Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
16 novembre 2008 7 16 /11 /novembre /2008 15:39

Pernath bleef echter niet lang louter toeschouwer. Hij deelt zijn thuisfront mee dat hij ‘natuurlijk in een van die films’ speelt, nl. in Ostatnia szansa (De laatste kans). Aan zijn acteertalent had hij dit niet te danken, wel aan toevallige omstandigheden. Toen te elfder ure bleek dat niemand blijkbaar wist hoe roulette precies gespeeld wordt, werd een beroep gedaan op de ‘kapitalist’ voor een figurantenrol van croupier. ‘Het wil weer lukken”, schreef Pernath – en dat na ‘mijn belangrijkste rol’ (hij zinspeelt hier op de De vijanden van Claus).

Ostatnia szansa is de vijfde episode van de televisiereeks Stawka większa niż żucie (More Than Life At Stake), een productie van Zespól Filmowy Syrena te Łódź. De opnames waren van start gegaan op 13 maart. Dit spannende oorlogsverhaal was heel populair en leeft tot op nu verder in het geheugen van oudere filmliefhebbers uit ex-communistische landen als een soort cultfilm. De held van het verhaal is de Poolse spion Stanisław Kolicki die als Hans Kloss binnen de Duitse Abwehr (geheime militaire inlichtingendienst) geïnfiltreerd is. Hoofdrolspeler is de ‘zo vriendelijke’ Stanisław Mikulski. De rol van kapitein Willy Ruppert wordt vertolkt door Ignacy Gogolewski.

Hoe Pernath in contact kwam met beide in Polen vooraanstaande acteurs is nu wel duidelijk. Maar zijn droom was natuurlijk met Wajda te mogen werken. Hij benadrukt bij herhaling zijn ‘geluk’ de beroemde regisseur te hebben ontmoet, ‘een kleine vos, erg vriendelijk’, die echter zelf op werk zit te wachten. Ondertussen paait hij zich met de gedachte dat hij alle kansen heeft om mee te werken – ‘enfin, u begrijpt wel… ‘ – met Skolimoswki, ‘die in onze productiegroep “Syrena” een film moet maken zodra hij terugkomt uit België’.

In afwachting gaat hij zoveel mogelijk naar Warschau, waar hij in de cinematheek een voet in huis heeft. Hij kan er ‘alle mogelijke Poolse films’ zien, wanneer hij maar wil. Op de Filmschool worden hem de beste kortfilms getoond die de studenten maakten, ‘maar erg veel goeds heb ik nog niet gezien’, aldus Pernath, die wel een uitzondering maakt voor Woestijn van Janusz Kubin ‘en de eeuwige Polański’.

Hij verheugt er zich al over dat hij tegen 10 juni zeker in België zal zijn, en wel ‘voor minstens twee weken’. - De efficiënte mevrouw Resko heeft blijkbaar alles geregeld.

Heimwee knaagt, zoveel is duidelijk. Hugues hoopt dat ‘de kortfilm van Hugo wordt gemaakt, dan zie ik tenminste eens iemand aan het werk die wat van direction afweet. Dit is geen geintje, hoor. Maar duidelijk gemeend. O, Vlaanderen, gouden land enz., enz.’

Op 15 mei weet hij ‘liefste Geert’ (Geertjan Lubberhuizen, 1916-1984, de legendarische directeur van De Bezige Bij) te melden dat hij nu al 45 dagen in Polen verblijft, waarvan een maand te Łódź. ‘Eindelijk terug in Warszawa begin ik volgende week mijn stage met Skolimowski die een nieuwe film draait. Ondanks alles mis ik jullie soms. Mijn vrienden, mijn vrienden, mijn vrienden.’ Hij gaf een interview voor het literaire weekblad Odgłosy waarin hij onder andere over de Bezige Bij vertelde: ‘Ontstaan, Bezige Bas enz. Wat betreft vertalingen schijnt men hier veel belangstelling te hebben voor Nederlandse literatuur omdat deze hier quasi onbekend is. Beste Geert, zou het mogelijk zijn dat u mij enkele exemplaren van de Busy Bee Review zendt? Ik zorg dan dat ze in goede handen terecht komen’.

Naar aanleiding van het uitkomen van De vijanden zal een boek verschijnen. Hugues springt op die trein en plaatst Lubberhuizen langzaamaan voor een voldongen feit:

Zoals u misschien weet speel ik mede in de film van Hugo. Hij vroeg mij of ik voor het filmboek iets wou schrijven. Ondertussen zond Janine mij enkele artikels van o.m. De Post die ik tamelijk drekkig vond en waarop ik graag een kordaat antwoord wilde geven in mijn bijdrage voor het filmboek. Ongelukkig genoeg heb ik de artikels nooit ontvangen en zelfs navraag bij het Poolse postwezen bleef vruchteloos. In die zin verzoek ik u of de mogelijkheid bestaat dat ik u mijn bijdrage inlever voor het einde van juni. Ik kom begin juni nl. voor enkele weken naar België en kan dan definitief mijn tekst afwerken.

Hij zal dan zeker naar Amsterdam komen en hoopt met Geert ‘een lekker biertje te drinken’.

Tien dagen later, op 25 mei, hebben Clara Haesaert, Karel Jonckheere en Bert Decorte recht op een beknopt verslag. Tegenover die ambtenaren van de Dienst Letteren van het ministerie van Nederlandse Cultuur, die mee zijn verblijf in Polen mogelijk hebben gemaakt, drukt hij zich wel eufemistischer uit dan tegenover intimi: ‘Het werk was heel interessant wat betrof regie, maar vooral de ontleding van het beheer der productie opende mij nieuwe perspectieven’. Geen beklag nu over traag werktempo en of slordige aanpak, neen. De taal blijft een kapitaal probleem. Bij de ambassade te Brussel had men hem verzekerd dat in Polen bijna iedereen of Frans, of Engels of Duits sprak. ‘Dat is volgens eigen ondervinding een wel kranige legende. Zelfs de jeugd kent niet eens voldoende Frans of Engels om Radio Luxembourg te beluisteren en ik geloof dat de meesten met hun transistor naar bed gaan’.

Jammer genoeg is zijn stage ‘nogal slordig’ georganiseerd. Is hij nu niet verplicht zelf ‘een voorstel te doen teneinde met een goed regisseur te mogen werken’?

Zo begin ik morgen met Jerzy Skolimowki die, juist terug uit België, een nieuwe film draait te Warszawa. Na de opnamen kom ik, midden juni, voor enkele weken naar België terug. Ik wil namelijk rustig mijn artikels over Polen in het algemeen en de Poolse film in het bijzonder, beëindigen in de mij toch meer vertrouwde atmosfeer van Vlaanderen. En wat Vlaanderen betreft, laat mij tenminste eerlijk blijven, geloof ik niet dat wij tegenover het buitenland enig minderwaardigheidscomplex moeten hebben. Wat zij kunnen, kunnen wij in principe ook. Dit alles klinkt misschien zoals het gekakel van een puber, maar uiteindelijk begrijp ik nogmaals hoe wij Vlamingen, liefst onze fouten hekelen zonder de eigen, vele deugden te (h)erkennen. Ik leer hier ontzettend veel, maar wat de praktijk betreft had ik even goed in België kunnen blijven om daar te werken onder de leiding van een degelijk TV- of filmregisseur en dit onder dezelfde studiebeursvoorwaarden. Tenslotte moet ik de theorie zélf leren.”

De cinematheek in Warschau, met haar rijke bibliotheek, maakt veel goed. Het museum herbergt een ‘heerlijke collectie Vlaamse primitieven die dan ook meestal veilig verborgen blijven’.

Terloops stipt hij aan dat de Franse vertaling van het interview in Odgłosy (Echo’s) over ‘O literaturze belgijskiej’ die door de Belgische ambassade naar Brussel gezonden werd, gelezen moet worden als een tamelijk verminkte versie.

Verder was Pernath blij te vernemen dat Jef Geeraerts de Arkprijs van het Vrije Woord gekregen had. In het ‘prachtige, groene’ Warschau herleest hij Joseph Conrad en Marcel Proust, en voltooit hij een nieuwe bundel…

Zoals aangekondigd keert Hugues in de eerste helft van juni terug naar Antwerpen. Op 5 juli 1967 deelde hij mevrouw Resko mee dat hij meteen na zijn aankomst in Antwerpen door ziekte geveld werd – ‘j’ai été obligé de garder le lit jusqu’à hier’. Na ‘familiale’ aangelegenheden ingeroepen te hebben om naar België te kunnen vertrekken, roept hij nu professionele verplichtingen in om zijn terugkeer naar Polen uit te stellen. Hij was wel degelijk van plan in de tweede week van juli naar Warschau te vliegen, maar ja, hij werd plots aangesproken om als assistent mee te werken aan de productie van een kortfilm in kleuren. Voor hem is dat heel belangrijk, en hij zal dus België niet kunnen verlaten voor eind juli of begin augustus. Kortom, hij is opnieuw de speelbal van omstandigheden buiten zijn wil.

Polen was afgeschreven, zoveel was wel duidelijk. Dat belette niet dat zijn verblijf tot zijn persoonlijke mythologie ging behoren. In gesprekken sprak hij er haast nooit over, en dan nog slechts in elliptische of zelfs ronduit nietszeggende bewoordingen. Robert Lowet de Wotrenge en Freddy de Vree, die de krachten dienden te bundelen om een ietwat ongewoon zoniet ondeugend in memoriam te schrijven, hebben hem in dat verband ten voeten uit getekend:

Op sommige uren van de nacht, in momenten van communicatie met de wereld, vatte Pernath het glas whisky aan, hief het recht voor zijn ogen, zuchtte ‘Ikke jongen, ik was in Polen…’, en dronk dan.

In interviews sprak hij steevast over de zeven maanden die hij in Polen verbleef, zo ook in ‘Late brief’ aan Gaston Burssens, gedateerd 23 juli 1972, waar hij het heeft over ‘een eenzaam verblijf van zeven maanden in Polen’…

Henri-Floris JESPERS

 

(Uittreksel uit de derde Pernathlezing, gehouden op 1 juni 2006 in het auditorium van het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen. Volledige tekst met noten en bibliografie: Henri-Floris Jespers, De maskers van Melpomene, Antwerpen, Hugues C. Pernath Fonds, 2006, 64 p.)

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche