Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
5 novembre 2012 1 05 /11 /novembre /2012 09:02

 

FugitivePoetryPDV.jpg

Over de rol van Paul de Vree (1909-1982) als producer van Fugitive Cinema is mij uit persoonlijke ervaring niets bekend.

Wel herinner ik mij nog levendig dat ik, vroeg in de tweede helft van de jaren zestig, op zijn appartement aan de Kolonielaan (thans tot Cam. Huysmanslaan gedekoloniseerd) waar de borrel steeds gul ingeschonken werd, Robbe de Hert voor de eerste keer héél even ontmoette. Hij vertrok net toen ik aankwam. Robbe was nog niet in de hijsbak gelijkvloers beland, of Paul zong mij reeds met klem de lof van de jonge meester, die hem in 1964 was voorgesteld geweest door Rik Kuypers, de voorzitter van Filmgroep 58 (de broedplaats waaruit Fugitive Cinema ontstond). Dat enthousiasme - dat hij aanstekelijk op anderen kon overbrengen - was uiteindelijk Pauls geheime wapen én grootste kracht (al leek het hem soms wel parten te spelen). Hij droeg zijn onvermoeibare geestelijke nieuwsgierigheid en bewogenheid ogenschijnlijk geestig en driftig uit, maar achter de (soms bittere) geestigheid ging een aanvaardbare vorm van ernst schuil, nl. een innige waardering voor en verbondenheid met de makende mens in al zijn aspecten, en de drift werd bij hem steeds gevoed door een hardnekkige intellectuele vastberadenheid.
Toen ik Paul de Vree in 1962 leerde kennen, een ontmoeting die snel oversloeg in vriendschap en medeplichtigheid voor het leven, was zijn belangstelling voor de film groot. Het door hem georganiseerde congres Forum 60 had in het teken gestaan van het toneel en van de experimentele film. In 1963, 1965 en 1967 was hij telkens de stuwende kracht achter het Benelux-filmfestival, en tijdens het Nationaal Filmfestival van 1965 nam hij aan een colloquium deel met Frits Danckaert en Rik Kuypers. In 1963 werd ik redacteur van De Tafelronde, waar spoedig informatie verscheen over de film
Essentieel  van Jos Pustjens en Jef Verheyen.

Later zouden we o.m. 'het dagboek van een filmprovo' van Ronny Vos en een beschouwing van J. P. Coenen over avant-garde film 1910-1930 publiceren. Avant-garde, experiment, een tikkeltje provoceren - daar ging het Paul de Vree in de eerste plaats om. Dat vertaalde zich in de eis van absolute vrijheid inzake filmconceptie en -realisatie. Ik neem aan dat dit ook het richtsnoer was van zijn activiteit als lid van de Commissie voor de Culturele Film bij het Ministerie. Toen hij in 1967 of 1968 Man Ray in Parijs ging opzoeken, was dit tevens een huldebetoon aan een van de pioniers van de avant-garde film (Le Retour à la raison, 1923; Emak Bakia,1926 - met Robert Desnos; L 'Etoile de mer, 1927, etc.) Dat waren ook de jaren dat Paul zich definitief bekende tot de concrete en visuele poëzie - mede onder invloed van zijn studie van Apollinaire en Van Ostaijen.

Avant-garde en experiment stonden voor Paul gelijk met maatschappij-kritisch engagement: voor hem was niet alleen de jazz bankroet. Hij was ook een realist. De sociaal gerichte wereldvisie die hij meteen onderkende in de krachtbundeling rond Fugitive Cinema had dan ook nood aan 'een dialectische instelling tegenover de dubbele moraal van het establishment'. Het kwam er uiteindelijk op aan stoutmoediger projecten te realiseren, en daarvoor was de lange marsj door de instellingen noodzakelijk - en een weloverwogen tegemoetkoming aan het publiek. “Het is te sterk uitgedrukt van programmatische engagementsfilms te spreken,” aldus Paul de Vree, “beter is: film als bewustzijnsverruiming, getuigenis en verantwoording, minder illusie en romantiek, meer werkelijkheids-betrachting met de nodige dosis humor en ironie om de kijker ergens het gelag met een mengsel van gelach en grimas te doen betalen.” Paul de Vree bleef onvermoeibaar achter het ideologische streven van de groep staan - en met protagonisten van dat kaliber was dat niet altijd even gemakkelijk. In plaats van de echo's te vertolken die ik geregeld van Paul opving, laat ik hem liever zélf aan het woord, hierbij citerend uit een tekst die hij tien jaar geleden schreef:

Na een hoopvol begin, knaagden vrij spoedig de financiële moeilijkheden aan de samenhang, die meteen door botsende temperamenten werd bemoeilijkt. Moet daaraan toegevoegd dat de provocatieve uitspraken van de kineasten de officialiteit en de pers tegenover hen in het harnas joegen. De Fugitive Cinema werd subversiviteit in de schoenen geschoven en belaagd als een groep van incompetente filmers, m.a.w. de alternatieve film kende zijn barensweeën. Maar in de realiteit werden de bestuurvergaderingen van Fugitive Cinema steeds moeilijker en steeg de spanning er tot kookpunten. Die breekpunten tot gevolgen hadden. Uit angst dat de groep - waarin leden gingen en kwamen en weer gingen en weer kwamen - moest ik soms harder schreeuwen dan de controversanten om ze tot de orde te roepen. De toestand was in de tweede helft van de jaren '70 zo benard, dat we constant verhuisden, administratieve kosten maakten en achterstallige facturen ophoopten, dermate dat de ene deurwaarder na de andere aan de bel hing. Met telkens op het nippertje bijeen geschraapte gelden konden we ramp na ramp vermijden.

Maar de reputatie van Fugitive was aangetast. Door schuldenlast werden we op het matje geroepen voor gerechtelijk onderzoek. Jaren achtereen heb ik met de moed der wanhoop onze solvabiliteit dienen te bewijzen met een utopische balans tussen inkomsten en uitgaven.'

Paul hield er echter van de utopie tot werkelijkheid om te buigen, en hij was sterk genoeg om de tijden van nood er bij te nemen. En hij kon met vreugde vaststellen dat na vijftien jaar vaak tumultueuze samenwerking, en “ondanks al die zwarigheden en misverstanden”, “de gehechtheid in Fugitive Cinema gered (is) kunnen worden.” En hij besloot met

een eresaluut aan Robbe De Hert, die al die jaren publiekelijk wel omstreden en bijwijlen verguisd, de onvermoeibare bezieler is geweest (...). Ik heb zelden een jonge man ontmoet, die, ondanks de zware verantwoordelijkheden en depressies waaronder hij dikwijls gebukt liep, zich bewust van zijn filmische zending, zo integer heeft opgesteld.’

Ivo Michiels schreef ooit dat Paul de Vree, die altijd in de bres stond voor anderen, vaak bedacht werd met stank en zelden met dank. Dat is het lot van de meeste animatoren die zich alert inzetten voor meningen en niet voor belangen. Hij was een ontdekker van talenten, en op velerlei vlak - net als Paul-Gustave van Hecke, die in 1946 het eerste Internationaal Filmfestival te Brussel organiseerde.

Een uitbundige erkenning heeft hij niet gekend, maar voor velen heeft hij veel betekend. Ook voor de groep rond Fugitive Cinema, daar twijfel ik niet aan.

Henri-Floris JESPERS

 

Zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-colloquium-paul-de-vree-1909-1982-111875994.html

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche