Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
3 novembre 2009 2 03 /11 /novembre /2009 21:14


Gisteren was er een persconferentie op de Antwerpse Boekenbeurs i.v.m. de gebeurtenissen rond Elsschot in 2010. Vannacht heeft iemand een brief in de mailbox van Guido Lauwaert gepost.

Merkwaardig is dat de brief Guido deed denken aan het eerste hoofdstuk van Kaas...

De laatste brief

Eindelijk schrijf ik je weer omdat er grote dingen staan te gebeuren en wel door toedoen van mijnheer Vandebril.

Je moet weten dat ik gestorven ben.

Een nare geschiedenis natuurlijk, niet alleen voor mij maar ook voor mijn lezers, die er zich bijna dood aan getreurd hebben.

Ik was oud, vrij oud. Op een paar jaar na steekt het niet. Ik ben dood en begraven, klaar voor de vergeethoek.

De voorzitter van mijn genootschap, Cyriel Van Tilborgh, weet echter al jaren raad. Hij ronselt leden, verzendt boekendozen en vertalingen om de pers wakker te houden. Ik word ontleed en ontkleed als was ik Proust. Zij zenden allemaal hun studies naar de voorzitter en dan kreeg ik die van madame ’t Hoen uit Nederland en van een paar amateurs óók nog, want toen hij eens geprobeerd had mij een mand reeds geschreven artikels nog eens te doen lezen, wegens een dip in de aanvoering, toen had ik ’t gemerkt en warempel gezegd ‘die zijn al geschreven’.

Toen ik niet meer lezen kon, omdat handen en ogen niet goed meer samenwerkten, toen legde mijn voorzitter mij initiatieven voor die een link hadden met mijn oeuvre. Ze maakten veel ophef, en ik was een en al heilig, van woord tot daad.

Zo ging het decennia lang door, jaar in jaar uit: een standbeeld, een verfilming, een wandeling, een tentoonstelling, een monoloog in Lier en een toneelstuk in Gent. En daar af en toe een vertaling tussen. God weet voor wie.

Over mijn beroep, dat ik kort voor mijn dood aan mijn oudste zoon had overgelaten, werd niet gesproken. Dat had nooit bestaan, al had ik er een zwart fortuin aan verdiend.

Wanneer ik mijn voorzitter aansprak, sprak ik wel eens over duistere zaken om te proberen de aandacht te milderen.

Ik vroeg hem dan of hij waarachtig Boorman niet meer kende, want die had mij leren lijmen.

Hij deed zich vreselijk geweld aan om mij te volgen. Hij scheen te begrijpen dat hij iets begrijpen moest, zette zich op de rand van zijn stoel, en staarde mij aan met een lachend gezicht en blinkende ogen: een koppige doorzetter die dreigt te ontploffen door enthousiasme.

Na een lange stilte haalde ik mijn schouders op en dan liet ik een scheet die diep in neus en oor vloog. Maar wat ik ook deed, het deerde hem niet.

Neen, dat lijmen had nooit voor hem bestaan. Geen Texeira de Mattos, geen wereldtijdschriften met nepartikels, alleen nog maar dat oeuvre van mij dat al mijn zonden vergaf.
Eén ding spookte almaar door zijn hoofd, namelijk dat een grootse viering nog niet was georganiseerd. Of hij mijn halve eeuw dood mocht organiseren?

Leen van Dijck, directeur van het Letterenhuis, sprak over mij, waar ik bij zat, als over iemand die afwezig was:

‘Hij is de belangrijkste auteur van de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij is een Antwerpenaar. Hij is niet gemakkelijk te vatten, maar wat let ons.’

Toen ik het beu was zat ik nog een tijdlang het hoofd te schudden of urenlang voor me uit te staren in de hoop dat ze zouden vertrekken en me vergeten.

Ik onderscheidde Elsschot van De Ridder niet meer. Beiden betekenden nog slechts ‘ik niet’.

Kwam het doordat mijn weerstand verzwakte of doordat ik ten allen tijde door spookbeelden omringd werd? In ieder geval wist ik niet meer wat wit of zwart was, verbood wat goed was en zweeg als ik had moeten protesteren.

Als ik mij vasthoudt aan verleden en voorvallen, dan kan ik nog wat lopen. ’s Nachts, als allen slapen, stap ik uit mijn urn, sukkel tot in ’t Museum van Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen, van de villa naar Tsjip, als een dwaallicht, en begin zinnen te mompelen die nergens toe leidden, of zoek naar mijn Underwood, als ben ik van plan nog een roman te schrijven.

En steeds gekleed in driedelig pak, ook bij nacht, als gereed voor een uitgever. Gelooft gij in spoken?

Eindelijk was ik de druk beu en toen ik gelaten alles over me heen liet gaan, wist ik dat ik nooit meer zou protesteren. Toen heb ik een laatste brief gedicteerd, als antwoord op een smeekbede van de voorzitter: ‘Laat die artistiek leider van Antwerpen Boekenstad, Michaël Vandebril is ’t niet? maar doen. Toon mijn archief aan de bevolking, organiseer een festival in 2010, feest er op los. Vijftig jaar dood moet gevierd worden.’

Die burgemeester van ’t Stad is mij onlangs nog een bezoek komen brengen. Een man van de wereld, dat zag ik wel. Een Laarmans. Hij stelde zich voor en beloofde dat hij en Cyriel, Michaël, Leen, Wieneke en alle anderen zelfs mijn vrouw Fine niet zouden vergeten. Die belofte deed hij. Aan mijn graf. Op ’t Ereperk van Schoonselhof.


Willem Elsschot

Antwerpen, 3 november 2009


www.destadvanelsschot.be

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche