Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
21 février 2013 4 21 /02 /février /2013 20:00

 

 

Schachten.jpg

Dames en heren…

De poëziewereld is een schurkenstaat. Daarom dat ik regelmatig gevraagd word een inleiding te houden bij de presentatie van een nieuwe bundel. Tien dichters staan al geruime tijd te trappelen van ongeduld, maar Delphine Lecompte trappelde niet maar danste daarentegen, en zong, om precies te zijn, de uit de bijbel alom bekende en met de Roomse zegen begenadigde en tot hoger sferen leidende Klaagliederen. Dat is de reden dat ik heb toegezegd.

Maar een inleiding vond ik een te zwak woord van wat mij voor ogen stond.

Even nadenken en hup daar kwam de oplossing, met als plechtige titel:

Een laudatio. Over Delphine Lecompte, en in de boeggolf van haar verrukkelijke verschijning… over haar nieuwe bundel, Schachten en amuletten.

De dichter – want ik krijg jeuk bij de vrouwelijke vorm ervan, men spreekt toch ook niet van dokteres… of meesteres, tenzij in vochtige en donkere kelders vol machtig marteltuig – … de dichter Delphine Lecompte is een extreem egocentrisch mens. Geen afwijking… integendeel… een kwaliteit voor kunstenaars, een noodzaak voor dichters. Welnu, binnen de wereld van het extreem egocentrische heb je twee soorten poëzie: patisseriepoëzie, à la Adriaan Roland Holst, en kokend asfalt, à la manière de Jan Arends.

Heb je twee vormen, bestaat er, daar valt niet aan te ontkomen, een tussenvorm.

Een goed voorbeeld hiervan is de poëzie van Fritzi Harmsen van Beek. Delphine Lecompte is geen kloon van Fritzi, maar geboren en getogen in een ander stenen tijdperk. Toch zijn er herkenningspunten waardoor de poëzie van Fritzi en Delphine in dezelfde tussenvorm thuishoren.

Zijn de gedichten van Fritzi literaire variaties op algebraïsche formules, die van Delphine zijn een vermenging van weersvoorspellingen en doktersvoorschriften. Bovendien is er ook een vergelijking qua opsmuk tussen beide dichters. Fritzi verscheen in het pretpark van de poëzie ongewassen en ongeschoren en was gekleed in verbleekte en vormloos geworden gewaden, maar waar je, als je goed keek, nog de superbe kwaliteit in herkende die ze ooit bezaten.

 

 

 

Wat Delphine Lecompte betreft. De ochtend voor een optreden gaat Delphine na de ochtendthee een half uur aan het klimrek hangen, leest luidop een hoofdstuk uit ‘Yoga voor gevorderden’, spoedt zich vervolgens naar een winkelketen waar ze een slipje koopt en een doos inlegkruisjes jat, naar een zonnebank, een sauna, een Turks bad… om haar ochtendronde te beëindigen bij de schoonheidsspecialiste. En dat allemaal… bang als dat zij is om de gewone mensen schrik aan te jagen. Helaas helpt het geen ene moer. Van zodra Delphine naar voren treedt en uit eigen werk begint voor te lezen zie je een heks en hoor je de hurlyburly van een slagveld. Wat mij bevalt, want na de consumptie van ettelijke tonnen assemblagepatisserie en het aanschouwen van een rij van 100 vrachtwagens, bumper aan bumper, gevuld met kokend asfalt, was mijn liefde voor de poëzie haast tot stilstand gekomen. Maar kijk! Komt daar een dichter aangewaaid, niet op gespreide vleugels maar op een bezemsteel. – Hoera! De maan staat niet langer in pauzestand boven de oude kermis.

Beschouwt men de poëziewereld als een pretpark, huist Delphine Lecompte in het spookhuis ervan. Het is daar dat de dichter die vanavond centraal staat haar brouwsels bereidt voor haar klanten, haar slachtoffers. Want het is pas na de inname van haar gedichten dat de communicanten opnieuw zicht krijgen

op de beelden van hun met de jaren dieper en dieper weggestopte driften.

Zo bekeken is elk gedicht van Delphine Lecompte een heksenvoorschrift om eindelijk het deftig kostuum te ruilen voor de naakte speelsheid van de verbeelding, voor een leven op een vliegend tapijt.

Grijp die!’ schrijft ze cryptisch voor.

Spring er op en weg wezen! Haal de clichés van je leven uit hun kabouterbestaan.’

Anders gezegd, haar boodschap is de boodschap van de dichter en zanger Dirk Witte, aan de vergetelheid ontrukt en weergaloos gebracht door Ramses Shaffy: Mens durf te leven.

Wat Delphine Lecompte betracht, dames en heren, is om van de consumenten van haar brouwsels tovenaars te maken. Zo bekeken is Delphine Lecompte naar karakter en literaire kunde de volmaakte antipode van die valse triene van een Alice Nahon. Haar poëzie werd door Paul van Ostaijen bestempeld als

Gartenlaude… prieelpoëzie, wat voor mij gelijk staat aan… panfluitpoëzie. Delphine Lecompte is geen valse triene en schrijft geen Gartenlaube.

Ze blijft zichzelf…. in een hedendaags archaïsch jargon, tot aan de rand gevuld met kitsch en quatsch. Uit de bundel rijst de sfeer van een Victoriaans boudoir

waarin alles op zijn plaats staat. En omdat alles op zijn plaats staat vormt het geheel een rariteitenkabinet.

Wie goed oplet, ontdekt achter de façade van dat kabinet een gewonde geest, toegebracht door een cluster van ouders, verwanten, leraars, pedagogen, psychologen en dokters, elk met hun gelijk. Je ruikt de mislukking van de generatie van ’68, een lading Rousseau’s die het o zo veel beter zou doen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar een flink aantal van Delphine’s leeftijdsgenoten is door het geknoei van die generatie overgegaan tot verzetsdaden als daar zijn zelfverminking, winkeldiefstal, drugsgebruik… pestgedrag. Delphine Lecompte is van dat laatste het beste bewijs. Met haar gedichten pest zij haar beulen, én de lezers. Want probeer maar eens in haar labyrint de uitgang te vinden. Vaak blijkt de vreugde van korte duur te zijn,

wanneer blijkt dat de uitgang geen traditionele uitgang is, maar een nooduitgang is die uitgeeft op een doolhof. Centraal gelegen staat onder de appelboom de dichter met blote handen om je te slaan… en je te kunnen strelen.

Maar wil zij wel slagen en strelen, of verlangt zij eerder om geslagen en gestreeld te worden? Als massages van een vernederde ijdelheid. Want ijdel is de beroepsleugenaar en ekster Delphine Lecompte. Zoals het hoort. IJdelheid maakt kunstenaars. En aan het gewicht ervan herkent men hun talent.

Kortom, het geheel lijkt het werk van een waanzinnige, maar vergis u niet, er rijpt een systeem in haar geest. Want wie de nar voor gek houdt, is een dwaas.

Tot besluit een woord over de titel van de bundel.

Je gaat mij niet liggen hebben, kleine feeks, dacht ik. Misschien zit hij verborgen in een verslijn. Want hij verwijst niet naar een cyclus of naar de titel van één van de gedichten. Daarom heb ik elk gedicht nauwgezet gelezen… en niets gevonden. Toen ik haar om uitleg vroeg, mailde Delphine mij:

Natuurlijk is “schachten” een pervers woord… Maar ik heb mij wel degelijk door de mijnbouw laten inspireren. Het was een bevlieging, dweepzucht, vrees ik… - En toch was mijn eerste vaderfiguur een kompel. En toch ben ik bang in het donker… - Wat mij aanspreekt aan het mijnleven is de ontdekking van delfstoffen in donkere krochten [sentimentele metafoor voor de poëzie].

Wat mij verafschuwt aan het mijnleven is de beklemming, de verstikking. Angst om te stikken speelt een grote rol in mijn gedichten. De mijn, de maan. –

De maan staat dan wellicht voor bevrijding en/of krankzinnigheid!?

Je verzint wel iets, lieve Guido!’

Zo, van haar schachten weten we nu een en ander, dankzij de lucide mail met een lepe eindstreep, als lijmmiddel om mijn ijdelheid te strelen.

Maar hoe zit het met de amuletten uit de titel? Wel, een verzinsel is snel gevonden: het zijn haar 121 gedichten, haar rituele gebeden om de boze geesten in haar hoofd te bestrijden. Ze worden oud maar ze blijven taai. Het rijst op uit de toon van haar lier.

Dames en heren…

Op het slot moet een conclusie volgen.

De gedichten van Delphine Lecompte zijn – wat mij betreft - korte verhalen.

Soms is op de achtergrond niet alleen de schaduw van Fritzi te zien, maar ook van Gerard Reve, die van proza sardonische poëzie wist te maken en elk gedicht was een roman in miniatuurvorm. Reve zou haar, mocht hij nog in leven zijn, en bij zijn volle waanzin, aan de borst drukken, daar ben ik heilig van overtuigd, en haar in het oor fluisteren: ‘Streel mijn schacht! kamermeisje,

en zet een plaat op van de Wiener Sänger Knaben. Want al hou ik van scheepsjongens, dat wil niet zeggen dat ik geen grote waardering heb voor de jonge borsten van frêle meisjes, die me laten dromen van mijn dode moeder,

eindelijk eens goed gekleed. En draag, onder het geselen van mijn Moby Dick,

je gedichten voor, bij het open raam, staande vóór het verlichte beeld van de Moeder Gods. Dan kom ik spoedig klaar. Wees niet bang. De autoriteiten doen er weinig of niets aan.’

Ik had graag een gedicht wat mij zeer bevalt voorgelezen. Maar die eer is voorbehouden aan bevriende dichters, bijzonder vruchtbaar. En na hen zal Delphine Lecompte zelf een paar van haar religieuze gedichten uit haar neus peuteren en ze in onze oren stoppen. Laat ze afdalen in uw mond.

Ze smaken goed. Ze smelten op de tong. Toenemend genot verzekerd.

Beminde dichter, allerbeminnelijkste Delphine, Hemelse mevrouw Ping,

succes met Schachten en amuletten.

Guido LAUWAERT

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche