Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
26 août 2014 2 26 /08 /août /2014 07:47

 

Frans Depeuter

Zaterdag 23 augustus werd de achtste Nestorprijs 2014 in het cc 't Schaliken te Herentals uitgereikt. Eric Antonisen en Paul Michiels werden gehuldigd.

Zie: http://mededelingen.over-blog.com/article-nestorprijs-2014-eric-antonis-en-paul-michiels-124347818.html

Hier de slottoespraak van Frans Depeuter. ■


"De Vlaamsche tale is wondersoet voor die heur geen geweld en doet." Dat zijn de woorden van dat West-Vlaams pastoorke met zijn dikke kop, dat in 1830 als een van de laatste staatsburgers van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in het Brugse bevolkingsregister werd ingeschreven onder de naam Guido Pieter Theodorus Josephus Gezelle.

Helaas, sindsdien – en tot op heden – is op de Vlaamsche tale zo vaak geweld gepleegd. En dan bedoel ik niet dat ermee gevloekt en gelogen, bespuwd en bedrogen wordt – dat zal wel in elke taal gebeuren, zeker. En ik ga ook niet met het vingertje klaarstaan om er de TV- en andere publiekelijken op te wijzen dat het niet moet zijn hij noemt Kees maar hij heet  Kees, niet ik ben hipper als haar maar ik ben hipper dan zij, niet ik geef hen  een knuffel maar ik geef hun een knuffel, niet het paard die over de haag sprong maar dat over de haag sprong, niet in ben akkoord met de besparingen maar ik ga  akkoord, niet de jongen waarop ik verliefd ben maar de jongen op wie ik verliefd ben, niet de parlementsleden hebben trouw aan de grondwet gezweerd maar ze hebben trouw gezworen, enzoverder enzovoort, je zou er zowaar nog een zwerende duim van krijgen.

Nee, zo'n mierenneuker wil ik niet zijn. Pietluttigheden zijn dat toch, niet? Haarkloverij, spijkers op laag water. En of het werkwoord nu eindigt op d of t of dt – sommige jongelui opteren zelfs voor: ddt – ga ik het al zeker niet hebben, want got-och-here, dat klinkt toch allemaal hetzelfde, nietwaar? Zo lankmoedig ben ik zelfs dat ik het Bovenmoerdijkse hij hep een gladde aal bij de staart over mij wil laten gaan en dat ik bereid ben om mijn Belgische friet te ruilen voor een Hollandse patat en van een Hollandse koe te horen dat hij melk geeft.

Ach, tenslotte is de taal van onze noorderburen best verstaanbaar en of ik het nu heel plezant of hartstikke leuk vind, of ik mijn wijsheidstanden of verstandskiezen laat trekken, of ik een lekstok of een lolly koop, of ik in een drankwinkel betaal met mijn protonkaart of in een slijterij met mijn chipknip, of mijn auto perte totale of totallos is, of ik een scheetje laat of een poepje, op een schuifaf of een glijbaan ga zitten, of ik plattekaas of kwark op mijn boterham leg, of ik mijn gat afkuis of mijn billen afveeg, of ik pateekens met krieken of gebakjes met morellen eet, het komt op hetzelfde neer en na enige aarzeling weten we wel waar we ervoor moeten zijn.

Waar mijn oren echter wél van gaan flapperen, is het verwrongen moddertaaltje dat een Vlaming wel eens in onze 'tweetalige' hoofdstad te slikken krijgt. In 'vertaalde' folders, toeristische gidsen, officiële omzendbrieven en weet-ik-veel. Zo kon ik ooit in een Brussels restaurant een menu samenstellen met "soep kleine Julia" (wat Juliennesoep betekende) en "oeufs pochés" (wat "eieren in de zak" was geworden), waarbij ik dan "oranges pressées', zijnde "sinaasappels gehaast", heb gedronken.

Maar nee, zelfs dié vlooien ga ik de rug niet breken. En al evenmin ga ik mekkeren over al die andere taalkreupelheden. Niet dus over fraaie zinnen als 'daar kraait geen hond naar' of 'dit geneesmiddel verwijdert de bloedvaten' of 'een tot Belg geneutraliseerde allochtoon'. En ik vergeef het gulhartig wanneer iemand het heeft over een dokter die hem onderzocht heeft met een horoscoop, een man die beschuldigd wordt van een zedendelicatesse, een veroordeelde die in castratie gaat, bejaarden die bij een brand geëjaculeerd worden, een vijver die vol micro-orgasmen zit, een acteur die een staande ovulatie krijgt, twee verenigingen die gefusilleerd zijn, een overledene die gemacrameerd zal worden, de kunstmatige insinuatie van een koe of zelfs een homotrainer.

En ook ga ik het niet hebben over toevallige grappige missers. Ach, ook mij overkomt het wel eens dat ik gefrutseerd tik in plaats van gefrustreerd, en dat er een prietser uit het toetsenbord springt in plaats van een priester. En bom-mélding lees ik gegarandeerd als bómmelding. Met dit soort slips of tongue verkeer ik trouwens in het voorname gezelschap van De Croo Junior, die lof toezwaaide aan zijn partijgenote Maggie de Brok. En van het ex-nieuwsanker Sigrid Spruyt, die zei dat de sportresultaten aangereikt zouden worden door Ivan Stonck, terwijl haar collega Hanne Decoutere onlangs de interland aankondigde van de Rode Duivels tegen Ivoorkut. En zelfs van de Hoog-Nederlandse prinses Laurentien die bij haar verlovingsaankondiging tegen de pers zei: ''Toen Constantijn me ten huwelijk vroeg heb ik met volle mond ja gezegd''.

Ook lig ik niet wakker van de zogenaamde spoonerismen, waarbij woorden of zinnen, letters of lettergrepen verwisseld worden zodat een parelkettinkje verwordt tot een karelpettinkje, een verkeerde versnelling tot een versnelde verkering, een theezeefje wordt een zeeteefje, een weeskind wordt een keeswind, een glaasje bier wordt een blaasje gier, een wattenschijfje wordt een schattenwijfje, met vereende krachten wordt met verkrachte eenden, met de staart tussen de benen wordt met de baard tussen de stenen en ik heb een mooie jas op de kop getikt wordt ik heb een mooie jas op de kip getokt. Of, zoals Nick Nuyens na zijn overwinning in de Ronde van Vlaanderen wou zeggen: “Dit is het antwoord op iedereen die op mijne kop gekakt heeft," maar eruit flapte: "Dit is het antwoord op iedereen die op mijne kak gekopt heeft”.

Verder zijn er ook nog de slordigheden die Vlaamse affiches, annonces en reclameborden sieren. Zo las ik op een fancy-fair voor een goed doel: "5 maal slaan/ 3 euro per kind/ uitzoeken", en "trampoline voor kinderen met een diameter van 140 cm". En tijdens de laatste Gentse feesten probeerde men orde op zaken te stellen met een bord waarop stond: "fietsers overrijbaan". Dat soort ongelukkig geformuleerde richtlijnen brengt een mens wel eens van streek. Wat moet je bij voorbeeld met leuzen als "uw probleem, ons een zorg", "campina maakt kindervoeding met chinezen" of "mooie binnenkooi voor vogels met wielen"? En wat moet ik me in hemelsnaam voorstellen bij ""Moe? Overspannen? Doe het eens met een ezel in de Franse Pyreneeën"?

Ach, meestal loopt het niet zo dramatisch af: een glimlach, een schouderophalen, een hoofdschudden en de slipper is vergeten. Maar wat onvergetelijk en onvergeeflijk is, dat is de Engelse ziekte, die de Vlaamse taal infecteert en allengs een ware pandemie dreigt te worden.

O nee, ik heb het hier niet over het gebruik van het Engels als wereldtaal in domeinen waar dat wenselijk zo niet onoverkomelijk is. Zoals in de diplomatieke en de wetenschappelijke wereld, waar Engels een overkoepelende functie vervult. Of op technologisch en cultureel gebied. Het is nu eenmaal zo, dat zangers die internationaal willen doorbreken niet meer buiten het Engels kunnen, want van Vlaams hebben ze wereldwijd weinig of geen kaas gegeten.

Met de Engelse ziekte bedoel ik de besmetting van het dagdagelijks Nederlands door vreemde bestanddelen die het eigen idioom verdringen. Laten we maar zeggen: het Nederengels waarmee wij te kust en te keur onze eigen taal menen te moeten oppoetsen. Onzin wordt dan bullshit, een praatprogramma wordt een talk show, een overeenkomst wordt een deal, een afspraakje tussen twee alleenstaanden wordt een date tussen twee singles, contant betalen wordt cash betalen, dat soort dingen dus. Op ons naamkaartje zetten we niet meer medewerker loonadministratie maar payroll assistant, in het kantoor is er geen klimaatregeling maar airconditioning, en 's middags nemen we geen pauze maar een break.

En als we met vakantie gaan, maken we een checklist, steken in onze beautycase allerlei make-up-spul dat in het Nederengels gedoopt werd als foundation, blush, highlighter, lipgloss, eyeliner, coverstick en concealer. En dan rijden we over de snelweg, die nog net niet expressway maar toch al autostrade heet, met een wagen die we geleast hebben en die voorzien is van airbags maar zeker niet van luchtkussens, laat staan van botsballonnen. En voor alle gemak zetten we natuurlijk de cruisecontrol aan. En eenmaal ter plekke gearriveerd, gaan we geen boodschappen doen in een winkelcentrum, dragen we geen banaal T-hemd, eten we geen kaasburgers en hapjes, drinken we geen pompelmoes of andere frisdrank, kijken we niet naar de uitdagende prikkelpoezen die op het strand voorbij paraderen, neenee, we gaan shoppen in een shopping center, kleden ons met een T-shirt, eten cheeseburgers en snackjes, drinken grapefruit of een andere softdrink, en kijken onze ogen uit onze kop als er een sexy pin-up voorbijwiebelt.

O, wat wemelt het in onze moedertaal toch van die geniepige bastaardjes. Wat klinken die Nederengeltjes toch 'cool' – daar heb je het weer – in onze oren. Is het Vlaams dan toch zo arm dat wij leentjebuur moeten gaan spelen? Zijn wij, Vlamingen, dan zo dom dat we niet zonder die schuimwoorden kunnen? Of is het een kwestie van luiheid of van geurmakerij dat wij onze taal zo verloederen?

Wat een schril contrast met de 'aficanofonen' van Zuid-Afrika bij wie het Engels zo goed als geen visum krijgt. Hun vindingrijkheid is iets om duimen en vingeren af te likken. Of wat te denken van een tangaslipje of string dat bij hen een amperbroekie of deurtrekkertje heet? En van zo'n strakke damesbroek die bij hen niet legging maar kleefbroek heet, van een metro die een moltrein is, een trampoline die een wipmat en een cameleon die een verkleurmannetje is? Een snack is voor hen een peuselhappie, een lolly is een stokkielekker, een viaduct is een duikweg, een milkshake is een melkskommel, een cake is een sponskoek, een rock-'n-roll band noemen ze een ruk-en-pluk orkest, een barbecue wordt een braai, een majorette een trompoppie, en junkfood heet gemorskos. Aardig toch, niet? En meestal 'to the point' zoals ze dat in het Nederengels zeggen.

Ja, wat ze in Transvaal en Kaapstad kunnen, dat blijken wij, Vlamen, niét te kunnen. Zo taalcreatief zijn we dus blijkbaar ook niet. Of vergis ik mij? Zit onze taal dan toch vol verbeelding, vol scheppingskracht, vol plasticiteit? Is dat pastoorke uit Brugge niet even creatief wanneer hij het heeft over "krinkelende-winkelende waterdingen met zwarte kabotsekes aan", over het zalvendzoete zingezangen van een wilgenboom, over sneeuwvlokken die "dansen, ommentomme, zoo wit als molkenblomme", over een wikkelwakkelpaard of een bonke keerzenkind met bleuzekaakskes? Ik dacht van wel, maar bij ons noemt men dat dialect of in het beste geval Zuid-Nederlands. Vaak is het in onze dialecten dat de mooiste woorden opduiken. Wat al rijkdom zit niet verscholen in Kempense woorden als rondstesselen, rinkaaneen en roemetoem, hoeterdekoeter, piepekasse, 'ne metteko, 'ne flikketeer, een kwettergat, 'ne keskespisser, een klabots? Ja, onze volksmensen hebben allemaal iets van Guido Gezelle. Ook uit hun mond klinkt vaak pure poëzie op.

Dat de taal de hartslag is van een volk, dat een taal een volk doet leven, dat lijdt geen twijfel. Wie was het weer die zei: Wie de taal van zijn moeders niet eert, is de naam van zijn vaders niet weerd? Waaraan ik toe zou willen voegen: en is ook het land van zijn vaders niet weerd.

En dat land van onze vaders, goede Nestorvrienden, is een mooi land, zijt maar zeker. Een laatste maal laat ik de stem van het Brugse pastoorke horen: "Het Vlaamsche volk/ bebouwt uit alle landen/ het schoonste land,/ dat ooge aanschouwen kan". Oké, de stem klinkt ietwat overslaand, maar toch staat het pastoorke met die bewondering niet alleen. Hij krijgt o.m. de instemming van iemand die in 2005, in het teeveeprogramma De Grootste Belg, bij de VRT op de 7e plaats en bij de RTBF op de 1e plaats eindigde, en die geen chauvinistische Vlaming is, maar wel de de grootste ode aan het "vlakke land" van Vlaanderen schreef en zong: Jacques Brel: "Wanneer de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen/ En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen/ Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt/ En over dijk en duin de grijze nevel valt/ Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn/ En natte westenwinden gieren van venijn/ Dan vecht mijn land, mijn vlakke land."

Frans DEPEUTER

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche