Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
9 mars 2010 2 09 /03 /mars /2010 16:55

Frederice Martine ten Harmsen van der Beek (Blaricum, 28 juni 1927 – Groningen, 4 april 2009) was in de jaren zestig van de vorige eeuw bekend. Na het sensationele succes van haar eerste bundel, Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten, tienduizend exemplaren!, gleed zij midden de jaren zeventig echter weg in de anonimiteit. Zelfgezocht. In Garnwerd, het noordelijkste punt van Nederland.

Hoogst uitzonderlijk kwam zij nog eens piepen. Zoals in 1981 met drie gedichten in de verzamelbundel, Aan het werk, uitgegeven n.a.v. de pensionering van haar uitgever, Geert Lubberhuizen, de stichter van uitgeverij De Bezige Bij.

FritziIk heb het geluk gehad een paar maal met haar samen te werken. In 1984 trad zij op op de 4de Nacht van de Poëzie. Zij kwam laat op de avond licht beschonken toe. Het eerste waar zij om vroeg was rode wijn. De voorraad was door de andere dichters al verzet. Mijn jongste broer Luc heeft in en rond Vorst-Brussel een odyssee ondernomen. Nachtwinkels bestonden toen nog niet, maar hij kwam met een zestal flessen opdagen. Lang voor het ochtendgloren moest hij weer de baan op.

De tweede maal was bij de uitgave van een poëziemap voor een tentoonstelling in het crematorium Westlede in 2001. In samenwerking met het Poëziecentrum heb ik een aantal dichters om een rouwgedicht gevraagd. Na heel wat aandringen heeft zij een onuitgegeven gedicht afgestaan, Goed Begrepen? De titel is ondanks het vraagteken een bevel. Gericht aan haar (overleden) hond. Te vergelijken met Zit! Lig! Niet bijten!

Alle gedichten van Fritzi ademen luciditeit. De wijn? Waarschijnlijk. Ongrijpbare versregels, maar wondermooi. En het geheel is altijd een verhaal met een begin, een midden en een slot. Zoals in dit gedicht. Een eenzame appel hangt tussen de naakte takken. Maar al klampt hij zich vast aan zijn twijg, hij zal vallen door een stoute ‘windvlaag’. Op de grond wacht hem ‘het tedere insect’ tussen de zwarte bladeren, zijn paradijs (= de herfst), die zich in de appel zal wurmen tot hij het klokhuis bereikt, het zaadhuisje.

En nu het onderliggende verhaal: het lichaam wordt strammer, de blik schemeriger, het haar dunner, schaarser. De mens kantelt voorgoed het bed in, waar hij sterft en na de dood de grond in gaat, waar hij prooi is voor de worm, en bovengronds vergeten wordt.

Ik kan moeilijk afscheid nemen van mijn meest geliefde dichteres. Toch moet het. Goed, dan maar met een terugkeer naar het gedicht. Een normaal mens zegt: ‘’t Wordt frisser, de herfst komt eraan. Ik word oud. De botten kraken. Vroeger kon ik lezen zonder bril.’

Fritzi zegt het veel sterker. Humorloos maar met een teder gevoel, uitdeinend zoals het heelal. Herlees het eerste vers met het voor- en achterliggende verhaal voor ogen en verwijl even bij haar. En luister naar de echo in haar poëzie.

Guido LAUWAERT

Humorloos Gedicht

 

Waar winter schaduw aanblaast op het lijf

verstijft de ademtocht tot kleine rook,

van wellust geel, de appels van het oog

na-oogst van brakke hoop, beslaan met rijp.

 

O. Minnaars, door dit najaar ondermijnd

zijn wel geschraagd door zwart, waarachtig hout

maar staan als stammen, van hun kroon ontzet

met smalle handjes, spin- en bladernaakt

 

en loven, liefkozen en spelen wel en

wentelen en strelen, eindeloos verstekt

het tedere insect, dat, winters al verpopt

verstopt, hergeven paradijs verbeidt:

 

maar ai, dat appeltje, getroond maar ongeplukt,

geluk? behouden aan de hoogste twijg, ge-

neigd tot eerste windvlaag het verrukt,

naar willekeur der zinnen, tot vergetelheid?

 

Fritzi Harmsen van Beek

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche