Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
2 mars 2009 1 02 /03 /mars /2009 08:35


Lucienne Stassaert heeft in haar rijke carrière als dichteres veel verschillende paden bewandeld die uiteindelijk leidden tot een zeer sterke, zelfbewuste, originele poëzie met grote gevoeligheid voor de mogelijkheden, maar ook grenzen van taal – taal zonder opsmuk of irrelevante details; uitgepuurde poëzie, zeg maar, waarin vele boegbeelden of mentoren als dramatis personae werden opgevoerd met wie Lucienne Stassaert zich dan ook deels identificeerde, en dit vooral om het proces dat die paradigmatische personages hadden doorlopen (ik denk aan spirituele gidsen zoals Hadewych, Sylvia Plath, Aphra Behn en Emily Dickinson), om dat proces verder uit te diepen, om het te continueren in een nieuwe, heel eigen richting. Met die dramatis personae kwam zij zelf 'in aanraking', om het met de titel van haar bundel uit 2005 te zeggen. En wijzelf kwamen met hen in aanraking via het prisma van de dichtkunst van Lucienne Stassaert. De thema's die haar een leven lang beroerd hebben verstrengelden telkens in nieuwe configuraties van verzen, nieuwe poëtica's inzoverre een bepaalde poëtische kijk van de dichteres aan herziening toe was. Want één ding is duidelijk: ze maakte het zich nooit makkelijk, ook niet in dit overduidelijk testament, waarin ze niet in de valstrik van een bepaalde poëtische formule wil lopen.

De indruk die ik krijg is dat Lucienne Stassaert aan een weefgetouw zit, waarvan ze de draden steeds opnieuw uit elkaar haalt, om de figuren die ze eerder geweven heeft nog maar eens ongedaan te maken, en uit te zoeken of de creatie van nieuwe figuren en vormen aan de orde zijn. Ze kiest voor de route van de verdamping, zoals Emily Dickinson, wier vluchtige poëzie – vluchtig in de zin dat het geviseerde object kantelt, wentelt, alweer een kwartslag gedraaid is door nieuwe kennis, nieuwe ervaring – wier vluchtige poëzie via brieven verstuurd werd, brieven als poëzie, brieven die daardoor opgetild werden uit hun gebruikelijke status, of anders gezegd, bekeken vanuit het standpunt van de poëzie, brief geworden verzen die de 'gravitas van druk' omzeilden, de autoritaire ernst van druk, het heilig geloof van dichters en uitgevers in de definitieve bezegeling, misschien zelfs ook aan de wens om gedrukt te worden, aan de druk als einddoel van de poëtische arbeid. Toen ik haar daar een keer over polste, reageerde Lucienne Stassaert veelzeggend dat de 'noodzaak' van haar poëzie zo groot was dat ze ontsnapte aan alle publicatie-opportuniteiten. Het proces zélf, daar was en is en blijft het haar om te doen. Al mogen we niet vergeten dat er zich, net zoals bij Sylvia Plath, bij Lucienne Stassaert een verlangen laat voelen om erkend te worden, 'begrepen'. Niet zozeer door de lezers van De Morgen of De Poëziekrant, maar door die ene lezer die de confrontatie met haar aangaat. U dus. U en ik. Er moet een taal worden gehanteerd die 'aankomt'. Maar dat is niet eenvoudig, gegeven het complex karakter van de poëtische ervaring.

Vergeten we ook niet dat het poëtisch proces van Lucienne Stassaert zich in diverse media voltrekt, en zelfs binnen eenzelfde medium in verschillende vertakkingen. Lucienne creëerde niet nààst maar door elkaar heen muziek, visuele kunst en literatuur, en binnen de literatuur wijdde ze zich aan poëzie, toneel en proza. Er werd getekend naar een tekst toe, teksten werden geïllustreerd, pianocomposities inspireerden poëzie, enzovoort.

Lucienne Stassaert is een zeer intelligente vrouw, maar ze 'voelt' in de eerste plaats. Ze scant inhouden, zoals een scanner in het ziekenhuis het lichaam van een patiënt aftast. Net zoals de scanner vindt ze inhouden die slechts kenbaar blijken in momenten van genade. Ik gebruik het beeld van de scanner, omdat we hier in deze nieuwe verzenbundel te maken hebben met een oncologische pathologie. De wildgroei wordt bestudeerd. Wildgroei van cellen, dat zeker, maar ook een wildgroei die eigen is aan het leven zelf en die doorgaans aan het zicht onttrokken blijft. We zien dat leven immers veel te graag als een controleerbare groei, als beantwoord aan prognoses en verwachtingen. Niet zo in deze nieuwe verzen, die op zoek zijn naar ontsporing, naar reacties die het automatisme van gebruikelijke actie-reactie fnuiken. Lucienne breekt met alle conventies, legt haar leven op de operatietafel en laat de scanner van haar taal het ware werk doen.

De pathologie van het leven – het leven en vooral de liefde als een ziekte, Proustiaanse invalshoek die ook Beckett gehanteerd heeft, de pathologie van het leven maakt als thema dankbaar gebruik gebruik van een haarscherp geobserveerd ziekenhuisverblijf. Het lichaam kan zichzelf, behalve de benauwende momenten van angst en vertwijfeling, ook alle passiviteit veroorloven om te laten gebeuren wat noodzakelijk of onafwendbaar is, om het even of het nu gaat om een zoveelste onderzoek of een langdurige rust in bed. Er wordt geleefd, de actieradius van het eigen initiatief is beperkt topt het uitzoeken van de juiste taal. En zelfs dan nog lijkt het alsof de taal zélf het selectieve werk doet. Alsof de enige taal die past bij de beschrijving van deze moeilijke situatie uit eigen beweging naar de dichteres toekomt. Het 'overkomt' haar allemaal. We zijn als lezer mee getuige van dat proces van overname. De ziekte neemt over, de ziekte van het leven. De ziekte van de liefde. De dichteres is niet 'gelaten' in de zin dat de evolutie van die ziekte haar koud zou laten, ze is wel op een heel inspirerende manier 'passief' in de zin dat ze een dankbare kans benut om het levensproces in volle 'actu exercitu' te betrappen.

Ik zou deze bundel niet willen vergelijken met een stilleven, al vind ik veel picturale en evenwichtige, netjes gechoreografeerde elementen, maar wel – en nu gebruik ik een vers van Lucienne Stassaert – met een soort stilleven dat zich oplaadt, of om het energetisch te laten klinken, met een tableau vivant dat gaandeweg aan kracht wint. Er is in elke geval een hechte samenhang die zeer mooie verbanden van het ene naar het andere gedicht toelaat.

We komen in deze bundel over de pijn van het bestaan terecht in een licht-donker wereld die aan Edward Hopper doet denken. Net zoals je bij Hopper heen en weer geslingerd wordt tussen de pijn en de rust van het isolement, ervaar je in de gedichten van Lucienne Stassaert hoe de existentiële pijn door ziekte geïntensifieerd wordt, maar hoe de verwoording van die intensifiëring tegelijk ook berusting mogelijk maakt. Taal helpt. En de vraag is dan eigenlijk hoe dat komt. Het antwoord op die moeilijke vraag houd ik nog even in petto.

Let u straks eens, bij het voorlezen door Lucienne, op de toon van deze poëzie; die is ondanks het onderwerp en de behoorlijk compromisloze zelfconfrontatie toon heel luchtig.

Die luchtigheid is het excuus voor een vector die zich onzichtbaar haast uitstrekt van het banale en tijdelijke naar het meta-existentiële en eeuwige. Niet voor niets wordt de bundel aangekondigd als zeven cycli die de dichteres moeten toelaten alledaagse thema's om te toveren tot poëzie. Elke cyclus is een excuus voor transformatie, transformatie is hoe dan ook een centraal, cruciaal gebeuren in de hele bundel. Van keerpunt tot keerpunt vervolgt de lezer zijn reis met Lucienne Stassaert doorheen de tijd. Hààr tijd, maar dankzij de poëzie ook de tijd van de lezer. Het zijn immers zijn dagelijkse, overbekende onderwerpen die op een verfrissende en verrassende wijze worden aangesneden in deze heel open, ademende poëzie. Wat mij opvalt is de overdrachtelijke veelkantigheid van de notie dood. Dood wordt, a.h.w., elke transformatie in ons leven. Elk afscheid nemen. Ik had het over een vector. Dood is het eindpunt van de vector. Het beginpunt is elk nieuw moment van transformatie.

De meest krachtige wezenstrekken van deze nieuwe poëzie zijn telkens te herleiden tot een hardnekkige poging van de dichteres om de grote tegenstellingen in haar bestaan (maar ook in ons bestaan) zo dicht bij elkaar te brengen, dat ze haast in een poëtische paradox gaan samenvallen. Het doet me denken aan de 'coincidentia oppositorum' van de Duitse mysticus meester Eckardt. Pijn wordt schoonheid, dood wordt niet langer een gevreesd eindpunt, maar een bestemming, of sterker nog, een inwijding in een ultieme werkelijkheid, een excuus tot onthechting ook, tot het ervaren van een afwezigheid die ook aanwezigheid kan worden. Het is de omgang met die zeer moeilijke paradox die deze poëzie zo magnetisch maakt, en Lucienne Stassaert als een mystica doet verschijnen voor ons. En als mystica neemt ze dan graag (in de geest van alle mystici die ons zijn overgeleverd) de gelegenheid te baat om haar weinig aan de verbeelding overlatend anti-katholicisme te verwoorden. Deze poëzie-mystiek is een daad van verzet: verzet tegen gevestigde ideeën, tegen een door macht getekende omgang met de ziekte, zoals we die allemaal al eens ervaren in onze ziekenhuisbezoeken.

Het gevaar waaraan de dichteres zich blootstelt, is dat ze zich in een hoek geschilderd zou hebben. Ze is de existentiële pijn zo diep binnengedrongen dat ze rakelings in de buurt komt van de dood. Niet zozeer letterlijk, dan wel figuurlijk. De poëzie is eschatologisch, gaat in de richting van het extreme. Als je zelfs de dood bezongen hebt en meester bent in zekere zin, wat vermag je poëzie dan nog, wat is dan de volgende stap? Het is een Beckettiaans probleem. En beslist ook een afrekening die Sylvia Plath parten speelde.

Laat ik even inzoomen op dat raadselachtige onderwerp van de dood. Dood is bestemming, zei ik al, inleiding tot ultieme werkelijkheid. Maar dood is niet een gefixeerd, monolitisch, stabiel of monumentaal einde. Dood is 'in beweging' als het ware. Dood komt in crescendo en decrescendo. Dood komt er ook in diverse gradaties (Wat voor dood? Vraagt Lucienne Stassaert zich veelzeggend af).

Dood is de eigen schaduwzijde in deze poëzie, een schaduwzijde die niet wordt weggemoffeld maar juist gethematiseerd. Dood komt in crescendo en decrescendo. We ervaren de momenten vlak ervoor, de momenten die tot in de eeuwigheid gerokken worden. Ja, er zit veel rek in deze woorden. Lucienne Stassaert beschrijft in kleine details een zog. 'bladval' met alle verraderlijke details.

Dood is natuurlijk niet alleen de eigen dood, waarvan de realiteit heel moedig en haast vanuit een houding van afzijdigheid geconfronteerd wordt. Dood is ook de dood van anderen. De anderen roepen Lucienne Stassaert. De anderen zijn dan vooral (of vallen samen met) de man, de vriend en de vader. Je zou kunnen zeggen: het verbeelde, ultieme, utopische, ideale personage, de 'Hem' die vergoddelijkt is, verdroomd. Deze zoektocht naar de essentie van eigen existentie is ook een doorgronden van de existentie van 'Hem', met een hoofdletter, wie dat ook weze. De ander, het alter ego, de mysterieuze vriend, de vader, of (wqaar voorgaanden samenkomen) de problematische god daarboven waarvoor Emily Dickinson, haar hart een beetje vasthoudt, omdat de naam 'god' niet noodzakelijk synoniem is voor het allermooiste, het allerbeste; er is ook de dytopische connotatie van het kwaad, het ergste, het in onze nachtmerries gevreesde.

Dood is vooral ook de dood van de andere patiënten, dood is de dood van de ander die je nodig hebt. Toch blijven al die anderen gewoon 'mensen' zoals u en ik. De mens als een dier.

Dit leidt haar tot een analyse van dood en ziekteproces bij andere patiënten en tot een bikkelharde afrekening met de medische wereld. Die medische wereld staat tegenover de emoties, de emoties die het ware voedsel voor een galgenmaal worden.

De bundel van Lucienne Stassaert is een soort superfoetatie: het ontsporende gezwel verwijst naar de dracht van een baby, de dracht van de poëzie wellicht.

De woekering van het gezwel is eveneens de woekering van de woorden, die een halt moet worden toegeroepen in een poëzie die juist een excisie is, een indijken, een afremmen, een uitsnijden. Maar er is ook een positieve manier om naar de woekering te kijken: de poëzie woekert in de zin dat ze haar gang gaat met Lucienne Stassaert. Lucienne moet er zich aan overleven, aan die poëzie die haar eigen weg gaat. En gelukkig maar is er die overgave. En die overgave maakt Lucienne Stassaert tot een wondermooie dichteres.

Maar het allerbelangrijkste is de muziek van de pijn. Heel de bundel is muziek, commentarieert op muziek, maar wil zelf ook muziek zijn, fugatische muziek in een verstrengeling van thema's.

Een van die grote thema's is – vanzelfsprekend – de tijd. Tijd is in een leven geconditioneerd door ziekte uiteraard vijandig, zou je denken. De vraag is voortdurend, net zoals voor Marcel Proust die gedreven, zelfs opgehitst wordt door de tijd tijdens het schrijven van zijn monumentale Recherche, de vraag is voortdurend hoeveel tijd er nog rest. Tijd is ruimte; tijd is, net zoals bij Proust, diepte. Lucienne 'zinkt af naar het onbekende', lees naar de donkere bodem. Maar paradoxaal genoeg is er ook sprake van een 'gewist heden', in de zin dat het heden (zegt de dichteres) 'een mikpunt wordt van het verleden'. Alsof het heden vanuit het verleden geviseerd wordt. Elders wordt de tijd opgeheven in een gevoel van virtualiteit. 'Ik verwacht hem elk moment te zien verschijnen', als zullen de betekenisvolle herinneringen en personages uit het verleden die er toe doén in deze poëzie samen als schimmen aan tafel komen zitten. Het verleden is blijkbaar ook in staat de aftakeling te compenseren: het peil van de herinnering blijft maar stijgen terwijl het verdriet 'vernageld' wordt, zodat we samen met Lucienne een kruis contempleren, een kruis dat in zekere zin ook een excuus is om het verleden te laten voortbestaan, in poëtisch bruikbare virtualiteit. Een kruis dat haar ook 'en passant' tot bittere kritiek op een bigot katholicisme aanzet.

Het is hoe dan ook in de virtualiteit, de levende leegte, dat ik de kern van de poëzie van Lucienne Stassaert weervind. 'In tegenstelling: ieder woord veroverd op de leegte van dit niemandsoord' stelt ze ergens. Het is een niemandsoord waar elke krimp een kramp wordt, maar waar het lichaam samen met de woorden krimpt. Dat krimpen is niet nieuw, leer ik. Hoe lang al druppelt hars van je af, als van een bekorven boom. Het druppelt in verzen met een wondermooie karigheid.

Het enige wat niét krimpt, is de geest. De geest, die weliswaar niet helemaal meer past in het door ziekte belaagd lichaam, maar toch vaststelt dat ze groeit, groeit naar een proces van genezing, genezing van een spiritueel kaliber: 'of je wel of niet geneest, aldus Lucienne Stassaert, zal aan je eigen zoekgedrag e danken of te wijten zijn'. De sterke geest stelt zelfs vast dat er geen hoop meer nodig is; geen soelaas van 'ontschaduwingen'. De geest grijpt wél nieuwe kansen aan om nog sterker te worden, en die fortificatie is een door-en-door poëtisch gebeuren. Wacht tot er gevoelens botten zo teer als woorden, lees ik, 'in een gebotteld liefdesgedicht', alsof de enige gevoelens die nog van tel zijn de 'verwoorde' (lees: poëtisch uitgewerkte) gevoelens zijn. Het gaat hier om een belangwekkend voornemen. Er wordt steeds minder in de 'gewone' wereld geleefd, steeds intenser en exclusiever in de poëzie. Zo ook worden de doden reëler als afwezigen met wie Lucienne kan sympathiseren in haar verzen. Niet alleen sympathiseren, trouwens, maar ook échter – meer doorleefd – liefhebben. Thanatos en Eros gaan samenvallen hier. Of misschien moet ik dat wat afzwakken met het woordje 'bijna'. Een woord met een werkelijk cruciale betekenis hier. 'We raken elkaar nooit anders dan bijna', weet Lucienne. De ziel valt bijna met haar lichaam samen. Alles bijna. Niets ooit helemaal.

De vraag of er na de pathologische ramp zaligheid in zicht komt, kan in het zachte nachtregister dat Loucienne hanteert, alsnog positief beantwoord worden, en dat zeg ik niet vanuit een verlangen naar een triomfantelijk hoera, maar wel vanuit mijn nuchtere observatie, als was ik zelf een dokter bij het ziektebed. 'Mijn god, hoe vruchtig voelt ik me nu. Maak van deze rampzalige zo vlug mogelijk een engel' vraagt Lucienne. Hier wordt geen doodverlangen geformuleerd, maar een hoop dat, in het vinden van de dood in het leven, ook de resurrectie voor de dood kan worden beleefd, een beetje zoals verwoord in de apocriefe evangeliën. Via de poëzie, die deze resurrectie zo mooi gezegd krijgt. Het is deze resurrectie die Lucienne symboliseert in haar vlucht uit de dierenwereld (als ik dat zo mag zeggen): eerst lensen, dan poezen, dan vogels, dan – via het vliegen – engelen. Lucienne Stassaert heeft zoals Rachel Baes radicaal met haar 'période choux-fleurs' gebroken. Ook bij haar gaan herinneringen, angesten en verborgen wensen zich steeds hechter vermengen met elkaar. De poëzie heeft, net zoals Rachel Baes, iets lugubers over zich, maar daarin vindt ze ook haar bevrijdende kracht.

Dames en Heren, zoals u voelt heb ik erg kunnen 'genieten' van deze moeilijke, maar bevrijdende verzen. Ik hoop van harte dat u dat ook vergund zal zijn, en ik wil hiermee Lucienne Stassaert van harte feliciteren met haar bundel en eigenlijk met heel haar carrière als dichteres. Het is een puur genot om te mogen grasduinen in haar verzen. Misschien raak ik met deze zin de ultieme transformatie aan, een keerpunt dat niet toevallig kan zijn – als lezer overkomt je namelijk de meest verrijkende ervaring die poëzie in petto kan hebben – deze poëzie zelf transformeert immers de lezers die haar aandurven. Ik wens u daarom dan ook allemaal een moedige confrontatie.

Bart STOUTEN

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche