Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
26 juillet 2009 7 26 /07 /juillet /2009 05:23

In 2000 voerde Kris Kenis (CDR) een lang gesprek met Marcel van Maele. Het werd op band opgenomen, uitgetypt en door de dichter geautoriseerd, maar bleef door omstandigheden tot nu toe onuitgegeven. Ziehier alvast het gedeelte dat over Marcel Broodthaers (1924-1976) gaat.

Marcel had zich aan de keukentafel genesteld, in afwachting van wat komen ging. Het gesprek werd aangevat in het salon, ondersteund door een aperitiefwijn op fles getrokken door Marcels broer in 'de Vlaanders'. Uitstekend muskaatachtig wijntje. Het hoeft geen betoog dat de fles een kort leven beschoren werd. Tijdens het gesprek duwde Marcel geregeld zijn vinger in z’n glas om zich ervan te vergewissen dat hij steeds met een gevuld glas in het gesprek zit... Het werd achteraf aan tafel voortgezet, waar de culinaire talenten van Carine eens temeer voor wonderen zorgde.

*

Ziehier de getuigenis van Marcel over zijn vriend Marcel.

'Gebottelde Gedichten was een noodkreet, een ‘wanhoopsdaad’ omdat mijn gedichten niet gelezen werden. Klassiek grapje van mij was toen dat als mensen vroegen of ze op geen enkele manier het gedicht konden lezen ik hen aanraadde de fles kapot te slaan, waarop de meeste dan zeiden dat ze de fles intact wilden houden. Koop er dan twee was dan geheid mijn antwoord. En ik moet zeggen dat er verschillende waren die dat deden. Maar het was dus een daad om mijn gedichten meer onder de aandacht te brengen.

Ik ben eigenlijk begonnen met schilderen, niet met gedichten: heel kleinschalig, eind jaren 50. Ik was op zoek naar het niemandsland tussen literatuur en plastisch werk. Die grens verkennen interesseerde me. Mijn poëzie is van mezelf, je voelt de persoon daarachter, een tikje waanzin, een tikje gedrevenheid, een tikje realiteit. Het ontbreekt mij aan vakmanschap om te schilderen. In hoeverre moet dat er zijn om kunst te maken? Het gaat erover iets te zeggen. Met vakmanschap kan dat soms makkelijker maar het is niet steeds noodzakelijk, het is een hulpmiddel om een kunstwerk te realiseren.

In bepaalde kringen wordt er gesteld dat kunst zonder vakmanschap geen kunst is. De vraag wordt gesteld hoe staat het geschreven, hoe is het geschilderd, terwijl de vraag moet zijn wat is er geschreven, wat staat er geschilderd. De 'hoe' is maar een hulpmiddel, eventueel het instrument.

Dat had ik met Marcel Broodthaers gemeen, we konden geen van beiden tekenen of schilderen, maar hij had wel visie op de effecten die je met woorden en beelden kan bereiken, daar schuilt natuurlijk ook vakmanschap in.

Ik kende Broodthaers al van voor hij plastisch werk maakte (hij begon daarmee rond 1964), Ik leerde hem kennen eind jaren 50 toen ik in Brussel woonde. We frequenteerden in Brussel dezelfde stamcafé's. Wanneer dichters elkaar ontmoeten is er altijd een vorm van contact, hij was een zeer innemend en intelligent man.

Broodthaers leefde toen een beetje als een clochard. Naast zijn gedichten schreef hij artikels voor Le Soir, voor het Museum van Schone Kunsten, maar hij had geen vast inkomen. Hij ging regelmatig naar Knokke, hij had daar rijke vrienden wonen. Hij kwam dan terug met chique kostuums... Alleen: Broodthaers verzwaarde regelmatig en dan kreeg ik de kostuums die hem niet meer pasten, omdat ook ik er een beetje clochardachtig bijliep, slordige kleding, lange haren enz… maar dan om de zoveel tijd liepen we er beiden pico bello bij in maatpakken die eigenlijk object trouvées waren. Maria, zijn vrouw troonde me dan mee naar hun appartement, “kom, we hebben een kostuum voor jou.”. Dan stapte ik de Welkom buiten als clochard en enkele uurtjes later terug binnen als perfecte heer. Alleen de schoenen marcheerden niet, ik had maat 45 en Broodthaers had een 42. Daarom heb ik hem laten vallen, hij liep op te kleine voet!

Het eerste artikel dat ooit over Broodthaers verscheen, heb ik geschreven. Dat was een veertiendaags tijdschrift indertijd in Amsterdam, Kunst van Nu, dat was begin 1965. Hij was dan net begonnen met zijn plastisch werk. Ik kon me onmiddellijk vinden in zijn werk, hij kon er ook prachtig over praten. Dat artikel wordt ten andere nooit meer vermeld, nergens in de bibliografie van Broodhaerts wordt er melding van gemaakt. Nu ik was en ben geen essayist, dus zo’n denderend artikel zal ’t wel niet geweest zijn zeker?! Er stond een foto van z’n werk bij, het was een eerste aanzet om zijn werk onder de aandacht te krijgen. Het was in interviewvorm en ik liet hem vooral aan het woord. Hij vertelde dat hij besloten had geen dichter meer te willen zijn maar plastisch kunstenaar, omdat, zo zei hij: “ook ik iets zou willen verdienen met het verkopen van objecten”. 'Mosselen op en top pop' was de titel van het artikel.

Inderdaad, Broodthaers heeft zijn wortels in het surrealisme en dadaïsme, en in de popart. Wat ik doe en deed was natuurlijk geen popart.  Broodthaers zijn eerste werken waren de dichtbundels overgoten met plaaster, daar kreeg hij een vermelding in de prijskamp Jeune Peinture Belge. Het object was meer als daad bedoeld dan als object. Hij krijgt een vermelding, zo van “jij mag verder gaan…”

Het lag ook dicht bij mijn gebottelde gedichten, mijn boek in polyester, de wit geschilderde boeken, ergens op die grens tussen literatuur en beeldend werk. Er zit een beetje dégout van de poëzie, wat voor zin heeft het… De revolutionaire daad van een geëngageerde gedichtenschrijver heeft niet zo veel impact, maar een object heeft grotere impact. Het is tastbaarder.  Woorden zijn soms niet zo direct, daarom zijn die woorden een verlengstuk van een beeld. Ik wou dat niemandsland bezetten. Veel van mijn plastisch werk bevat tekst, het zijn woorden die ik gebruik om een beeld op te roepen door ze in een beeld trachten te vatten. Maar steeds opnieuw bouw ik drempels in: dat de teksten moeilijk te lezen zijn, in een fles, tralies ervoor, dat je iets moet doen om de tekst te lezen. “Om deze tekst te lezen langzaam met het lichaam wiegen” bijv., de lezer weet niet dat hij aan het begin van de zin eigenlijk gewoon leest wat ie moet doen om te lezen wat er staat, zonder dat er eigenlijk iets meer staat. De eerste objecten van Broodthaers, de mosselen, de steenkool, de eieren, ja dat waren zijn primaire levensbehoeften, zo eenvoudig is dat. De dingen die hij zich niet altijd kon permitteren, ik kan daar weinig grote theorieën over vertellen.

Het interview van Kris Kenis zal eerlang integraal gepubliceerd worden in de papieren editie van de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche