Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
21 avril 2014 1 21 /04 /avril /2014 12:22

 

JosChabert.jpg

Voor de goede orde. Dit verhaal speelt zich af toen er nog geen sprake was van gewesten en deelregeringen. De macht van het land zat nog volledig in de Wetstraat.

Op 13 februari 1973 zat Jos Chabert zich in te werken. Hij nam een dossier van een krimpende berg, keek het in en legde het daarop op een groeiende berg. Hij was drie weken minister, en dan nog wel van het aartsmoeilijke departement van Cultuur. Altijd klagers, bedelaars en als je ze wat toestopte kon er geen woord van dank af. Nooit was het genoeg. Na de zoveelste zucht bij het sluiten van een dossier stormde plots zijn kabinetschef binnen. ‘Meneer de minister’, zei Johan Fleerackers. ‘We zitten met een probleem, een groot probleem.’

De minister keek op. Johan was normaal de rust zelve. Een staatsgreep? Een kathedraal in brand? Zo erg was het nu ook weer niet, maar erg was het wel. ‘De burgemeester van de Vorst, eigenaar van Vorst-Nationaal, heeft de Nacht van de Poëzie verboden?’ – ‘Nacht van de Poëzie, Nacht van de Poëzie, wat is dat voor iets? Heb ik daar een dossier over?’ – De minister had er geen dossier over. Het was een initiatief dat in geen enkel straatje paste. Een mix van poëzie, spektakel, muziek, dans. En dan die organisator. Die was voor geen rede vatbaar. Financieel en administratief ongrijpbaar.

Goed. Zeer goed zou ik denken,’ zei de minister. ‘Dan is er geen probleem Johan. Want wat hebben wij met die man en zijn nacht te maken?’ – ‘U heeft gelijk, meneer de minister. Die man is geen gevaar voor ons beleid, maar de burgemeester van Vorst heeft de Nacht verboden.’ De minister begreep meteen dat door die zet het probleem in de politieke hoek zat. Hij dacht even na, liet zijn pen tussen de vingers van beide handen rollen. ‘Wat stel jij voor Johan?’ – ‘Wel, meneer de minister, die burgemeester, een zekere Jacques Lepaffe, is een FDF-er. Niet zozeer hij maar zijn partij is een stoorzender in de Wetstraat. Uit goede bron heb ik vernomen dat jonge Vlaamse Brusselaars, politici in de kinderschoenen, een ouder partijlid aan het opvrijen zijn om te interpelleren in de Kamer. Een Vlaamse manifestatie verbieden is een kaakslag voor Vlaanderen. Herinner u de uitspraak van Lode Craeybeckx uit 1954: ‘Wij laten Brussel niet los.’ Er was al rumoer maar die uitspraak was het begin van de politieke taalstrijd.’

En van wie mogen die kinderschoenen dan wel zijn?’ vroeg de minister. – ‘Eric van Lerberghe van de CVP, Annemie Neyts van de PVV, Ivo Goris van de Volksunie en Jari Demeulemeester van de BSP. Ze zitten in het bestuur van de Vlaams-Brusselse Jeugdclub, en die organisator heeft bij de club onderdak en steun gevonden. Het dreigt een financieel fiasco te worden, en daarom dat ze alle politieke registers opentrekken.’ De minister nam een slok van zijn inmiddels koude koffie en trok een grijns. ‘Wat stel jij voor, Johan’. – ‘Het is al zover dat de Vlaamse kranten dreigen uit te pakken met klaagzangen over het onrecht dat de Vlamingen is aangedaan. Daarenboven is het jonge weekblad Knack sponsor en ik heb zonet de hoofdredacteur aan de lijn gehad, die me vroeg wat het ministerie van Cultuur van plan is.’ – ‘Frans Verleyen,’ murmelde de minister. ‘Een beminnelijk maar gehaaid man. – ‘Vooral een gecultiveerd man. Kunst en politiek staan bij hem voorop. Hij zingt liever Schubert dan het Belgisch volkslied.’

Laten we het kabinet verlaten en ons te velde begeven. De uren en dagen daarop is er dagelijks in de Kamer geïnterpelleerd, alle Vlaamse media stortten zich op de zaak. Nog even en een nieuwe Stomme van Portici was in de maak. Maar deze keer niet met een Muntsmaak maar met een Vorstzuur. Achter de schermen werden allerlei sporten beoefend om een compromis te vinden, maar de burgemeester hield het been stijf, geen Vlaamse Nacht in mijn Franse gemeente. Nochtans had hij het huurcontract een paar maanden voordien gesigneerd. Zoals dat echter gaat met politici van het derde knoopsgat, bladerde hij de signataire door en zette zijn naamkrabbel onder alles, zonder te lezen wat hij had gefiatteerd. Een foto van het contract verscheen in de media. En dan nog wel vooraan in het journaal of op de voorpagina’s. Hij had geen been om op te staan, maar had nog wel een grote mond.

De oplossing is uiteindelijk gevonden door de inschakeling van de vice-gouverneur van Brabant, Leo Cappuyns, de beslissing niet te vernietigen maar bezwaar in te dienen. De burgemeester kon daartegen in beroep gaan, de maandag daarop. De 1ste Nacht van de Poëzie op zaterdag 17 februari 1973 kon doorgaan. In de straten rond Vorst-Nationaal stonden flink gevulde rijkwachtwagens; een kleedkamer was overbezet met BOB-ers. Even voor aanvang daagde Johan Fleerackers op. ‘We hebben de zaak kunnen oplossen en de minister en ik wensen u een succesvolle nacht. Slechts één verzoek. Laat er de politiek buiten.’ – ‘Niet ik, meneer Fleerackers, heb er een politieke zaak van gemaakt. U en de minister kunnen gerust zijn. Poëzie… daar gaat het om, en de dichters zijn wijs genoeg om in hun winkel te blijven.’

Wat er zich afspeelde in het bureau van de minister is een literaire reconstructie. Niet naar de werkelijkheid. Maar hij is geschreven uit grote eerbied voor Jos Chabert. Mijn literaire spielerei is een ruiker gele rozen.

Na het gebeuren rond de eerste NvdP heb ik slechts terloops contact gehad met Jos Chabert. Maar zijn hele leven lang heb ik hem ervaren als een keurige, gecultiveerde man. Op welke ministerpost ook, altijd was hij een handig diplomaat. Hij paradeerde niet, zocht niet het podium op om er baat bij te halen. En wat hij tevens niet had: een air om je groter voor te doen dan je bent. Hij benaderde iedereen op gelijke hoogte. Hij was een zuiver Christelijk mens, met de grootste eerbied voor andersdenkenden.
Om wie en wat hij was zal ik dinsdag aanstaande op zijn uitvaart zijn. Al zal ik achteraan zitten in de Sint-Michielskathedraal, ik zal dicht bij hem zijn. Want hij was terecht een Minister van Staat. En als hij werkelijk in de hemel gelooft, dan wens ik hem een plaats in de naaste kring van God. Dit is geen vaarwel, meneer Chabert, maar een adieu. A-Dieu.

Guido LAUWAERT

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche