Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
10 juillet 2014 4 10 /07 /juillet /2014 21:37

 

guido-lauwaert2.jpg

                                                                                                   voor Jasmijn Rose


Een late lentemiddag in juni met een woestijnlucht die de stad uitdroogt. De rokjes worden korter en de bloesjes doorzichtiger. Op de terrasjes en binnen in de koffie- en theehuizen zitten jongeheren met speurende ogen en een vuurtoren in hun pastelkleurige linnen broeken.
De organisator zegt tegen de schrijver:
‘Schrijf mij een column. Voor de festivalkrant.’
‘Dan zal je een ander hoofd op je schouders moeten zetten,’ zegt de schrijver.
‘Welk hoofd wil je?’
‘Een hoofd dat ik niet ken. En jij kent er geen en je kan er geen verzinnen. Ik heb mensen snel door. Daaraan heb ik mijn leven te danken.’
‘Lul niet zo en schrijf die column. Ik ken je stijl en die bevalt me.’
‘O, die bevalt je! Dank je wel maar ik trap niet in de val. Ik wil niet eens twintig bladzijden voor je schrijven zonder iets te zeggen.’
‘Je hebt alle vrijheid, zolang het thema gerespecteerd wordt,’ vervolgt de organisator alsof hij de schrijver niet gehoord heeft.
‘Veeg met je thema je kont af, man. Ik schrijf niet op bevel.’
Pauze. Stilte. Ingekeerde blikken.
Tussen hen in staan andere wetten. Hij denkt: zal ik zeggen dat ik goed 60 jaar gekozen heb voor wat ik wil doen, dat ik dat gedaan heb zoals mij het beste leek en dat ik daar een grote voldoening in heb gevonden. Als ik dat niet meer doe dan is die hele periode niks meer waard, zero, en zal de rest van mijn leven een geestelijke marteling zijn, een stille, traag oprukkende demon die ik in tegenstelling tot de andere niet zal kunnen verdringen om te…
‘Wat drink je?’ vraagt de organisator. ‘’t Zelfde?’
Zijn hoofd knikt naar de lege kop, die kort geleden door een bevallige jongedame voor de schrijver is neergezet. Ze zitten in Café Labath. De jazzdeuntjes volgen elkaar op, niet te luid, zodat de bezoekers niet hoeven te schreeuwen om een rustig gesprek te voeren. Onder het praten heeft Louis Armstrong het van Lena Horne en haar versie van Stormy Weather overgenomen.
De schrijver staart naar de organisator. ‘Je hoeft mij niet te trakteren.’
‘Waarom niet?’ vraagt deze.
Hij denkt aan wat hij zo kort geleden had gedacht, maar ach, wat had die man eraan. Hij denkt alleen in thema’s en in motieven van muzikanten, imitators die imitaties kopiëren en wil die wereldwijd verspreiden.
‘Eén: Schrijven op bevel is dwangarbeid. Twee: We hebben afgesproken om vijf uur en om half zes moet ik je bellen. Je zegt dat je in een vergadering zit, maar aan je stem te horen lag je te slapen. “Over vijf minuten ben ik er,” zeg je, en drie minuten later kom je binnen. Je bent on-be-trouw-baar! Nee, geen traktatie. Voor geen goud.’

Je hebt er niets bij te verliezen, enkel te winnen, zegt de organisator. Zo’n column is publiciteit, en die kan je goed gebruiken. Geen mens hecht belang aan iemand die geen publiciteit voor zichzelf maakt. Laat maar aan mij over om van je column een fanfare te maken.
De schrijver kijkt weg van de organisator. Een fanfare. Naar buiten. Zoals een kano schuift over een kalme rivier bij het breken van het licht. Auto’s, fietsers en bussen snijden elkaar de pas af, alsof ze zo snel mogelijk de broeierige stad willen ontvluchten. Een man wandelt voorbij die niet de bewoners maar de toeristen schrik aanjaagt. Zijn blik glijdt weer binnen en houdt halt bij de toog. Hij ziet de bevallige jongedame. De eerste blik met een korte sluitingstijdvertelt ons alles. Op- en top een vrouw in elk opzicht. Hij wil haar nog niet kwijt. Doet hij dat wel dat zal het een zelfontslag zijn van een kijkgenot als het verlangen van wat men begeert zonder het te willen bezitten. Als ik me wat milder opstel, zal het genot van de bevallige jongedame bezig te zien langer duren en zal ik wel iets vinden, verder in het gesprek, om mijn schijnbare zachtheid in wrede hardheid om te zetten. Een makkie. Een spelletje wat ik wel duizend maal duizend heb gedaan.
‘Goed dan! Van mijn steen een hart gemaakt. Een cappuccino! Wat is het thema? Maar denk eraan dat ik niet behoor tot die stinkende troep honden van columnisten die op hun achterste poten gaan staan voor een half klontje suiker en een rondje dansen en luchtsprongen maken op de maat van de arm van hun baasjes. Totale vrijheid; begrepen?’
De organisator stoot een lach uit die de eindtune van Armstrongs Blueberry Hill de nek omwringt. Hij draait zich naar de bar en roept, terwijl Ella Fitzgerald Isn’t This A Lovely Day inzet: ‘Eén cappuccino en één groene thee!’
‘Je bent onbetrouwbaar en je hebt geen manieren,’ sist de schrijver. ‘Een bestelling schreeuw je niet over de hoofden en boven die prachtige muziek uit.’
‘Het thema van de volgende editie…’
‘Ik weet wel dat het voor de volgende editie is,’ kapt de schrijver de organisator in het gezicht. ‘Het thema… of ik bestel een derde cappuccino op jouw kosten.’
‘… is Verandering. In al zijn variaties. Dus niks klontje suiker en dansje naar mijn broekspijpen.’
De schrijver veegt zijn aardappelneus af.
‘Mooi gevonden,’ zegt hij. ‘Je schuift er alle last mee van je af. Voelt de pers en het publiek weinig verschil met de vorige edities, kun je de schuld bij de artiesten leggen. Je bent onbetrouwbaar, hebt geen manieren en speelt voor Pilatus. Heb jij een geweten?’
‘Ik denk het niet,’ zegt de organisator, ‘want ik ben niet van plan je te betalen. Een paar drankbonnen, meer zit er niet in.’
‘Ben je zo krenterig dat er geen honderd euro voor een schrijver afkan?’
‘Ik ben niet krenterig.’
‘Wat ben je dan wel? Een profiteur.’
De drukte buiten neemt toe. Het terras zit stampvol. Er wordt gelachen en geflirt. Meisjes hebben hun rokje wat hoger opgeschoven, jongens de pijpen van hun shirts tot boven hun schouder opgerold. Oudere dames wuiven zichzelf koelte toe met een weekblad. Mannen op leeftijd zijn er niet.
‘Het budget is beperkt.’ De zin van de organisator valt koudweg op tafel.
De nieuwe bestelling wordt door de bevallige jongedame op de tafel gezet. Ze kijkt beiden aan met een kokette glimlach. Eerst de organisator, dan de schrijver. Ze maakt een lichte reverence, vraagt of ze nog iets willen. Wat een zachte stem. Fluweel. De schrijver kijkt haar aan zonder zijn kaaksbeenderen te bewegen. De organisator pakt zijn op kop op, neemt een slok. Hij slurpt. De bevallige jongedane draait zich om en verdwijnt. Haar wijde plooirok wappert als het loof bij een briesje. Hij ziet vaak bevallige jongedames, maar deze is bevalliger dan de andere. Ze dringt ook geen herinnering aan een andere op. Ik begeer haar zonder dat ik avances zal maken, want wachten is een amusante ondraaglijkheid. Haar bezitten zou een vernedering voor haar zijn. In mijn hoofd is zij een lijdensweg waarop geen troost te vinden is. Maar ach, wat is troost? Een middenstandsbegrip. Ze zal me nooit meer ontsnappen. Voortaan heeft zij de heerschappij bezitten over al mijn gedachten, meningen over vrouwen in de hemel, op de aarde en in de hel.
Een regel uit een operette dringt zich op: Puppchen, du bist mein Augenstern.
De schrijver grijpt naar zijn hoofd, stoot een kakafonie van klanken uit, schuift van de stoel en valt met een harde klap op de grond.
De organisator schiet toe, tilt het hoofd van de schrijver op. ‘Doe niet flauw. Schrijf eerst die column en dan mag je desnoods dood vallen.’
‘Jezus, ik ben al bezig,’ fluistert de schrijver. ‘Zie je dat niet, idioot. Een schrijver zoekt naar de juiste invalshoek. En ik voel, ik voel… [hij doet er nog een schepje bovenop] dat de invalshoek een mond-aan-mond-ademhaling is van de bevallige jongedame. Zit haar adem in mijn lijf kan je elke verandering krijgen die je maar wilt.’
De organisator wenkt de bevallige jongedame. ‘Juffrouw, het voortbestaan van Gent Jazz hangt er niet van af, maar het scheelt niet veel.’
De bevallige jongedame aarzelt geen seconde. Terwijl Nat King Cole zingt I’m In The Mood For Love schopt ze de schrijver voor rot, tot hij van de pijn recht kruipt.
‘Zo, dat is weer geregeld,’ zegt de organisator. ‘Aan je gekreun te horen is de column al dente.’
De schrijver schudt het hoofd. ‘Snel. Bel de hulpdienst.’
De hulpdienst wordt gebeld. Vijf minuten later arriveert een ambulance. Terwijl de verpleegkundigen hem oplappen zingen ze Dry Bones, bijgestaan door de aanwezigen die met vorken, messen en lepeltjes op kopjes, flessen en glazen tikken, kreten uitslaan en op de tafels dansen. De bevallige jongedame laat de koffiemachine sissen na elke strofe en blaast op een fluitje.
Een gekkenhuis, denkt de schrijver, een gekkenhuis. Ondertussen heeft de interventiedokter een spuit gevuld. Hij toont hem aan de schrijver, wijst op de inhoud en terwijl hij de transparante smurrie in een ader spuit zingt hij Rum And Coca Cola.
De schrijver glijdt weg en ontwaakt in een ziekenhuisbed. Van zijn enkels tot zijn nek zit hij onder het gips. Hij ziet de organisator met de bevallige jongedame op zijn schoot. Samen neuriën ze neus aan neus Into Each Life Some Rain Must Fall.
‘Ik heb haar voor je meegebracht,’ zegt de organisator na hun liedstonde.
‘Wat heb ik aan haar,’ piept de schrijver. ‘Ze schopte me en zit op jouw schoot.’
‘Ze heeft pen en papier mee. Van beroep is zij een puntenslijpster. Je hoeft maar te dicteren. Rechtdoor. Zij weet wel waar en welke lettertekens er bij horen. Maar maak geen misbruik van haar vrije tijd als je bij je volgende bezoek aan Café Labath geen haar in de soep wil of in de cappuccino een klodder spuug.’
De organisator verdwijnt al fluitend Take The A’Train.
‘Je verdient de kogel!’ schreeuwt de schrijver hem na. ‘En ik doe het niet. Geen letter zet ik voor jou op papier, al kom je af met het argument als “de kunst als sociale grondwet”.’
‘Ik luister,’ zegt de bevallige jongedame, terwijl ze met een rode schrijfstift achter een oor een blanke rol behangpapier ontrolt. ‘Denk aan een ezelsbruggetje en de redding is binnen handbereik. Iets ongewoons, zodat niemand het begrijpt. Dan vindt iedereen het een meesterwerk.’
De schrijver staart met wijd opengesperde ogen naar het plafond waaruit het woord Verandering regent, in alle soorten lettertypes, kleuren en talen.
De waterwoorden vullen de kamer. De bevallige jongedame opent het raam.
Dolenthousiast banen de schuimende waterwoorden zich naar buiten.
Ze vermenigvuldigen zich en overspoelen de aarde. Al duikend in het water verandert de bevallige jongedame in een zeemeermin. Het bed van de schrijver wordt een bootje en hijzelf een zeemeerman; de schrijfstift een mast en de rol behangpapier een zeil. De kamer verdwijnt. Hij drijft over een jazzy zee. In de verte klinkt de stem van de organisator. Hij zingt We’ll Meet Again. Scherend over de Noordzee, landinwaarts.

Guido LAUWAERT

GENT JAZZ FESTIVAL – www.gentjazz.com

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche