Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
2 mars 2009 1 02 /03 /mars /2009 08:18

Floris Jespers en Gaston Burssens waren oude weggenoten en medeplichtigen; ze waren beiden bevriend met Karel Jonckheere – een naam die mij dus van kindsbeen af vertrouwd in de oren klonk, nog voor ik hem in de tweede helft van de jaren vijftig in levende lijve ontmoette. In 1966 publiceerde Karel een treffend en pregnant portret van Floris Jespers in de catalogus van de door mij georganiseerde retrospectieve. Ik was diep onder de indruk van Jonckheere's optreden tijdens Poëzie in het Paleis, waar hij op de hem zo kenschetsende toon het sterke gedicht 'Portret van een onbekende' bracht, en ging mij na een dwingende wenk van Jan de Roek in zijn poëzie verdiepen. In die jaren zag ik geregeld Clara Haesaert en ook door die omgang kwam ik nader tot de mens Jonckheere, die mij in de herfst van 1969 een bundel schonk met een vleiende opdracht: 'voor een Jespers, ook de in deze tijd, opdat hij Van Ostaijen niet vergeet'.

Vanaf 1971 werkte ik mee aan het nieuwe weekblad Knack.(Hedwig Speliers en ik werden door Clara Haesaert voorgesteld aan vader De Nolf, waarna we alle twee aan de slag konden.) Ik publiceerde toen mijn eerste bijdrage over Jonckheere.1 Toen hoofdredacteur Henri Schoup met wie ik het goed kon stellen naar De Vlaamse Elsevier overstapte, heb ik hem gevolgd. Het werd een bijzonder boeiend avontuur. Het eerste nummer verscheen op 5 februari 1973. Mijn eerste bijdrage had al meteen een parlementaire vraag van de Antwerpse schepen Jos van Elewijck tot gevolg. Naast de vaste medewerking aan de cultuurpagina's, schreef ik ook een aantal coververhalen, waaronder eentje over Karel met als provocerende titel: 'Ik was lid van de Mafia'.2 Ik nodigde hem uit om aan het nieuwe weekblad mee te werken, wat onder meer resulteerde in enkele literair-historische bijdragen en een reeks 'Ik heb eens...' Op 30 augustus 1974 deelde de directie van De Vlaamse Elsevier mee dat de uitgave 'op grond van economische overwegingen' gestaakt werd. Anderhalf jaar na de start had het blad een betaalde oplage van slechts zevenduizend exemplaren. (Dank zij een onbesuisd optreden van Lucia Lampo was ik toen net voor mijn medewerking bedankt.)

Ondertussen had mijn compagnon Jan Verhaert gezorgd voor een heruitgave van Steekspel met dubbelgangers (1944)3, een bundel van zeven novellen waarvan niet minder dan vijf 'behoren tot het in Vlaanderen weinig beoefende genre van de groteske', aldus Raymond Herreman. Jonckheere wenste De Galge het beste toe met zijn 'opgetuigd wrak'.

*

Bij de presentatie van Poëtische inventaris in het kasteel van Ham te Steenokkerzeel op 6 april 1973, sprak Jonckheere rake woorden:

'Ik schrijf gedichten om het nieuw bereikte te vervolledigen, het nooit bereikte te bevroeden, het wèl beleefde te redden van vergetelheid en vernietiging. […] Ik beleef liever het vers dat ik niet meer hoef te schrijven. Misschien is dit alles tenslotte literatuur, een illuzie maar ze redt ons ten minste van het absurde, waarvoor maar drie ventielen bestaan: de kunst, de ironie en een of andere vorm van voorbijgaande of definitieve zelfmoord.' 4

Op 1 mei 1973 ging Jonckheere met pensioen. Dat was het moment waarop wij wachtten. Op 26 april deelde Werner Spillemaeckers hem mee dat hij met eenparigheid van stemmen verkozen was tot eerste ere-Pink Poet. De brief was verder in protocolaire volgorde ondertekend door Patrick Conrad, Nic van Bruggen, Paul Snoek, Henri-Floris Jespers, Michel Bartosik, Hugues C. Pernath en Robert Lowet de Wotrenge. Op 3 mei werd Jonckheere als erelid geïnstalleerd tijdens een diner in La Pérouse, destijds gemeerd aan de Antwerpse Scheldekade, even stroomopwaarts van Het Steen. 5 Daarna was Pink Poets op 5 juli te gast bij villa Clémine te Rijmenam. In de herfst verscheen in het Nieuw Vlaams Tijdschrift mijn essay over de poëzie van Jonckheere.6


Van l. naar r.: Werner Spillemaeckers, Karel Jonckheere, Michel Bartosik, Henri-Floris Jespers, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath, Rijmenam, 7 juli 1973


Het Dagboek van Karel van de Woestijne, bezorgd door Jonckheere, verscheen in 1974, een soort dagboek-agenda over de periode 1903-1905 die de weduwe van de Florentijn aan Karel had geschonken. Door Pink Editions & Productions werd het uitgegeven in hetzelfde ongewoon formaat als het origineel.7 Samen met andere uitgaven van P.E.P. (o.m. Pernaths Mijn tegenstem) werd het op 22 december 1973 in de privé-club VECU te Antwerpen voorgesteld. Gastspreker was Hugo Schiltz.

Het was Jonckheere die door Pink Poets afgevaardigd werd om de lijkrede voor gouverneur Hugues C. Pernath uit te spreken. Burgemeester Lode Craeybeckx nam afscheid namens de Stad .


Van l. nar r.: Karel Jonckheere, mevrouw Gilliams en Maurice Gilliams; op de achtergrond: Bob Lebacq en Ivo Raes.

Het huldeboek voor ere-Pink Poet Maurice Gilliams bevat uiteraard een bijdrage van Jonckheere – 'Compositum van Gilliams' stijl'.Voor de aflevering van het Nieuw Vlaams Tijdschrift verschenen ter gelegenheid van het eerste lustrum van Pink Poets leverde Karel twee gedichten.9 Onder de titel Met Elisabeth naar de golf bracht de dynamische en succesrijke uitgever Walter Beckers pp in 1980 een bundeling van de eerder afzonderlijk verschenen en al een paar maal herdrukte reisverhalen Cargo (1940), Tierra Caliente (1941) en De zevende haven (1942).10

Inmiddels had ik enkele lezingen over of met Jonckheere gehouden, en het was al bij al niet verwonderlijk dat hij mij een bundel schonk (een gebaar waar hij anders heel zuinig op was), met de veelbetekenende opdracht: 'voor Henri-Floris meer dan een impresario'...

Op initiatief van zijn uitgever Julien Weverbergh werd Jonckheere in 1981 gehuldigd in het AMVC n.a.v. zijn 75ste jaardag. De herziene versie van mijn toespraak werd in 1982 gepubliceerd in Tussen zweefvlucht & zwaartekracht, het jaar dat Pink Poets ontbonden werd.11

We zagen elkaar toen nog maar zelden. Ik was professioneel geheel in beslag genomen door de economische verslaggeving voor het maandblad Impact, waarbij ik geregeld door het communistische imperium reisde; en van december 1981 tot december 1985, toen ik als woordvoerder van minister Schiltz optrad werd het zo mogelijk nog hectischer. De tachtigste verjaardag van Karel was nog eens de gelegenheid om mij te bezinnen over zijn poëzie, die altijd present was gebleven.' 12 In een terugblik op Pink Poets die ik in 1991 schreef op verzoek van de redactie van DW&B was hij natuurlijk ook aanwezig.13

*

Ondanks twee Staatsprijzen (destijds een begrip, dezer dagen herleid tot inflatoir rondgestrooide Gemeenschapsprijzen – what's in a name) was waardering voor het werk van Jonckheere in de jaren zestig, zeventig en tachtig allerminst salonfähig.

Toen hij in 1992 de bloemlezing Niemand moet me helpen sterven (maar eenieder mag me leren leven) publiceerde, bekende Herman de Coninck:

Ik heb in deze bloemlezing een aantal ontdekkingen gedaan. Ik heb die natuurlijk alleen maar kunnen doen omdat ik zo dom was dat ik het werk van Jonckheere slechts bij benadering kende.14


De Pink Poets waren blijkbaar niet zo dom. Overigens illustreerde De Coninck ongewild een bekende boutade van Jonckheere: wanneer je meer wil weten over een bepaald onderwerp, schrijf er een boek over.

*

Ik bezocht Karel meermaals in gezelschap van Pruts. Later een paar keer met mijn kameraad Ivo Raes. Het was dan alsof hij zijn tijdloos gesprek met Gaston Burssens en Floris Jespers voortzette. In november 1993 vroeg Denise15 afscheid van Karel te komen nemen. Bij dit laatste bezoek werden Ivo en ik meteen bevangen door een hevig gevoel van vervreemding. Het was broeierig warm in de leefkamer. Karel zat in kamerjas op de sofa, stevig ondersteund door kussens, de rug gekeerd naar het brede raam waarachter de donkere, winterse tuin een desolaat aanblik bood. Het was net of we in een serre zaten – 'les serres chaudes' van Maeterlinck.

Het vertrouwde scenario kwam echter meteen op gang. Denise bracht koffie en koekjes, Karel gaf enkele kwinkslagen weg over de onbetrouwbaarheid van het avontuurlijke hart, Floris zag monkelend te wachten tot hij van de regie de wenk zou krijgen een nummertje op te voeren. Niks aan de hand, we bevonden ons inderdaad op bekend terrein. We konden opnieuw diep ademhalen. Praten kwam er niet bij. Karel stelde moeiteloos de verbale hoogstandjes ten toon die Ivo en ik maar al te goed kenden. We werden verondersteld dociel te ondergaan.

Cocteau beschreef de stem van Proust als het geluid van een telefoon in een leeg appartement. Zo klonk Jonckheere, toen. Maar de formulering was nog altijd even snedig en feilloos gescandeerd. Tussendoor onderbrak hij af en toe zijn monoloog met een onthutsende vraag. Hoe het met Gilliams ging; of Pernath nog iets geschreven had; en of Snoek het goed stelde. De eerste keer leek het een lapsus, die ik dan ook met een nietszeggend gebaar beantwoordde, maar gaandeweg werd het mij duidelijk dat de acteur zijn tekst voor de zoveelste keer op automatisch piloot debiteerde, terwijl de regisseur het af en toe nodig achtte te interveniëren. De acteur monologeerde hinc et nunc, de regisseur bewoog zich door gedachte-associatie in een voltooid verleden tijd. Er haperde iets aan de chronoregie. Denise was ons kennelijk dankbaar dat we de uitglijders negeerden en deed dan ook maar alsof ze niets merkte.

Plots werd de opvoering onderbroken. Op een haast onmerkbaar teken van Karel hielp Denise hem uit de sofa. Hij gebaarde Ivo en ik hem te volgen en begaf zich sleepvoetend naar zijn werkkamer, waar hij bibliofiele preciosa bewaarde, sommige in meerdere exemplaren, zoals de eerste bundel van zijn vriend Gaston. In tegenstelling tot de tropische leefkamer was het daar ijskoud.

Op de lange tafel links lagen drie dodenmaskers keurig naast elkaar. 'Hier leer ik relativeren', zei Karel, met een handgebaar wijzend naar de simulacra van Karel van de Woestijne, Albert van Hoogenbemt en... (der Dritte im Bund bleef blijkbaar niet in mijn geheugen hangen).

Na een korte meditatie werden we dwingend uitgenodigd hem naar de garage te volgen. 'Tijd voor voor mijn oefeningen'. In tegenstelling tot de werkkamer was de garage hel verlicht. Daar bewaarde Karel een indrukwekkende stock eigen boeken die hij na lezingen als een volleerde handelsreiziger aan de man bracht. Centraal in die ruimte stond een hometrainer opgesteld. Chroom en staal in een aseptische ruimte. De atmosfeer had iets onwezenlijks. Karel steeg moeizaam in het zadel en begon langzaam en afgemeten te fietsen. 'Dat is goed voor mijn hart'. Na nog geen minuut penibel doortrappen had de Moor zijn plicht gedaan. Hij slofte terug naar de leefkamer. We wisselden enkele banaliteiten uit. Het was inmiddel pikdonker geworden. In de koude novembernacht reden we zonder een woord te spreken terug naar Antwerpen. Onderweg gingen we in een baancafé iets stevigs drinken, kwestie van even te bekomen. Terug in Antwerpen, gingen we stevig stappen in het vertrouwde dorp, uit louter lijfsbehoud.

*

Hoe zou het nu gaan met Floris?

Henri-Floris JESPERS


1 Henri-Floris JESPERS, 'De schrijver en zijn image', in: Knack, 16 februari 1972.

2 Henri-Floris JESPERS, 'Karel Jonckheere. ''Ik was lid van de Mafia”' in: De Vlaamse Elsevier, 1ste jg., nr. 4, 26 februari 1973, pp. 24-29.

3 Karel JONCKHEERE, Steekspel voor dubbelgangers, Antwerpen, De Galge, 1972, 222 p. [= GBJ 60]. [Eerste druk: 1944; tweede druk: 1947.]

4 Typoscript, coll. HFJ.

5 Cf. Nic VAN BRUGGEN, Uit het dagboek van een Pink Poet, Antwerpen, Walter Soethoudt, 1975, pp. 19-20; 22-24.

6 Henri-Floris JESPERS, 'Over Karel Jonckheeres Poëtische inventaris', in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 26, nr. 7, september 1973, pp. 711-718. Opgenomen in: Het bed van Procrustes. Schetsen en verkenningen, Antwerpen, Walter Soethoudt, 1978, pp. 51-58.

7 Karel VAN DE WOESTIJNE, Dagboek. Inleiding en begeleidende nota's: Karel Jonckheere, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1974, 44 p. 500 genummerde exemplaren op couché; 50 genummerde exemplaren op Arches.

8 Karel JONCKHEERE, 'Compositum van Gilliams' stijl', in: Aan Maurice Gilliams, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1975. Losbladig en ongepagineerd. 25 exemplaren.

9 Karel JONCKHEERE, 'Twee gedichten', in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 30, nr. 9, november 1977, pp. 764-765.

10 Karel JONCKHEERE, Met Elisabeth naar de golf, Antwerpen, Beckers, 1980, 424 p. Woord vooraf door Henri-Floris Jespers (opgenomen in: De boog van Ulysses, Antwerpen, Antwerpen, Soethoudt & Co NV, 1983, pp. 67-71.

11 Henri-Floris JESPERS p.p., Tussen zweefvlucht & zwaartekracht, Antwerpen, &Vondel, 1982, pp. 27-29. Oplage: 500 genummerde en gesigneerde exemplaren.

12 Henri-Floris JESPERS, 'Wie tachtig jaar wordt...', in: Diogenes, jg. 3, nr. 2, pp. 49-51.

13 Henri-Floris JESPERS, 'Een terugblik op Pink Poets', in: Dietsche Warande & Belfort, jg. 136, nr. 4, augustus 1991, pp. 453-457. Cf. ook 'Herinneringen aan La Rade' in: RENAUD (ed), La Rade. Monument aan de Rede 1949-1999, Antwerpen, Uitgeverij Fantom, 1999, pp. 41-59.

14 Herman DE CONINCK, Niemand moet me leren sterven, Antwerpen/Baarn, Houtekiet, 1992, p. 10. De bloemlezing heb ik uitgeleend, ik citeer hier uit eigen aantekeningen.

15 Over Denise Jonckheere, geboren Deketaelere (Luik, 4 juli 1920 – Bonheiden, 3 december 2004), cf. 'Necrologisch', in: Mededelingen van het CDR, nr. 41, 1 februari 2005, pp. 1-2.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche