijke vernieuwing die door Manteau werd ingeluid met de 5de Meridiaanserie was er een rechtstreeks gevolg van. In de 5e Meridiaan maakten auteurs als Hans Plomp, Daniël Robberechts en Walter van den Broeck hun debuut of doorstart. Herman was zelf een van hen en publiceerde twee romans in de reeks, Het Geluid en Steen.

Winterslaap

En daarna ging de vaart er uit. Niet direct, niet spectaculair, maar gestaag. Terwijl de diverse activiteiten die Herman J. Claeys vanaf pakweg 1965 ontplooide elkaar aanvankelijk versterkten vielen ze in de jaren zeventig langzaam maar zeker uit elkaar. De prozaïst begon aan een winterslaap, de literair journalist verdween, de mediamieke organisator gleed uit beeld. Allerhande persoonlijke en zakelijke beslommeringen hadden de ruimte ingenomen die vroeger voorbestemd was voor creativiteit, zoals korte gevangenisstraffen voor vergrijpen die ons nu als absurd voorkomen en die destijds vooral als pesterij bedoeld waren, waaronder een veroordeling voor het schenken van jenever in een boekhandel. Toen ik Weverbergh begin jaren tachtig interviewde over de 5e Meridiaanreeks zei hij: “Sommige auteurs, zoals Herman J. Claeys, ben ik helemaal uit het oog verloren. Ik vraag me af wat ze tegenwoordig nog doen.” Enkele jaren later had ik hem het antwoord kunnen geven toen ik Herman leerde kennen aan de toog van zijn eigen café.

Medische versie van 1984

De prozaïst Claeys was niet opgebrand of uitgeteld. Integendeel, de tweede helft van de jaren tachtig stond in het teken van een opleving van zijn literaire activiteit. Hij schreef onder meer een lijvige historische roman over de laatste dagen van Brugge onder Duitse bezetting, getiteld Bevrijding, een aantal korte verhalen en een toekomstroman over een wereld waarin de ziekte AIDS de autoriteiten het perfecte excuus boden om een strenge maatschappelijke controle in te stellen, getiteld De Ziekte. Deze seksueel/medische versie van 1984 klonk erg interessant, maar om de een of andere reden zag ze nooit het gedrukte licht. Niet dat uitgevers geen interesse hadden. Aanvankelijk zou Weverbergh beide romans publiceren in zijn nieuwe Houtekiet-fonds. Enkele jaren later nadien heb ik zelf nog succesvol bemiddeld bij de latere opvolger van Weverbergh bij Manteau, Wim Verheije. Verheije las Hermans vroegere werk, ging de cijfers van de gedrukte oplages en de verkochte exemplaren na en stond zelf versteld van het commerciële succes: enkele duizenden exemplaren elk. Er werd een ontmoeting geregeld, er werden afspraken gemaakt en daar bleef het dan bij. De twee romans waren helaas nog niet helemaal af. Weverbergh had me al gewaarschuwd: “Herman zal die beide manuscripten misschien nog ter hand nemen maar niet afwerken.”

Zelfvertrouwen

Waarom laat een auteur zijn schip zinken in het zicht van de haven? Ik denk achteraf dat Herman al zolang uit het circuit was dat de koudwatervrees hem definitief in zijn greep had gekregen. Gaat men die romans goed genoeg vinden? Heb ik überhaupt de schrijftechniek nog voldoende in de vingers? Zolang hij de proef op de som kon uitstellen bleef in ieder geval de mogelijkheid van een succesvolle comeback bestaan.

Het zelfvertrouwen dat hem als romanschrijver ontbrak had hij nog wel als dichter. Hier leek de ontwikkeling eerder omgekeerd, want in de voorgaande decennia publiceerde hij slechts één dichtbundel, Als Zoveel Schelpdieren, in het (burgerlijke) jaar 1963. In de jaren tachtig trad hij steeds vaker op, en verwierf hij faam als performing poet.

Wandelgedicht

Hermans gedichten waren het best wanneer ze zich kenmerkten door een combinatie van originaliteit en speelsheid. Zoals het wandeldicht dat hij eigenhandig schilderde op de waterkeringmuur langs de Antwerpse Schelde. De waterkeringmuur moet de binnenstad beschermen tegen een eventuele overstroming als gevolg van springtij. In de jaren dat de Scheldestad met elke verkiezing verrast werd door weer een Zwarte Zondag riep Herman in zijn lange gedicht op die andere stortvloed, die van het oprukkend fascisme, te keren. In de weken dat hij er aan werkte fietste hij door het stadscentrum met een waarschuwingsbord achterop: Poëzie in Uitvoering! Zowel de daad van het dichten/schilderen als het gedicht zelf trokken veel aandacht en leverden Herman redelijk wat krantenartikelen op. Ik was een van de Nederlandse journalisten die een interview met hem plaatste in een reeks regionale dagbladen. Het zal allicht de nodige dagjesmensen naar de Kaaien hebben doen afzakken.

Gewapendertaal

Maar in andere gedichten overschaduwde de boodschap de poëtische werking van de taal. Het feit dat een allochtoon wordt neergeslagen in een Brussels station levert dan wel een gesproken aanklacht op maar geen vers in de literaire zin van het woord. Hoe verontwaardigder Herman was, hoe ‘platter’ de tekst. Zijn kerstnachtgedicht, waarin Maria en Jozef worden voorgesteld als een stel krakers, werd een traditional die het bij alle optredens goed deed, maar andere gedichten doorstonden de eerste beet van de tand des tijds al niet. Morele verontwaardiging alleen volstaat nu eenmaal niet op de poëzie in uitvoering te brengen. Daar was bij Herman ook een stevige dosis humor voor nodig. Want pas die humor – ironisch of desnoods sarcastisch – zette het wiel van zijn grote taalkundig talent in werking.

Dit is waarschijnlijk ook de reden dat zijn bundel Gewapendertaal nooit in boekvorm is verschenen.

Koldergedichten

Maar andere vormen van poëzie heeft hij bij mijn weten zelfs nooit aangeboden bij uitgevers. Herman J. Claeys was een liefhebber van zogeheten Light Verse. Hij schreef grafschriften voor zowel bekende Vlamingen als voor mensentypen (de egoïst, de pyromaan enzovoorts) en ook koldergedichten. Ik herinner mij een episode aan het begin van de jaren negentig dat een vriend van hem was gehospitaliseerd met depressieve symptomen en dat Herman hem wekenlang elke dag met de post een koldergedicht bezorgde. Elke dag! Stel je voor dat je het leven niet meer ziet zitten en je begint de morgen met verse koffie en een grap in rijm. Volgens mij heeft Hermans methode hem meer geholpen dan alle anti-depressiva die hij bij die koffie diende te slikken.

Het Light Verse dat ik destijds van hem gelezen heb trof mij als zeer puntig en zeer geestig. Toch ‘deed’ Herman er zo goed als niets mee. Waarom niet? Misschien vond hij dat het publiceren van zulke niet-geëngageerde poëzie schade zou doen aan zijn reputatie van geëngageerd dichter.

Sonische verstikking

Het engagement – daar is het weer. Is dat wel zo’n zegen geweest voor de literaire carrière van Herman J. Claeys? Wie zijn roman Het Geluid herleest krijgt de indruk dat hij halverwege de jaren zestig zelf al heeft vermoed welk een valstrik het zou kunnen zijn. In dit symbolische verhaal begint een aantal jongeren elk voor zich een geluid te horen. Ieder interpreteert het op zijn of haar manier. Het meisje Myriam bijvoorbeeld op een erotische, de kunstenaars Paul en Geert op een artistieke. Aanvankelijk is het voor hen vooral een irritant geluid. Paul kan er bijvoorbeeld niet meer door schilderen en Geert vervreemdt zijn collega-auteurs van zich wanneer hij er niet in slaagt het adequaat in een pamflet te beschrijven. Maar het geluid beperkt zijn aanwezigheid niet tot dit groepje. In heel de hoofdstad beginnen mensen het geluid waar te nemen. Anderen horen echter niets. En zo begint het geluid de gemoederen te verhitten en de maatschappij te verdelen. Voor de ene helft is het bestaan van het geluid een feit en is het waarnemen ervan bovendien een bevrijdende en stimulerende activiteit, voor de andere helft is het geluid een verzinsel, een symptoom van een geestesziekte. En inderdaad: sommigen gaan zo totaal op in het geluid dat ze het zelfs niet willen verstoren door hun ademhaling. De eerste gevallen van ‘sonische verstikking’ worden gevolgd door andere. Medici en priesters waarschuwen voor de gevaren van het ‘sonisme’. Het leger gaat nog een stap verder en beschouwt sonisme als een ernstige inbreuk op de discipline. Het kost Wim, een vriend van Geert en Paul, zijn baan als leraar aan de cadettenschool, omdat hij aspirant-officieren die het geluid horen sterkt in het geloof in hun waarneming.

Sonisme

Ondanks de scherpe reactie van de autoriteiten blijft de aanhang van het sonisme groeien. In de vierde beweging van het verhaal (Herman heeft zijn verhaal toepasselijk als symfonie opgebouwd) doen deze daarom een ultieme poging het sonisme te incorporeren in de machtsstructuur. Het sonisme wordt erkend door de kerk. De sonistische partij wint enkele zetels bij de kamerverkiezingen, net genoeg om doorslaggevend te zijn bij de samenstelling van een nieuwe regering. Maar de beloften worden (vanzelfsprekend) niet ingelost. De regering valt, de sonisten beschuldigen de autoriteiten van bedrog en verraad. Het einde is voorspelbaar: een poging tot staatsgreep en de bloedige onderdrukking daarvan.

Nep-sonist

De nederlaag van de sonische beweging heeft geen gevolgen voor de aanwezigheid van het geluid. Natuurlijk niet: het geluid en het sonisme zijn immers twee verschillende dingen. Al de eerste zelfverklaarde sono – een raadslid van de oppositie die via een stemming over het geluid de burgermeester ten val wil brengen – is een nep-sonist. Hij gebruikt het geluid enkel om een machtsspelletje te spelen. Vandaar ook dat de auteur zelf geen partij lijkt te willen kiezen in het door hem beschreven conflict tussen progressieve en reactionaire maatschappelijke krachten. De institutionalisering van het geluid, de inkapseling ervan in de gehoorgangen van een of andere revolutie betekent volgens hem de wiegendood van alles wat het geluid aan positiefs kan voortbrengen. Enkel de personages die het geluid als eersten waarnamen komen daardoor ongeschonden uit het tumult van de gebeurtenissen. Zij nemen het geluid nog altijd waar en hebben er ook hun voordeel mee gedaan (Paul heeft het inmiddels geschilderd), omdat het voor hen een persoonlijk en dus onbezoedeld geluid is gebleven.

Vlaamse Animal Farm

Het Geluid is een mooi geschreven, soms ontroerend en soms humoristisch boek. Een Vlaamse variant van George Orwells Animal Farm, omdat het in feite dezelfde boodschap heeft. Een roman die indertijd zeker de waardering kreeg die ze verdient maar die wat mij betreft best had mogen uitgroeien tot een klassieker. Waar het mij in het verband van dit artikel om gaat is dat Herman J. Claeys zich blijkbaar al van in het begin van zijn carrière bewust was van de gevaren van inkapseling en institutionalisering, ook voor hemzelf, maar daar, voor zichzelf, blijkbaar ook te weinig acht op heeft geslagen. Misschien meende hij dat het volstond door verre te blijven van allerhande marxistische groepjes en hun dogma’s en strakke partijstructuren. Herman afficheerde zichzelf altijd nadrukkelijk als anarchist. Maar Revo en Provo konden evengoed verworden tot Sono.

Implosie en verstening

En dat is er volgens mij ook gebeurd. Als de jaren zestig gekenmerkt kunnen worden als een periode van ongebreideld kritisch en creatief denken, van verzet tegen onwrikbaar geworden machtsstructuren en morele voorschriften, dan zou je de jaren zeventig als het decennium van de implosie en verstening van diezelfde revolte kunnen betitelen. Veel kritische geesten begonnen nieuwe dogma’s te omarmen of verdronken in een overdaad van alcohol, hasj en andere roesmiddelen. Wat filosoof Frits Staal opmerkte over de bekeringsijver van veel Hollandse jongeren in India geldt mutatis mutandis voor de evolutie van de hele beweging van de jaren zestig: ze omhelsden hindoeïsme en boeddhisme met een fanatisme dat rechtstreeks voortkwam uit het calvinisme van hun ouders waartegen ze zich zo hevig hadden verzet. De Revo- en Provoslangen beten in hun eigen staart.

Verval en verloedering

Veel anderen waren simpelweg verder gegaan met hun leven en hun carrière. Jeroen Brouwers, waarschijnlijk de beroemdste literaire gast in de Dolle Mol, stoomde op naar de letterkundige top, Julien Weverbergh werd directeur van de belangrijkste Vlaamse uitgeverij. Bijna dertig jaar later haalden ze weemoedig herinneringen op aan hun tijd met Herman J. Claeys in hun memoires, maar in de tussentijd hadden ze hem bij wijze van spreken gaar laten stomen in zijn Brusselse kroeg. Diezelfde kroeg is nu een van overheidswege erkend instituut, maar de geest ervan kan vanzelfsprekend niet worden gesubsidieerd en gestuurd. Het ‘geluid’ van de Dolle Mol verstomde langzaam maar zeker in de jaren zeventig. Zoals zoveel van dit soort etablissementen raakte het in de greep van verval en verloedering. Eerst bleven de coryfeeën weg, daarna verschenen de weglopertjes en de marginalen. Linkse kroegen werken als een magneet op mensen aan de rand van de samenleving, simpelweg omdat hun aanwezigheid hier nu eenmaal langer wordt getolereerd dan elders. Zolang een precair evenwicht tussen artistieke, marginale en volkse elementen kan worden gehandhaafd blijft de uitstraling van de kroeg levendig en positief, zodra de laatste twee de eerste gaan domineren is de glijbaan omlaag begonnen. De sluiting in 1987 was officieel een gevolg van financiële vergissingen uit de jaren zeventig, maar officieus het logische sociologische eindpunt.

Verscheurd gezin

Was Herman J. Claeys de voorbije dertig jaar diezelfde luis in de pels als in de periode 1965 -1975? Ik heb zo mijn twijfels. Zeker, hij speelde een rol in tal van bewegingen, zoals die tegen de installering van kernraketten in de jaren tachtig. Je zag en hoorde hem op honderden betogingen en manifestaties. Dat zal een zekere invloed hebben gehad. Maar die wisselwerking tussen literatuur en politiek was goeddeels verdwenen. We kregen protestgedichten – soms zeer goede, soms zeer pamfletachtige teksten – maar geen nieuwe romans. Wannéér het mis ging is wel ongeveer aan te geven, maar wat voor het wáár? Ik denk dat Herman, zoals zovelen, een bepaalde illusie uit de jaren zestig te ernstig heeft genomen, namelijk de idee dat je onder alle omstandigheden dezelfde persoon moest zijn. In officiële functie, privé, tussen collega’s, vrienden en familieleden, tegenover superieuren en ondergeschikten – altijd consequent hetzelfde denken en gedrag vertonen. Je moest, bij wijze van spreken, op het gemak even geëngageerd zijn als op den bureau, tussen de lakens evenzeer als tussen de regels. Maar de maatschappelijke en psychologische werkelijkheid was en is natuurlijk heel wat weerbarstiger. Het engagement kan ook een corset zijn, of zelfs een harnas, dat de ademhaling afsnijdt en de bewegingen belemmert. De psychologische redenen voor het vasthouden aan dat harnas zijn niet ver te zoeken. Herman kwam uit een verscheurd gezin, met een vader die aan het Oostfront had gevochten en een moeder die actief was in de weerstand, met een vader die een burgerlijke carrière en respectabiliteit nastreefde en een moeder die zich gefnuikt voelde in haar ambities als toneelspeelster. Geplet ook tussen een broer die hoogleraar werd en een broer die arbeider was. De lexicograaf is maar één voorbeeld van een ‘deel-ik’ van de totaalpersona Herman J. Claeys. Hij had die deel-ikken misschien meer de vrije loop moeten laten. Er hadden meer pontjes mogen varen tussen de zogezegde burgerlijke en de zogenaamde revolutionaire oever.

Onbaatzuchtig en authentiek

Houdt dit een negatief waardeoordeel in over Hermans leven? Absoluut niet. Ik heb hem een kwart eeuw gekend en al die jaren heb ik hem meegemaakt als een levensgenieter. Ik zou tientallen anekdotes over hem kunnen ophalen, als dit de plaats ervoor was, maar die aan het papier toevertrouwen is meer de taak van een biograaf. Ik heb nooit iemand ontmoet met een indrukwekkender taalgebruik, ik heb ook nooit iemand ontmoet die onbaatzuchtiger was dan Herman J. Claeys. Het aantal mensen die hij literair of anderszins heeft geholpen moet in de honderden lopen. Als Weverbergh hem in het eerste deel van zijn memoires, De Voorwerpen, een van de meest oprechte personen die ik ooit heb ontmoet noemt kan ik me daar enkel bij aansluiten. Ik zou er aan willen toevoegen: en een van de meest authentieke.

Hoe lang Hermans leven ook nog mag duren – dagen, weken of maanden – het is hoe dan ook een rijk gevuld bestaan geweest. Maar de prijs voor zijn engagement had wat mij betreft lager mogen zijn. Gelukkig hebben we boeken als Steen en Het Geluid, maar er hadden nog meer ‘geluiden’ uit zijn pen kunnen klinken.

Jeroen KUYPERS

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche