Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
24 décembre 2008 3 24 /12 /décembre /2008 04:33

Rik Lanckrock (°Gent, 16 juli 1923) debuteerde in 1944 in het tijdschrift Klaverendrie (waar het vierde jaarboek van het Studiecentrum Johan Daisne geheel aan gewijd is). In 1945 was hij medeoprichter en, vanaf de derde jaargang, hoofdredacteur van het merkwaardige, pluralistische of misschien juister neutrale tijdschrift Arsenaal, waarin hij poëzie en proza publiceerde, maar (net als Erik van Ruysbeek en Jan Walravens) vooral ook kritische artikels. Na 48 afleveringen en voltooiing van de zesde jaargang hield het tijdschrift in 1950 op te bestaan. Twee afleveringen vormen zelfstandige publicaties met eigen paginering, nl. Confrontatie Urbain van de Voorde-Marnix Gijsen door Rik Lanckrock (1946) en Karel Jonckheere als dichter door Erik van Ruysbeek (1947).

Van 1947 tot in de jaren zeventig was Lanckrock medewerker aan de cultuurbladzijde van Vooruit en van De Morgen  (na 1991 werkte hij bij gelegenheid mee aan De Standaard  - de krant waarin hij in 1948 zo zwaar aangepakt was geweest door dr. Karel Elebaers wegens zijn lof op Gijsens Het boek van Joachim van Babylon).Van 1974 tot 1990 was hij lid van de Commissie letterkunde van de provincie Oost-Vlaanderen, evenals van de interprovinciale commissie, en zetelde aldus in tal van jury’s. In 1992 nam Lanckrock het initiatief tot de oprichting van het Studiecentrum Johan Daisne, waarvan hij de eerste voorzitter werd.

Vooral in de toneelwereld was Lanckrock zonder meer “incontournable”. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het NTG (Nederlands Toneel Gent), dat hij mede hielp oprichten en waarvan hij van 1965 tot 1989 lid (en ondervoorzitter) van de raad van bestuur was. Hij zetelde in de Hoge Raad voor Nederlandstalige dramatische kunst (1963-1975), en oefende een rits bestuursmandaten uit: lid van raad van bestuur van het Documentatiecentrum voor dramatische kunst (1972), van de Toneelcommissie van de provincie Oost-Vlaanderen (1977), van de raad van bestuur van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen (1984) en van de consultatieve commissie van de KNS-Gent – om hier slechts de belangrijkste te noemen.

Van 1959 tot 1965 was hij redactiesecretaris van Podium, het tijdschrift van de Gentse Multatulikring die in Vlaanderen een prominente rol speelde bij de introductie van Brecht in Vlaanderen en tussen 1955 en 1965 op het toppunt van haar kunnen stond. ( Cf. Dieter VAN DE PUTTE, De socialistische beweging en politiek theater (1960-1980). Scriptie voor het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis, RUG, academisch jaar 2003-2004. Promotor: prof. dr. G. Deneckere.

De opstandigheid van Rik Lanckrock tegenover “la condition humaine” vindt men terug in alle genres die hij beoefent: poëzie, aforismen, kritiek, essay en vooral in zijn honderden “praatjes van een humanist”, die in 1961 bekroond werden met de Letterkundige Prijs van de Stad Gent. Vrijblijvende stellingnamen zjn hem wel vreemd. Zo nam hij in 1965 actief deel aan de organisatie van de opvoering van Rolf Hochhuths Der Stellvertreter en nam hij deel aan het geruchtmakende televisiedebat over dit zo fel betwist (en in Antwerpen verboden) toneelstuk. Hij speelde niet alleen een belangrijke rol in de reactie op het verbod van Fernando Arrabals En ook de bloemen werden geboeid door Teater Arena in 1971, maar trad ook een jaar later op als deskundige in het proces voor de correctionele rechtbank te Gent tegen de medewerkers aan de productie.

Rik Lanckrock publiceert geregeld in de Mededelingen van het CDR. Ziehier een bijdrage gedateerd augustus 2005, verschenen in nummer 56 de dato 18 oktober 2005.(HFJ)

 

Ik zit voor mij uit te staren. De jongste jaren doe ik dat vaak, veel te dikwijls. Twintig keer heb ik naar mijn pen gegrepen, mijn toeverlaat om spanningen, ontmoedigingen en teleurstellingen, zelfs pijn weg te schrijven. Dat is nog altijd het meest probate middel.

Eindelijk lukt het mij en glijdt mijn pen over het maagdelijke witte papier dat mij meer dan eens heeft geholpen om narigheden te overwinnen.

Die sombere momenten werpen mij steevast terug op mijn verleden, op vervoeringen, verrukkelijke belevenissen, boeiende ervaringen, onvergetelijke uren, maar ook op pijnlijke gebeurtenissen.

Zopas zat ik het tijdschrift van het Vlaams Theater Instituut (VTI) te doorbladeren en het was alsof ik geconfronteerd werd met een editie van een andere planeet.

Niets, maar dan ook niets, gaf mij nog dat zo eigenaardige gevoel van herkenning dat zo typisch is voor de dramatische kunst.

Sinds de bevrijding tot lang na mijn pensioen leefde ik in het toneelmilieu: als essayist, criticus, jurylid, voorzitter en beheerder van talrijke gezelschappen, als lid van talrijke commissies en raden, als voordrachtgever. Ik kende in de kringen God en klein Pierken, was bevriend met velen en soms ook biechtvader en diplomaat in geschillen. En nu in dat tijdschrift van het VTI wandelde ik door een wereld die voor mijn volstrekt onherkenbaar was. Dat vreemd proces van vervreemding (ik dacht aan Franz Kafka) voltrok zich op amper één decennium. Had men mij dat vroeger voorspeld, ik zou er schamper mee gelachen hebben. Zoiets kon mij immers niet gebeuren.

En vandaag werd ik met mijn neus op de onweerlegbare feiten gedrukt.

Meteen ging ik denken aan de andere zo talrijke kringen waarin ik heb geleefd en gewerkt. En jawel, ook op die gebieden diende ik te erkennen dat het vrijwel op dezelfde wijze is verlopen.

Het zonderlinge woord aliënatie gonsde door mijn hoofd. Ik zocht het op in ‘van Dale’. Vervreemding, verstandsverbijstering in figuurlijke zin, afstand van rechten e.d. stond er. Die drie betekenissen waren juist.

Ik dacht verder over die nieuwe wereld. Ik hoorde in de verte Antonin Dvoraks negende symfonie. Prachtige muziek, maar het gevoel van in die nieuwe wereld terecht te komen, is minder luisterrijk. Ik dacht verder en belandde bij Albert Camus’ L’Étranger. Het klopte. Ook ik ben zoals de hoofdpersoon die op zijn proces getuigde dat hij een misdaad beging à cause du soleil. Die “zon” is uiteraard een metafoor, zoals Camus dikwijls zinnebeelden, gebruikte om iets duidelijk te maken. Denk aan Le Mythe de Sisyphe, La Peste, L’Homme révolté.

Zo voel ik mij nu en ik durf hopen dat deze verwijzingen volstaan om te beseffen dat elke mens ooit in een wereld belandt die hij nooit had vermoed... à cause du soleil of iets anders.

En of men thans moet juichen of schreien, laat ik aan de lezer over.

Ikzelf vond in dat alles het voedsel dat mijn melancholische aard de kracht verleent om het onvermijdelijke te aanvaarden, soms met flink wat inspanningen, desnoods met een traan in de ogen, een kramp rond het hart en een depressieve pijnscheut.

Met Horatius kunnen we ons inderdaad afvragen: damnosa quid non imminuit dies – wat tast de vernietigende tijd niet aan?.

Rik LANCKROCK

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

rita de vuyst 10/07/2011 13:17


wat tast de tijd niet aan....de trein der traagheid
un nouveau film...un autre hypothèse


Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche