Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
15 novembre 2008 6 15 /11 /novembre /2008 14:30


Hier past wel een summiere terugblik op de politieke ontwikkeling van Polen en op de bijzondere plaats die de Filmacademie van Łódź in het culturele leven nam.

Władysław Gomułka (1905-1982), secretaris-generaal van de Communistische Partij sinds 1943, viel in 1948 in ongenade. Van 1951 tot 1955 zat hij de gevangenis. Eind februari 1956, luidde het XXste congres van de CPSU (Communistische Partij van de Sovjet-Unie) de zogenaamde destalinisering in. Begin juli wordt het oproer in het Poolse Poznań door het Sovjetleger met de inzet van tanks neergeslagen. Eind oktober beginnen de onlusten in Boedapest. De Hongaarse opstand wordt eveneens door het Rode Leger neergeslagen. De toestand in Polen wordt opnieuw kritiek en om de crisis te bezweren wordt Gomułka, bekend als hervormingsgezind, verkozen tot secretaris-generaal van de Poolse Verenigde Arbeiderspartij (PZPR - Polska Zjednoczona Partia Robotnicza). De benoeming van de nieuwe partijleider wordt door de bevolking toegejuicht. Er waait een liberale wind over het land: zolang Polen de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie onvoorwaardelijk steunt, wordt een bepaalde mate van zelfstandigheid in het binnenlands beleid getolereerd.

Op cultureel vlak neemt vanaf 1959-1960 de druk op de academische wereld en de artistieke intelligentsia geleidelijk toe. Liberale kranten en tijdschriften verdwijnen, clubs opgeheven. In een open brief aan minister Józef Cyrankiewicz geven 34 schrijvers en hoogleraren op 19 maart 1964 uiting aan hun ongerustheid over de verscherping van de censuur en het zogenaamde papiertekort. De brief wordt nergens gepubliceerd, de ondertekenaars worden uit de partij gestoten. Het antwoord laat even op zich wachten, maar in oktober komen nieuwe vrijheidsbeperkingen en repressieve maatregelen: reispassen worden geweigerd, papierleveringen ingetrokken, contracten opgezegd en worden enkele ondertekenaars gevangen gezet, zo bijvoorbeeld de beroemde schrijver, journalist en oorlogscorrespondent Melchior Wańkowicz (1892-1974), die met drie jaar gevangenisstraf wordt bedacht wegens ‘belastering van Polen’, nota bene in een brief aan zijn dochter die in het buitenland woont. In december wordt verzetsheld generaal Mieczysław Moczar (1913-1986) minister van Binnenlandse Zaken. Hij verenigt rond zich de zogeheten ‘nationale’ communisten, ook nog ‘partizanen’ genoemd, voorstanders van de machtspolitiek die bij vertrouwde denkbeelden aanknopen: antisemitisme, antigermanisme, anti-intelligentsia en anti-sovjet (maar dan wel omfloerst).

*

De filmhistoricus Jerry Toeplitz (1909-1996) was in de jaren dertig betrokken geweest was bij de avant-garde. In 1954, een jaar na de dood van Stalin, riep hij op om tot een nieuwe nationale Poolse cinema te komen. Dit leidde tot de oprichting van de Verenigde Groepen Film Producers, die de plaats innam van Polski Film, de staatsgeleide productiemaatschappij die na de Tweede Wereldoorlog de Poolse film in socialistisch-realistisch vaarwater bracht. In 1957 werd professor Toeplitz rector van de Filmschool te Łódź, die een jaar later fuseerde met de Theaterschool. De school nam als bastion van anticonformisme een sleutelpositie in de voorhoede van het culturele leven in Polen in. Tussen 1956 en 1963 kregen de meest talentvolle regisseurs afkomstig van de filmacademie internationaal aanzien. Jerzy Kawalerowicz, Andrzej Munk en Andrzej Wajda kunnen beschouwd worden als de belangrijkste vertegenwoordigers van wat achteraf bekend werd als de “Poolse school”.

Munk (1921-1961) werkte eerst als documentarist. Zijn eerste speelfilm Człowiek na torze (Man on the Track, 1956) wordt vaak als zijn belangrijkste gezien. Eroica (1957) vatte hij op als een symfonie in twee bewegingen, een scherzo alla polacca en een ostinato lugubre, waarin hij op intelligente en humorvolle wijze de draak steekt met de Poolse mythes van plichtbewustzijn, moed en zelfopoffering. In Zezowate szczęście (Bad Luck, 1960)) voerde hij de avonturen op tussen de jaren dertig en vijftig van een Poolse elckerlijc die de noodlottige kunst verstaat zich altijd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats te bevinden. De invloedrijke productie van Munk bleef beperkt vanwege zijn vroegtijdig overlijden op 20 september 1961, ten gevolge van een auto-ongeluk op de terugweg naar huis uit Auschwitz, waar hij zijn laatste, bijzonder aangrijpende film aan het draaien was, Pasażerka (Passenger, 1963). Kawalerowicz (°1922) is vooral bekend voor Matka Joanna od aniołów (Mother Joan of the Angels,1961), die de inspiratiebron vormde voor The Devils van Ken Russell (1971). Wajda (1926) was niet alleen internationaal erkend geworden met een filmtrilogie Pokolenie (A Generation,1954); Kanał (Canal,1956); Popiót i diament (Ashes and Diamonds,1958) die door hun zwart-romantisch fatalisme zo kenschetsend zijn voor wat later ‘de school van Łódź‘ werd gedoopt, maar gold ook in eigen land als de belangrijkste cineast.

Begin jaren zestig werd de film steeds meer in zijn vrijheden beknot omdat er volgens de machthebbers een te negatief beeld werd opgehangen van het dagelijkse leven in Polen. De generatie die na Wajda aantrad kwam daardoor in een repressiever filmklimaat terecht. Van deze generatie zijn de twee meest prominente vertegenwoordigers Roman Polański (°1933) en Jerzy Skolimowski (°1938) die, beiden afgestudeerd aan de Filmschool sterk beïnvloed waren door de Franse ‘Nouvelle Vague’.

Polański debuteerde als acteur in Wajda’s Pokolenie (1954) en maakte als regisseur eerst enkele absurdistische films die qua ondertoon enige verwantschap vertonen met het theater van Samuel Beckett. Dwaj ludzie z szafą (Twee mannen en een kast) werd op de Wereldtentoonstelling te Brussel in 1958 bekroond). Nóz w wodzie (Knife in the Water,1962) was zijn eerste langspeelfilm, de enige die hij in Polen maakte. Acteur, regisseur en dichter Jerzy Skolimowski (°1938) had twee films op zijn actief: Rysopis (Identification Marks: None,1964) en Walkover (1966). Hij had als coscriptwriter meegewerkt met Wajda (Innocent Sorcerers, 1960) en Polanski (Knife in the Water, 1962, uitgerekend de twee prenten die tijdens het XIIIde partijcongres in 1964 nadrukkelijk aangehaald werden als voorbeelden van ‘foute’ films. De school, waar de overgrote meerderheid van de Poolse regisseurs was opgeleid, kwam zwaar onder vuur te liggen vanuit de partijtop.

Dat Pernath de anonieme complexiteit van het bestaan in een totalitair regime toch wel doorzag, mag blijken uit een uit het ‘Index-gedicht 42-44’:

En meteen vraag ik:

‘Wat betekent toch dit woord dat men waarheid noemt?’

‘Wat betekent toch dit woord dat men vrijheid noemt?’

In Moskou waren het onbekenden

In Warschau wist ik wie zijn waren.

Morgen zijn het hier misschien mijn vrienden.

Of ben ik het zelf.

Henri-Floris JESPERS

 

(Uittreksel uit de derde Pernathlezing, gehouden op 1 juni 2006 in het auditorium van het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen. Volledige tekst met noten en bibliografie: Henri-Floris Jespers, De maskers van Melpomene, Antwerpen, Hugues C. Pernath Fonds, 2006, 64 p.)

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche