Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
1 août 2009 6 01 /08 /août /2009 19:16


Vanochtend werd in de overvolle aula Chrysant van het crematorium van Antwerpen afscheid genomen van Marcel van Maele (Brugge 10 april 1931 – Antwerpen 24 juli 2009).

Roger M.J. de Neef, die zowat fungeerde als ceremoniemeester, sprak Carine Lampens, levensgezellin van Marcel, dochter Lieve en famieleden, genodigden en vrienden toe.

Wij zijn hier samen om afscheid te nemen van Marcel, hem naar die verkeerde bestemming, zijn laatste rustplaats te begeleiden, een stuk van zijn leven in ons in te sluiten, ja, wij willen hem meedragen, wakker maken; ieder met een eigen verhaal dat Marcel ons nooit helemaal heeft kunnen voorlezen omdat hij het te druk had; omdat alles altijd te laat komt, omdat Marcel de som, de uitgever was van woorden en fratsen, van woordwisselingen die hem in bundels en afleveringen, in bepaalde personen, op bepaalde plaatsen, volgden, waarschijnlijk achtervolgden.

Vandaag zijn wij samen onderweg: iets voor bekakte Emmaüsgangers die achteraf een verhaal over een kostbare aanwezigheid komen vertellen: getuigenissen van mannen en evenveel vrouwen die in hoge mate Marcels woordvoerders zijn. Die met hun stem zijn stem zullen proberen over te brengen met de kleur, met de kramp, met de ironie die er rond zat.

Na de voordracht van enkele gedichten door Vera Alexander Beerten, zelf dichteres, bracht Roger de Neef hulde aan Marcel.

Deze anonieme stoel; een al even ongebruikelijke tafel van wit en ovaal met dichtgemaakte boeken waarvan de teksten, dichtgesneeuwd, onbereikbaar zijn gemaakt.

Opnieuw die ludieke, pesterige vorm van radicale censuur. En dan jouw as in de urne in een kubieke doos op het lege wit van die stoel, jij, Marcel, als cadeau ingepakt in affichepapier waarop jouw eigen, gescheurde, onleesbaar gemaakte handschrift, waarop duidelijk – het was gisteren – jouw verbaasde foto prijkt.

Ik ben vandaag naar hier gekomen met Adriaan en Frieda en Fred en met mijn zonderlinge, niet geordende herinneringen aan Marcel. Woorden waren zijn gereedschap.

En zoals hij, sta ik hier zonder papieren, en luister naar het dictaat van zijn stem. Ik zie Marcel zitten in zijn wagentje naast deze stoel van wit alsof het gedicht ademhaalt, beweegt, uitloopt en zichzelf dicteert. Gehoorzaam aan zijn handicap, op ingenieuze wijze, brengt hij zijn verzen van uit zijn oorschelp voor ons ten gehore.

Zodoende bevestigt hij andermaal, versterkt hij met de eigen stem, de oudere, ruwe stem van woorden die hem vroeger hebben gekozen en die hij nu voor ons bevestigt, bevestigde met de bloedslag van zijn hele lichaam.

De voorbije week van verlies keek ik opnieuw naar de foto die Carine van Marcel maakte in 2007. Foto die achteraf op behoorlijk groot formaat is afgedrukt op de DVD van cineast Rudy Willox over het leven en vooral het beeldend werk van Marcel dat zich op eigenzinnige wijze verdedigt en ook onderscheidt van dat van zijn lotgenoot, kompaan en vriend Marcel Broodthaers.

Op de prent heeft Marcel in een uitgedund bos een vakkundig afgezaagde boom als piëdestal voor zijn boodschap uitgekozen. Midden het feest van de verloedering hanteert en omklemt hij zijn witte blindenstok – dat kompas – als een degen terwijl hij oorverdovend duidelijk maakt: Nee, ik speel niet mee!!!

Behalve kreten en waarschuwingen zijn er genoeg ecologische verwijzingen; zo bijv. is er de fameuze “bloemlezing” in 1980: kleine cementen grafmonumenten in de bloempotvorm met daarin houten spatels en witte latjes en daarop in handschrift aangehecht de naam van de overleden bloem. Ook kruiden kregen in 1996 een soortgelijke hommage met “kruidje-roer-mij-niet” op het ereperk van zijn verbeelding.

Poëzie dus als levenshouding. Niet alleen in zijn poëtische roman Scherpschuttersfeest die Van Maele publiceerde in het wonderjaar 1968, maar in het overgrote deel van zijn literair én plastisch werk schiet hij met scherp. Marcel is blijven rebelleren tegen de verworvenheden en schijnwaarden van de traditionele, verburgerlijkte cultuur die koste wat het kost via religie, media, onderwijs en mode, in de insectenbuik van politiek en samenleving meer dan ooit probeert te overleven.

Naar de geest is het werk van Marcel alleszins verwant gebleven met dat van die ontembare, gespannen landgenoot Henri Michaux die niet zonder vuurwerk stelde: “De wereld wordt niet door woede gemaakt maar de woede moet er in leven”.

Die heilige woede, die opstandige vrijheidsdrang, die ontwrichtende humor in baldadige, ongesnoeide verzen en objecten.

Want Marcel van Maele had niets van Orfeus: hij wilde niet poseren, verleiden, verschalken, omkijken. Hij hield niet van muziek. Driftkop. En toch: van wildebras en beeldenstormer heeft Marcel het personage opgezocht van de 'bellenman”, de omroeper in een stokdove stad die niet zat te wachten op zijn berichten, nog minder op gedichten.

Blijft toch de dichter van Dada, in meervoud met dat onuitwisbaar gefluister in het niemandsland van de dood.

De dichter die “Zon van de nacht” schrijft voor zijn vrouw Carine en verlegen en teder eindigt met:

gij zijt de spiegel waardoor ik kijk

zodat ik in uw omarmen mijn wezen achterlaat.

Als ik verzink in uw gedachten

hou me dan vast

vanbinnen.

Dat doet zij, Marcel. Beloofd. Dat doen wij.

Jana van Camp droeg enkele gedichten voor, waarna een vinnige Guido Lauwaert pittoreske herinneringen ophaalde aan de VECU, Marcel van Maele en de Nachten van de Poëzie in Vorst (1973) en in Kortrijk (1975). Hij liet flesjes van 4 cl Filliers in de aula verdelen en nodigde de aanwezigen te toasten op Marcel.

Vervolgens kwam Lucienne Stassaert aan het woord, medestander van het eerste uur en zielsverwante.

Om Marcel hier te gedenken, heb ik een gedicht uitgekozen dat ik aan hem heb opgedragen. Omdat het in de toon van een “in memoriam” is geschreven, was het niet geschikt om bij zijn ziekbed voor te lezen. Marcel was nog helemaal niet bereid om te capituleren. Ook niet tijdens ons laatste gesprek, op dinsdagavond 21 juli. Toen wou hij, ondanks ademnood en een aanhoudend gerochel dat hem verhinderde om met een kwinkslag te reageren op wat ik hem wist te vertellen, toch nog te weten komen “met wat ik bezig was...” Hij vond het maar goed ook dat ik af en toe een ander medium koos en naar plastisch werk overschakelde: “Dat deed ik vroeger ook...” Het was alsof hij hiermee de verleden tijd had binnengelaten. Hij zuchtte en begon aan een cassette te frommelen om te horen hoe laat het was. Het is acht uur in de avond, hoorden we. Stilte. Acht uur en een minuut. En twee. En drie. En vier... Dat verloop scheen hem te obsederen – hij zocht tevergeefs naar een tweede cassette. Op mijn vraag waarom dat nodig was, kon hij alleen maar antwoorden met een diepe zucht: “Alles is hier zo overzichtelijk.” Om hem af te leiden, probeerde ik zijn nieuwsgierigheid te wekken met een plezierige anekdote. Hij lachte geamuseerd, tot een volgende rochel hem naar adem deed snakken. Dit is het begin van het einde, dacht ik. Maar hij wil het niet weten, nog steeds niet aanvaarden.

De vriend die ik terugzag, enkele dagen later, lag er als een weerloos wezen bij – een ingeslapen Marcel die niet meer op zijn tanden hoefde te bijten. Het is van deze “vermoeide tijger”, om het met zijn woorden te zeggen, dat ik vandaag afscheid wil nemen.

t.a.v. Pietje van Nergenshuizen

(poste restante)

voor Marcel van Maele

Met voze vingertoppen

en t' hardste water in mijn longen

moet ik wel bekennen

hoe tussen vel en vlees

uw nagels in mij inwassen.

 

Als krakepit creperen

doe je niet vanzelf

al schep ik nieuwe dagdromen

uit verkoold verlies.

 

Verdriet vond zelden

veel begrip bij mij

dan als een rare vogel

met wie je, als hij opgezet is,

jaren kan leven.

 

Zwaait gij maar met de zeis

en regel het verkeer

van schimmen in de file.

De een wil rechts, de ander links,

maar niemand wil naar boven.

 

Kijk maar niet om, ze redden het wel.

Blijft gij pal in het midden.

Ik zie hoe vast gij in het zadel zit

op uw vale schimmel.

 

Weet, ouwe knokendraaier,

zonder politiefluitje

haalt gij uw strepen niet

als ze niet meer verder kunnen

uit angst van 't onbekende.

 

Van al die dikke tranen

al dat schuim op de mond

loopt de hemel nog eens onder

als er weer duchtig wordt gezucht:

waar zijn die hoeri's nu

en waar de blote maagden?

 

Zeg mij eens, schrielhannes,

liefst niet met bloembekleedsels

bij een welriekend graf

met vriesblauwe engelen.

 

De een buigt links, de ander rechts,

en allen kijken sip.

Neemt gij nu eens een pauze.

Pietje van Nergenshuizen, laat mij door

als licht op licht valt

zwart op zwart:

ik ben de helderziende.

 

De aanwezigheid van Van Maele in De Zwarte Panter werd ten slotte opgeroepen door een duidelijk ontroerde Adriaan Raemdonck, die het plastisch werk van Marcel een bestemming en een thuis heeft gegeven – ook buiten zijn galerie.

De zo herkenbare stem van de dichter weerklonk luid terwijl de aanwezigen defileerden voor zijn laatste assemblage, “Urne in kubieke doos” – Tel qu'en Lui-même enfin l'éternité le change.

Na de bijzetting op het ereperk van het Schoonselhof bood Galerie De Zwarte Panter de gelegenheid tot samenzijn aan.

Tussen de talrijke aanwezigen: Roger van Akeleijen, Eddy Ausloos, Fernand Auwera, Maris Bayar, Fred Bervoets, Luc Boudens, Walter de Buck, Frank de Crits, Jean Emile Driessens, Gerdi Esch, Clara Haesaert, Peter Holvoet-Hanssen, Henri-Floris Jespers, Kris Kenis, Dirk Maeyens, Jef Meert, Frans Neels, Leonard Nolens, Ivo Raes, Renaat Ramon, Roel Richelieu van Londersele, Tony Rombouts, Adriaan de Roover, Bruno Sluydts, Freddi Smekens, Kees Snoek, Walter Soethoudt, Rose Vandewalle, Gert Vingeroets, Erik Vlaeminck, Frank de Vos en Julien Weverbergh.

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche