Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
31 août 2009 1 31 /08 /août /2009 22:30

Toen hij Victor Servrancx (1897-1965) leerde kennen volgde de vijftienjarige Marc. Eemans (Marcel Léon Marie Eemans, Dendermonde 16 juni 1907 – Brussel 28 juli 1998) nog les aan het Atheneum te Brussel. De tien jaar oudere schilder, een zeer belezen urbane gentleman, werkte als tekenaar bij de Usines Peters-Lacroix te Haren-Diegem, waar hij een job bezorgd had aan René Magritte (1898-1967). De jonge Eemans, die ook les volgde bij de symbolistische schilders Constant Montald (1862-1944) en Emile Fabry (1865-1966), werd een een enthousiaste beoefenaar van de 'plastique pure'. Rond hetzelfde tijdstip sloot hij een levenslange vriendschap met de dichter René Baert (1903-1945), die hij in de literair-artistieke studentenkroeg Le Diable-au-corps in de Koolstraat had ontmoet. In 1924 ten slotte, kwam hij in contact met de excentrieke Geert van Bruaene (1891-1964), een voormalige acteur die in het Hotel Ravenstein een bescheiden cultureel centrum avant-la-lettre runde, het Cabinet Maldoror. Van Bruaene – in de wandeling 'petit Gérard' of 'Zérar' – werd bijgestaan door “zaakgelastigde' Michel de Ghelderode, die de administratie verzorgde van het centrum, dat in feite spoedig een kunsthandel werd, waar werk van o.m. Otto Dix, George Grosz, Wassily Kandinsky, Lazlo Moholy-Nagy, Constant Permeke, René Magritte en Victor Servranckx te koop aangeboden werd. In 1925 opende Van Bruaene een galerie in de Naamsestraat 70, La Vierge poupine. De avontuurlijke en eigengereide West-Vlaming met wie samenwerken niet altijd even prettig was, kwam tot een zakelijk akkoord met Paul van Ostaijen (1896-1928) die van oktober 1925 tot begin maart 1926 als co-directeur fungeerde van de kunsthandel, waar hij in die periode ook zijn intrek nam. Hier ontmoette Eemans de dichter van Bezette stad voor de eerste maal.


Paul van Ostaijen (pasfoto, 1926)

Eemans bevond zich onder het publiek toen Van Ostaijen op donderdag 29 oktober 1925 in het Egmontpaleis een lezing gaf voor La Lanterne Sourde, een bij de Université Libre de Bruxelles aanleunende studenten- en kunstenaarskring.

Door omstandigheden vond de avond niet plaats in de gebruikelijke zaal, maar in één van de stallingen. In zijn indrukwekkende lezing handelde Van Ostaijen over de raakpunten tussen poëzie en mystiek. Hij poneerde de originele stelling dat de literatuur van een volk pas echt begint met zijn mystieke auteurs. Het feit dat hij zijn aan Gaston Brussens opgedragen 'Melopee' niet las maar letterlijk zong, maakte ophef.

Deze lezing over 'Le Renouveau lyrique en Belgique' was de eerste aanzet tot de definitieve formulering van Ostaijens poëtica, de kapitale 'Gebruiksaanwijzing der lyriek'. Eveneens aanwezig op die lezing, naast Pierre Bourgeois, Marcel Lecomte, Paul Werrie e.a., was René Coppe, een Franstalige Brusselaar, kunstschilder en reclametekenaar. Hij nodigde Van Ostaijen en Eemans uit voor een gezellige avond bij hem thuis, Marie-Henriettestraat te Elsene.

Van Ostaijen, die niet mild was voor zijn tijd- en vakgenoten, kon Eemans kennelijk wel waarderen. Toen hij het tijdschrift Avontuur redigeerde, schreef hij op 25 november 1927 aan Eddy du Perron (1899-1940):

À propos: er is nog een jonge Brusselaar die voor medewerking in aanmerking komt, namelijk Marc. Eemans, van, wie ik een paar aardige futuristische gedichten hoorde.

Eemans kon zich achteraf niet meer herinneren welke gedichten Van Ostaijen wel had kunnen horen.

Op poëtisch vlak was Van Ostaijen mijn leermeester. Ik zou zelfs durven zeggen dat de ars poetica die hij in de Lanterne sourde schetste zonder meer beslissend is geweest voor mijn surrealistische esthetica. De 'futuristische' gedichten waar gij over sprak waren wellicht prille jeugdzonden die 'modern' of 'dadaïstisch' wilden doen. Of bedoelde hij mijn 'woordvormen' van Vergeten te worden? Hij moet er enkele gekend hebben, al verschenen ze pas in 1930.

Raakpunten tussen de poëzie van Eemans en die van Ostaijen zijn er niet, en wanneer de eerste de tweede zijn leermeester noemt, dan berust dat in feite op een misverstand. Uit de mond van Ostaijen had Eemans de revelatie gekregen van de innige band tussen poëzie en mystiek, dat wel, maar hij reduceerde het theoretische discours van “zijn leermeester” tot die ene stelling. Toen in het eerste nummer van Avontuur 'Boeren-charleston' en 'Alpejagerslied' verschenen, was Eemans trouwens ontgoocheld. Hij vond die gedichten “te literair” en hij schreef dat ook meteen aan Van Ostaijen die in het sanatorium Le Vallon te Miavoye-Anthée verbleef (wat Eemans niet wist).

Uwe zuivere littéraire verhouding tot uw geschrift schijnt er me nochtans de waarde er van jammerlik te beperken. Uw Alpejagerslied, bij voorbeeld zou voor mij veel winnen zo ge het niet als een littérair fenomeen had behandeld, maar wel als een feit. Ik weet, daar moet ik de waren handel van uw geest stuiten en ook uwe ganse opvatting van het leven, ik zou er dus liefst niet aan roeren.

Hebt ge reeds nagedacht hoe men zich gedragen kan tegenover de twee gedichten van Burssens of uwe Boere-Charleston? De mooidoenerij van hun dynamies verbalisme kan eerst behagen, maar wordt eindelijk vervelend; ze duidt ook ene zwakheid van de dichter aan: het woord staat hem te boven.

Eemans schreef die brief op 13 maart 1928, vijf dagen voor Ostaijens overlijden, en stuurde hem op naar diens Antwerps adres. Toen ik hem in 1996 enige verduidelijking over die brief vroeg, herinnerde hij zich niet die ooit geschreven te hebben. Maar toen ik hem een kopie gaf, reageerde hij meteen:

Mijn voorbehoud, mijn verwijt was dat deze gedichten teveel 'woordkunst'zijn: rijmen, stafrijmen, onomatopeeën en andere klankspelingen. Ik vond dat deze gedichten niet beantwoordden aan zijn poëzietheorieën, zoals uiteengezet bij de Lanterne sourde.

Toen hij Van Ostaijen in 1925 ontmoette, schilderde Eemans abstracte composities in het kielzog van de 'zuivere beelding'. Politiek gezien was hij gauchist. In juli 1925 publiceerde hij in De Driehoek, het tijdschrift van Jozef Peeters (1895-1960) en Eddy du Perron, enkele beschouwingen 'Over constructivisme als nieuwe kunst', een pleidooi voor abstracte kunst. Eemans was achttien en zou spoedig in de ban geraken van de nieuwe avant-garde, het surrealisme. Het was eveneens in 1925 dat hij op een avondcursus voor journalistiek een negentienjarige socialistische militante leerde kennen, Irène Hamoir (1906-1994). Hij zou haar bekeren tot het communisme en inwijden in het surrealisme.

Op 6 oktober 1926 was Eemans aanwezig op de zogenaamde “slag van het Casino van Sint-Joost”, kristallisatiemoment van het Brusselse surrealisme in statu nascendi. Over een periode van veertig jaar heeft hij in woord en geschriften bij herhaling beweerd dat Van Ostaijen en Burssens deelgenomen hadden aan deze manifestatie. Feiten zijn eerbiedwaardiger dan een Lord Mayor, en de getuigenis van Eemans ter zake dient zonder meer verwezen te worden naar het rijk der verdichting.


Marc. Eemans, 1930. (Coll. HFJ)

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche