Vendredi 22 mai 2009 5 22 /05 /Mai /2009 21:06

Woensdag 20 mei promoveerde Matthijs de Ridder (°1979) aan de Universiteit Antwerpen op een proefschrift over de activistische tegentraditie in de Vlaamse letteren. In de promotiecommissie zetelden Piet Couttenier, Gillis J. Dorleyn, Joris Duytschaever, Herman van Goethem, Kris Humbeeck en Erik Spinoy.

De verdediging van het proefschrift werd door de promovendus als volgt ingeleid:


Het begint met een foto. Deze foto is genomen in augustus 1912 in Antwerpen, tijdens de week waarin Hendrik Conscience op grootse wijze werd gevierd. Honderd jaar eerder was Conscience in diezelfde stad geboren en dat werd in 1912 in het hele land herdacht. Onder andere in Gent, Brussel en Aalst vonden dergelijke manifestaties plaats en zelfs in Luik bracht men hulde aan de man die zijn volk had leren lezen. Maar nergens werd Conscience zo groots gevierd als in Antwerpen.


Wat u op deze foto ziet, is een snapshot van de feeststoet die op 11, 15 en 18 augustus door Antwerpen trok. Een groot deel van deze optocht bestond uit uitbeeldingen van Consciences historische romans. Hier ziet u bijvoorbeeld enkele ridders uit De leeuw van Vlaanderen passeren. Wat ook goed zichtbaar is, is het publiek dat niet alleen rijendik langs de route van de optocht stond opgesteld, maar ook op de balkons stond te kijken en hier en daar zelfs uit de ramen hing om toch maar niets van de bonte stoet te hoeven missen. De mensen kwamen massaal kijken naar deze verheerlijking van de volksschrijver. Volgens sommige schattingen waren er op 11 augustus 1912 200.000 mensen naar Antwerpen gekomen om Conscience te eren.

Het is nu niet meer voor te stellen dat een menigte ter grote van de complete bevolking van Gent of Groningen zou afkomen op een literair evenement. En eigenlijk was dat toen ook al zo. Negenentwintig jaar na het overlijden van Hendrik Conscience was zijn werk weliswaar nog lang niet vergeten, maar hoe geliefd zijn boeken ook waren, het was de massa niet om bellettrie te doen. Nee, de mensen waren naar Antwerpen gekomen omdat de Vlaamse literatuur – die Conscience met gemak in zijn eentje kon vertegenwoordigen – een andere dan een strikt artistieke functie had. Men was niet naar Antwerpen gekomen om zich te profileren als literatuurliefhebber, maar om zich te laten opmerken als bewuste Vlaming.

De literatuur – en dat is meteen een van de voornaamste uitgangspunten van dit proefschrift – had een belangrijke rol te spelen in het proces van Vlaamse natiewording. In kranten en tijdschriften werd in de weken voorafgaand aan de Conscienceviering dan ook tot vervelens toe herhaald dat het de plicht van elke Vlaming was om de wereld te laten zien dat Vlaanderen als culturele natie bestond. Na eeuwen van sluimerende existentie was het moment daar om te tonen dat Vlaanderen was ‘herworden’ of – in minder gedateerd Nederlands – geregenereerd.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit wel vaker gebeurde. De massabetoging was een geliefd middel van de vooroorlogse Vlaamse Beweging. Maar het is niet toevallig dat er juist bij deze gelegenheid zo’n ongeziene menigte kwam opdraven. Conscience had er met zijn romans immers voor gezorgd dat die regeneratieve logica ingang had gevonden bij het Vlaamse volk. Hij had een zeer aanzienlijke bijdrage geleverd aan het besef dat de Vlamingen zich – geïnspireerd door hun grootse verleden – weer moesten laten gelden als een zelfbewust volk. Met boeken als De leeuw van Vlaanderen en De Kerels van Vlaanderen had Conscience zelfs gezorgd voor een grotendeels verzonnen voorgeschiedenis, waarop een culturele Vlaamse natie kon worden gebouwd.

Het is die constructie van Vlaanderen die ervoor had gezorgd dat een groot aantal enthousiaste Vlamingen zich op 11 augustus 1912 onderdeel van een gemeenschap konden voelen. En meer dan een onderdeel van een gemeenschap voelden zij zich kinderen van Moeder Vlaanderen. Want dat was de manier waarop Vlaanderen – wederom onder invloed van het werk van Conscience – werd verbeeld: als een familie.

In Consciences blauwdruk ging het daarbij heel duidelijk om een Belgische familie. De schrijver die nog had meegevochten voor de onafhankelijkheid van België in 1830 wilde er alleen voor zorgen dat het politieke en culturele overwicht van de Franstalige elite in zijn land in evenwicht werd gebracht. Vadertje Staat kreeg de zware opdracht om respectvol om te gaan met de rechten van het Vlaamse volk, dat door Conscience in verband werd gebracht met oermoederlijke krachten.

In het ideale geval zou deze verbeelding leiden tot een harmonieus huwelijk tussen Vader België en Moeder Vlaanderen, maar in de historische romans van Conscience was het nog niet zo ver. In zijn regeneratieve logica had het ingedommelde Vlaanderen immers nog een lange weg af te leggen. Maar er waren vaak wel exemplarische dochters aanwezig die kandidaat waren voor de rol van Moeder Vlaanderen: Machteld van Bethune in De leeuw van Vlaanderen, Dakerlia Wulf in De kerels van Vlaanderen. Conscience schilderde met andere woorden een historische weg naar een harmonieuze Belgische familie. Vlaanderen zou krijgen wat het verlangde, als het maar gehoorzaamde aan de rechtmatige heersers. België zou kunnen rekenen op een bijzonder loyaal Vlaams volksdeel als het zijn recht zou eerbiedigen.

In 1912 was deze familiegeschiedenis nog steeds een veelgebruikte metafoor in de discussie over de Vlaamse natiewording. Al had ze hier en daar wat noodzakelijke veranderingen ondergaan. Met de claim dat Vlaanderen was herleefd, kwam ook de logische conclusie dat het huwelijk tussen Moeder Vlaanderen en Vader België was voltrokken. En voorlopig leek iedereen bereid om te geloven in het welslagen van dat huwelijk. Het feit dat de jonge koning Albert de Eerste aanwezig was bij de feeststoet, werd gezien als een bewijs daarvan.

Maar laten we nogmaals naar de foto kijken. We zien mannen uitgedost als Vlaamse ridders een verhaal uitbeelden dat was uitgegroeid tot de founding myth van Vlaanderen. We zien dat dit gebeurt in een overwegend Franstalige omgeving met sterke Duitse invloeden – Hotel Taverne Georges pakt bijvoorbeeld uit met een Hamburger Buffet en bij de buren wordt Bière de Dortmund aangeprezen –, typisch voor het vooroorlogse Antwerpen. Het officiële of vaderlijke en het volkse of moederlijke element lijken dus in evenwicht.

Maar er wringt ook iets in deze foto. Het was ondertussen 1912 geworden en de aanblik van ridders in de gestaag moderniserende wereld was toch wat koddig aan het worden. Al was het maar omdat de ridder in het midden in een poging om nog imposanter te lijken, zijn vlag gevaarlijk dicht in de buurt van de bovenleiding van de tram zwaait en zijn middeleeuwse moed bijna beloond ziet met een twintigste-eeuwse elektrocutie. Het conflict tussen het negentiende-eeuwse optimisme van Conscience en de twintigste-eeuwse realiteit bleek in 1912 steeds duidelijker als een gevaar boven de feestvreugde te hangen.

De vraag was dan ook of men niet toe was aan een update van het traditionele discours. Volgens sommigen had het althans weinig zin om de mantra van de onvermijdelijke regeneratie te blijven herhalen, als het ondertussen zonneklaar was dat er nog niets wezenlijks was veranderd. Conscience had goed werk verricht, maar misschien werd het tijd om de Vlaamse Beweging en dus ook de literatuur op de noden van de eigen tijd af te stemmen.

In de marge van de Conscienceviering kwam er een debat op gang dat het begin zou blijken te zijn van een radicalisering van de Vlaamse Beweging en de Vlaamse literatuur. De traditionalisten kwamen tegenover de vernieuwingsgezinden te staan; de typische cultuurflaminganten tegenover de mensen die zich hardop begonnen af te vragen of Moeder Vlaanderen wel zo goed behandeld werd door Vadertje Staat.

1912 zou bovendien het jaar blijken te zijn waarin een hele jonge generatie voor het eerst van zich deed spreken. Onder leiding van de tot nu toe volkomen vergeten Gentse dichter M.B. Ledegouwer zetten zij in op een radicale vernieuwing van de kunst én de maatschappij. Zij viseerden zowel het zittende Franstalige establishment als de traditionele Vlaamse Beweging, in een poging om ook in metaforische zin de aandacht op de jonge generatie te vestigen. Vlaanderen was voor hen geen oude moeder die in haar glorie moest worden hersteld, maar eerder een jonge maagd, die door de daadkrachtige jongeling het hof werd gemaakt.

Dit proefschrift vertelt het verhaal van deze radicale vernieuwingsbeweging, die de overjarige ridders uit het Vlaamse straatbeeld wilde verjagen. Niet eens om ruim baan te geven aan de treinen, want die werden bestuurd door dezelfde elite die ook hun scholen bestuurde. Nee, de ridders moesten plaatsmaken voor hun eigen verbeelding van Vlaanderen.

Het verhaal begint in 1912, maar neemt een paar jaar later een dramatische wending, als men tijdens de Eerste Wereldoorlog niet alleen hardop mag dromen van een sterk Vlaanderen, maar de mogelijkheid zich ook voordoet om dat ideaal te verwezenlijken. Jonge schrijvers als Paul van Ostaijen tonen zich bereid om gebruik te maken van de hulp die de bezetter aan deze vernieuwingsgezinde flaminganten biedt. Zij schrijven en dichten in door de Duitsers gefinancierde bladen, studeren aan de door de bezetter vernederlandste Gentse Hogeschool, werken als ambtenaar op een door Berlijn gesplitst ministerie, of staan op de nominatie om een hoge positie te bekleden bij de Vlaamse ordetroepen. Het activisme – zoals deze collaboratie heet – blijkt een wel heel drastische vernieuwing te zijn van het ooit zo brave flamingantisme.

Deze radicalisering van de voorhoede van de Vlaamse letteren is vaak beschreven als een symptoom van opportunisme. Het zou de misstap zijn geweest van de kleinburgerij die maar al te graag gebruik wilde maken van deze plots geboden binnenweg naar de macht. Onder het mom van idealisme zou men zijn gezwicht voor de verleidingen van macht en maatschappelijke erkenning.

Die interpretatie heeft een aantal voordelen. Het activisme kan namelijk worden voorgesteld als een vergissing, als een bijna collectieve jeugdzonde van een generatie schrijvers die bijzonder veel invloed heeft gehad op de Vlaamse literatuur. Maar die interpretatie zorgt er ook voor dat de activistische bedrijvigheid van schrijvers die we ook nu nog van belang achten – Paul van Ostaijen en Gaston Burssens bijvoorbeeld – vaak wordt geminimaliseerd. Terwijl het activisme van schrijvers die nu bekend staan als hopeloze nationalisten – bijvoorbeeld René de Clercq – flink wordt aangezet. Het activisme wordt zo een onwelkome factor in de literatuurgeschiedenis, die op strategische wijze kan worden ingezet.

In mijn onderzoek heb ik het activisme niet benaderd als een randverschijnsel, maar juist als de drijvende kracht van een literatuur die uiteindelijk grote invloed zou uitoefenen op de vernieuwende literatuur van na de Tweede Wereldoorlog. De term activisme slaat dan ook niet meer alleen op de politieke bedrijvigheden van de schrijvers, maar op de literaire strategie die zij hanteerden. De activistische literatuur was er namelijk niet op uit om louter kunst te scheppen, nee deze opstandige geschriften wilden ook buiten de grenzen van de tekst iets in de wereld veranderen.

In het activisme stond met andere woorden de daadkracht centraal. Men vond dat het er niet op aan kwam om de wereld nog eens op een andere manier te interpreteren, maar om haar daadwerkelijk te veranderen. Dat betekende ook dat men zich meer ging richten op de concrete noden van het volk. ‘Er is geen immanent flamingantisme’, schreef Oskar de Smedt, een goede vriend van Paul van Ostaijen, al in mei 1916. Daarmee gaf hij aan dat het maar eens gedaan moest zijn met de Vlaamse Beweging die zich, zonder rationele argumenten te verschaffen, beriep op een Vlaams Natuurrecht. De jonge flamingant was niet Vlaamsgezind omdat hij nu eenmaal Vlaams was, maar omdat hij zich er zelf van had vergewist dat de Vlaming een tweederangsburger was.

Onder invloed van de Kritiek der Vlaamse Beweging van August Vermeylen en de geschriften van M.B. Ledegouwer ging men op zoek naar de zelfstandig opererende Vlaming, naar de Vlaming die zich in wezen had losgeweekt van de traditie. Op die manier creëerden de activisten voor zichzelf een zeer enthousiasmerende illusie van totale onafhankelijkheid. Zij voelden zich niet meer gebonden aan de Belgische staat en eigenlijk ook niet aan de traditionele Vlaamse Beweging, waarvan het grootste deel passief was gebleven.

Die vrijgevochten houding wordt ondermeer gereflecteerd in de manier waarop de activist zichzelf invulde in het familiale schema. Aanvankelijk nam hij daar een nogal onafhankelijke rol aan van de intellectueel die de verhouding tussen de Vaderstaat en het Moederland kritisch – en in het voordeel van Moeder Vlaanderen – becommentarieerde. Uiteindelijk wierp hij zich in sommige gevallen zelfs op als strijdvaardige kandidaat voor de inmiddels vacante vaderrol.

In deze retorische analyse – die in de traditie staat van Klaus Theweleits werk over het discours van de Duitse Freikorpsen en Barbara Spackmans studie over het Italiaanse fascisme – is een grote homogeniteit in de gebruikte metaforen te ontdekken. Maar tegelijkertijd zijn er ook veel inconsequenties waar te nemen.

Ondanks het feit dat Van Ostaijen in zijn essays al heel vroeg afstand deed van het traditionele Vlaamse vertoog en postuleerde dat het moderne nationalisme ‘beredeneerd en zonder sentimenteel geklets’ zou moeten opereren, is de familiale metafoor bijvoorbeeld ook in haar traditionele gedaante aanwezig in zijn teksten. Dat is absoluut geen aanleiding geweest om Van Ostaijen, of in bredere zin: het activisme, te betichten van een gebrek aan intellectuele vermogens, noch om de verregaande vorm van nationalisme die hij aanhing te veroordelen als ondoordacht. Dit soort schijnbare lapsussen laten namelijk zien dat het activistische discours in eerste instantie op de verwezenlijking van de geformuleerde idealen gericht is. Het tekent het retorische pragmatisme dat in stelling wordt gebracht om het onderliggende wensscenario realiseerbaar te maken.

De paradox is namelijk dat de activisten de maatschappij weliswaar drastisch wilden veranderen, maar dat zij – in tegenstelling tot wat ze wel eens beweerden – niet radicaal konden breken met de schrijvers en politici die hen voorgingen. De vernieuwingsgezinde schrijvers voelden zich in de eerste plaats onderdeel van een maatschappelijke beweging die een ideaal wilde verwezenlijken. Waar kunstenaars in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland ongegeneerd konden dromen van een utopische humanitaire broederschap, of hun commentaar straffeloos konden verpakken als absurdistische antikunst, probeerde men in Vlaanderen het volk daadwerkelijk te overtuigen van de noodzaak van verandering.

De vraag was natuurlijk of dat zou lukken met een compleet nieuwe – voor het overgrote deel van de bevolking onbegrijpelijke – kunst. Of in van Ostaijens woorden:

Ik wees reeds op deze dubbele en zeer gekompliseerde taak: de nieuwe weg volgen, het modern nasionalisme dat zich ontwikkelt in een europese solidariteit; ten tweede het lokaal nasionalisme dat nog steeds vreesachtig tegenover zulke solidariteit moet staan, omdat deze te haastig en op onvaste grondslag gevestigd, de door de geschiedenis bewezen imperialistiese strekking van de Zuiderbuur wel zou kunnen bevorderen.

Men moest zich met andere woorden richten op de Europese vernieuwingsbewegingen én zich daar tegelijkertijd zeer huiverachtig tegenover opstellen, omdat men anders het kind wel eens met het badwater zou kunnen weggooien. En die paradox werd alleen maar groter naar mate het moment van een Vlaamse revolutie naderde. Hoe groter de noodzaak van concrete volksopstand, hoe meer men zich gedwongen voelde om terug te grijpen naar beelden waarmee de Vlamingen vertrouwd waren. Hoe nieuw en vooruitstrevend en hoe kritisch die activistische stroming ook was voor de traditionele Vlaamse Beweging, uiteindelijk stond iedereen onder de invloed van het dwingende regeneratieschema, dat de opstanding van Vlaanderen beloofde.

Vernieuwing en traditie gaan in dit proefschrift dan ook hand in hand. Of om het nog eens te formuleren aan de hand van het beeld waarmee ik deze uiteenzetting begon: Hendrik Consciences middeleeuwse ridders verdwenen nooit helemaal uit het straatbeeld. Het verhaal van de opkomst, de ondergang en de nieuwe opkomst van Moeder Vlaanderen en haar kroost bleek veel meer te zijn dan een romantische verbeelding van Vlaanderen. Het was de logica die de complete Vlaamse literatuur structureerde. Het was de fantasie die de realiteit grotendeels had overgenomen.

Dat blijkt overtuigend uit de casus waar het laatste hoofdstuk van dit proefschrift aan is gewijd, de nagenoeg vergeten romanschrijver Kurt Köhler. Köhler formuleerde in zijn twee meesterlijke romans een kritiek van het activisme met de heimelijke hoop om het internationalistische activisme van Van Ostaijen en consorten nieuw leven in te blazen. Zijn eigen wereldwijze personages maakten echter keer op keer de verkeerde keuzes en raakten steeds weer verstrikt in de tentakels van de Belgische staat.

Dat was een vernietigende analyse van het activisme, maar ook een treurige conclusie voor het idealisme van zijn eigen generatie. De nieuwe generatie leek er niet in te slagen om tegelijkertijd een modieus internationalistisch antimilitarisme én een krachtdadig Vlaams-nationalisme te kunnen huldigen. Toch was deze constatering niet het einde van Köhlers loopbaan als idealist. Het activisme was misschien tekort geschoten, maar dat hoefde niet het einde te betekenen van zijn Vlaams-nationalisme. Met een traditionelere variant van de familiale metafoor in de hand vond hij in de tweede helft van de jaren dertig aansluiting bij een volks-nationalistische Vlaamse Beweging en vond hij vervolgens moeiteloos de weg naar de DeVlag en uiteindelijk zelfs de Algemene SS Vlaanderen. De ideologische fantasie had bij Köhler geleid tot ‘begripsverwarring’, zoals hij het tijdens zijn proces eufemistisch verwoordde. Een juiste analyse die om begrijpelijke redenen geen indruk maakte op de rechter.

Ook op mij maakte dit excuus geen indruk. Ik heb met mijn onderzoek althans geen excuus willen zoeken voor de soms verregaande politieke daden van deze schrijvers. Maar deze casus laat wel zien hoe dwingend en verblindend het discours kon werken, zelfs bij een zeer lucide geest als Kurt Köhler, die net als René de Clercq en Paul van Ostaijen op cruciale momenten had laten zien dat hij zeer goed wist hoe het gehanteerde discours functioneerde. Ondanks dat hij de gevaren van de verbeelde zoektocht naar het ideale Vlaanderen onderkende, dicteerde de overkoepelende activistische logica dat deze idealist die zoektocht tot het uiterste moest voeren.

Zo ontstaat dus een beeld van een literatuur die zich niet door de bezetter heeft laten verleiden tot staatsgevaarlijke praktijken, of uit opportunistische overwegingen is gezwicht voor de verleidingen van de macht, maar van een literatuur die was doordrongen van haar taak om Vlaanderen op te stoten in de vaart der volkeren en in dat streven geen enkel middel schuwde.

Dit is een geschiedenis die in de loop der jaren wat in de vergetelheid raakte. Met literatuur had deze met activisme en collaboratie verbonden beweging niet zoveel te maken, zo vond men na de Tweede Wereldoorlog toen het nationalisme definitief in een kwaad daglicht was komen te staan. Het ooit zo massaal opgekomen publiek was naar huis gegaan en het beeld van de mythische ridders in het stadsgezicht vervaagde. Totdat deze Hollandse ridder met de wielen van zijn stalen ros klem kwam te zitten in een Antwerps tramspoor en ter plekke besloot om deze geschiedenis te ontrafelen.

*

Onder de talrijke aanwezigen: Manu van der Aa, Nele Bernheim, René Broens, Leen van Dijck, Joris Gerits, Frank Herrebout, Henri-Floris Jespers, Piet Joostens, Kris Kenis, Ivo Kuyl, Pruts Lantsoght, Mieke de Loof, Leo van Maaren, Luc Neuhuys, Thierry Neuhuys, Harold Polis, Adriaan de Roover, Gerd Segers, Joost Vandommele en Willem van Zadelhoff.

Meer over dr. Matthijs de Ridder in de volgende aflevering van de Mededelingen ( nr. 139, 31 mei).

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires
Retour à l'accueil

Pages

Créer un Blog

Recherche

Calendrier

Novembre 2014
L M M J V S D
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
             
<< < > >>

Présentation

Créer un blog gratuit sur over-blog.com - Contact - C.G.U. - Rémunération en droits d'auteur - Signaler un abus - Articles les plus commentés