Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
22 avril 2011 5 22 /04 /avril /2011 06:29

 

Meisje-dat-ik-nog-moet.jpg

Y. M. Dangre (°1987) is met Meisje dat ik nog moet, verschenen bij De Bezige Bij Antwerpen, genomineerd voor de C. Buddinghprijs 2011. Dangre is de enige Vlaming. De drie Nederlanders zijn Dennis Gaens (Ik en mijn mensen,Van Gennep), Marjolijn van Heemstra (Als Mozes had doorgevraagd,Thomas Rap) en Lieke Marsman (Wat ik mijzelfgraag voorhoud,Van Oorschot). De C. Buddingh'-prijs (1200 €) bekroont jaarlijks het beste poëziedebuut. De jury bestaat dit jaar uit Koen Stassijns, Anja de Feijter en Maarten Elzinga.

Op 19 februari werd Meisje dat ik nog moetin het Sint-Michielscollege te Brasschaat voorgesteld door Luc Pay. Zijn toespraak, verschenen in de Mededelingen van het CDR(nr. 172, 28 februari 2011, pp. 7-11), wordt nu hier online gezet.

*

 

Dichter, romanschrijver en cineast Patrick Conrad schreef mij ooit over Dangres poëzie: “Ik las de gedichten van je Venetiaanse protégé en was, moet ik zeggen, vrij onder de indruk. Pastiches inderdaad, maar pastiches waar meer achter schuilt.” Datum: januari 2006 – dat is dus, nota bene, reeds vijf jaar geleden. De gedichten waar Conrad op doelde zijn de allereerste die Dangre ooit publiceerde, en wel in Schakel 2005.

Eind 2009 vertrouwde essayist, criticus, prozaschrijver en dichter Henri-Floris Jespers mij toe: “Ik geloof inderdaad dat Dangre de ‘étoffe’ heeft van een échte dichter.” Beide auteurs kregen gelijk.

In het najaar 2010 verscheen Dangres roman Vulkaanvrucht, die heel wat reacties uitlokte zowel in de schrijvende als de sprekende pers. Ondertussen publiceerde hij ook gedichten in een aantal vooraanstaande literaire tijdschriften of op blogs, droeg hij poëzie voor op o.m. het Elsschot-festival en was hij onlangs nog te gast op de Gedichtendag in Antwerpen en in Utrecht. Vandaag presenteren we hier op het college zijn eerste dichtbundel, die medio januari van de persen rolde en waarvan de eerste druk, jawel, reeds op vrijdag 11 februari was uitverkocht.

Meisje dat ik nog moet is de enigszins dubbelzinnige want elliptische titel van deze dichtbundel, die uiteindelijk vijf cyclussen telt en die, zoals je kan verwachten van een debuterende jongeman, de liefde tot centraal thema heeft. Zijn het dus oden aan zijn grote liefde of elegieën voor één of ander ‘verloren’ of ‘verdwenen meisje’? Zo simpel is het niet, zeker niet bij een schrijver als Y.M. Dangre. Wie zijn roman Vulkaanvrucht gelezen heeft, zal mij begrijpen. Ik verklaar mij nader.

Het “meisje dat [de dichter] nog moet” krijgt diverse namen. In de eerste cyclus heet ze “Aurora”, in de ‘Sargedichten’ gaat het om een “heel kleine muze” of een “Grieks Roodkapje”, en in het gedicht ‘Gratia plena’ (dat opgebouwd is uit 14 septetten) wordt ze aangesproken als “meisje dat ik nog moet”, “dat ik nog wil”, “dat ik niet mag”, “dat ik nog zal” of: “meisje in mijn midden”. ‘Gratia plena’ is wèl expliciet opgedragen aan een zekere “Marie”: mogelijk een meisje/vrouw van vlees en bloed, maar gezien de titel – “(Wees gegroet, Maria/Marie) Vol van genade” blijft ook deze opdracht op zijn minst dubbelzinnig.

Bij nader toezien gaat het uiteindelijk in die drie cycli om een apostrofe van de Muze: Aurora bijvoorbeeld, godin van de dageraad die de zon aankondigt. Dangre richt zich tot haar als in een gebed en smeekt haar om haar liefde, haar gunsten, om de honing die uit haar lichaam stroomt – de hemelse dauw die, metaforisch of allegorisch, uiteraard ook naar de poëzie verwijst.

 

Elke ochtend lik ik de dauw / uit je monden […] en open je wonde / tot je honing breekt en mijn lichaam / reinigt.”

 

In de cyclus ‘De sargedichten’ – de bepaling ‘sar-’ verwijst naar ‘sarren’ of ‘plagen, pesten’ – krijgt de Muze geen naam maar gaat het om een dartel, ondeugend en zelfs gevaarlijk klein meisje dat spelletjes speelt met de dichter en uiteindelijk ongrijpbaar blijft. Ze speelt verstoppertje en blijft onvindbaar

 

tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding.”

Met als gevolg:

Halsstarrig blijf ik roepen: kom toch / tevoorschijn om mij te openen / als een blik op jou.”

Maar helaas, zo zegt de dichter: “klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht”.

 

Deze “gekke meid”, die zich de hele tijd “vermomt […] in een vrouw”, blijkt een Grieks Roodkapje dat zegt: “Ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend.” En dan verdwijnt ze weer, deze erotisch-poëtische fee en feeks, deze inspiratiebron, precies in de taal die de dichter neerschreef: zij maakt zijn verzen mogelijk en tegelijk onmogelijk, zij is er tegelijk in aanwezig én afwezig.

Gratia plena’ is een schitterend, lang litanie-achtig of psalmodiërend gedicht waarin Dangre opnieuw de aandacht, de aanwezigheid van een muze afsmeekt en oproept: “Luister je al, meisje dat ik nog zal” Of: “Voel mij bidden, meisje in mijn midden, / meisje smeulend in de vrieskou / van mijn zingende handen.” Maar ook zij blijft ongrijpbaar, en bij het afscheid in het slotgedicht klinkt het zo:

 

Gegroet, meisje dat ik nog moet, / meisje ooit en nooit meer hier, / veel te hijgend verwoord, paars / en ijselijk word jij weer het december / van mijn verbeelding […]”

Of: “Verdraag toch mijn zenuwtrekkend geloof / en vergeef en vraag en vul, val, wees vol / van mijn genade.”

 

Schrijven is de wanhopige, telkens weer herhaalde beweging naar een centrum dat zich altijd aan de periferie bevindt, of dat zich even toont in de schriftuur en dan weer onherroepelijk verdwijnt.

Naast deze drie cycli, deze zowel speelse als ernstige smeekbeden aan het muzenmeisje, bevat de bundel nog twee cycli die enigszins apart staan en die de langste, breedvoerigste gedichten bevatten van de hele bundel.

De cyclus ‘Vivaldi’ is opgebouwd rond de vier seizoenen van de Venetiaanse componist. Hier geen lyrisch ‘ik’ meer tegenover een ‘jij’ maar de ruimere collectieve algemeenheid van een ‘wij’. De dichter ‘beschrijft’ hoe, afhankelijk van het seizoen in kwestie, ‘wij’ de liefde beleven en ervaren; maar tegelijk vormen deze vier seizoenen metaforen voor de grote fasen in elk individueel mensenleven. Bijvoorbeeld, als het zomer is:

 

In dit zomerse lied zingen wij van zon / en zaad de liefde leeg, dansen wij vrouwen / en mannen met onze korte broeken vol / muzieknoten en strekken onze kerfstokken / tot eer”.

 

Met deze vijf verzen moge voldoende aangeduid zijn hoe heerlijk ondeugend en dubbelzinnig Dangre zijnlyrische strijkstok hanteert. Ondanks de onafwendbare vergankelijkheid klinken deze seizoen-gedichten nog optimistisch, want zelfs in de winter gaat het als volgt:

 

[wij] weten al lang niets meer / dan dat wij nog snakken naar elkaars / snaren, naar het tikken, strijken, / blazen en zuigen op elkaars zonnewijzers, / want zelfs nu, ondergesneeuwd in ouderdom, / zijn wij van water en van muziek en van elkaar / de schunnigste partituren.”

Heel anders is de tonaliteit in de cyclus ‘Onze woonst. Net zoals bij Vulkaanvrucht stond ik als aan de grond genageld met deze gedichten waarin Dangre de verloren vitaliteit, de uitzichtloosheid, het tekort en de onmacht, de uitgedoofde liefde binnen een huwelijk lyrisch omcirkelt. Deze genadeloos observerende, maar opnieuw erg beeldrijke gedichten die eveneens in de wij-vorm geschreven zijn, getuigen van een ongehoorde, pijnlijke gevoeligheid van een 22-jarige voor de problematiek van het gehuwde paar; ze tillen zijn poëzie hoog uit boven de al te ik-betrokken probleempjes van de doorsnee adolescentenpoëzie-op-vrijersvoeten.

Een voorbeeld: het echtpaar weet van het echtelijke bed dat zij

 

er toch zullen instappen op onze oude voeten / van oorlog en schimmelende wellust.”

 

Datzelfde bed wordt omschreven als

 

een slagveld van lijfgeur en paringsdans, / van vroeggestorven warmtes” waar de “trouwe nacht als een loopgraaf onder de lakens” ligt.

 

De grote boeman blijkt hier, net zoals in de roman Vulkaanvrucht, de tijd te zijn, de voortschrijdende ouderdom, de aftakeling, het verlies van de jeugd – een fundamenteel thema, blijkbaar, bij Dangre. Luister maar:

 

“Wij worden oud en kinderlijk en denken / dat het went, dit

stilzitten in elkaars mond, / met versleten tongen en zere

knieën / wachten tot één van ons eindelijk begint te lekken en

de woorden sijpelen / op het tapijt, op de verleerde lippen / die

de ander niet meer wil oprapen. / Nooit meer.”


Beste vrienden, een technische of vormelijke analyse van deze gedichten zou mij veel te ver voeren en uw geduld te lang op de proef stellen. Alleen dit.

Dangre schrijft echte lyriek – niet de ‘zuivere lyriek’ à la Van Ostaijen, maar hoedanook virtuoze lyriek waarvan het litanie- of psalmodiërende karakter onweerstaanbaar herinnert aan b.v. Bijbelse poëzie, aan de prachtige litanieën van een dichter als Nic Van Bruggen of de zangerige metaforenrijkdom van een Hugo Claus. Lees maar hoe bepaalde gedichten strak, bijna geometrisch opgebouwd werden rond variërende of letterlijk herhaalde woord- of zinspatronen, ofwel rond één centraal motief.

Opvallend is de grote klankrijkdom en de oorstrelende muzikaliteit van de verzen, die pas bij een innerlijke of werkelijke declamatie tot haar volle recht kan komen. Die ritmiek heeft te maken met syntaxis, met alliteraties, assonanties en subtiele echo’s of klankverschuivingen, of met soms erg verrassende enjambementen.

Maar er is meer. In de roman Vulkaanvrucht ontpopte Dangre zich reeds tot een woordenfluisteraar, wat in proza niet altijd even opportuun is. Hier echter leidt zijn superieure taalbeheersing tot verbluffende verbale pareltjes die bulken van de betoverende omkeringen, ontroerende metaforen, woordspelingen en allusies, betekenisverbanden en verwijzingen (bv. naar de klassieke Oudheid) waarbij abstract en concreet, synesthesieën of lichamelijkheid en taal probleemloos in elkaar overgaan. Dangre beheerst de kunst om de lezer op een erg subtiele manier op het verkeerde been te zetten, bv. met verdraaiingen van bekende zegswijzen of een onverwachte spelling die een woord doet kantelen in een ander:

 

“krabbel mij recht / en zonder rede” (zonder –n dus), zo vraagt

hij aan Aurora;

en elders stelt hij dat het “meisje” zijn verzen “beliegt, want zij leidt

almaar de tuin / van mijn poëzie om”.

 

Vandaar een verrassende, verfrissende en tegelijk warme lyriek boordevol ironische knipoogjes die speels en organisch uit zijn pen vloeien. Dangre, poeta doctus en poeta faber, geeft blijk van wat men in de Renaissance ‘sprezzatura’ noemde: het talent om op een schijnbaar nonchalante, onopvallende wijze zijn virtuositeit te etaleren. Maar ik laat het linguïstisch-poëtische genot verder volledig aan u over. Lees deze poëzie, herlees ze vooral vaak en savoureer ze met alerte en eerbiedige omzichtigheid.

 

Mijn dierbare dichter,

 

Homeros en Vergilius openen hun onsterfelijke gezangen met die welbekende apostrofen van de Muze, terwijl Lucretius zich bij de aanvang van zijn De rerum natura tot Venus richt in het volgende prachtige vers: “Quo magis aeternum da dictis, diva, leporem”(“Verleen des te meer, Godin, eeuwige bekoorlijkheid aan mijn woorden” – I, 28). Nagenoeg jouw hele bundel echter kan beschouwd worden als een invocatio van het Meisje dat je muze, of van de Muze die jouw meisje is, en wel aan het begin van je hele poëtische carrière. Dat beschouw ik als een elegante geste van nederigheid en toewijding bij deze, jouw, inwijding. Ook als dedicatio kan deze geste tellen.

Ik las ooit ergens volgende maxime van de Franse acteur Gérard Philippe: “Lorsque nous serons tristes, nous serons élégants.” Maak ons nog vaak deelachtig aan je oorbetoverende poëtische elegantie, want zij maakt ook onze tristesse draaglijk. Al was het maar l’espace d’un de vos poèmes.

*

Luc Pay recenseerde ook de debuutroman van Y. M. Dangre, Vulkaanvrucht, in de Mededelingen van het CDR(nr. 167-168, 31 december 2010, pp. 5-18). De integrale tekst verscheen hier in twee afleveringen, op 7 en 8 november 2010:

http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-y-m-dangre-de-moord-op-peter-pan-60508872.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-y-m-dangre-de-moord-op-peter-pan-slot-60512910.html

Partager cet article
Repost0

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche