Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
28 octobre 2008 2 28 /10 /octobre /2008 23:51

Dichter, kunstkenner, radioman en mystificator Lambert Jageneau (1925-1984) was een uiterst boeiende persoonlijkheid die niet altijd de grens trok tussen waarachtige autofictie en biografische waarachtigheid.

Dichter Jan Berghmans (°1938) brak door in 1963. Zo uiteenlopende critici als Paul de Vree en Hubert Lampo bezongen zijn uitzonderlijk talent, hij werd geïnterviewd door de BRT en Humo, en gold zowat als een literaire ster en dichtwonder. Tot Jaak Brouwers op 29 november 1967 in Het Laatste Nieuws de verrassende vraag stelde: “Is Jan Berghmans Lambert Jageneau?”. Op 1 december werd Berghmans ontmaskerd tijdens een voor hem bijzonder pijnlijke radio-uitzending in aanwezigheid van een deurwaarder – een verhaal dat in details verteld wordt door Jan van Rompaey in De koningin was in twee stukken.

De naam Lambert Jageneau blijft in litteris onlosmakelijk verbonden met de geruchtmakende, meesterlijke en op sommige punten nog altijd raadselachtige mystificatie rond Jan Berghmans, destijds voorpaginanieuws in Vlaanderen en Nederland. In zijn zo pittig boek De verlakkers stelt Wim Zaal (1991) dat het zelden gebeurt “dat een vlechtwerk van mystificatie en plagiaat, waarvan de oplossing voor iedereen zichtbaar verwerkt is, toch jarenlang onopgemerkt blijft”.

Ik ben ervan overtuigd dat de rol van bepaalde literatoren uit de omgeving van Berghmans nader onderzoek verdienen. In de Franse rechtsleer spreekt men over “conviction intime”, en die overtuiging hoeft niet beredeneerd te worden.


Joke van den Brandt en ExLibris-voorzitter John Bel, 1 oktober 2008

Op uitnodiging van de kring ExLibris gaf Joke van den Brandt op 1 oktober een lezing over “Lambert Jageneau & de zaak Berghmans” (zie het bericht van 29 september). Niemand is beter geplaatst dan de beroemde kalligrafe om de man en de kunstenaar ten voeten uit op te roepen.

De volledige tekst van haar lezing wordt in primeur gepubliceerd in de volgende aflevering van de Mededelingen van het CDR. Om literair-historische redenen besloten we eveneens de volledige tekst elektronisch te publiceren.

HFJ

                  Uit eenzaamheid moest ik voor anderen zingen

                 Al vroeg er niemand waarom ik zo zong

                 En mij vergeefs in vreemde bochten wrong

                 Na elk lied van winters die vergingen

                

                 En immer vroeg ik om een goed gelaat

                 Ging als een vreemde tussen vreemdelingen

                 Alleen mijn handen vol herinneringen

                 Jasmijn en anjers hunkerend langs de straat

 

                 Toch als ik zing van sterren en van stenen

                 Richt ik mijn aarde als een voortuin in

                 En als de laatste vogels zijn verdwenen

                 Begin ik aan de droom van een gezin

 

                 Met een prinses verkleed als herderin

                 Alleen het andere waarvan cello’s zingen

                 Laat zich niet door een spiegeling verdringen

 

Dit gedicht kan een Leitmotiv zijn voor deze lezing. Alles is erin vervat : het acrostichon (de eerste letters van elk vers vormen van onder naar boven de naam Lambert Jageneau) de verwijzing naar de fundamentele eenzaamheid van de hypergevoelige Lambert en zijn naïeve, romantische hunker naar een eenvoudig leven met een gezin.

In zijn boek Artis Amore heeft Henri-Floris Jespers op meesterlijke wijze een ontroerend portret geschetst van Lambert Jageneau. De zaak  Jageneau- Berghmans wordt er uitgebreid behandeld en in het aangevoerde materiaal is grote volledigheid betracht. Ik wil hier echter als bevoorrechte getuige vertellen over Lambert Jageneau, en spreken over hem is onmogelijk zonder “de zaak“ te belichten.

Als ergens in het boek Artis Amore Kurt van Eeghem beweert dat hij de grootste moeite had om niet in lachen uit te barsten als ik beweerde dat Lambert Jageneau een genie is kan ik hem dat niet kwalijk nemen. Hij kende Lambert niet. Zelfs zijn beste vrienden kenden hem niet. Ikzelf kan nu, na 24 jaar slechts met moeite alle facetten van zijn boeiende persoonlijkheid samenbrengen, hoewel hij mij in zijn laatste levensjaar ooit toevertrouwde: “er is nooit iemand geweest die mij gekend heeft zoals jij mij kent”.

Lambert was zeker een genie. Begaafd met een fenomenaal geheugen, had hij een enorme kennis van Chinees porselein en antiek, van geschiedenis en literatuur, en was hij vooral ook geniaal in het scheppen van een levenstoneelstuk waarin hijzelf tegelijkertijd de hoofdrol speelde en tevens instond voor de regie en de rekwisieten.

In 1954, ik was zestien, begon ik onder invloed van een bevlogen lerares, Franse poëzie te lezen: Apollinaire, Mallarmé, Éluard, Prud’homme, Leconte de Lisle, Verlaine, Villon, Rimbaud .

In de Nederlandse poëzie had ik reeds mijn  voorkeuren: Van Nijlen, Marsman, Smit, Vasalis, Leopold en vele anderen. Toen ons op school de klassieke grondbegrippen van de poëzie bijgebracht werden en we vertrouwd raakten met jambe, trochae, dactylus en anapest, stafrijm volrijm en alliteratie, haalde ik steeds de meeste punten voor mijn verzen waarin we het geleerde moesten toepassen. Gevolg: ik begon gedichten te schrijven. Zonder iemand iets te zeggen stuurde ik enkel verzen naar een jeugdtijdschrift onder het pseudoniem Veerle van Turnhout. Tot mijn grote verbazing werden ze onmiddellijk gepubliceerd en kreeg ik een brief van de redacteur die mij wilde ontmoeten. Hoewel wij thuis tamelijk vrijgevochten waren, uit noodzaak eigenlijk want mijn ouders hadden een drukke patisserie in de hoofdstraat van het provinciestadje Turnhout, was dit niet zo simpel. Ik kon niet zomaar ontsnappen en even naar Brussel gaan. Na enkele wederzijdse brieven en vluchtige afspraken verflauwde het contact en verdween de man uit mijn leven zonder dat ik zijn naam kende of hij de mijne. In onze briefwisseling gebruikte ik mijn pseudoniem en het postadres van mijn vriendin M. Loix.  Mijn post ging naar Lambert Raimond in de Abdijstraat 33 te Brussel.

We schrijven nu 2 juni 1979. De betreurde televisiereporter Jan Geysen (die op 56-jarige leeftijd jammerlijk verongelukte in Spanje) heeft een aantal kunstenaars van zeer verscheiden pluimage uitgenodigd voor een boottocht op de vaart van Damme. Frank-Ivo en ikzelf zijn van de partij. Er is catering aan boord. Terwijl de camera zich beweegt van het ene groepje naar het andere wordt er gezongen, geacteerd, geïnterviewd en genoten van hapjes en drank. Van de opnames zullen Jan Geysen en Rudy Reusens een film monteren voor de 11-juli- viering op de BRT. De op dat ogenblik nog zeer jonge Fred Brouwers interviewt. Met de hem eigen virtuositeit tekent Frank-Ivo de portretten van de aanwezigen. Als de boot aanmeert te Damme begeeft iedereen zich naar een leegstaand schoolgebouw waar de gasten onthaald worden op een receptie. Na enkele korte toespraken mag ik Frank-Ivo’s bladen overhandigen aan de geportretteerden. Als het de beurt is aan Lambert Jageneau drukt hij mij een briefje met een telefoonnummer in de hand.


Joke van den Brandt, Jan Geysen en Frank-Ivo van Damme

Enige tijd later belde ik hem op de BRT. En we spraken af te Antwerpen waar we elkaar na die tijd geregeld ontmoetten. Ik was opgetogen toen ik hoorde dat hij dé L.J. was van de poëzie-mystificatie. Ik had immers eind jaren zestig de hele controverse die rond deze zaak ontstaan was gevolgd in kranten, tijdschriften en op de radio.

Op 10 oktober 1979 waren we uitgenodigd op een verjaardagsfeestje bij vrienden te Schilde. Daar ik wist dat Lambert jarig was op 4 oktober had ik voor hem een boek van Van Schaegen gekocht. Om hem te plezieren had ik  als opdracht een vers met acrostichon gemaakt.

Terwijl ik dit schrijf hoor ik weer haarscherp elk woord. Lambert opende het boek, las mijn tekst en zei: “ Je maakt mij niet wijs dat dit de eerste maal is dat je een vers schrijft”. Ik antwoordde: “ Nee hoor, ik heb vroeger wel eens gedichten gestuurd naar een zekere L.R. die ze heel goed vond.” Het antwoord van Lambert sloeg bij mij in als een bom: “ Dan ben jij Veerle”. Dat moment van herkenning bepaalde de volgende vijf jaren van ons leven… voor Lambert waren het de vijf laatste.

Die zin heeft hij later ook verwerkt als acrostichon in Het lichtboek van Lilith.


Lambert Jageneau en Joke van den Brandt, 1981

(wordt vervolgd)

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche