Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
5 mai 2012 6 05 /05 /mai /2012 05:03

 

Ruysbeek.jpg

'Dankzij de Leuvense Schrijversactie maakte ik kennis met het werk an Erik van Ruysbeek', aldus Chrétien Breukers in zijn onvolprezen maar soms niet minder irritante weblog De Contrabas (http://www.decontrabas.com/). Dat trof mij, omdat ik na het schrijven van het in memoriam Van Itterbeek (http://mededelingen.over-blog.com/article-in-memoriam-eugene-van-itterbeek-vlaming-met-internationale-uitstraling-104420687.html ) teruggreep naar het werk van Erik van Ruysbeek (pseudoniem van Raymond van Eyk, 1915-2004), die ik op 31 mei 1973 leerde kennen tijdens de (in alle opzichten gedenkwaardige) viering van de Arkprijs van het Vrije Woord in het Oost-Vlaamse Afsnee aan de Leie.

Als nieuw verkozen en jongste redacteur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift sprak ik namens de redactie (tevens jury) de tafelrede uit, waarna arklaureaat Rob Goswin (pseudoniem van Rob Goossens, °1943) de laudatio beantwoordde. (1)

Hemelvaart 1973 was een zonovergoten dag. Na de feestelijke dis gingen we in groepjes in de tuin langs de Leie zitten. Ik had Van Ruysbeek nog nooit ontmoet en greep dus de gelegenheid aan om een gesprek met hem te voeren. Uiteraard kende ik hem als experimenteel dichter en als co-auteur met Karel Jonckheere van o.m. Poëzie en experiment. Dialoog in briefvorm over oud en nieuw in de dichtkunst (Antwerpen / Amsterdam, Ontwikkeling / J.M. Meulenhoff, 1956). We hadden gemeenschappelijke vrienden, onder wie Clara Haesaert en Jef Geeraerts, en ik had al veel over hem gehoord.

Tijdens ons urenlang gesprek kwamen we tot elkaars verbazing snel tot de vaststelling dat we eenzelfde belangstelling deelden voor mystieke en esoterische teksten en auteurs (wat in de kringen van het NVT niet meteen evident was). Een paar dagen later viel een exemplaar van Diogenes voor de drempel (Brecht / Antwerpen, De Roerdomp, 1971, 158 p.) in de bus – 'dit tasten naar een totaler werkelijkheid', aldus Van Ruysbeek.

RiuysbeekOmtrekCentrum.jpg

Op 26 mei 1978 werd De omtrek en het centrum. Een metafysisch dagboek (134 p.) in de privé-club VECU te Antwerpen voorgesteld, een uitgave van Walter Soethoudt die zich jarenlang zou inzetten voor de verspreiding van het werk van Erik, van wie hij onder meer drie 'romans' uitgaf: De dood en de dageraad (1977), De ark en de ratten (1984, twee drukken in één jaar) ) en De magische cirkel (1986).

Van 1975 tot 1985 werkte ik Brussel. Ik had aldus de gelegenheid Erik vaker te zien, onder meer in De Ultieme Hallucinatie. De naam van die destijds 'place to be' staat wel haaks op alles waar Van Ruysbeek voor stond. Mystiek had in zijn ogen niets te maken met hallucineren, integendeel. Hij was een minzame (oudere) spitsbroeder die zijn immense en doorleefde eruditie verborg achter een geheel vanzelfsprekende eenvoud.

RuysbeekCetteJoie.jpg

In 1984 verscheen bij de Leuvense Schrijversaktie Cette joie t'appartient / Die vreugde behoort u toe, een tweetalige Nederlands-Franse uitgave van 41 gedichten van Erik van Ruysbeek, die zelf de keuze maakte. De gedichten werden vertaald door de dichter François Jaqmin en door Émile Lauf (die ik als vertaler helaas echt niét kan waarderen...).

De vierde 'roman' van Erik van Ruysbeek, De Gordiaanse knoop (191 p.), verscheen in 1991 eveneens bij de Leuvense Schrijversaktie. In Van Ruysbeek had Eugène van Itterbeek kennelijk een geestesgenoot ontdekt en tussen hen ontstond een duurzame geestelijke vriendschap die in een aantal publicaties uitmondde.

Het 'Europees Poëziefestival' 1986 stond in het teken van De ervaring van de afgrond / L'expérience du gouffre / The Experience of the abyss, een duidelijke verwijzing naar Baudelaire.

Tegenover de romantische opvatting van Baudelaire (het noodlottige 'abyssus abyssum invocat '…) stelde Van Ruysbeek:

Le gouffre n'existe pas. Il n'existe que l'expérience du gouffre. […] Le but, lui, est unique. C'est pour cela qu'il arrive un jour où les opinions nous quittent et que seul le mystère, l'ineffable, l'inexprimable, la totalité, que cela soit conceptualisable ou non, nous remplit. Alors l'expérience du gouffre ne sera plus qu'un souvenir.

Ik ben ervan overtuigd (terecht of niet, doet er eigenlijk niet toe) dat Eriks verkenning van de 'Ungrund' van Jakob Böhme (1575-1624) in hoge mate bijgedragen heeft tot Eugènes geestelijke ontwikkeling, die mede beslissend werd bij diens zelfverkozen Roemeense ballingschap. Het 'cherchez la femme' en andere maatschappelijke factoren zijn wellicht al te reducerende, zogenaamd voor de hand liggende benaderingen ad usum populi. Roemenië betekende voor Van Itterbeek zoiets als een 'heimkeer'... De terugkeer naar een van de mogelijke geestelijke vaderlanden.

Wat er ook van zij, en zonder enige aanspraak te maken op volledigheid, stel ik vast dat ik alleszins (buiten de eerder genoemde) in mijn bibliotheek meerdere bewijzen bewaar van Eugènes en Eriks samenwerking:

  • Het rijk van het midden, Leuvense Cahiers, nr. 56, 1986, 68 p

  • Bronnen van het nu, Leuvense Schrijversaktie, 1988, 76 p.

  • Wegen naar de ongrond, Leuvense Cahiers, nr. 86, 1989, 154 p.

  • 'Dossier Erik Van Ruysbeek', in: Letters, XIde jg., nr. 1, 1995, 117 p.

 

In 1987 publiceerde de Leuvense Schrijversaktie een bijzonder boeiend huldeboek voor Erik van Ruysbeek, Raaklijnen van het licht  (204 p.), samengesteld door Johan van Cauwenberge. Ik heb altijd last met deadlines en stuurde niet tijdig in. In 1991 stelde ik wel mede-redacteur Van Ruysbeek in de kijker in Diogenes (2).

*

Chrétien Breukers' citeert met instemming volgende, 'interessante' alinea:.

Ik hoop dat een gedreven vorser zich spoedig zal vastbijten in de bibliografie van de veelzijdige Eugène van Itterbeek, voorwaar geen sinecure. Bovendien dient ook nog de (beschamende) geschiedenis geschreven te worden van de Internationale Biënnale voor Poëzie te Knokke (die in het kader van een totaal verkeerd begrepen zogeheten Vlaamse autonomie naar Luik 'verbannen' werd) en van de machtsstrijd tussen de Leuvense Schrijversaktie en het Poëziecentrum te Gent.

   

Henri-Floris JESPERS



(1) In 1973 bestond de redactie van het NVT uit Louis Paul Boon, Hugo Claus, Marcel Coole, Johan Daisne, Paul de Wispelaere, Marc Galle, Jef Geeraerts, Karel Jonckheere, Henri-Floris Jespers, Hubert Lampo, Wim Meewis, Hugo Raes, Herman Sabbe, Bert Schierbeek, Paul Snoek, Garmt Stuiveling, Willy Vaerewijck, Piet van Aken, Erik van Ruysbeek, Laurent Veydt, Gerard Walschap en Jean Weisgeber.

De tekst van de tafelrede en van het dankwoord verscheen in in de vijfde aflevering (mei-juni 1973) van de 26ste jaargang van het NVT, pp. 504-509.

(2) Henri-Floris JESPERS, 'Erik van Ruysbeek: een huldebetoon', in: Diogenes, VII, nr. 6, juli-augustus 1991, pp. 27-29. Zie ook:: 'Necrologisch: Erik van Ruysbeek', in: Mededelingen van het CDR, nr. 22, 19 april 2004, p. 1-3.


Zie ook:

http://www.decontrabas.com/

http://blog.onserfdeel.be/post/2012/05/02/e2809cLa-gentilesse-de-le28099existencee2809d-Eugene-Van-Itterbeek-%281934-2012%29.aspx

http://frankdespriet.blogspot.com/2012/04/eugenes-testament.html

http://www.hora-verlag.ro/grundger.htm

Partager cet article
Repost0

commentaires

W
Ik vind het altijd mooi dat Erik niet vergeten wordt, volgens mij is het mooiste boek (op de uitvoering na) dat ik ooit heb uitgegeven zijn "De dood en de dageraad", terecht bekroond met de prijs
van de Stad Brussel.
Répondre

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche