Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
18 novembre 2009 3 18 /11 /novembre /2009 21:08

Morgen wordt de asurne van Jan Christiaens bijgezet op het ere-perk van de begraafplaats van Antwerpen-Schoonselhof.

Jan Christiaens werd bij een ruimer publiek vooral bekend als schrijver van volkse stukken met knappe dialogen. In 1972 ging De Parochie van Miserie (naar het boek van John Wilms) in première bij de KNS. Het stuk sloeg in, werd meermaals hernomen en kreeg nog drie vervolgen: De Droom van Zotte Rik, De Minerva en Het 3de Rijk in de 4de Wijk.

Uiteraard heb ik ze niet geteld, maar volgens Sabammagazine (nr. 53, 2de trimester 2008) schreef Jan Christiaens niet minder dan 33 originele toneelteksten en vertaalde of bewerkte er nog eens 17 (ik herinner me alvast zijn bewerking van Voltaires Candide – KNS, 1994). Andere bronnen spreken van 35 toneelwerken en 20 vertalingen / bewerkingen. En dan wordt er nog niet gesproken over zijn werk voor de televisie.

Mocht de titel volksschrijver niet bestaan, dan moest hij voor hem uitgevonden worden. Hij is immers veelschrijver van toneelstukken die overal in het Vlaamse land werden grijsgespeeld. Of hoe zeg je dat van stukken die een paar honderd keer werden opgevoerd?, aldus Werner Strouven.

*

Jan Christiaens werkte heel vaak samen met Walter Tillemans. Hun vriendschap dateert al van de tijd van de roemruchte Nevelvlek, de vooral literaire vereniging die in 1951 gesticht was door Frans Buyens. De linkse, antimilitaristische, antiburgerlijke en in die koude oorlogsjaren volgens sommigen ronduit communistische Nevelvlek droeg bij tot de opkomst van het kamertoneel in Vlaanderen. Tot die vriendenkring van het eerste uur behoorden ook Ferre Auwera, Hugues C. Pernath, Hugo Raes en Lode Rigouts, die o.m. Ionesco vertaalde en Antigone van Jean Anouilh in het Nederlands creëerde.

In de jaren vijftig en zestig schreef Jan Christiaens een tiental toneelstukken, w.o. De koningin der eilanden (1954), Tee drinken (1958), De Beestentrein (1958), Een vredesduif braden (1959), De Kangoeroes (1960) en De lachende Krokodil (1962), een groteske, in 1969 gecreëerd door het Fakkelteater te Antwerpen (na in boekvorm bij Ontwikkeling te zijn verschenen). Zijn toneelwerken werden o.a. gecreëerd door het Satiriek Theater de Koperen Haan Teater op Zolder, het N.K.T. en het E.W.T.-Hessenhuis te Antwerpen, Arca (Gent), Toneelgroep Theater van Arnhem, en het Kleines Theater te Keulen. Hij was medestichter van het literaire tijdschrift Het Kahier, en medewerker van Gard Sivik en Kentering.

In de jaren 60 mochten we hier in Vlaanderen van een toneelrevival spreken. Denk aan Hugo Claus, Piet Sterckx, Jozef van Hoeck, Georges Van Vrekkem, Tone Brulin, en anderen. Ik ook, mag dat? De kleine gezelschappen werkten enthousiast, zonder subsidie, zonder betaling, ze gingen zelf op zoek naar Vlaams werk, ze gaven het experiment ruimte. Maar het is allemaal doodgelopen op gemis aan belangstelling. Zowel van de officiële kant als van de kant van het publiek. In Vlaanderen neemt men de toneelliteratuur helemaal niet au serieux.

*

Het werk van Christiaens uit de jaren vijftig en prille jaren zestig kan, net als dat van Piet Sterckx, grosso modo gerekend worden tot het zgn. absurd toneel, gekruid met surrealistische trekjes. In 1970 stelde hij echter vast expressis verbis vast dat “het experiment van het absurde theater is doodgelopen”.

Tony Rombouts stip terecht aan:

De lachende Krokodil, gecreëerd in 1968,sluit hij deze periode af. Niet dat het experimenteel theater geen voldoening meer bracht maar wel omdat het meestal, voor een gering publiek, in kelder- en zoldertheaters werd opgevoerd. Maar er was nog een andere reden: de auteur had de mogelijkheden van het absurde voor zichzelf voldoende uitgediept en weergegeven en hij wou meer aandacht vragen voor zijn sociaal engagement, zonder echter zijn zin voor humor op te geven.

Met De parochie van miserie sloeg Christiaens een nieuwe weg in en kreeg hij algemene erkenning. Men vergisse zich niet: zijn zogenaamde volkstheater is nooit vrijblijvend. Hij klaagt met al dan niet ingehouden woede maatschappelijke misstanden aan, corruptie en gesjoemel en toont daarbij zijn “respect voor de underdogs en de marginalen die meestal enkel beschimpt en bespot worden in onze maatschappij”, aldus Tony Rombouts.

Die omslag was trouwens eerder vormelijk dan thematisch. Terugblikkend op zijn werk onderstreepte Christiaens al in 1970:

Ik heb in al mijn stukken geprotesteerd tegen bepaalde facetten van onze maatschappij. Fascistoïde ontwikkelingen, militaristische tendensen. Ik geloof inderdaad dat we de mensen bewust moeten maken van die problemen.

Het sociaal engagement van Christiaens en zijn zachte maar niet minder aangrijpende spot of bijwijlen zwarte humor vervielen daarbij nooit in pamflettair gedaas.

*

Jan Christiaens werkte niet alleen regelmatig samen met Walter Tillemans, maar ook met Robbe de Hert en Wannes van de Velde, met Herman Fabri en, in recentere jaren, met zijn zoon Jan jr. Hij was inderdaad een teamspeler.

Toen Auwera hem in 1970 confronteerde met een (destijds ophefmakende) uitspraak van Jean Vilar (“Les vrais créateurs dramatiques de ces trentes dernières années ne sont pas les auteurs, mais les metteurs en scène”), luidde zijn reactie:

Daar ben ik het niet mee eens. Natuurlijk niet. Zonder auteur heeft de regisseur niets te doen. De schrijver zorgt voor het stramien, de regisseur voor de rest. Maar regisseur en schrijver moeten wel duidelijk en spontaan op dezelfde golflengte afgestemd zijn. Zoals dat, geloof ik wel, bijvoorbeeld bij Walter Tillemans en Hugo Claus het geval is. En ik geloof dus manifest wel in het équipe-systeem, waarin auteur en regisseur en acteurs tot een soort osmose komen.

*

In de jaren zestig al liep Christiaens rond met de plannen voor een roman dat, naar eigen zeggen, al in 1970 af was. Het duurde echter tot 1994 voor hij De Klinefelter Man (Leuven, Davidsfonds / Clauwaert) publiceerde, het verhaal van een eenzaat die als gevolg van een genetische afwijking (het Klinefelter syndroom, een geslachtsgebonden chromosoomafwijking) aseksueel is en vrouwelijke kenmerken vertoont. Hij koestert geen ambities, wordt sociaal totaal genegeerd en belandt in de marginaliteit. In Blinde haas (Leuven, Davidsfonds, 1999) brengt hij een mix van romantische en thrillerachtige elementen, waarbij hij tevens het beeld schetst van een collaborateur. In het reine met zichzelf komen en het bewoonbaar maken van de wereld vormen het onderliggende thema van beide romans, waarin versluierde autobiografische niet ontbreken. In Memoires van een Angsthaas (Leuven, Davidsfonds, 2004), een boek dat het midden houdt tussen fictie en non fictie, kijkt Christiaens niet alleen terug op zijn leven als gemeenteambtenaar in Antwerpen, maar ook als schrijver, vader en liefhebber van vrouwen.

Het zou Christiaens' uitgever sieren die drie merkwaardige boeken in een omnibus te bundelen.

*

Voor zijn toneelwerk werd Jan Christiaens in 1965 laureaat van de Sienjaalprijs, die in 1962 ingesteld was door het Nationaal Centrum voor Moderne Kunst, opgericht door Paul de Vree en de aandacht wilde vestigen op prestaties waarvoor de publieke belangstelling in te geringe mate of in het geheel niet wordt opgewekt. Naast Christiaens werden Ivo Michiels (roman), Marcel van Maele (poëzie) en Jean Weisberger (essay) bekroond.

Het was rond dat tijdstip dat ik Jan leerde kennen. Af en toe zag ik hem in gezelschap van zijn vrouw tijdens nachtelijke omzwervingen in de rosse buurt, waar hij net als ik een zwak voor had, of in gezelschap van vrienden in De Engel.

Vrienden waren we niet (ik baal van het inflatoire gebruik van het woordje 'vriend'), maar ik heb altijd het grootste respect gekoesterd voor de minzame man die zonder veel omhaal een oeuvre bijeenschreef dat mijns inziens de waardering niet kreeg waar het recht op heeft. Hij was een stille maar scherpe waarnemer en hanteerde bescheiden een haast Britse maar niet minder (of misschien juist daardoor) vlijmscherpe vorm van humor.

*

Jan Christiaens was de oprichter van de Dienst voor Informatie van de Stad Antwerpen, die de burgers door de administratieve mallemolen moest gidsen. Hij werd viermaal bekroond met de prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen, en was laureaat van de Sabamprijs en van de prestigieuze (Nederlandse) Edmond Hustinxprijs.

*

Huidige theatermakers kunnen best Christiaens' interview met Fernand Auwera (her)lezen.

Wij zullen, over enkele decennia, terug moeten naar het woord. Het woord is in verdrukking. Na de roes van het beeldjeskijken komt de kater en dan wordt het woord geherwaardeerd. Het woord blijft toch het enig mogelijke communicatiemiddel? Het experiment van Grotowski dus. Ik heb het gezien in Polen. Ach, ik vind dat gegil en acrobatengedoe wel interessant om te bekijken maar het zal het toneel voorlopig niet kunnen redden. Het woord zal dat wel doen. Maar nu nog niet. Veel later. In de jaren 2000.

*

Jan Christiaens (°8 mei 1929) overleed 'onverwacht' in het A.Z. Stuyvenberg te Antwerpen op 12 november.

HFJ


Fernand AUWERA, Geen daden maar woorden, Antwerpen / Utrecht, Standaard Uitgeverij, 1970, pp. 176-183.

Tony ROMBOUTS, 'Laudatio Jan Christiaens', in: De Auteur, maart 2005, nr. 1.

Zie ook: http://ronnydeschepper.skynetblogs.be/

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche