Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
5 mars 2009 4 05 /03 /mars /2009 13:37


Lucienne Stassaert, Goublommeke in papier, 4 maart 2009.


Tijdens een poëzieavond, ik meen in de loop van 1969, zou ik Jan de Roek voor het eerst zijn gedichten horen voordragen. Jan was zeker niet de meest bekende dichter, maar vanaf het moment dat hij 'Mijn vriend' voorlas, was het gedaan met de gezapigheid van lyrisch bedoelde, wel of niet maniëristische of zijdelings geëngageerde poëzie. Zijn zegging getuigde van een gestrengheid, die geen halve poëtische waarheid toeliet, alsof hij zijn verzen let een mespunt had neergeschreven. Die sprongen als bloemen open – maar in hun stuifmeel zat dynamiet. Dit was een dichter die trefzeker met beelden omging en deze zo wist op te laden dat ze iets onherstelbaars in zich droegen, een lading voor een kaalslag. Dat gebeurde gedurig net niet, al behoorde dat tabula-rasa-element alleszins tot de mogelijkheden.

Dat vermoeden werd nog eens bevestigd toen ik hem, een korte tijd later, zijn 'pièce de résistance' – c'est le cas de le dire – of het gedicht 'Don Juan' hoorde voorlezen: een gedicht als een kathedraal met zowel water- als vuurspuwers. Het eigenaardige van zijn lyriek kwam er naar mijn gevoel op neer dat, ondanks al de metaforen, elk vers als een pijl werd afgeschoten. Hij bleef mikken op het

ere punt van de zelfontraadseling: in de roos die ook voor een mystica als Hadewych het streefdoel was. Het ritme van zijn verzen was meteen herkenbaar en even duidelijk als een litteken.

Dat Jan de Roek zijn collega-dichters op een bijzonder spitsvondige manier kon voorstellen, bewijst het gedicht 'Dien avond', geschreven naar aanleiding van een poëziemanifestatie in het Romi Goldmuntz Centrum. Zonder binnenpret of een bepaalde soort leedvermaak, dat nu in de mode is, wist hij telkens de zwakke én sterke kanten van de aanwezige dichters met een rake typering te illustreren. Een van de 'poètes admis' stelde Jan aan het publiek voor als 'de professor', een aanfluiting of karikatuur van zowel zijn persoon als zijn dichtkunst. Zo voelde ik dat tenminste aan. Hijzelf wou er met geen woord op ingaan, daarna. Maar zijn reactie sprak boekdelen.

Een ander, minder opvallend facet van zijn werk, komt vooral in het 'gelegenheidsgedicht' 'In hoc signo' tot uiting, namelijk de ingezouten kritiek op 'deze gedesinfecteerde, geprefabriceerde tijd'. Dit gedicht klinkt nog steeds alsof het vandaag is ontstaan. De feitelijkheid die altijd al bij het poëtisch proces hoorde dat hij zowel met als tegen zichzelf wou inspannen, wordt hierin via een reeks vaststellingen in het geheel geïntegreerd. Hier is een onheilsprofeet aan het woord, in het land van de ondergang. Jan had mei 68 niet nodig om te protesteren – zijn verbeelding was al lang aan de macht.

Als mens zou ik hem beter leren kennen tijdens informele bijeenkomsten in De Muze. En dan kwam hij eens niet als een 'poète du mal d'exister' op mij over, wel als een heel beminnelijk man met een geheim gehouden kwetsbaarheid. Daar zou ik hem ook voor de laatste keer ontmoeten. Jan was toen als jurylid betrokken bij de Poëziedagen in Deurle, de plek waar ik zijn dood nog zou vernemen. Kort voordien had ik een akelige droom gehad van een begrafenisstoet, onderweg naar een graf? Mar: van wie? Ik veronderstelde tenslotte dat ikzelf ten grave werd gedragen. Niemand leek mij te zien, ik was de spookbegeleidster van een groep.

Een van zijn gedichten eindigt met 'Niets gaat ooit verloren'. Ik hoop dat een of andere verlichte uitgever weldra bereid zal zijn om een nieuwe uitgave te verzorgen van zijn verzameld werk.

Lucienne STASSAERT

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche