Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
12 janvier 2009 1 12 /01 /janvier /2009 21:04

Nog voor zijn eerste huwelijk maakte Van Maele zijn debuut als dichter. Bij de verschijning in 1956 van Soetja (de naam van een Koreaans meisje) decreteerde Urbain van de Voorde in De Standaard dat Van Maele “tot het intellectueel janhagel van het gemeenste allooi” behoort. Marcel was toen redacteur van Njet (oktober 1956 – juli 1958), volgens Louis Paul Boon een “nogal stof opjagend” tijdschrift.1

Njet kiest geen kleur, zeggen de medewerkers. Maar ons lijkt dat iets te zijn dat we revolutionair-katholiek zouden noemen. Het klinkt niet gekker dan het is. Ten andere, in de loop der jaren zijn er immers katholieke jongeren geweest die revolutionair deden, en zich op Kristus zelf beriepen als de hervormer bij uitstek.2

Kari Bert, Marc Braet, Marcel Brauns SJ, Hubert van Herreweghen, Jan Vercammen en Luc Peire werkten mee aan Njet, waarin sterk polemische en scherp gestelde redactionele stukken verschenen. Geliefde schietschijven waren Hubert Lampo, Raymond Herreman, Jan Walravens, Maurice Roelants en Urbain van de Voorde, kortom, de boegbeelden van zowel de “linkse” als de “rechtse” kritiek. (In die muffe jaren stond “rechts” voor “katholiek” en “links” voor “vrijzinnig”.)

In 1957 hield kunstschilder Joris Houwen (1925-1998) aan het Sint-Pauluspleintje in Oostende Het Kroegske open, een café annex kunstgalerie waar het nogal anticonformistisch aan toe ging. Tussen januari en maart 1957 verschenen de twee afleveringen van het tijdschrift Kroeg, een gestencilde uitgave onder de redactie van Van Maele en Houwen, waar Ludwig Alene, Claude Corban, Kari Bert en Cees L. Kruithof aan meewerkten.

De tweede bundel van Van Maele was “ontsierd met monotypen van Joris Houwen”, aldus Boon. Hij was van oordeel dat de verzen “een beetje teveel op het gevoel van de lezer (willen) spelen, zoals b.v. duivenmelkers op weduwschap spelen”. Van Maele is soms “afschuwelijk”, en soms is hij “alleen barok”. En af en toe “laat hij ons voelen dat, ondanks zijn onbeholpenheid een echte dichter radeloos zit te wachten om aan bod te mogen komen”.3

Paul de Vree zou als eerste wat grondiger ingaan op Van Maele’s werk. In Close-up 2 der Vlaamse dichtkunst van nu besprak hij Pamflet 1: poëtische nota’s over het bewustzijn (1960), samen met Hondsjeugd N.V. van Max Kazan en Leon van Essches XIII kankerremedies, en vestigde hij de aandacht op Van Maele’s Ik ben een kannibaal (1961) en Kazans Blues onderzee.4

In 1962 zetelden Van Maele, Kazan en Van Essche in de redactie van Labris. Over de ontstaansgeschiedenis van dit “literaris tijdschrift der 60-ers” legde Kazan een minutieuze en helder getuigenis af in Barbaar in mijn mond. Hij onderstreept dat zijn werk destijds vaak samen besproken werd met dat van Van Maele,

“alhoewel we onafhankelijk van elkaar schreven, een eigen stijl ontwikkelden, en afwijkende interessen hadden. Wij stimuleerden elkaar wel. […] Ik […] interesseerde me alleen aan schrijven, filmkijken, lezen, jazz-beluisteren, tentoonstellingen bezoeken en had weinig behoefte aan sociaal contact in tegenstelling tot Van Maele die graag volk rond zich aan.5

In de Otosilbenreeks van De Tafelronde gaf De Vree in datzelfde jaar 1962 Ademgespleten uit, een dialoog tussen Kazan en Van Maele. Naar analogie met Paul Snoek en Hugues C. Pernath, kon De Vree gewagen van Siamese broeders.6

Van Maeles Zwarte gedichten verscheen eerst in 1963 als gecyclostyleerde Labirintuitgave van Labris, met illustraties van Leon van Essche. In 1965 verzorgde Paradox-press, onder leiding van Dirk Claus, voor een tweede druk met illustraties van Wybrand Ganzevoort. Niet alleen De Vree, ook Karel Jonckheere maakte van “zwart gedicht” als het ware een soortnaam.

Met een titel als Zwarte gedichten leidt Van Maele ons om de tuin, betoogde Jonckheere. Immers:

Zwart betekent bij hem niet somber of doods, maar vinnig in het vierkant. Zijn zwart is van het zwart waaruit zeerovers hun veroveringslusten sneden, een nietsontziend zwart, een zwart dat niets te verliezen heeft, een schamper zwart.7

Henri-Floris JESPERS

Wordt vervolgd)

1 Louis Paul BOON, Nieuwe poëzie, in: Vooruit, 3 augustus 1057.

2 L. P. BOON, Njet, in: Vooruit, 27 april 1957.

3 L. P. BOON, Nieuwe poëzie, l.c.

4 Paul DE VREE, Drie gestencilde jongeren-publicaties, in: De Tafelronde, VI (1960), pp. 99-100; pp. 105-106.

5 Hugo BREMS & Dirk DE GEEST, “Barbaar in mijn mond”. Poëzie in Vlaanderen 1955-1965, Leuven/ Amersfoort, Acco, 1989, pp. 162-163.

6 P. DE VREE, Wat is het fenomeen poëzie 1964? In: De Tafelronde, IX (1964), nr. 2-3, pp. 84-91.

7 K. JONCKHEERE, o.c., p. 9.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche